

Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek






Geregisseerd en gechoreografeerd door Maurice Béjart.

Opera van Jacques Offenbach en gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk van Jules Barbier en Michel Carré.

Kostuums en decor door Germinal Casado en uitgevoerd door het Ballet du XXe Siècle van het Théâtre de la Monnaie in Brussel.

Een jaar later en dit met groot succes was deze productie te zien in Parijs.













Hugo De Pot is geboren in Aalst, op 19 november 1942.
Hij studeerde aan het Sint-Maarten Instituut in Aalst en aan de Katholieke Universiteit van Leuven.
Op 15 december 1965, na zijn studies Licentiaat en aggregaat Lichamelijke Opvoeding en Kinesitherapie, aan de KUL, aanvaarde Hugo De Pot een contract als leraar aan het Instituut voor Lichamelijke Opvoeding “Yvan Coutu” in Montréal, zonder te vermoeden dat hij niet 5 jaar, maar meer dan 50 jaar in Canada zou verblijven.
In 1967 werd hij leraar L.O. aan het departement “Loisirs et Sports” van het CEGEP van Montreal en in 1970 professor L.O. aan de Université du Québec.

Twee maanden na zijn aankomst in Montreal, richtte hij kunstgroep “Ars Gymnastica” op met zijn beste studenten Lichamelijke Opvoeding.
Vijf jaar experimenteren met lichaamsexpressie, doen zijn groep evolueren van ritmische gymnastiek naar acrobatische gymnastiek, en van contemporaine dans naar modern ballet.
De vele aanvragen voor optredens in theaters en op televisie waren de reden dat hij, samen met een twintigtal dansers, besloot zich voltijds te wijden aan de dans en hij richt “Les Ballets modernes du Quebec” op in 1970.

In 1973 vraagt de stad Longueuil aan Hugo om zich daar te vestigen met zijn balletgroep, en hij wordt door de burgemeester een gebouw aangeboden aan een interessante aankoopprijs.
Dit zette hem aan om “Ecole de danse Hugo Depot” op te richten en duizenden jonge mensen de kans te geven om danslessen te volgen.
Van 1971 tot 1975 waren vijf fantastische jaren van rondreizen met zijn “Ballets Modernes du Québec” in Canada en Europa.
Tijdens hun verblijf in Québec waren er tientallen optredens voor televisie en choreografieën voor culturele programma’s.
Zijn werk werd bekroond in 1975 op het Internationaal Dansfestival van Parijs, met een derde prijs als groep, en voor Hugo een eerste prijs voor moderne choreografie voor zijn ballet “La guerre pour la Paix”.
In 1974 werd Hugo De Pot door het Canadees Olympisch Comité benoemd tot artistiek directeur en choreograaf voor de Opening- en Sluitingsceremonies van de Olympische Spelen van Montréal in 1976.
Bijgestaan door zijn 12 dansers en 75 leraars L.O. trainde hij 5000 jonge dansers voor deze twee spektakels.
Toen een aanvraag voor een verzekerde jaarlijkse toelage aan zijn Ballets Modernes du Québec door de Canadese regering werd geweigerd, niettegenstaande een dik dossier van positieve perskritieken in zes talen, besloot Hugo De Pot zijn balletgroep te ontbinden, vermits het onmogelijk werd om hetzelfde artistieke niveau te behouden zonder gouvernementele steun.

Hugo besliste terug in Aalst te gaan wonen.
Maar, in 1977, op vraag van de Canadese regering, keerde hij terug naar Canada, om een massa spektakel te realiseren ter bevordering van de sport, met meer dan 2500 figuranten, in het Olympisch stadium van Montréal.
Dit was het begin van een nieuwe succesvolle periode voor Hugo De Pot.
Hij richtte “Hugo De Pot Productions” op waarmee hij bij vele nationale en internationale evenementen betrokken was als producer en/of als regisseur en choreograaf.
Alleen al in het Olympisch Stadium van Montréal realiseerde hij 14 spektakels die rechtstreeks op internationale televisie werden vertoond.
In 2004 , tijdens een rondreis in Cambodja, was Hugo erg onder de indruk van de penibele levensomstandigheden van die arme mensen en hij besloot gedurende de volgende jaren van zijn leven iets terug te geven aan de maatschappij.
In 2007 werd de vzw “Smilin Kids” opgericht. Hugo gaat er drie maal per jaar als vrijwilliger werken in zijn weeshuis en de school voor arme kinderen.(Diverse bronnen, Blog Hugo De Pot en De Post 28 november 1971)





Het stuk was geschreven door de Belgische schrijver José-André Lacour. De vertaling was van Koen De Ruyter.

De regie was in handen van Robert Maes en de toneelmeester van dienst was Donald Harnie.
Regie-assistent Jo De Meyere.

Met onder meer Greta Van Langendonck, Eddy Asselbergs, Albert Hanssens, Piet Bergers, Ugo Prinsen, Eric Raes, Leen Percyn, Lia Lee, Blanka Heirman, Jo Delvaux, Greta Verniers en Jan Gheysens.





















Paul Snoek was de oudste zoon van Omer William Schietekat en Paula Sylvia Snoeck.
In 1961 trouwde hij met Maria Magdalena Vereecke (Mylène) en samen hadden ze drie kinderen: een tweeling, Jan en Paul in 1963, en Sophie in 1966.
Hij was een middelmatige leerling in de nonnenschool Berkenboom en later in het St. Jozefsinstituut van zijn geboortestad.
Reeds van jongs af ging zijn interesse uit naar de natuur, maar ook naar het schilderen. Zijn vader had gedurende de Tweede Wereldoorlog ook schilderijen gemaakt om deze te ruilen bij de boeren voor voedsel.
Schietekat studeerde aan het Sint-Lievenscollege te Antwerpen en later aan het Sint-Jozef-Klein-Seminarie te Sint-Niklaas.
De priester-dichter Anton Van Wilderode was aldaar zijn leraar Nederlands en introduceerde hem in de poëziekunst.
Hij publiceerde toen als scholier enkele sonnetten in de literaire tijdschriften ‘Nieuwe Stemmen’, ‘De Tafelronde’ en in de ‘Dietsche Warande en Belfort’.
Paul Snoek studeerde rechten aan de Universiteit Gent, maar zijn literaire interesses waren zo opslorpend dat er van studeren zelf minder in huis kwam.
Hij schreef veel en probeerde zijn gedichten te publiceren.
Na een conflict met De Tafelronde besloot hij het pseudoniem Paul Snoek aan te nemen.
Zijn eerste gedichtenbundel “Archipel” verscheen in 1954 (maar geschreven in 1953).
Hij stopte zijn studies in 1956. Paul Snoek was in 1955 een van de medeoprichters van het avant-gardistisch tijdschrift Gard Sivik dat hij reeds in 1957 verliet.
Hij gaf in 1957 een tentoonstelling van zijn schilderijen in de Brusselse kunstgalerij ‘Taptoe’.
In hetzelfde jaar werd hij opgeroepen voor zijn legerdienst. Zoals zovele miliciens in die tijd vervulde hij zijn legerdienst in Duitsland, waar hij een leuke job als redacteur van het legertijdschrift ‘Vici’ kreeg.
Na zijn legerdienst besloot hij om een voltijdse kunstenaar te worden. Al snel stopte hij daar echter mee. Hij ging in zijn vaders textielbedrijf werken en bezocht vele landen als vertegenwoordiger.
In 1963 startte hij zijn eigen importbedrijfje op van Japanse zijde.
In 1965 werd hij vertegenwoordiger in het bedrijf “Atlas”, waar hij als verkoopdirecteur van paalfunderingen aan de slag ging.
In 1967 kocht hij een boerderij in Slijpe en vanaf 1972 begon hij weer volop te schilderen.
Er volgden verschillende succesvolle exposities en de verkoop van zijn schilderijen liep zodanig goed dat hij parttime ging werken bij Atlas.
In 1975 werd hij fulltime kunstschilder, maar de verkoop van zijn schilderijen viel nu tegen, waardoor hij in financiële moeilijkheden kwam.
Nadien probeerde hij de ene job na de andere: public relations, een antiekzaak, een bureau voor copywriting en een meubelzaak.
Hij werd journalist voor het “Nieuw Vlaams tijdschrift”. In zijn vrije tijd verzamelde hij antiek en deed hij aan amateurmotorcross.
Hij was een goede vriend van Gaston Burssens.
In 1975 ging hij ook een nieuwe relatie aan. Hij verliet vrouw en kinderen en verhuisde naar Oostende. De scheiding met zijn vrouw werd uitgesproken in 1976 en hij hertrouwde in 1977.
Hij verhuisde opnieuw, eerst naar Loppem en dan naar Varsenare.
In zijn laatste jaren leed hij aan manisch-depressieve buien en sprak hij tegen zijn vrienden regelmatig over de dood. Hij stierf in een auto-ongeluk in Egem en werd begraven in Varsenare.
