Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
De Grand Bazar ontstond uit de Maison Universelle.
Dit pand en drie aangrenzende winkels met mooie oude gevels werden in 1920 gesloopt voor de bouw van de nieuwe Grand Bazar.
Het monumentale pand was georganiseerd rond een centrale vide.
In 1942 kreeg het pand zijn eerste herinrichting door de Brusselse binnenhuisarchitect Georges De Jonckheere.
In 1985 heropende het pand als een filiaal van de Innovation. (diverse bronnen, Hendrik Defoort, Wout De Vuyst )
100 jaar geleden, bouwwerken gestart voor de nieuwe Grand Bazar in de Veldstraat in Gent.100 jaar geleden, bouwwerken gestart voor de nieuwe Grand Bazar in de Veldstraat in Gent.100 jaar geleden, bouwwerken gestart voor de nieuwe Grand Bazar in de Veldstraat in Gent.100 jaar geleden, bouwwerken gestart voor de nieuwe Grand Bazar in de Veldstraat in Gent.100 jaar geleden, bouwwerken gestart voor de nieuwe Grand Bazar in de Veldstraat in Gent.100 jaar geleden, bouwwerken gestart voor de nieuwe Grand Bazar in de Veldstraat in Gent.100 jaar geleden, bouwwerken gestart voor de nieuwe Grand Bazar in de Veldstraat in Gent.100 jaar geleden, bouwwerken gestart voor de nieuwe Grand Bazar in de Veldstraat in Gent.
De komst van de koning en de koningin was al een dag eerder aangekondigd en Gent was in feeststemming.
Na Brugge is dit de tweede provinciestad waar Albert en Elisabeth, vergezeld van kroonprins Leopold, hun plechtige intrede doen.
Om 11 uur vertrok de optocht in de Gebroeders De Smetstraat, door het stadscentrum, om te eindigen op de Kouter.
Op de Kouter wachtte een zeer grote menigte het koningspaar en de kroonprins op.
Het volk zit er in de bomen en op de daken, balkons en lantaarnpalen.Als de stoet op de Kouter aankomt is er eerst “een ogenblik diepe stilte en dan breekt een gejubel los.
Een indrukwekkende, onbeschrijflijke ovatie.
Men wuift met zakdoeken, hoeden, petten, vlaggen, men weent en juicht, het regent bloemen uit de ramen”, aldus nog de correspondent van NRC
.Ook de Belgische troepen die op de Kouter defileerden, werden toegejuicht.
Een muziekkapel speelt “De Vlaamse leeuw” en de menigte zingt mee.
Daarna is het koninklijk gezelschap ontvangen op het stadhuis. Daar werden ze verwelkomd door waarnemend burgemeester Edward Anseele, de koning antwoordde in het Nederlands en feliciteerde de Gentenaars. “Liever dood dan Duits, dat was de stem van de Vlaamse bevolking.
In naam van het land, in naam van het leger, bedank ik u allen voor uw moed en vaderlandsliefde”, zei de vorst. (Diverse bronnen, Wikipedia en VRTNWS)
Vandaag 102 jaar geleden, koning Albert en koningin Elisabeth en prins Leopold doen hun plechtige intrede in het pas bevrijde Gent.
30 jaar geleden, Guido Claus in de Post van 2 november 199030 jaar geleden, Guido Claus in de Post van 2 november 199030 jaar geleden, Guido Claus in de Post van 2 november 199030 jaar geleden, Guido Claus in de Post van 2 november 1990
Na de Belgische Revolutie in 1830 nam het Frans de plaats in, van het Latijn als voertaal van de Gentse universiteit.
Het Frans was toen de voertaal van de Belgische administratie.
Tegen het einde van de negentiende eeuw begon de Vlaamse Beweging, onder impuls van Lodewijk de Raet, pogingen te ondernemen om de Gentse universiteit te vernederlandsen.
In de Eerste Wereldoorlog richtte Moritz von Bissing in 1916 de Vlaamsche Hoogeschool of Von Bissinguniversiteit op, wat deel uitmaakte van zijn verdeel en heerstactiek, de Flamenpolitik.
Het overgrote deel van de Vlaamse beweging, de zgn. ‘passivisten’ zoals Frans Van Cauwelaert, Camille Huysmans en Louis Franck (welke steeds gestreefd hadden voor hoger onderwijs in ’t Nederlands), kantte zich vanaf het begin tegen deze Duitse inmenging in Belgische binnenlandse aangelegenheden en boycotte de Vlaamsche Hoogeschool.
Ook het overgrote deel van de Vlaamse bevolking was ertegen gekant.
De Vlaamsche Hoogeschool was een mislukking en werd gesteund door slechts een kleine minderheid flaminganten.
Deze Vlaamsche Hoogeschool werd ongedaan gemaakt na de oorlog en als activisme of collaboratie met de Duitse bezetter beschouwd.
De vernederlandsing van de Gentse universiteit bleef de gemoederen beroeren en het kwam dikwijls tot hardhandige conflicten.
Onder de tegenstanders bevond zich onder andere de Franstalige Gentse bourgeoisie.
Op 27 juli 1923 werd een wetsontwerp tot gedeeltelijke vernederlandsing, ingediend door de toenmalige minister van Kunsten en Wetenschappen Pierre Nolf, door beide Kamers aangenomen.
De in feite tweetalige universiteit zou voortaan zowel een Nederlandstalige als een Franstalige afdeling kennen.
Wie aan een Nederlandse afdeling was ingeschreven zou één derde van de lessen in het Frans krijgen, de overige twee derde in het Nederlands.
En vice versa voor de Franstalige afdeling.
Deze omslachtige regeling leverde de RUG al snel de schertsende bijnaam Nolfbarak op.
In 1930 werd, op initiatief van de Waalse eerste minister Henri Jaspar, de universiteit, als eerste van België, definitief vernederlandst.
De eerste rector van de eentalig Nederlandse Universiteit was August Vermeylen (tot 1933)
Vandaag 90 jaar geleden, de Gentse universiteit als eerste van België, definitief vernederlandst.
Op 12 oktober 1914 arriveren Duitse troepen in Gent.Als hoofdplaats van het Vierde Etappegebied, een militaire zone die West- en Oost-Vlaanderen en een stukje Henegouwen omvat, staat de stad onder direct militair bestuur, wat betekent dat de bezetting er nog harder is dan in de rest van het land.
Ieder contact met de rest van België is nagenoeg onmogelijk.
Pers en post worden streng gecensureerd, politieke berichtgeving is verboden.
Het dagelijks leven wordt beheerst door voortdurende opeisingen. In het stadscentrum nemen de Duitsers een toenemend aantal gebouwen in beslag, te beginnen met alle kazernes.
De Kouter fungeert als de centrale uitvalsbasis met o.a. de Kommandantur en de Pass-Zentrale.Wapens worden bewaard en hersteld in het Gravensteen, bier en wijn gestockeerd in het Groot Vleeshuis en groenten in het Pand.
Soldaten revalideren in hotels, scholen en in het Casino aan de Coupure.
Het Belfort doet dienst als uitkijkpost voor piloten.
Het wagenpark van het leger wordt ondergebracht in loodsen in de haven.
Met ca. 12.000 militairen is het leger zeer zichtbaar aanwezig.Duitse vlaggen wapperen aan gevels, aan muren en bomen hangt Duitse bewegwijzering en cafés krijgen Duitse namen.
Het station Gent Sint-Pieters is het centrale spoorwegknooppunt voor het transport van troepen en materieel van en naar het front.
De Duitse militaire overheid voert de identiteitskaart met foto in.
Belgen zijn verplicht de kaart bij zich te dragen.
In eerste instantie is een identiteitsbewijs enkel nodig om het Etappegebied te verlaten, vanaf 1916 wordt iedereen verplicht er een te laten maken.
Vier jaar lang komt de Belg dus niet verder meer dan zijn eigen gemeentegrens, tenzij hij of zij de nodige documenten kan voorleggen.
Voor al deze foto’s is een aanzienlijke hoeveelheid fotopapier nodig, maar de voorraad voor beroepsfotografen is beperkt.
Ze nemen daarom vaak een groepsfoto, waaruit de gezichten gesneden worden om op de identiteitskaart te kleven.
Van in het begin van de oorlog is de voedselbevoorrading het grootste probleem.
De binnenlandse productie is ontoereikend, de Britse maritieme blokkade belet de invoer van levensmiddelen en dan zijn er nog de vele Duitse opeisingen.
De Stad Gent richt al op 8 augustus 1914 een Stedelijk Comité der Volksvoeding op, dat gratis soep en brood uitdeelt. In het najaar wordt de voedselsituatie evenwel kritiek.
Op 23 oktober 1914 wordt in Brussel het Nationaal Hulp- en Voedingscomité opgericht, dat uitgroeit tot de motor achter de nationale hulpverlening.
Het voedsel wordt in de Verenigde Staten aangekocht door de Commission for Relief in Belgium.
De distributie in België zelf is, via een netwerk van provinciale en lokale comités, in handen van het Nationaal Comité.
Het voedsel wordt gerantsoeneerd verkocht in ‘Amerikaanse’ winkels.
In 1916 zijn meer dan 60.000 inwoners van Gent afhankelijk van deze voedselhulp.
In de loop van de oorlog neemt het Comité steeds meer taken op zich, zoals de organisatie van soepkeukens, melkuitdelingen en schoolmaaltijden, het uitdelen van kledingstukken, werklozensteun, pakjes voor krijgsgevangen en geïnterneerde soldaten.
Naast het Nationaal Comité zijn er nog een dertigtal kleinere hulporganisaties actief in Gent.Maar de verschillende initiatieven voor hulp tonen slechts een kant van de medaille.
Schaarste betekent in veel gevallen ook hamsteren, zwarte markt en woekerprijzen.
Nieuwe rijken’ worden smalend ‘baron Zeep’ genoemd: door het tekort aan zeep wordt het maken van ersatz zeep bijzonder winstgevend.(Diverse bronnen, Geert Vandamme en Stam)
Vandaag 106 jaar geleden, bezetten de Duitse troepen Gent.
De feestelijke openingsplechtigheid van de universiteit vindt plaats op 9 oktober 1817 in de troonzaal van het Gentse stadhuis.
In het bijzijn van kroonprins Willem van de Verenigde Nederlanden ‘installeert’ Ocker Repelaer van Driel, commissaris-generaal van onderwijs, kunsten en wetenschappen, de nieuwe rijksuniversiteit.
Koning Willem I zelf is niet aanwezig; zijn troon blijft leeg.
Samen met het kersverse professorenkorps en de curatoren van de universiteit, luistert de verzamelde Gentse elite naar de toespraak van burgemeester de Lens en de Latijnse ‘oratio’ van rector Jean-Charles van Rotterdam.
Buiten wapperen de vlaggen en luiden de klokken van het Belfort’s Avonds wordt aan de plechtigheid een vervolg gebreid met een banket voor 78 personen waarbij 189 flessen wijn worden ontkurkt.
Een maand later, op 3 november 1817, starten de eerste colleges.
In het eerste jaar telde de universiteit 190 studenten, dertien personeelsleden en zestien professoren, waarvan er negen uit het buitenland kwamen, voornamelijk uit Noord-Nederland en Duitsland.
Zij waren verdeeld over vier faculteiten: Letteren, Rechten, Geneeskunde en Wetenschappen.
De voertaal was het Latijn.
In 1830 was de studentenpopulatie aangegroeid tot 414, maar dat aantal daalde snel na de Belgische Revolutie, die de afschaffing van de faculteiten Letteren en Wetenschappen met zich meebracht.
Vanaf dan nam het Frans de plaats in van het Latijn als voertaal van de Gentse universiteit.
Het Frans was toen de voertaal van de Belgische administratie.
Pas vijf jaar later, met de wet op het hoger onderwijs van 1835, gaf de Belgische staat de twee faculteiten terug aan de Universiteit Gent, en kreeg ze daarbovenop de Technische Scholen toegewezen, die aan de faculteit Wetenschappen werden toegevoegd.
Het zou nog 35 jaar duren voor het studentenaantal van 1830 terug werd bereikt.
In de universitaire wedstrijden behaalde de Gentse universiteit in deze periode wel het grootste aantal prijzen. (Geert Vandamme, De Clerck Karel, Wikipedia en Fb groep Gisteren nog vandaag)
Vandaag 203 jaar geleden, werd de Gentse Universiteit plechtig geopend in de Troonzaal van het Stadhuis.
Op 9 oktober 1965 ging het NTG van start met een merkwaardige opvoering van Maria Stuart van Friedrich von Schiller (1759-1805) in een regie van Georges Vitaly (animator van kleine theaters in Parijs) en de regie-assistent was Jo Decaluwe.
Met Joanna Geldof in de titelrol en Suzanne Juchtmans als Elisabeth.
Maakten ook nog deel uit van deze eerste cast: Gaby Bouüaert, Roger Bolders, Jef Demedts, Daniël Decock, Eric Raes, Werner Kopers, Edgar De Pont, Jo Delvaux, Jaak Vissenaken, Jo De Meyere, Paul-Emile Van Royen, Eddy Asselbergs, Roger De Wilde, Greta Verniers, Anton Cogen, Blanka Heirman, Lieve Moorthamer, Maria Verheyden, Veerle Wyffels, Ivo Baeyens, Jan Gheysens, Dirk Liefooghe, Dirk De Vilder en Gilbert Braeckman.
Er werden van Maria Stuart drieëntwintig voorstellingen gespeeld, waarmee 13.429 toeschouwers werden bereik.
De laatste voorstelling was op 27 oktober 1965
De eerste NTG-directeur Dré Poppe, kon er maar twee seizoenen blijven.
Wegens een onenigheid met zijn Raad van Bestuur met als voorzitter Bert Willems, over participatie in de opbrengst van het toenemende aantal bezoekers, vroeg Poppe op het einde van het seizoen 1966-1967 van zijn verplichtingen als directeur ontheven te worden.
Hij werd opgevolgd door Albert Hanssens, die al als administrateur aan het NTG verbonden was.
Vanavond 55 jaar geleden, eerste toneelstuk stuk van het Nederlands Toneel Gent.Vanavond 55 jaar geleden, eerste toneelstuk stuk van het Nederlands Toneel Gent.Vanavond 55 jaar geleden, eerste toneelstuk stuk van het Nederlands Toneel Gent.Vanavond 55 jaar geleden, eerste toneelstuk stuk van het Nederlands Toneel Gent.
Het verhaal van de befaamde ‘Hotsy Totsy Club’ start in 1973, het jaar waarin zijn jongste broer Johan Claus (1938-2009) het pand – gelegen op de hoek van de Hoogstraat met de Oude Houtlei – inricht en decoreert met voor ogen de gelijknamige ‘Hotsy Totsy Club’ van Al Capone uit het Chicago van de jaren dertig.
In datzelfde jaar nog laat hij de exploitatie over aan broer Guido die er zijn levenswerk van maakt.
Het unieke interieur, de gezelligheid en de persoonlijkheden van Guido en levensgezellin Motte geven het artiestencafé een renommé tot ver buiten de grenzen.
Ook broer Hugo Claus, Jan Hoet, en vele anderen, zijn er een graag geziene gasten, die regelmatig een kaartje legt met zijn broer en zijn literaire vrienden.
Van Hugo Claus hangt buiten aan de zijmuur van de Oude Houtlei trouwens een lofgedicht op Guido Claus en op de ‘Hotsy Totsy’, genaamd ‘Achter deze gevel hier’.
De ‘Hotsy Totsy’ is als authentiek Gentse artiestencafé ruim 45 jaar een begrip in Gent en is nog steeds een pleisterplaats voor iedereen die geïnteresseerd is in kunst en cultuur.
Op 17 maart 1983, stelde Hugo Claus in de club zijn lang verbeide magnum opus Het verdriet van België voor aan pers en publiek.
De publicatie zorgde in de Belgische pers voor een nooit geziene hype.
Van 1986 tot 1991 vormde Guido Claus met Jan Albert De Bruyne (alias ‘Prof. Arnoldus Goedbier’) het muzikaal straattheater-duo ‘Twee Wezen’, speelde hij in de toneelbewerking van Lijmen & Het been (naar Willem Elsschot) in het NTG (september 1986), en vertolkte tevens een tiental rolletjes in films, onder meer in: ‘De Loteling’ (1973), ‘Vrijdag’ (1981) en ‘Hector’ (1987).
In november 1991 overlijdt Guido Claus plots en koopt de Groep Druwel de zaak en het nabijgelegen pand.
Na de restauratie van het gebouw, verkoopt de Groep Druwel de zaak aan Patrick De Graeve, die de zaak een nieuwe boost gaf en waar Motte Claus deel uitmaakt van zijn team.
Al enkele jaren is de uitbating van de Hotsy Totsy in goede handen van Lara.
Vernissage Motte Claus in galerie Pim De Rudder Assenede. Van 4 tot 25 oktober 2020 elke zondag van 15 u tot 18 uur. Stichting Pim De Ridder Hoogstraat 4-6 Assenede.
Ongeveer 20 jaar geleden, leerde ik hem kennen dankzij Coenraed de Waele en ik nodigde hem dan ook uit om zijn gedichten bundel Gekke gedachten, stille gepeinzen voor te stellen in de Hotsy Totsy.
Hij werd geboren in het ouderlijk huis te Gent, in de Roggestraat.
Zijn vader, August, was dokwerker, zijn moeder, Cordula D’haese, naaister.Vader De Smet overleed in 1928.
Vanaf dat jaar, 9 jaar oud, tot oktober 1932, verbleef Prosper in het Stedelijk Weeshuis voor Jongens (“Kuldershuis” genoemd) op de Martelaarslaan te Gent.
Toen zijn moeder hertrouwde kon hij, vanaf november 1932, opnieuw bij haar en zijn stiefvader wonen, in de Roggestraat.
Na de Lagere Hoofdschool aan de Van Monckhovenstraat, volgde De Smet de beroepsschool aan de Martelaarslaan te Gent.
Tot de leeftijd van 17 jaar volgde hij daar een opleiding “letterzetter”. Hij ging naar de avondschool om zich te bekwamen in het Frans, Engels en Duits.Rond zijn veertiende jaar ontdekte hij het werk van Felix Timmermans, James Oliver Curwood en vooral Multatuli.
Na het verlaten van de school, in 1936, werkte hij in de drukkerij Heuvelmans aan de Lindelei. Kort daarop, 18 jaar oud, werd hij als soldaat gelegerd te Brussel.
Na 17 maanden dienst werd hij gemobiliseerd te velde.Het gezin verhuisde in januari 1940 naar de Hoppestraat (nu Poperingestraat).
In het ouderlijk gezin werd, met uitzondering van de krant Vooruit, niet gelezen. Prosper had vrij vroeg belangstelling voor de dagelijkse rubriek Boekuil (van Raymond Herreman) en voor de wekelijkse bladzijde Geestesleven.
In april 1946, na zijn huwelijk, verhuisde hij naar de Rooigemlaan.
In 1951 trok het gezin naar de Grensstraat en juli 1960 vestigden zij zich in de Bosuilstraat te Wondelgem, waar hij woonde tot aan zijn dood.
Vanaf 1945 werkte hij als drukker-letterzetter, eerst bij de Gentse firma Collier in de Jutestraat en vanaf 1948 bij het dagblad Vooruit, in de Sint-Pietersnieuwstraat.
Na een paar jaar verzorgde hij ook de lay-out van de krant. Na het stopzetten van Vooruit (1978) was hij nog enkele jaren verbonden aan de krant De Morgen.
In 1980 ging hij met pensioen.Van 1952 tot 1965 schreef hij – nog steeds letterzetter en lay out-man in de drukkerij – onder pseudoniem PDS boekbesprekingen voor de rubriek Geestesleven van Vooruit.
Van 1953 tot 1975 leverde hij (nu onder pseudoniem Polke Pluim) humoristische bijdragen voor de sportbladzijden.
In 1961 voegde hij daaraan nog een dagelijks cursiefje toe (ondertekend met P. Pluim).Dertig jaar lang zou hij dit volhouden, ook nadat Vooruit opging in De Morgen. In laatstgenoemde krant vertraagde het ritme iets: vanaf 1991 verschenen er wekelijks nog drie cursiefjes, dan twee en ten slotte nog één.
In september 2001 stopte hij definitief met zijn bijdragen.
De Smet schreef dus bijna 50 jaar voor de krant.In 1988 werd een bundel cursiefjes uitgegeven onder de titel In de Krabbel.
Zijn meestal optimistische stukjes hebben soms een vleugje weemoed.
Ze gaan vooral over het dagelijkse leven van de gewone man. Ze zijn vaak een milde, maar tezelfdertijd rake commentaar op de samenleving.
Tussen 1963 en 1965 publiceerde De Smet, onder zijn eigennaam, een tiental novellen in Elseviers weekblad.Novellen werden ook opgenomen o.m.in het Nieuw Vlaams tijdschrift, in Dietsche Warande & Belfort en in De Vlaamse gids.Tussen 1955 en 1990 werden ook een achttal romans, een toneelstuk, een verhalenbundel en enkele dichtbundels gepubliceerd.
In 1999 gaf hij, in eigen beheer, nog een dichtbundel uit: Gekke gedachten, stille gepeinzen.In 1957 werd de eerste roman van De Smet, De ontploffing, uitgegeven.
Hij werd ervoor onderscheiden met de publieksprijs, het zgn. Referendum van Vlaamse letterkundigen.
De Groene Amsterdammer riep dit werk uit tot boek van de maand.
Een jaar later verscheen het verhalend gedicht Aan de voet van ‘t Gravensteen; nog in hetzelfde jaar kende de stad Gent er hem haar Letterkundige prijs voor toe.
Zijn toneelstuk De ondernemingsraad werd in 1968 onderscheiden met de Visser Neerlandiaprijs; het werd nog in 1968 opgevoerd door de Gentse Multatulikring
In 1969 kreeg hij een tweede maal de Letterkundige prijs van zijn geboortestad, dit keer voor zijn verhalenbundel Prinses en coverboy.
Het geweer zonder kogels (1985) is een roman over zijn soldatentijd tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Met zijn romans en zijn novellen bevestigt De Smet dat hij een rasecht verteller is.
Zijn werk getuigt van rechtvaardigheidsgevoel en van een sterke sociale betrokkenheid.
Scherpzinnigheid en humor, naast wijsheid en mededogen, laten hem toe de kleinmenselijke kantjes liefdevol te relativeren.
Prosper De Smet stierf in 2005 op zesentachtigjarige leeftijd (diverse bronnen, Helena de Vetter en Wikipedia)
Vandaag 180 jaar geleden, plechtige opening van Le Grand Théâtre in Gent.Vandaag 180 jaar geleden, plechtige opening van Le Grand Théâtre in Gent.Vandaag 180 jaar geleden, plechtige opening van Le Grand Théâtre in Gent.Vandaag 180 jaar geleden, plechtige opening van Le Grand Théâtre in Gent.
Ze was de eerste rock-‘n-rollzangeres van België. Een wilde vrouw, die met talent keet schopte.Tot ze plots wég was.
Dit is het verhaal van de Gentse Kate.
Ze heette eigenlijk Griet De Bock, was begin jaren zeventig even heel populair en verdween in 1983 uit België, zonder een spoor na te laten.
Of toch bijna. In de papieren archieven vind ik één oude foto terug. Zij, te paard. Achter haar op de knol zit Roland Van Campenhout.
En daarachter meen ik Jean Blaute te herkennen.
‘Dat is zo’, grijnst Jean. ‘Met een pastoorshoed op mijn katholieke kop.’ Griet De Bock was een deel van zijn jeugd, vertelt hij. ‘Ze was de vrouw van Dree Baekelandt. Een muzikant die vaak over de vloer kwam in de muziekwinkel van mijn ouders in Zottegem. Hij was ook schilder, polyglot en een van de grappigste mensen die ik ooit gekend heb. Vanaf mijn zestiende begon ik hem meer en meer op te zoeken.
Met mijn brommerke reed ik van Zottegem naar zijn boerderij in Sint-Maria-Latem.
Al gauw werd hij mijn beste vriend. Zo heb ik ook Griet leren kennen. Ze was toen zangeres en een verschijning.
Als ze ergens binnenkwam, vielen de gesprekken stil.
Ze sprak nogal autoritair, maar eenmaal op het podium kon het niet zot genoeg zijn. Samen met Dree hebben we een nieuwe groep opgericht: Kate’s Kennel.
Dat was een anarchistisch rock-‘n-rollcabaret, op het baldadige af.’Kate schopte graag keet. En dat deed ze met talent, zegt Jean. ‘Ooit namen we deel aan Canzonissima, de preselecties voor het Songfestival. Griet ging daar zoals altijd wild tekeer, om heel dat circus in het belachelijke te trekken.
Ze was een persoonlijkheid die het podium vulde, iemand waar je onmogelijk naast kon kijken.
Ik herinner me ook de Knokke Cup voor Zangvoordracht, waar ze optrad in een doorkijkjurk van Ann Salens.
Haar borsten waren bedekt met ijzeren asbakken.
In deze politiek correcte tijden zou je het mogen uitleggen.
Maar ook toen ging dat niet onopgemerkt voorbij in het brave Vlaanderen.’Haar naam deed overal in het land de ronde.
Maar ineens was ze weg uit België. Zonder adieu te zeggen, zonder groot afscheidsfeest. Niemand wist in welke windrichting ze vertrokken was, zegt Jean.
Decennia hoorden ze niets van haar, alsof ze van de aarde gevallen was.Jean geeft me een telefoonnummer.
Ik tik de nummers in en hoor: ‘Dit nummer is niet meer in gebruik.’Weken later.
Ik stap een sociaalappartementsblok binnen aan de Ferdinand Lousbergskaai in Gent.Tussen de tientallen namen op het bellenbord valt de hare direct op. ‘GRIET EN LOET’ staat er.
Ze wonen driehoog in een klein, maar bijzonder appartement.
Aan de wijnrood geschilderde muren hangen allemaal prachtige schilderijen en foto’s, van toen ze nog Kate heette.
Ik kijk naar de vrouw voor me. 76 is ze.
Haar lange haren is ze kwijt en toch herken ik nog altijd het wilde meisje van de hoes. Ze heeft een oranje lederen broek aan en nipt van een glas cava.
Hoe ze een sigaret rookt, kan ik niet beschrijven. ‘Dat is goed voor mijn stem’, zegt ze, terwijl ze voor de zoveelste keer inhaleert.
En dan staat ze op en zingt met een heerlijk doorrookte stem Janis Joplin: ‘Take another little piece of my heart now, baby.’
Zo luid dat de Ferdinand Lousbergskaai een beetje beeft.
Haar man Loet Hanekroot lacht: ‘Daarom zie ik haar zo graag.”Ik heb veel moeite moeten doen om jullie te vinden’, zeg ik.’We wonen nochtans al een hele tijd terug in België’, zegt Loet. ‘Maar het klopt wel dat we twintig jaar weg waren.”Waarom?’, vraag ik.’Kijk eens naar het schilderij achter je’, zegt Griet. ‘Dat ben ik. Heeft mijn eerste man Dree geschilderd. Ik heb alles van hem geleerd.’
Ze vertelt dat ze opgegroeid is in Merelbeke, als de dochter van een schoenmaker.
Hij maakte ook haar schoenen.
Maar in de pas lopen, daar was ze niet goed in.
Op school, bij de nonnen van Merelbeke, liep het al mis. ‘Ik blonk alleen uit in zingen en verspringen.
Toen kwam de televisie langs op onze school.
Mijn medeleerlingen zeiden: Griet is de beste verspringster van de school.
Ik moest het voordoen voor de camera. Iedereen riep: Griet! Griet! Griet!
Maar ik sprong maar anderhalve meter. Succes interesseerde me toen al niet.’En ook met de nonnen was het geen grote liefde. ‘Op een dag zei er een: “Raap dat papierke op.” Raap het zelf op, antwoordde ik. Ik ben op mijn fiets gekropen en ben nooit meer teruggekeerd naar die school.’Ze ging werken in een naaiatelier.
Haar moeder maakte zich zorgen, maar vooral omdat ze niet van straat raakte. Mannen waren er nochtans genoeg in de sixties, maar niet één interesseerde haar.
Tot ze iemand een oud liedje van Léo Marjane hoorde zingen: ‘Je suis seul ce soir avec mes rêves, je suis seul ce soir sans ton amour.’Haar jonge rebellenhart smolt. ‘Ik ben direct ingetrokken bij Dree, in zijn boerderij.’
Ze werd ook lid van de Zottegemse scene. ‘We kwamen allemaal bij elkaar over de vloer.
En ik mocht meezingen met de jongens van Clee’s Five in discotheek De Truweel.
We waren een balorkest en zongen alle hits van het moment. Hey Joe, Summertime Blues… Vier, vijf uur aan een stuk.’
Tot de nacht op was. Altijd keerde ze terug naar de boerderij van haar Dree.
Een hippiemeisje was ze niet. Ze dronk cola en de vrije liefde, daar deed ze niet aan.Later arriveerde Jean Blaute met zijn brommer uit Zottegem.
Griet werd Kate en ze doopten hun nieuwe groep Kate’s Kennel. ‘Ik had veertien honden in die tijd, dus lang hoefden we niet na te denken over die groepsnaam.’Ze waren allemaal jong, dwars en even later ook beroemd dankzij Canzonissima. ‘Er waren tien preselecties.
Maar al in de eerste aflevering eindigden we als laatste.
Het was het jaar dat Nicole en Hugo meededen met Goeiemorgen morgen. En dat meisje van Tamboerke, Tamboerke… Micha Marah, ja. Daar moesten wij om lachen.
Na die eerste aflevering beslisten we om er een spelleke van te maken.
Week na week zongen we parodieën op die schlagers.
Elke keer kregen we nul punten, maar we hebben ons wel geamuseerd. Bij de BRT waren ze razend. Maar ze draaiden bij, want wij zorgden voor de kijkcijfers.’
Haar kleren maakte ze zelf. Behalve dan die ene keer dat ze optrad in een doorkijkjurk van Ann Salens. ‘Zelfs mijn moeder was geschandaliseerd. “Hoe durf je?”, riep ze.’
Kate werd het gezicht van de balorige jeugd.
Ze mochten een plaat opnemen, op het label van Rocco Granata. En met haar Kennel trok ze het land door. ‘We waren een van de eerste groepen met stroboscooplicht, dat hadden we van Jeans vader gekregen.’
In Francorchamps kwam zelfs Jacques Dutronc kijken.
Een vrouw die een band leidde, dat was in die dagen nog iets bijzonders.Op Jazz Bilzen kwam ze het podium op en zei: ‘Ik ben Kate, maar ze noemen mij de lekkere scheet.’
Achtduizend mensen lachten, die zonnige augustusdag in 1970. ‘Maar’, schreef Humo later, ‘toen Kate begon te zingen, schrok de menigte zo hard van haar stemgeluid dat ze vergaten tomaten te smijten (…)
De leading lady van de bietgaat het nog ver brengen met haar powetiese teksten.’En soms ook met die van anderen. In de zomer van 1972 sprak de directeur van het Arcatheater haar aan: ‘Griet, ik heb een rare tist ontmoet, maar hij heeft wel heerlijke teksten geschreven.
Willen jullie ze niet spelen en zingen?’Die rare tist was Drs. P, van wie ze toen nog nooit gehoord had. ‘Hij was een zot manneke’, zegt ze vandaag. ‘Een beetje sardonisch, ook. Hij haatte kinderen, net als ik. Maar ik moest elke keer ontzettend om hem lachen.’Samen met hem, Dree, Jean en nog een paar acteurs maakten ze de voorstelling Sursum Corda.
Op 31 mei 1973 ging de ‘artistieke en volkseigen samenloop van theater, zang, scherts en zedenschildering’ in première in het Arcatheater. ‘In het begin was het een grote flop’, zegt Griet. ‘Ze wilden het zelfs afvoeren.’
Tot we later die zomer in De Brakke Grond in Amsterdam gingen spelen. Op de eerste rijen zaten Kees van Kooten, Wim de Bie, Freek de Jonge en Wim T. Schippers.’
De dag erop waren de recensies laaiend. de Volkskrant vond haar een van de grappigste vrouwen die ze ooit gezien hadden. En de Leidsche Courant schreef: ‘Griet is dé griet’. ‘Toen we terug in Gent gingen spelen, waren we helden’, zegt Griet. ‘Door die goede kritieken zat het Arcatheater elke avond stampvol.
De jonge Urbanus en Jan Decleir waren fan en Guy Mortier is zeker tien keer komen kijken.
Door Sursum Corda werd Drs. P ook bekend in België. Omgekeerd leerde hij ons het Nederlandse cabaret kennen.
Ik herinner me dat we naar een nieuwjaarsconference van Wim Kan gegaan zijn, samen met zijn vrouw Mieke. Het werd live uitgezonden op televisie.
Ik snapte volstrekt niets van al die Hollandse toestanden en vroeg uitleg aan Mieke. “U daar,” zei Wim Kan plots, “u moet niet de hele tijd fezelen.”‘De camera zwenkte naar Griet. Wat ze, toen nog, niet helemaal onprettig vond.
In 1974 eindigde Sursum Corda, na honderden voorstellingen.
Maar het gezelschap had al een opvolger klaar: Middelpracht en Eeuwse Praal. Ook haar vaste trawanten Dree en Jean zouden weer meedoen.
Maar deze keer liep haar wilde fanfare niet volgens plan.
Ze haalt een hoop foto’s en negatieven uit een plastieken zak. We houden ze tegen het licht.’Is dat Dree?’, vraag ik.’Ja’, antwoordt ze. ‘Net voor hij ziek werd. Hij gaf plots bloed over. Toen is alles veranderd.
Eerst heeft hij nog meegespeeld. Maar op den duur was hij zo ziek dat Drs. P hem vervangen heeft.’Ze vertelt hoe wreed kanker kan zijn. Hoe hard ze hem hoorde roepen en hoe machteloos ze zich voelde. ‘Hij was ook nog zo jong, amper 37.
We speelden in Frascati in Amsterdam.
Na elke voorstelling keerde ik terug naar huis. Mijn zus zorgde intussen voor Dree en elke keer was ik zo opgelucht wanneer ik licht zag branden in zijn kamer. “Je moet niet angstig zijn”, zei hij. “Ik zal wel zeggen wanneer ik sterf.”
Zo is het ook gegaan. “Nu moet je bij mij blijven”, zei hij. Ik heb hem vastgehouden tot zijn laatste ademstoot.
Net voor hij stierf, zei hij: “Er lopen te veel mensen rond die iets tegen hun zin doen. Jij moet blijven zingen, Grietje.”‘Drie dagen later stond ze opnieuw in Frascati.
Maar zo wild als daarvoor werd het nooit meer. De jaren van de gekte waren voorbij.
Ze was 31 en weduwe. ‘Na de dood van Dree heb ik me jaren in de boerderij opgesloten.’Tot er op een mistige avond in 1979 een bekende acteur-regisseur voor de deur stond. ‘Dat jaar regisseerde ik een opera over Ulrike Meinhof’, vertelt Loet. ‘Maar mijn Ulrike zegde af. En ik moest op zoek naar iemand nieuw. Ik kende Griet van naam en faam.
Uren heb ik haar die avond proberen te overtuigen dat zij de geschikte Ulrike was. “Interessant”, zei ze elke keer. Maar op het einde van de avond zei ze: “Ik ga het toch niet doen.”‘ (lacht)Ontgoocheld vertrok Loet weer naar huis. ‘Ik deed de deur open, maar de mist was niet weg. “Ik zal voor je rijden, tot je aan de snelweg bent”, zei Griet. Dat deed ze ook, maar ineens was ik haar kwijt.
Ze had een bocht gemist en was ergens tegenaan gereden. Ik liep naar haar toe. Haar auto was perte totale en haar gezicht bloedde. “Loet,” zei ze toen, “ik doe het toch.
Ik heb een nieuwe auto nodig.” (lacht)Sinds die avond zijn we samen.”Voor dat stuk had ik geen schmink nodig om Ulrike Meinhof te spelen’, zegt Griet. ‘Door dat ongeval zag mijn gezicht paars.’Maar de mist was weg.
Haar nieuwe liefde was in die dagen wereldberoemd in Vlaanderen, als de baas van De Collega’s. ‘Ik speelde in die tv-serie alleen mee voor het geld’, zegt Loet. ‘Eigenlijk bevond ik me op dat moment op een dood spoor.
Ik zat midden in een zware scheiding en ook in het theater liep het niet meer zo goed. Ik heb veel en ontzettend graag geacteerd, maar het was op. In Vlaanderen is een acteur eigenlijk een marionet.
De regisseur zegt wat je moet doen. Ook Griet trad niet meer op. “Je hebt de verkeerde man gekozen”, zei ik haar soms. Had ze een muzikant genomen, dan had ze kunnen blijven zingen. Maar ik was een acteur.
Van heel die muzikantenwereld kende ik niets.’Griet: ‘Loeteke, wat zeg jij nu? Jij hebt mij uit de miserie getrokken.’
In 1983 namen Griet en Loet een radicale beslissing. Ze zouden vertrekken uit hun vorige levens. Zonder iemand te verwittigen, zonder een spoor na te laten. Eerst trouwden ze nog snel, opdat niemand hen uit elkaar kon krijgen.
In tram 7 reden ze naar het stadhuis. Daar vroegen ze aan twee bewakers of ze hun getuigen wilden zijn.’Je moet een huwelijk ten volle beleven…’, begon de schepen.’Mevrouw,’ antwoordde Loet, ‘mijn toekomstige is weduwe geworden op haar 31e en ik zit in een vechtscheiding.
Een sermoen over het huwelijk hoeft echt niet.’Daarna wilden ze zich laten uitschrijven op het stadhuis. ‘Wat is jullie nieuwe adres?’, vroeg de ambtenaar van dienst.
Maar op die vraag kenden ze het antwoord niet. ‘Dan kan ik jullie niet uitschrijven’, antwoordde hij.Griet en Loet bonden hun schildersezel vast op het dak van hun oude Ford Taunus en vertrokken. Waarnaartoe wisten ze niet, alleen dat er no direction home was.
Een paar dagen later kwamen ze aan in Fanghetto. Een middeleeuws dorp aan de Roya in Noord-Italië, waar alleen nog een paar oude boeren woonden. ‘Daar hebben we een schaapstal omgebouwd tot woning.’Loet schoolde zich om van acteur tot metselaar, om geld te verdienen. ‘
Elke dag moesten er zakken van vijftig kilo cement de berg opgesjouwd worden. Eerst hadden we een muilezel. Maar al na een paar dagen zei Grietje: “Ocharme, dat beestje. We kunnen hem dat niet aandoen.” En vanaf dan moest ik het maar doen. (lacht) Het was fysiek enorm zwaar werk, maar ook heel creatief.
Ik heb daar heel het dorp verbouwd. Omdat het allemaal oude middeleeuwse huizen waren, moest ik altijd zoeken naar oplossingen.
De mooiste rol die ik ooit in mijn leven gespeeld heb.”In het dorp wisten ze niets van ons verleden’, zegt Griet. ‘Ze noemden ons Ludovicus en Margherita. Of Santa Margherita, omdat ik altijd bij Loet was. Ze betaalden ook soms in natura. “Ik heb geen geld,” zei een bewoner ooit, “maar jullie krijgen mijn oude auto.”
Alleen had hij er niet bij verteld dat zijn nummerplaat nog maar twee dagen geldig was. Een nieuwe aanvragen kost in Italië veel geld en het is een grote rompslomp. Ik heb dan maar een nummerplaat geschilderd.’Loet (lacht): ‘Ze zagen ons daar als vagebonden.’Seizoenen gingen voorbij. Loet bleef zakken cement de berg op sjouwen.
Tot er op een dag een taxi stopte. Het raampje ging open. ‘Buongiorno Ludovicus’, zei de taxichauffeur.’Ik kende hem een beetje’, zegt Loet. ‘Even daarvoor was zijn vrouw gestorven en hij had me gezegd dat zijn zoon daar zo onder leed. Toen ging de achterdeur open. Een jongen stapte uit. Dat moet zijn zoon zijn, dacht ik. Ik gooide de zak cement op de grond en we omarmden elkaar.
Ik probeerde hem te troosten met het verlies van zijn moeder. “Ludovicus”, zei die taxichauffeur. “Dat is niet mijn zoon, dat is uw zoon.” (lacht) Ik had hem zelfs niet herkend. In die tien jaar dat we weg waren, was hij zo veranderd. Natuurlijk was ik ontzettend blij om hem na al die tijd terug te zien. Eerder die dag had hij in het station van Ventimiglia een taxi besteld. “Naar Fanghetto”, had hij gezegd. “Ha, het dorp van Ludovicus”, had de taxichauffeur geantwoord.’Maar ook zijn zoon ging terug naar huis. Het werd weer winter.
Na vijftien jaar begonnen de zakken cement te wegen. En de stiltes. ‘Grietje zat altijd alleen thuis’, zegt Loet. ‘Ik pauzeerde wel af en toe, om koffie met haar te drinken. Maar toch. We zijn dan voor de eerste keer terug naar België gereisd.
Toen we in het vliegtuig stapten, schoten de stewards van Sabena in positie. “Meneer”, zeiden ze, “U bent heel beroemd.” Ik wist niet wat ik hoorde.
Na vijftien jaar in afzondering klonk dat ook wel bijzonder vreemd (lachje). “Hoe bedoelt u?”, vroeg ik aan die stewards. “U bent de baas van De Collega’s“, zeiden ze. “Dat is een serie van twintig jaar geleden”, repliceerde ik. “Onmogelijk dat jullie die gezien hebben, jullie zijn veel te jong.” “Toch wel”, antwoordden ze. “Ze zenden dat nog altijd uit in Vlaanderen.”‘Toen ze later terug in Fanghetto waren, kreeg Loet last van zijn hart. ‘Italië is een fantastisch land.
Maar je wilt daar niet in het ziekenhuis belanden. Daar ga je alleen naartoe om te sterven.’
In 2003 keerden Griet en Loet weer naar België, deze keer definitief. ‘We hebben gewoon alles achtergelaten: het huis, de auto met de geschilderde nummerplaat.
Alleen aan een paar goede vrienden hebben we gezegd dat we op vakantie waren.’Maar ze gingen nooit terug.
Dit appartement aan de Ferdinand Lousbergskaai is nu hun vossenhol. ‘We hebben hier ook uitzicht op een rivier’, zegt Griet. En ook al is het water van Gent niet even blauw als dat van de Roya, toch zijn ze hier domweg gelukkig. ‘Een paar weken geleden keek ik toevallig naar Iedereen beroemd.
Het ging over het watertekort. In 1970 was dat ook al zo, zeiden ze. En ze toonden Dree die in een leeg bad zat en ‘Ma, d’r komt geen water uit de kraan’zong.’Eerst was ze in shock, maar toen moest ze lachen. Ze wilde zelfs even in het scherm kruipen, om weer samen met hem in bad te liggen. In de dagen van de gekte, toen ze allemaal nog jong waren en onsterfelijk leken.
Ze moest ook denken aan wat Dree op zijn laatste dag gezegd had: ‘Blijf altijd zingen, Grietje.’ Dat is ze ook blijven doen. Niet voor tienduizenden mensen op een festivalweide, maar wel voor haar Loet.En ook hij is stiekem blijven acteren. ‘Ik draag verzen voor van de Griekse dichter Homerus. Dat is verschrikkelijk moeilijk. Ik ben ermee begonnen in mijn jonge jaren en ooit wil ik het perfect kunnen.’ ‘Dan liggen we in bed’, zegt Griet. ‘En om twee uur ’s nachts zegt hij: “Grietje, ik moet gaan. Mijn publiek staat te wachten.””Ik reciteer voor het raam’, zegt Loet. Hij wijst naar de skyline van Gent. ‘De nacht is mijn publiek.”’s Morgens word ik wakker en dan is hij nog altijd bezig’, zegt Griet. ‘Ik hoor hem dan roepen: “En de goden joegen een mes door zijn geslachtsdelen.”‘Loet (lacht): ‘Jaja, dat onthoud je dan weer.’
Het is al laat wanneer ik afscheid neem van dit mooie, verliefde koppel. Een paar dagen later ga ik langs café Dynasty op de Oude Beestenmarkt in Gent.
De enige plaats waar haar muziek nog in de jukebox zit, had Loet me gezegd en hij heeft gelijk.Tussen Love Me Do van The Beatles en Fame van David Bowie zitten ook een paar nummers van het meisje dat op haar vijfentwintigste zo luid zong dat haar naam ooit zou blinken tussen de groten.
Ik steek een euro in de elektronische jukebox en druk op haar naam. Summertime Blues.
Op het scherm verschijnt een vage zwart-witfoto van Kate. Een seconde stilte in de Dynasty. En dan schalt haar stem door het café
.Een paar vaste jongens kijken om, zoals ze lang geleden ook deden.’
Al had ik de wereld veroverd, wat dan?’, zei de ontwerpster van de doorkijkjurk ooit. ‘Het heelal is zo groot.’ (Diverse bronnen, Stijn Tormans en De Post
50 jaar geleden, de Gentse zangeres Kate (echte naam Griet De Bock) in de Post van 23 augustus 1970
190 jaar geleden, Gent trouw aan Oranje, liever koning Willem I dan Leopold I190 jaar geleden, Gent trouw aan Oranje, liever koning Willem I dan Leopold I190 jaar geleden, Gent trouw aan Oranje, liever koning Willem I dan Leopold I190 jaar geleden, Gent trouw aan Oranje, liever koning Willem I dan Leopold I190 jaar geleden, Gent trouw aan Oranje, liever koning Willem I dan Leopold I