Vandaag 50 jaar geleden, begrafenis van de Franse schrijfster Louise de Vilmorin.

Louise de Vilmorin werd in 1902 geboren in Verrières-le-Buisson, telg uit een vooraanstaand geslacht van botanisten.

Ze had een ouder zusje en vier jongere broers, die ze later aanmerkte als haar beschermende klaverblad; het klavertjevier waarmee ze haar brieven ondertekende, haar handelsmerk.

Haar moeder leidde een mondain leven, had een salon, waar vorsten, diplomaten en schrijvers elkaar kruisten.

Als kind was Louise door ziekte vaak gekluisterd aan haar ‘Rossinante’, haar bed op wielen; een positie aan de zijlijn die haar observatievermogen en haar fantasie scherpte. Haar liefdesleven was tumultueus.

In 1923 verloofde ze zich met haar neef Saint-Exupéry; in 1925 trouwde ze met de Amerikaan Henry Leigh-Hunt, met wie ze drie dochters kreeg.

In 1933 had ze kort een verhouding met André Malraux.

In 1937 trouwde ze met de Hongaarse graaf Pali Pálffy; ook dat huwelijk hield geen stand.

In 1947 leerde ze Coco Chanel kennen en tien jaar later bracht ze haar biografie uit Mémoires de Coco.

Vanaf 1950 vestigt ze zich in het huis van haar familie in Verrières-le-Buisson, waar ze in haar ‘salon bleu’ kunstenaars, schrijvers en filmers ontvangt.

Enkele meesterwerken van haar zijn Sainte-Unefois, Julietta, L’Heure Maliciôse, Lettre dans un taxi en poëziebundels als Fiançailles pour rire en L’Alphabet des aveux.Louise schreef zelf het scenario voor Les Amants, van Louis Malle, uit 1958.

De film is gebaseerd op de novelle Point de lendemain van de Franse auteur Vivant Denon, met onder meer in de hoofdrol Jeanne Moreau en Alain Cuny.

Aan het eind van haar leven krijgt ze opnieuw een verhouding met André Malraux.

De media-aandacht die dat oplevert, doet haar verzuchten: ‘Ik ben niet langer Louise de Vilmorin, ik ben Marilyn Malraux.’

Ze stierf op de leeftijd van zevenenzestig jaar op 26 december 1969 en drie dagen later begraven op 29 december 1969 (diverse bronnen, Wikipedia en foto 1 André Malraux troost één van haar dochters, foto 2 de Franse acteur Paul Meurisse en foto 3 Ingrid Bergman en haar man)

50 jaar geleden, te gast bij de kunstschilder Godfried Theunynck.

Godfried Theunynck (°1944) is een van de schilderende zonen van de toen befaamde Boer Theunynck, ook bekend als Gaston Theunynck (Esen, 1900 – Roeselare, 1977).

Deze autodidact zat niet alleen in een boerenstiel, maar schilderde ook in een naïve post- expressionistische trant.

Hij heeft ook twee schilderende zonen, Walter en Godfried.

Godfried Theunynck gebruikt eveneens een expressionistische stijl met een warm palet.

Hij heeft onder meer de Kruisweg geschilderd van de Sint-Catharinakapel te Kuurne.

30 jaar geleden, Hugo Schiltz toen Vice eerste minister en minister van begroting

De Tweede Wereldoorlog geeft het leven van de jonge Schiltz een beslissende wending.

Als diepgelovige tiener is hij lid van de Nationaalsocialistische Jeugd Vlaanderen.
Na de bevrijding wordt hij hiervoor enige tijd opgesloten.

In 1955 trouwde hij met zijn achternicht Garda Schiltz.
In 1959 verkozen in de gemeenteraad van Antwerpen als onafhankelijke op de CVP lijst.
Vanaf 1965 was hij lid van de Volksunie.

Hij was één van de vaders van de federale staat en vervulde na het Egmontpact van 1977 sleutelfuncties in veel regeringen.


In 1982 schreef hij een boek met als titel Macht en onmacht van de Vlaamse Beweging.
Hugo Schiltz was in 1989, vice eerste minister en minister van begroting.
In 1995 werd hij benoemd tot Minister van Staat, en werd alzo lid van de Kroonraad.
Hij bleef politiek actief als schepen van Financiën, Economie en Toerisme in Antwerpen tot het jaar 2000.


In 2001 bij de splitsing van de Volksunie, sloot hij zich – evenals onder andere Bert Anciaux, Lionel Vandenberghe en Nelly Maes – aan bij Spirit.


Na zijn schepen ambt werd hij opnieuw actief in de advocatuur.


Eerst bij Ernst & Young en Peeters Advocaten, daarna richtte hij Laurius-Schiltz-Verschroeven ADVC op, samen met Guido Verschroeven, voormalig hoofd van de juridische dienst van Boelwerf.


Hij was ook lid van de raden van bestuur van de Argenta Groep.
Schiltz was vanaf 2002 ook voorzitter van de Vlaamse Opera en erevoorzitter van het Flanders Fashion Instituut (FFI) in Antwerpen.

Schiltz overleed uiteindelijk op 78-jarige leeftijd aan de gevolgen van leukemie in het Universitair Ziekenhuis van Antwerpen in Edegem.

Op 22 augustus 2006 vond de begrafenis van Schiltz plaats in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in Antwerpen.


Testamentair had Schiltz aangegeven geen staatsbegrafenis te willen vanwege zijn Vlaams-nationalistische levenswandel, dit hoewel hij daar als Minister van Staat recht op had.

Schiltz werd in een witte kist de kathedraal binnengedragen.


Op vraag van de familie waren er geen vlaggen in de kathedraal aanwezig.

De sobere uitvaartmis werd massaal bezocht, door veel Vlamingen, politici en ook Nederlandse Groot-Nederlanders en EVA-partners, in totaal zo’n 1200 personen.
De aansluitende uitvaart vond in besloten familiekring plaats. Schiltz kreeg zijn laatste rustplaats op het Schoonselhof.


Zijn zoon, Willem-Frederik Schiltz is Vlaams parlementslid en districtsraadslid in Antwerpen namens de Open VLD.(Diverse bronnen, biografie Hugo’s heilige vuur van Paul Huybrechts, Wikipedia en Foto’s uit De Post van 15 december 1989)

Hugo Schiltz in de Post van 15 december 1989
Hugo Schiltz in de Post van 15 december 1989

70 jaar geleden, te gast in het droomkasteel ‘Le Palais Idéal’ van de postbode Cheval.

In het plaatsje Hauterives in de Drôme staat een exotisch bouwsel dat iets weg heeft van de tempels van Angkor.

Geen hoek van Le Palais Idéal is recht en de muren zijn versierd met de vreemdste stenen, schelpen, exotische dieren en wezens.

Dit is het aandoenlijke levenswerk van Facteur Cheval, een postbode die in 1879 zijn voet stootte tegen een gek uitziende steen.

Hij voelde een roeping en besloot het paleis van zijn dromen te bouwen, speciaal voor zijn jonge dochter.

In 30 jaar (en totaal 90.000 manuren) verrees een heus paleis met verwijzingen naar bouwstijlen uit alle continenten.

Want postbode Cheval vond zijn inspiratie op de ansichtkaarten die hij bezorgde.

In zwart-foto’s van hindoe-tempels, moskeeën en Egyptische grafkamers.

Verleden jaar kwam de Franse film L’Incroyable destin du Facteur Cheval uit.

In de film zien we hoe Facteur Cheval die een hoop te verduren krijgt in zijn leven.

Zo verliest hij de ene na de andere geliefd.

Maar zijn paleis blijkt een soort reddingsboei, een reden om door te gaan, ook al begrijpt alleen zijn dochter waar hij mee bezig is.

Een mooi moment in de film is als zijn vrouw (Laetitia Casta) naar hem lacht, als hij een eerste lintje krijgt van de burgemeester.

Jarenlang vond zij zijn project net zo vreemd als de andere dorpsbewoners. Maar nu realiseert ze zich trots dat mensen van verre komen om zijn paleis te bewonderen.

Facteur Cheval is ineens geen lokale gek meer, maar de held van een eenvoudig dorpje in de Drôme.

Bijna een eeuw na zijn dood blijft dat een hele mooie reden om zijn Palais Idéal eens te bezoeken.

Le Palais Idéal en het museum over Facteur Cheval in Hauterives is dagelijks open en de inkom is €8 (volw.) en €5 (kinderen). Meer informatie: www.facteurcheval.com. (Diverse bronnen,Sabine Dekker, Wikipedia en Foto’s 1 tot en met 5 afkomstig uit het Tijdschrift Ons Volk november 1949, Foto 6 en 7 Facteur Cheval en zijn gezin )

70 jaar geleden, voetbal voor honden.

Het was toen één van de acts van het beroemde Duitse dierentuin Tierpark Hagenbeck in Hamburg.

Carl Hagenbeck, dierenhandelaar, circusdirecteur en dierentuin eigenaar werd dit jaar 175 jaar geleden geboren.

De Duitse media besteden er veel aandacht aan, natuurlijk, Carl Hagenbeck was een Duitser en de Hagenbeck dierentuin bestaat vandaag de dag nog steeds in Hamburg en trekt ruim een miljoen bezoekers per jaar.

Carl werd op 10 juni 1844 geboren als zoon van Claus Gottfried Carl Hagenbeck (1810–1870), die niet alleen vis verkocht maar ook exotische dieren.

Toen Carl veertien jaar was, gaf zijn vader hem een paar zeehonden en een ijsbeer en zo begon Carl zijn eigen collectie dieren op te bouwen.

Hagenbeck maakte veel reizen om zelf dieren te vangen en besloot in 1874 om zijn collectie uit te breiden en ook wilde mensen te tonen.

Hij nam inheemse bewoners uit Lapland en de Samoa-eilanden mee om aan zijn bezoekers te tonen samen met hun wapens en tenten.

Ook nam hij een groep rendieren uit Lapland mee. Een jaar later trok hij met zijn groep door Europa en zelfs door de Verenigde Staten.

In 1876 namen zijn medewerkers Nubiërs en wilde dieren uit Egypte mee en uit Labrador liet hij Eskimo’s halen.

Hagenbeck trainde ook dieren om in een circus te gebruiken. Deze verkocht hij in 1893 op de grote Wereldtentoonstelling in Chicago en in 1904 op de Wereldtentoonstelling in St Louis.

In 1907, hij was toen 62 jaar oud, opende hij een dierentuin in Hamburg-Stellingen.

Dit was toen wereldnieuws, want zijn dierentuin had geen tralies. Zijn patent op dit idee had hij al in 1896 vastgelegd.

Hij wilde dat zijn dieren zoveel mogelijk in een natuurlijke omgeving zouden wonen. Dierentuin Hagenbeck is 25ha groot en heeft nu 1850 dieren verdeeld over 210 soorten.

Het dierenpark beschikt sinds 2009 over een eigen hotel. (Diverse bronnen, Circusweb, Wikipedia en Foto’s afkomstig uit het tijdschrift Ons Volk december 1949)

Vandaag 30 jaar geleden, de productie Vulvania van Jan Decorte en Cie in première.

Decorte heeft zijn drieluik over de Existentiële Prins herhaaldelijk de Aidstrilogie genoemd.

Onderbroekenlol, flauwekul, absoluut amateurisme, allemaal omschrijvingen die op Jan Decortes Naar Vulvania perfekt toepasbaar zijn.

Ware het niet dat Jan en de zijnen (Sigrid en Chantal in dit geval) niet onnozel of amateuristisch zijn.

Ze zetten je, en je zit er dan nog mee te lachen ook, voortdurend op het verkeerde been.Het cliché van de.stand-up comedian, het cliché van de amateur theatermaker in een lokaal gezelschap, het cliché van de schlemiel die verstrikt raakt in zijn eigen onhandigheden, het cliché ten slotte van de psychedelische trend (door Decorte zelf uit de Brusselse lucht geplukt en tot persoonlijk waarmerk verheven), het wordt allemaal tot een absoluut toppunt gedreven.

Het zou best mogelijk zijn om aan dit stuk een volledige theorie op te hangen over de stand van zaken in de kunst volgens Decorte.

Maar zo’n interpretatie glijdt van het stuk af als water. Ze houdt nooit echt steek, je kunt Decorte nergens op vastpinnen, zelfs niet op het feit dat hij niet kan spelen.

Als hij op het einde, op bevel van Sigrid Vinks, doodvalt op muziek van Lenny Kravitz’ “Let love rule” heeft dat een ondoorgrondelijke ironie: je weet echt niet of hij dat nu leuk en psychedelisch vindt, of evengoed gewoon flauwekul zoals zijn eigen stuk.

En Decorte zal wel de laatste zijn om hierover enige opheldering te verschaffen. En dat in hoofdzaak, omdat hij misschien wel beide tegelijk denkt.Anders gezegd, de “boodschap” van het stuk is kort en bondig: stop met denken.

Denken hier te begrijpen als het voortdurend opwerpen van intellectuele (ideologische) raamwerken tegen wat je ziet, het voortdurend zoeken naar een “diepere” waarheid, van welke aard ze ook mogen wezen.

Het bevrijdende gelach dat daarvan uitgaat, zit gewoon ingebakken in Naar Vulvania, het wordt nergens gezegd, uitgelegd, opgedrongen.

Dat we allemaal bezig zijn met seks, het is geen aanleiding tot handenwringend gepsychologiseer, het is aanleiding voor een ijzersterke schlager: “Ik ben de man die het niet kan, Zwabidim, Zwabidoem”.

Het enige wat je je zou kunnen afvragen is of dit zottekesspel nu per se over drie afleveringen uitgesmeerd moest worden. Gewoon omwille van de lol? (Diverse bronnen, De Standaard en De Post van 15 december 1989)