
Mike Verdrengh, ook op mijn vrije tijd werk ik (Story 25 augustus 1987)

Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek

Deze naam is eigenlijk een pseudoniem voor Roger Thienpondt.
Thienpondt was een Gentse dichter en toneel auteur geboren in 1926.
Hij werd geboren in de Korianderstraat.
Na zijn middelbare studies aan de handelsafdeling van de Nijverheidsschool in Gent werd hij in 1946 opsteller bij de Nationale Bank van België.
In 1965 kwam hij in dienst van het Nederlands Toneel Gent (NTG), eerst als secretaris, in 1967 als chef administratie en in 1973 als verantwoordelijke voor de public relations.
In 1979 werd hij dramaturg bij Theater Arena en in 1985 werkte hij bij de musicalafdeling van het Koninklijk Ballet van Vlaanderen.
Vanaf 1986 was hij freelance dramaturg en vertaler.
Hij schreef onder andere de succesvolle gedichtenbundel Orfeus achterna in 1949.
Voor dit werk kreeg hij de prijs voor letterkunde van de Stad Gent. Naast dichter was hij actief in het Vlaamse toneel.
Dankzij het Gentse productiehuis Cinébel, opgericht in 1958
Kon Berkenman die een grote passie had voor film.
Aan de slag gaan en dit leidde tot enkele filmprojecten, waar Want allen hebben gezondigd een voorbeeld van is.
Berkenman werkte voor deze film voor de tweede keer samen met de dramaturg Raymond Cogen.
In deze film speelde onder meer Jef Demedts, Hilde Uytterlinden, Suzanne Juchtmans en Raf Reymen.
Hun eerste langspeelfilm was Prelude tot de dageraad, een romantische film die werd uitgebracht in 1959.
Met hun tweede film wouden Berkenman en Cogen de onzin van de oorlog aanklagen.
Hoewel het thema van de Jodenvervolging het uitgangspunt is van het verhaal, zei Cogen dat dit thema slechts de achtergrond is van een klassiek noodlotsverhaal.
Het doel van beide filmmakers was met andere woorden niet een film te maken over de Jodenvervolging in België, maar dit thema was het best geschikt als achtergrond voor wat ze wel wouden vertellen.
De structuur van de film Want allen hebben gezondigd bestaat uit flashbacks van een Joodse vertelster, die tussen de stukken door mijmert over Wereldoorlog II.
Het voornaamste motief in de film is de schuldvraag, die al beantwoord wordt in de titel: Want allen hebben gezondigd. Berkenman en Cogen tonen aan de kijker een meer complexe schuldvraag dan wat ze gewoon zijn uit andere films.
Waar tot dan toe alles zwart-wit werd voorgesteld, een patriottisch volk tegenover een agressieve bezetter, is er in deze film veel meer aandacht voor de grijswaarden.
Zo is de ‘zwarte’ Von Lehndorf helemaal niet zo overtuigend als ‘vijand’, is de notaris ‘schuldig’ omdat hij ver gaat in zijn accommodatie en is de verzetsheld helemaal niet heroïsch wanneer hij totaal overbodig een medemens vermoordt.
De periodisering van de film is moeilijk te bepalen. Aangezien de jodenvervolging aan bod komt, kunnen we stellen dat het na 1942 is, aangezien dan pas de vervolgingen in België op gang kwamen.
In Want allen hebben gezondigd zien we een heel andere beeldvorming van de Duitsers en het verzet dan in de films van de Franstalige filmmakers. In de plaats van een verheerlijking van het verzet, zien we een nuancering van hun vermeende heldhaftigheid.
Ook de mythe dat de Duitse bezetters allemaal onmenselijke nazi’s waren, wordt in deze film ontkracht.
Op het eerste zicht is deze film een aanklacht tegen de oorlog en het racisme tegenover de Joden.
Maar als we de film plaatsen in de Belgische maatschappelijke context van een gespleten oorlogsherinnering, krijgt de film nog een tweede betekenis.
De film roept namelijk impliciet op om de harde beschuldigingen tegenover collaboratie her te bekijken.
Zo kan Von Lehndorf vergeleken worden met een collaborateur: hij staat weliswaar aan de Duitse kant, maar gaat daarom nog niet akkoord met de nationaal-socialistische theorieën.
De notaris kan op zijn beurt gezien worden als een symbool voor de accommodatiepolitiek van de Belgische elite en ook hen treft schuld.
De moord op Von Lehndorff ten slotte kan gelezen worden als symbool voor de wraakacties van het verzet op collaborateurs of de onrechtvaardige repressie.
Waarom in deze film collaboratie en repressie, thema’s die toch nog steeds actueel waren in Vlaanderen, niet expliciet voorkomen, kan verklaard worden door het feit dat er op deze zaken nog steeds een taboe rustte.
De tijd was nog niet rijp voor een film over dit thema. De vraag is echter of Vlaanderen er nu al klaar voor is in 2022.
In 1990 werd hem voor zijn oeuvre als dichter en toneelauteur en voor de belangrijke rol die hij speelde in de promotie van het theater de Frans Roggenprijs toegekend. (Ons Land 19 november 1960, scriptie Voor vorst, voor waarheid of voor kijkcijfers, Beeldvorming van Wereldoorlog II in de Belgische film van Maaike Van Melckebeke en Dirk de Wulf.)





Jean Ray werd geboren in een herenhuis in de Gentse Ham en in juli 1895 verhuisden zijn ouders naar de Sint-Jansdreef.
In februari 1912, na zijn huwelijk met de revueactrice Virginie Bal (Nini Balta), vestigde hij zich in de Zondernaamstraat en vanaf oktober 1913 woonde hij in de Baudelostraat.
In juni 1917 in de Wolfstege en vanaf juli 1924 opnieuw in de Baudelostraat.
Vanaf juli 1926 aan de Albertkaai (thans Gordunakaai); nadat hij in oktober 1930 zijn vrouw verliet, betrok hij een appartement in de Normaalschoolstraat.
Vanaf november 1934 treffen we hem aan in de Sint-Jansdreef en vanaf juli 1937 woonde hij in de Borluutstraat (nu Belfortstraat.
Vanaf september 1939 in de Prinses Clementinalaan, in juli 1952 verhuisde hij naar de Tentoonstellingslaan en in december 1954 trok hij in bij zijn dochter aan de Rooigemlaan.
Hij kreeg lager onderwijs in het Laurentinstituut (Onderstraat).
Vanaf oktober 1901 was hij op internaat in Pecq bij Doornik.
In 1903 en 1904 volgde hij het derde jaar moderne humaniora aan het Koninklijk Atheneum in Gent (Ottogracht).
Uit die tijd stammen zijn eerste pennenvruchten in het studentenblad De Goedendag.
De twee schooljaren daarop studeerde (en mislukte) hij aan de Gentse Rijksnormaalschool, in de Ledeganckstraat. In de Almanak van ’t Zal Wel Gaan (1907-1908) verschenen enige gedichten van zijn hand.
Van 15 juli 1910 tot eind april 1919 was hij klerk bij het Gentse stadsbestuur.
Een voorbeeldige ambtenaar was hij blijkbaar niet.
In 1912 was er zelfs een duistere affaire met het uitgeven van wissels.
Hij bleef enkel in dienst dank zij politieke bescherming.
Inmiddels debuteerde hij in 1911 – als Jean Ray – met Franstalige coupletten voor de revue Ze zijn daar, op liberetto van R. Schmidt en Henri van Daele.
Met laatstgenoemde, “keizer” van het Gentse volkstoneel, werkte hij later nog regelmatig samen en onderhield hij een levenslange vriendschap.
Na de Eerste Wereldoorlog vestigde hij zich als zelfstandig wisselagent.
In die periode was hij op het toppunt van zijn literaire roem.
Begin 1925 verscheen zijn eerste verhalenbundel, Les Contes du Whisky.
Duistere praktijken met leningen leverden hem in januari 1927 een veroordeling tot een gevangenisstraf van 6 jaar en 6 maanden op.
Wegens voorbeeldig gedrag (in de Nieuwe Wandeling) kwam hij al vrij in februari 1929.
Ondertussen was hij broodschrijver geworden.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog verschenen zijn verhalenbundels Le Grand Nocturne (1942), Les Cercles de l’épouvante (1943), Cité de l’indicible peur (1943), Malpertuis (1943, geïnspireerd door het Gent van Jules de Bruycker) en de raamvertelling Derniers contes de Canterbury (1943) – allemaal voor volwassenen, allemaal met een soms zeer hoog “Gent-gehalte”.
Na de Tweede Wereldoorlog sleet hij, als John Flanders, jeugdverhalen bij uitgeverij Averbode en werkte hij mee aan verschillende tijdschriften (’t Kapoentje, Ons Volkske, Zonneland…).
Tegelijkertijd publiceerde hij, als Jean Ray, tal van verhalen voor volwassenen.
Op het einde van zijn leven kende hij een late glansperiode toen uitgeverij Gérard zijn Les 25 meilleures histoires noires et fantastiques (1961) op de markt bracht.
Twee jaar later werd hem de enige prijs toegekend die hem bij leven te beurt viel: de Franse Prix des Bouquinistes.
Op 17 september 1964 werd een hartaandoening hem fataal. Hij werd begraven op de Westerbegraafplaats (graf F 4-8).
Niettegenstaande honderden van zijn verhalen zich afspelen in allerhande exotische oorden, ademt gans zijn oeuvre de sfeer van het Gent van zijn jeugd.
Ook wanneer hij zijn verhalen in het mistige Londen situeert, baseert hij zich duidelijk op het Gent dat hij zo liefhad.
Bovendien schreef hij tal van columns over “zijn” Gent in de rubriek Dat was een tijd! van de krant Het Volk; ze werden in 1996 gebundeld uitgegeven.
Vanaf 1934 schreef hij reportages, cursiefjes en Gents nieuws in De Dag, meestal over Gentse volkswijken.
Befaamd is zijn La Main de Goetz von Berlichingen (1951), waarin “Oom Kwansuys” opduikt die zich het liefst omringde met vrienden die hem veel aandacht gaven en in “stomme bewondering voor zijn redevoeringen” stonden.
Deze oom was niemand minder dan Edward (“Eedje”) Anseele (zijn echte oom langs moederszijde) die ook een belangrijke rol kreeg toebedeeld in de roman Malpertuis, het “vervloekte huis van de hel”.
Met Malpertuis werd klaarblijkelijk Feestlokaal van de Vooruit in de Sint-Pietersnieuwstraat bedoeld dat werd gebouwd in 1913, onder impuls van oom Anseele.
De Anseeles waren weinig opgezet met dit boek: in de personages herkenden zij immers veel van hun eigen kleinburgerlijkheid.
De roman werd in 1972 in het Nederlands vertaald door Hubert Lampo én in 1972 verfilmd door Harry Kümel, met Orson Welles in de hoofdrol.(Diverse bronnen, Geert Vandamme en Ons Land 14 juli 1962)


Jürgens was in zijn leven getrouwd met:
Lulu Basler, actrice (15 juni 1937 – 8 oktober 1947) (gescheiden)
Judith Holzmeister (16 oktober 1947 – 1955) (gescheiden)
Eva Bartok (13 augustus 1955 – 1957) (gescheiden, kreeg met haar 1 dochter)
Simone Bicheron (14 september 1958 – 1977) (gescheiden)
Margie Schmitz (21 maart 1978 – 18 juni 1982) (tot aan zijn dood)







Yvonne Delcour werd als Yvonne Verschueren geboren op 8 mei 1932 in de Brugse Poortwijk.
Als tienermeisje volgde ze dansles bij Lily De Munter en na de oorlog richtte ze, samen met haar zussen, Dansgezelschap Verschueren op.
Yvonne Verschueren deed in 1949 auditie als danseres bij Romain Deconinck en deze wijzigde haar naam naar Delcour.
Jarenlang speelde ze volkstheater in de Minardschouwburg in Gent, bij de Beren, het gezelschap van Romain Deconinck.
Na de scheiding van Delcour haar eerste man en de scheiding van Deconinck werden beide een koppel en huwden in 1967.
Yvonne heeft 41 jaren in alle Minard-producties gespeeld
Daarnaast was ze te zien in onder andere de televisiefilm De vrijage van Marietje Hemelsoet en in de Tv-reeks De Kolderbrigade.
Na zijn overlijden verdween ze een aantal jaren van de scene.
In het theater stond ze in 2005 in de Capitole in Gent in De Paradijsvogels in een regie van Jef Demedts, samen met onder andere de muzikale inbreng van Walter De Buck.


George Sanders won de Academy Award voor Beste Mannelijke Bijrol voor zijn gepolijste en sarcastische kritische rol in All About Eve van Joseph L. Mankiewicz.
In 1940 trouwde Sanders met Susan Larson (1910-1981), van wie hij in 1949 scheidde.
Van 1949 tot 1954 was hij getrouwd met de Hongaarse actrice Zsa Zsa Gábor, die gescheiden was van Conrad Hilton.
In 1956 speelden Sanders en Gabor in Death of a Scoundrel.
Sanders hertrouwde daarna met actrice Benita Hume, weduwe van acteur Ronald Colman, van 1959 tot haar dood in 1967.
Daarna trouwde hij met Magda Gabor, de oudere zus van zijn tweede vrouw.
Het huwelijk eindigde al na zes weken en volgens Magda Gabor wegens zijn alcoholverslaving. George Sanders zijn verhaal is dat hij door haar aan de drank is begonnen.
Hij pleegde zelfmoord op 25 april 1972 in Catalonië in zijn hotelkamer in Castelldefels ,ten zuiden van Barcelona.
De rede voor zijn zelfmoord was dat hij zelf een einde wou maken voor de kanker hem zelf zou doden.
In zijn afscheidbrief schrijft hij het volgende: Ik vertrek omdat ik me verveel. Ik heb het gevoel dat ik al lang genoeg geleefd heb. (Diverse bronnen, De Post 7 mei 1972 en Wikipedia)





Van 1954 tot 1958 volgde hij les aan het Sint-Lucasinstituut in Brussel onder de vakkundige begeleiding van Luc Verstraete (1928-2008).
Van 1958 tot 1960 volgde hij opleiding aan de Kölner Werkschule.
Zijn eerste tentoonstelling had plaats in Galerie Helikon in Hasselt in 1962. In 1965 was hij er opnieuw te gast.

Steven is vooral bekend als tekenaar van monumenten en stads- of dorpsgezichten.
Steven gaat steeds zijn onderwerpen op die plek bekijken, leest erover en laat zich door specialisten inlichten.
Hij tracht door schetsen de constructie van een gebouw en de lijnen van het landschap meester te worden.

Hij wil de werkelijkheid tekenen, maar ze niet kopiëren. Hij vereenvoudigt lijnen en vlakken en zondert zijn onderwerp af als ze in een lelijke omgeving staan.
Hij laat ruimte zodat we zelf de kleuren van onze verbeelding kunnen schilderen.

Zo draagt hij bij tot monumentenzorg en doet vergeten en verloren hoekjes, straten, gebouwen en pleinen opnieuw ontdekken.
Daarnaast is hij ook cartoonist, graficus, striptekenaar, illustrator van boeken, ontwerper van postzegels en bierviltjes.
Steven werd onderscheiden met de Prijs Pro Civitate (1972), de Culturele Onderscheiding van de provincie Limburg (1994) en de prijs van de Vlaamse Gemeenschap (1994). (Diverse bronnen, De Post 25 februari 1962 en Wikipedia)


De verzwegen zelfdoding van de geliefde van Hugo Claus (voor Marja Habraken (1939 – 1989))
Je had een liefdesrelatie met Hugo Claus en na je zelfdoding is dat met opzet weinig bekend gemaakt, omdat Hugo’s reputatie en verkoopcijfers daar onder zouden kunnen lijden.
Hugo zelf vond zichzelf niet schuldig aan jouw zelfdoding, maar wel medeplichtig.
Op 7 april 1989 heb je in Amsterdam zelfdoding gepleegd door jezelf op te hangen. Je werd 49 jaar.
Je laatste rustplaats is op begraafplaats/crematorium Westgaarde.
Na je zelfdoding schreef Hugo Claus in het gedicht ‘M.’ o.a.: ‘God geve dat je dronken was, straal, ladderzat waar geen ladder was, men haalde er een, men knoopte je los en ook toen was ik er niet, ook toen liet ik jou in de benauwde koude.’ (Joanan Rutgers en De Post 6 maart 1977)

Benoit schreef een 45-tal avonturenromans aan een ritme van ongeveer één roman per jaar.
Opvallend is dat de romans steeds goed gedocumenteerd zijn en dat zijn karakters scherp afgelijnd zijn.
De heldinnen uit zijn romans dragen steeds namen die beginne met de letter A: Allegria (Pour don Carlos), Aurore (Kœnigsmark), Antinéa (L’Atlantide).
Verscheidene van zijn romans werden verfilmd en bewerkt voor ballet, opera of toneel.
Omstreeks 1910 publiceerde Benoit zijn eerste gedichten.
Daarvoor kreeg hij een prijs van de Société des gens de lettres.
Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog werd Benoit gemobiliseerd.

Nadat hij deelnam aan de Slag bij Charleroi werd hij ziek en bracht hij maanden door in het ziekenhuis.
Na zijn ontslag werd Benoit gedemobiliseerd.
Zijn oorlogservaringen leidden ertoe dat Benoit een overtuigde pacifist werd.
In 1918 maakte Benoit zijn romandebuut met Kœnigsmark dat, ondanks de uitgave bij een kleine uitgeverij, een succes werd.
De roman gaat over de liefde van een jonge Franse professor voor een Duitse prinses.
Het werk werd genomineerd voor de Prix Goncourt, maar Benoit greep net naast de prijs.
De roman werd later verscheidene malen verfilmd en in 1953 gekozen als eerste werk in de literaire collectie Le Livre de Poche in pocketformaat.
In 1919 verscheen L’Atlantide bij Éditions Albin Michel.
Deze avonturenroman handelt over twee officieren die gegijzeld worden in een onbekend koninkrijk in de Sahara.

Aangeprezen door Maurice Barrès kreeg de roman de Grand Prix du roman de l’Académie française voor 1919.
Ook dit boek werd verscheidene malen verfilmd, onder andere door Jacques Feyder.
In 1954 schreef Henri Tomasi een opera op basis van deze roman.
De schrijverscarrière van Benoit was vanaf het verschijnen van L’Atlantide gelanceerd.
Vanaf dat moment publiceerde hij ongeveer één roman per jaar en in totaal een 45-tal avonturenromans bij de Éditions Albin Michel.
Hij schreef ook meer diepgaande literaire werken zoals Mademoiselle de La Ferté uit 1923, over de vriendschap tussen twee vrouwen.
Benoit was naast schrijver ook bibliothecaris op het ministerie van Openbaar Onderwijs.
Hij wilde eigenlijk werk waarbij hij veel kon reizen.
In 1923 ging hij voor de krant Le Journal werken als journalist en buitenlands verslaggever.
Benoit doorkruiste Anatolië dat op dat moment in oorlog was. Hij interviewde Mustafa Kemal Atatürk in Ankara.
Daarna deed hij Palestina en Syrië aan.

Als verslaggever werkte Benoit daarna voor verscheidene andere kranten, waaronder France-Soir.
Daarvoor reisde hij de hele wereld af en interviewde onder andere Haile Selassie, Benito Mussolini, Hermann Göring en António de Oliveira Salazar.
In 1931 werd Benoit verkozen tot lid van de Académie française.
Hij roerde zich op politiek gebied door zijn verzet tegen het Volksfront, een alliantie van centrum-linkse partijen.

Als academicus ijverde Benoit in 1938 voor de verkiezing van zijn vriend Charles Maurras in de Académie française.
In september 1944 werd Benoit gearresteerd op verdenking van collaboratie met de Duitsers.
Na zes maanden gevangenschap werd hij in april 1945 vrijgesproken, maar hij kreeg wel een publicatieverbod opgelegd.
Door bemiddeling van Jean Paulhan en Louis Aragon werd Benoits naam geschrapt van de zwarte lijst.
Met de roman Agriates die in 1950 verscheen, knoopte Benoit weer aan bij het succes.
In 1957 werd de verkoop van het vijf miljoenste exemplaar van zijn romans gevierd.
Nadat generaal de Gaulle in 1959 zijn vetorecht had uitgeoefend tegen de verkiezing van Paul Morand tot lid van de Académie française, diende Benoit een aanvraag in om ontslagen te worden uit de academie.
Het ontslag werd door de Académie française geweigerd en Benoit, een goede vriend van Morand, woonde geen zittingen van de academie meer bij.(Diverse bronnen, Wikipedia en foto’s Paris Match 24 maart 1962)
Cyriel Van Gent werd als Cyriel Verbrugghen geboren in Sint-Amandsberg, bij Gent, wat zijn artiestennaam verklaart.
Na de matineevoorstelling op zondag kwam hij altijd naar de foyer voor een babbel.
Heerlijk hoe hij kon vertellen over toneel en het leven.
Toen Disneyland Paris open ging was hij één van de eerste die het bezochten.
Toen hij er over vertelde, was hij opeens terug een kind van 10 jaar.
Voor mij was hij een grote acteur, die vooral mens was gebleven en voor iedereen respect had.


