De passie van de Gentse ondernemer Ghislain Mahy voor auto’s en na drie generaties het einde voor garage Mahy in Gent.

De familie Mahy, gevestigd te Gent, was gespecialiseerd in het bouwen van stoomketels.

Ghislain Mahy, geboren in 1907, toonde reeds zeer vroeg een uitzonderlijke aanleg voor mechanica. Hij bewees dit door op zeventienjarige leeftijd eigenhandig zijn eerste en enige auto in elkaar te knutselen met de motor van een Dixi en onderdelen uit de sloperij.

Na de wagen zorgvuldig op punt te hebben gesteld, slaagde hij erin die te verkopen tegen de aardige som, destijds, van 6500 BF.

Dit klein kapitaal lag aan de basis van zijn automobielhandel.

In 1932 vestigde hij zich als handelaar in tweedehands-wagens, en in 1938 opende hij als eerste in België een verhuurdienst voor auto’s zonder chauffeur.

Hij werd vervolgens agent van verschillende grote automerken, Nash, Simca en Fiat.

De zaken draaien goed voor Ghislain Mahy en hij wil uitbreiden.

Ghislain’s echtgenote, stelt hem voor zich te interesseren voor leegstaand pand, namelijk het oude wintercircus.

Een gigantisch rond gebouw van 5000 m2 in het centrum van Gent.

Er komt een overeenkomst tussen Ghislain Mahy en de eigenaar, de nodige aanpassingen gebeuren en in 1939 eindigen de werken.

Maar Ghislain heeft geen geluk, de dag van de inhuldiging van de showroom is tevens die van de algemene mobilisatie.

De oorlog is daar en de handel draait tijdens deze lange periode zo goed als niet.

Na de oorlog, in 1948, wordt het gebouw verkocht aan Ghislain Mahy.

Ondanks dit financieel avontuur beslist Ghislain het circus om te bouwen tot een nog ambitieuzere garage dan deze van voor de oorlog.

De nieuwe garage opent in oktober 1954, het is een der modernste en belangrijkste van Vlaanderen. De zalen zijn enorm, maar meerdere zijn ongeschikt voor de professionele bezigheden.

Doodlopende gangen, zalen met zuilen, hoge verdiepingen en twee verdiepingen kelders worden gebruikt als stapelplaats der oude voertuigen.

Dit reusachtige ronde gebouw is een surrealistische plaats, een architecturaal meesterwerk.

Boven de piste hangt een Zeppelingondel en een vliegtuig doet dienst als luchter voorzien met TL-verlichting.Rondom, op elk der 4 verdiepingen, lijken tientallen oldtimers toeschouwers te zijn van een spookvoorstelling.

Anderen slapen rustig in de kelders en hebben sinds meer dan dertig jaar het daglicht niet meer gezien.Jarenlang verzamelt Ghislain voertuigen.

Honderden voegen zich bij deze die hij reeds bezit in de verschillende zalen van het oude circus en van bij de aanvang start Ghislain de restauratie.

Dit betekent voor de eerste voertuigen een volledige demontage, wederopbouw en verven met de borstel. In die tijd was het vervangen van onderdelen niet zo eenvoudig als nu.Talrijke onderdelen waren beschikbaar, maar waren moeilijk te vinden.

Vandaag raadpleegt men de advertenties in de gespecialiseerde pers of contacteert men de clubs. Einde der veertiger jaren was men aangewezen op het toeval of moest men zelf een netwerk uitbouwen.

Zeer snel vervangt hij de borstel door een spuitpistool, maar Ghislain kent de techniek niet en doet beroep op een vriend carrossier.

Hij heeft ook problemen met houtwerk, bekleding en dergelijke.

Elke keer vindt hij bekwame vrienden die hem ter hulp komen.

Sinds de jaren vijftig tot omstreeks 70 werken Ghislain en zijn oudste zoon Ivan in een klein werkhuis, geholpen door enkele gepassioneerde vrijwilligers zoals die buitengewone bekwame bekleder die de stiel geleerd had op de ouderdom van 15 jaar bij Minerva.

Gedurende een veertigtal jaren hebben Ghislain, Ivan en hun vrienden zelf een 250-tal voertuigen gerestaureerd.

Het circus was een stapelplaats voor al deze voertuigen.

Niets was echter voorzien om het publiek te ontvangen, geen enkele publiciteit werd gemaakt over de collectie.

Nochtans contacteerden vele liefhebbers de familie Mahy om het voorrecht te hebben de oldtimers te bewonderen.

Begin de jaren 60 ging Ghislain Mahy op zoek naar een plaats om een museum uit te bouwen.

In 1964 koopt Ghislain Mahy in Gent een oude bowling van 2000 m2.

Hij verbouwt, plaatst gerestaureerde voertuigen, maakt de zaal klaar voor de opening.

Maar stad Gent verbiedt de exploitatie, bewerende dat het gebouw zich in een groene zone bevindt en dat de uitbating van een museum een economische activiteit is.

De pers interesseert zich aan de verzameling en de burgemeester van Houthalen leest er een artikel over.

Hij neemt contact op met Ghislain Mahy en stelt voor een loods, gelegen aan de Grote Plaats, in te richten als museum. Maar ditmaal komt er verzet van de gouverneur van Limburg.

Zijns inzien dient men een specifiek gebouw op te richten om er de verzameling in onder te brengen. Aldus ging in juli 1970 het Provinciaal Automuseum van Houthalen open in Limburg.

Het was één der eerste automusea in Europa.Maar het begin der jaren zeventig viel samen met de eerste petroleumcrisis en in 1975 begon het museum er de gevolgen van te voelen. Daarbij werden de personeelskosten steeds hoger en ter wille van het wegvallen van subsidiering kwamen er geen scholen meer naar het museum.

In 1983 besloot de provincie het museum te sluiten. Niettemin mocht de familie Mahy het museum ten persoonlijke titel uitbaten.

Ondertussen had in 1978 de familie de VZW “Autocollectie Gh. Mahy” opgericht, teneinde de verzameling te vrijwaren.

In 1983 neemt Ivan Mahy het beheer van het museum over. Hij laat zich helpen door vrijwilligers en het museum kent een nieuw succes.

Drie jaar later is het zakencijfer aanzienlijk verbeterd.

Het museum maakt publiciteit en het publiek komt massaal. De nabijheid van het park van Bokrijk is een pluspunt en trekt vele bezoekers aan.

In 1986 vindt de provincie het nodig de huurprijs te vervijfvoudigen en die komt alzo op gelijke hoogte met het publiciteit- en promotiebudget van het museum. AGM kan dit niet dragen en de onderhandelingen leveren niets op.

De voertuigen tentoongesteld in Houthalen dienen een andere tentoonstellingsruimte te vinden.Een prachtige hall van 8000 m2 was beschikbaar, gelegen in het mooie kader van het Jubelpark te Brussel.

De metalen structuur met een spanwijdte van 48 m zonder palen voldeed perfect.

De zaak werd onderhandeld, bij name met de ministers Herman De Croo (communicatie) en Louis Olivier (Openbare Werken, eigenaar van het gebouw).

De inhuldiging gebeurde in 1986 na herstelling van het gebouw, gelegen tegenover het Legermuseum, het Vliegtuigmuseum (één der belangrijkste ter wereld) en in de nabijheid van het museum van Kunst & Geschiedenis.

Buiten zijn architecturale waarde bezat het eveneens een symboliek aangezien tussen 1902 en 1934 bijna ieder jaar er een autosalon plaatsvond.

Meer dan 200 mechanische juweeltjes verwelkomen er reeds 27 jaar de bezoekers en Autoworld wordt aanzien als één der befaamste automusea ter wereld.

Maar het belicht in werkelijkheid maar één vierde van de door Ghislain Mahy verzamelde voertuigen.

De andere 800 oldtimers sliepen rustig in het oude Wintercircus te Gent tot 1997.

Reeds voor de installatie in Brussel (1986) was de VZW “Autocollectie Gh.Mahy” op zoek naar een grotere ruimte dan het circus om de oude voertuigen in onder te brengen.Vele contacten werden gelegd met openbare diensten.

De staat verkocht verscheidene kazernen en fabrieken ingevolge verhuis en/of faillissementen . AGM zocht een geheel van grote gebouwen omringd door een terrein.

Ivan Mahy contacteerde eveneens verscheidene steden waaronder Antwerpen, Blankenberge, Brussel, Gent, Oostende; die wel akkoord waren een gebouw ter beschikking te stellen; maar vele sites waren echter te duur, te klein of niet geschikt.

In 1996, tijdens een bezoek aan Frasnes-lez-Anvaing, werd Ivan Mahy door een curator erop gewezen dat er een fabriek te koop stond in Leuze-en-Hainaut.

AGM bezocht de vroegere textielfabriek Ernaelsteen, stelde vast dat zij voldeed en ontmoette de eerste schepen van Leuze. Deze laatste, de heer Jean-Pol Renard was onmiddellijk zeer enthousiast.

Drie dagen later werd AGM verwittigd dat de stad Leuze akkoord ging de oude fabriek aan te schaffen om er het toekomstig “Musée Communal de l’Automobile” in onder te brengen.

Van toen af begonnen Ivan Mahy en enkele vrienden aan een titanen verhuis.

Drie jaar lang gaan zij meer dan 700 voertuigen, gestockeerd in de cirkelvormige galerijen en de kelders van het circus te Gent, overbrengen naar Leuze.

Buiten de veteranen werd de site ook gevuld met tonnen wisselstukken, oud gereedschap, didactisch materiaal en varia en bleek de 20.000 m2 reeds te nauw te zijn.

De privé bibliotheek, één der grootste in Europa, zwicht onder het gewicht van de kostbare autodocumenten zorgvuldig geklasseerd en op inventaris geplaatst.

In de loop der tijd kreeg het ambitieuze project stilaan vorm en werd het toekomstige “Musée Communal de l’Automobile” Mahymobiles gedoopt.

De gebouwen waren gedurende één eeuw gebruikt door textiel ondernemingen.

Men moest het geheel zo inrichten dat het niet alleen toegankelijk werd voor het publiek, maar ook aantrekkelijk.

Door tussenkomst van Ideta, een intercommunale ter economische en toeristische ontplooiing van de regio, heeft het Waalse gewest subsidies toegekend om het onthaal en de toegang tot het gebouw aan te passen.

Een tweede subsidie werd toegestaan door Europa, bedoeld voor de buitenzijde van het gebouw: vernieuwing van de daken en de gevels evenals de aanleg van het park van 5ha.

De VZW Mahymobiles neemt voor haar rekening de binneninrichting evenals de aanleg van een testpiste buiten het gebouw waar de wagens bezoekers kunnen vergasten op een autoritje.

De collectie Gh. Mahy is één der meest interessante ter wereld, zowel door het aantal (ongeveer 1000 voertuigen) als de verscheidenheid.

Voertuigen uit gans de wereld, benzinewagens, stoomwagens, elektrische wagens, vrachtwagens, moto’s, fietsen, autobussen, pedaalwagentjes, paardenkoetsen en sleden.

Grote klassiekers en populaire wagens staan er naast elkaar en vertellen de geschiedenis van de automobiel vanaf 1895 tot heden.

Betreft de garage en hetzakelijke gedeelte die verhuisde van het Wintercircus naar de Brusselsesteenweg in Ledeberg.

Daar bouwde Pascale Mahy, de derde telg in de familie, de zaak uit tot het netwerk zoals we het vandaag kennen.

Er kwam een site in Lokeren, een extra showroom in Gent aan de Zeeschipstraat en één in Brugge.

De dame werd alom geroemd, maar overleed begin april 2020 aan een combinatie van longkanker en corona.

Deze maand wordt het contract getekend en zal de nieuwe eigenaar Valckenier, zodoende de grootste Renault -en Daciadealer van België worden.

De garages van Mahy zullen binnenkort ook die naam dragen.(Diverse bronnen en Wikipedia)

De passie van de Gentse ondernemer Ghislain Mahy voor auto’s en na drie generaties het einde voor garage Mahy in Gent.
De passie van de Gentse ondernemer Ghislain Mahy voor auto’s en na drie generaties het einde voor garage Mahy in Gent.
De passie van de Gentse ondernemer Ghislain Mahy voor auto’s en na drie generaties het einde voor garage Mahy in Gent.

60 jaar geleden, te gast bij de Gentse kunstschilder Jef Wauters.

Jef Wauters werd in 1927 geboren te Mariakerke als zoon van een Gents schoenenfabrikant.

Na zijn studies aan het Gentse Sint-Lievenscollege lokte een opendeurdag hem naar het Gentse Sint-Lucasinstituut.

Hij volgde er de lessen sierkunst, tekenen en schilderen bij Gerard Hermans en Maurice Tilley.

Later kreeg hij Jules De Sutter als leraar aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Gent.

Jef Wauters zou van 1949 tot 1959 zelf doceren aan het Hoger Instituut Sint-Lucas te Gent, waar hij die eerste stappen naar de kunstwereld had gezet.

Jef Wauters was de schilder van Venetië, een stad waar hij zich jaarlijks herbronde.

De schetsen die hij daar maakte vormden zijn archief voor mysterieuze olieverven met kleurrijke figuren en beelden van het architecturale erfgoed van Venetië.

Daarnaast was Wauters bekend als schilder van ontroerende, expressieve kinderkopjes, verveelde strenge rechters, statige bisschoppen, fleurige boeketten, swingende jazzmusici en van de schoonheid van zijn lievelingsbloem, de iris.

Hij ligt begraven op het kerkhof van het Vlaamse kunstenaarsdorp Deurle, een deelgemeente van Sint-Martens-Latem.

Zijn oeuvre bevindt zich thans in binnen- en buitenlandse musea en in privéverzamelingen.(Diverse bronnen, De Post 25 december 1960 en Wikipedia)

60 jaar geleden, te gast bij de Gentse kunstschilder Jef Wauters
60 jaar geleden, te gast bij de Gentse kunstschilder Jef Wauters
60 jaar geleden, te gast bij de Gentse kunstschilder Jef Wauters
60 jaar geleden, te gast bij de Gentse kunstschilder Jef Wauters
60 jaar geleden, te gast bij de Gentse kunstschilder Jef Wauters
60 jaar geleden, te gast bij de Gentse kunstschilder Jef Wauters

60 jaar geleden, de Gentse film Want alles hebben gezondigd (Ons land december 1960)

Deze film was de eerste Nederlandstalige film over WO II in België.

Want allen hebben gezondigd was een productie van het Gentse Cinébel.

Deze maatschappij was nog erg jong.

In 1958 was de Gentse Belgische Filmonderneming opgericht.

Deze onderneming zorgde ervoor dat Gent zijn eigen productiehuis kreeg, naast de tot 1960 dominante Brusselse en Antwerpse maatschappijen.

De film werd geschreven en geregisseerd door Paul Berkenman.

Deze naam is eigenlijk een pseudoniem voor Roger Thienpondt.

Thienpondt was een Genste dichter, geboren in 1926.

Hij schreef onder andere de succesvolle gedichtenbundel Orfeus achterna in 1949.

Voor dit werk kreeg hij de prijs voor letterkunde van de Stad Gent.

Naast dichter was hij actief in het Vlaamse toneel.

Berkenman had ook een grote passie voor film.

Dit leidde tot enkele filmprojecten, waar Want allen hebben gezondigd een voorbeeld van is.Berkenman werkte voor deze film voor de tweede keer samen met de dramaturg Raymond Cogen.

Hun eerste langspeelfilm was Prelude tot de dageraad, een romantische film die werd uitgebracht in 1959.

Met deze film wouden Berkenman en Cogen de onzin van de oorlog aanklagen.

Hoewel het thema van de Jodenvervolging het uitgangspunt is van het verhaal, zei Cogen dat dit thema slechts de achtergrond is van een klassiek noodlotsverhaal.

Het doel van beide filmmakers was met andere woorden niet een film te maken over de Jodenvervolging in België, maar dit thema was het best geschikt als achtergrond voor wat ze wel wouden vertellen.

De structuur van de film Want allen hebben gezondigd bestaat uit flashbacks van een Joodse vertelster, die tussen de stukken door mijmert over Wereldoorlog II.

Het voornaamste motief in de film is de schuldvraag, die al beantwoord wordt in de titel: Want allen hebben gezondigd. Berkenman en Cogen tonen aan de kijker een meer complexe schuldvraag dan wat ze gewoon zijn uit andere films.

Waar tot dan toe alles zwart- wit werd voorgesteld, een patriottisch volk tegenover een agressieve bezetter, is er in deze film veel meer aandacht voor de grijswaarden.

Zo is de ‘zwarte’ Von Lehndorf helemaal niet zo overtuigend als ‘vijand’, is de notaris ‘schuldig’ omdat hij ver gaat in zijn accommodatie en is de verzetsheld helemaal niet heroïsch wanneer hij totaal overbodig een medemens vermoordt.

De periodisering van de film is moeilijk te bepalen.

Aangezien de jodenvervolging aan bod komt, kunnen we stellen dat het na 1942 is, aangezien dan pas de vervolgingen in België op gang kwamen.

In Want allen hebben gezondigd zien we een heel andere beeldvorming van de Duitsers en het verzet dan in de films van de Franstalige filmmakers die ik tot hiertoe heb besproken.

In de plaats van een verheerlijking van het verzet, zien we een nuancering van hun vermeende heldhaftigheid.

Ook de mythe dat de Duitse bezetters allemaal onmenselijke nazi’s waren, wordt in deze film ontkracht.

Op het eerste zicht is deze film een aanklacht tegen de oorlog en het racisme tegenover de Joden. Maar als we de film plaatsen in de Belgische maatschappelijke context van een gespleten oorlogsherinnering, krijgt de film nog een tweede betekenis.

De film roept namelijk impliciet op om de harde beschuldigingen tegenover collaboratie te herbekijken.

Zo kan Von Lehndorf vergeleken worden met een collaborateur: hij staat weliswaar aan de Duitse kant, maar gaat daarom nog niet akkoord met de nationaal-socialistische theorieën.

De notaris kan op zijn beurt gezien worden als een symbool voor de accommodatiepolitiek van de Belgische elite: ook hen treft schuld.

De moord op Von Lehndorff ten slotte kan gelezen worden als symbool voor de wraakacties van het verzet op collaborateurs of de onrechtvaardige repressie.

Waarom in deze film collaboratie en repressie, thema’s die nochtans nog steeds actueel waren in Vlaanderen, niet expleciet voorkomen, kan verklaard worden door het feit dat er op deze zaken nog steeds een taboe rustte.

De tijd was nog niet rijp voor zo een film. (Ons Land 19 november en scriptie Voor vorst, voor waarheid of voor kijkcijfers? Beeldvorming van Wereldoorlog II in de Belgische film van Maaike Van Melckebeke).

60 jaar geleden, de Gentse kunstenaar Oscar Bonnevalle met zijn tentoonstelling Ballet op een palet in de galerij Bernheim in Parijs

Oscar Bonnevalle werd geboren op 16 februari 1920 in Gent, hij was de zoon van de fabrieksarbeider Hector Bonnevalle en de huishoudster Eliza Monsart.

Zijn vader sterft als Oscar nog zeer jong is en zijn moeder neemt de zorg voor hem op zich. Ze ontdekt al vroeg zijn talent en stimuleert hem om dit te ontwikkelen, wat niet evident was voor het milieu waarin ze leefde.

Vanaf 1933 volgt hij de lessen aan de Academie in Gent bij Jos Verdegem en Oscar Coddron en aan de school Arts et Métiers in Gent bij Herman Verbaere.

Op zijn zeventien stelt hij voor het eerst tentoon en behaald een eerste prijs schilderkunst en de gouden medailles voor schilderkunst en tekenen naar levend model.

Als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt, vlucht hij naar de Auvergne in Frankrijk, maar heimwee doet hem terugkeren en hij debuteert als theaterdecorateur en kostuumontwerper.

Om aan de opeising voor werk in Duitsland te ontsnappen gaat hij in 1942 in dienst bij de Tussengemeentelijke Maatschappij voor Waterbedeling van Vlaanderen in Gent, waar hij uiteindelijk dertig jaar zal blijven werken.

Oscar wordt onder de wapens geroepen in 1945 en vervult zijn dienstplicht in Engeland.

Tijdens zijn diensttijd schildert hij kantines maar ook aquarellen en onder het pseudoniem Bonny publiceert hij karikaturen, wat hij jaren zal blijven doen voor het dagblad Vooruit.

Hij treedt in het huwelijk met Marie-Louise Guyssens in 1949.

In die periode reist hij frequent naar het buitenland om zijn kunst te vervolmaken en in 1953 heeft hij een eerste buitenlandse tentoonstelling in Parijs samen met Frans Masereel

Oscar Bonnevalle was ook zeer actief in het ontwerpen van postzegels.

Hij kwam voor het eerst in contact met de filatelie in 1962 en het bleef vanaf dan een van zijn grote passies.

In 1962 vroeg men hem een postzegel te ontwerpen voor de voor de 350ste verjaardag van de Gentse Schermersgilde Sint Michiels. Zin zegels zijn een groot succes en dat is het begin van een uitzonderlijke carrière op dat domein.

Voor de Belgische post ontwerpt hij meer dan 155 zegels en voor het buitenland een veelvoud daarvan, vooral voor Afrika.

In 1967 ontvangt hij in Lissabon de prijs van de Europese Postunie voor zijn Europazegels.

Op 30 maart 1996 wordt er een postzegel gewijd aan Oscar Bonnevalle uitgegeven ter herinnering aan hem.

De zegel is een ontwerp van P.P.G. De Schutter, met op de achtergrond het schilderij Gelatenheid van Bonnevalle uit 1981.

Het werk toont de vervuilende moderne tijd die ongenadig oprukt naar een vervlogen Bonnevalle landschap.

60 jaar geleden, de Gentse kunstenaar Oscar Bonnevalle met zijn tentoonstelling Ballet op een palet in de galerij Bernheim in Parijs

Vandaag 40 jaar geleden, overlijdt de Gentse schilder Camille D’Havé.

Camille D’Havé is geboren in Gent op de eerste mei in 1926.
Hij was een klasgenoot van Raveel en Hugo Claus linkte hem aan Goya en Picasso.

Camille D’havé was in de jaren 1940 lid van de Gentse kunstenaarsgroepering La Relève.

Vijf jaar geleden verscheen het boek Camille D’havé & La Relève van Willem Elias D’havé.
Dit boek toont een zestigtal werken van zijn hand en confronteert die ook met schilderijen van de La Relève-kunstenaars, onder wie Roger Raveel en Jan Burssens.
‘Een verbeeldingsrijke realist’, noemt auteur Willem Elias D’havé – doelend op de vreemde creaturen en fantasietaferelen die zijn werken kenmerken, maar ook op de boodschap over mens en wereld die hij ermee poneerde.


Want dat is het grote thema van de kunstenaar: de mens als een tot falen gedoemd wezen.
Naast de bijdragen van Elias vindt u ook teksten van Pjeroo Roobjee, Roger Marijnissen en Hugo Claus, aangevuld met een aantal interviews, met o.a. Flor Bex.


Camille D’Havé is 54 jaar geworden en ligt begraven op het kerkhof van Sint-Amandsberg.

Vandaag is het ook al 40 jaar geleden dat de Gentse kunstschilder Maurice de Clercq is overleden.

Aan de academie in Gent studeerde hij samen met Roger Raveel, Pierre Vlerick, Antoon de Clercq en Camille D’havé.

Hij kreeg er les van Jos Verdegem.

Het allereenvoudigste voorwerp wordt uit de banaliteit geheven en tot kunstwerk gepromoveerd.

Het spreekt vanzelf dat alleen een echte kunstenaar daarin slaagt.

En Maurice de Clercq behoorde daar ongetwijfeld toe, ook al heeft hij in zijn geboortestad Gent steeds weinig erkenning gekregen.

Zoals voor vele anderen moest die erkenning ook weer uit het buitenland komen.

De voorwerpen die Maurice de Clercq schilderde, zijn op zijn minst op de werkelijke grootte weergegeven.

Soms vergrootte hij ze zelfs om het banale indrukwekkender te maken.

Hij wilde er een blikvanger van maken. Meteen viel ook het perspectief weg, want alles kwam immers op de voorgrond te staan.

Er bestond gewoon geen achtergrond meer. Toch wilde Maurice de Clercq de al te nuchtere werkelijkheid vermijden.

Hij heeft het realisme dan ook steeds een vleugje lyriek geschonken.

Net zoals destijds de Vlaamse expressionisten een heel eigen schilderkunst hebben gevonden, die geënt was op het Duitse expressionisme, heeft ook Maurice de Clercq een Vlaams hyperrealisme gevonden, dat geënt was op het Amerikaanse.

Zo bleef deze Vlaamse hyperrealist in zijn werk steeds nauw betrokken bij de mens, zelfs al werd de mens er niet in uitgebeeld.

Want aan de schijnbaar objectieve uitbeelding van een paar strandstoelen of een gordijn voor een raam gaat steeds een subjectieve keuze van een detail uit een hoeveelheid waargenomen objecten vooraf.

Dit detail is nooit willekeurig gekozen, maar beantwoordt aan de persoonlijke gevoelswereld van de kunstenaar.

Het typisch Vlaamse karakter van Maurice de Clercqs hyperrealisme verklaart ongetwijfeld zijn succes in het buitenland.

De werkelijkheid was voor hem spannender geworden dan de rijkste fantasie.

Een boeiend avontuur werd door de dood plotseling afgebroken.(Diverse bronnen, Willem M. Roggeman en foto’s De Post 6 juli 1980)

Maurice de Clercq

De grootste ijskelders van Europa bevinden zich in de Sint-Pietersnieuwstraat in Gent.

Tijdens de bouw van studentenwoningen in de Sint-Pietersnieuwstraat, ontdekte een kraanman in 1998 plots een enorm gat onder een vloerplaat.

Hij keek erdoor en tot zijn stomme verbazing zag hij een holte waar zijn kraan met gemak in zou kunnen verdwijnen.

De geschiedenis van de industriële site van de Hoveniersberg vangt aan in 1855 met de aankoop van het Emmaüskasteeltje met lusttuin, pakhuis en verschillende percelen aan de Hoveniersberg en Sint-Pietersnieuwstraat door François Donny, eminent wetenschapper gespecialiseerd in scheikunde en voedingsleer, later hoogleraar aan de Gentse universiteit en bedrijfsleider.

Zijn kennis van scheikunde en voedingsleer bracht hij ook in de praktijk met de oprichting van een “Mineraalwater fabriek” zogenaamd “Blandin” in 1856 en de ontleding van de minerale eigenschappen van het water.

Het mineraalwater werd door boringen via een “abyssinische put” uit belangrijke waterlagen in de Blandijnberg opgehaald.

De geologische opbouw van deze getuigenheuvel met een afwisseling van zand- en leemlagen vormt ook een natuurlijke filter van ongeveer 20 meter.

Langs de Hoveniersberg werd een laboratorium annex fabriek van scheikundige producten opgericht waar Donny zijn uitvindingen ontwierp en uittestte.

In de jaren 1870 breidde hij zijn bedrijf uit met een stoombrouwerij met magazijnen, tunnel met hijstoren en ijskelders.

Voor de bouw van deze ijskelders werd, volgens de studie van G. Donny de geologische structuur van de bodem goed bestudeerd.

De plannen van de “Brasserie et usines du petit château d’Emaüs”, nu bewaard in het Museum voor Industriële Archeologie en Textiel te Gent, tonen duidelijk de inplanting, plattegrond en doorsneden van de toen opgerichte gebouwen, onder meer van de al beschermde tunnel en hijstoren in de flank van de Blandijnberg.

Opmerkelijk op deze doorsnede is de aanduiding van twee ondergrondse ruimten in de vorm van een “dame jeanne”, de eigenlijke ijskelders.

Het oorspronkelijk logo van de brouwerij was een voorstelling van het Emmaüskasteeltje met de brouwerijgebouwen en toren op de achtergrond en met het opschrift: “Brasserie & Glacière du Petit Château d’Emaüs”.

Het was het belangrijkste bedrijf in deze branche te Gent in het laatste kwart van de 19de en het eerste kwart van de 20ste eeuw.”

Vandaag zijn het de grootste van Europa.

De ijskelders kan je het beste vergelijken met twee reusachtige thermosflessen die in baksteen in de grond gebouwd werden.

De grootste kelder heeft een diameter van 15 meter op het breedste punt en een inhoud van ongeveer 2.200 kubieke meter, de tweede heeft een diameter van 10 meter.

“Het ijs voor brouwerij Blandinberg werd per schip aangevoerd vanuit Scandinavië.Op de Muinkkaai werd het op karren geladen en via een (nog bestaande) onderaardse gang naar de ijskelders gevoerd.

De brouwerij lag lager op de helling dan de ijskelders.

Voorlopig kun je de ijskelders alleen bezoeken als onderdeel van een gidsbeurt door Gent.(Geert Houck, Erfgoed Vlaanderen en Foto 1 ijsblokken werden per schip vervoerd en met een tang opgehesen, Foto 2 de bolle bovenkant van de grootste ijskelder met op de achtergrond het Emmaüskasteeltje, Foto 3 etiket van het spuitwater dat op de Blandijnberg werd gebotteld)

De grootste ijskelders van Europa bevinden zich in de Sint-Pietersnieuwstraat in Gent.
De grootste ijskelders van Europa bevinden zich in de Sint-Pietersnieuwstraat in Gent.
De grootste ijskelders van Europa bevinden zich in de Sint-Pietersnieuwstraat in Gent.
De grootste ijskelders van Europa bevinden zich in de Sint-Pietersnieuwstraat in Gent.

Vandaag 71 jaar geleden, Slag om het Gravensteen.

Op 16 november 1949 verschansen 138 studenten (onder wie één meisje) zich in het Gentse Gravensteen en dit als protest tegen de stijging van de bierprijs van 3 naar 4 frank.

In alle auditoria van de unief gingen die dag briefjes rond om de studenten op te roepen om in de namiddag en masse naar het kasteel te komen.

136 studenten betraden het Gravensteen met een stootkar vol overrijp fruit en dito groenten en ze barricadeerden de poorten.

Al vlug verschenen er op de kantelen bordjes met leuzen als Uylenspiegel is nog niet dood en Bier aan drie frank de pot.

In het begin bleef het vrij rustig, tot twee agenten voorbij fietsten en een stuk fruit tegen hun hoofd kregen.

Er werden massaal veel rijkswachters, agenten en brandweerlui opgetrommeld om het protest in de kiem te smoren.

Maar de eerste twee uur werden ze bedolven onder een regen van fruit en graszoden.

Na een paar uur vonden de ordehandhavers dan toch een zwakke plek, de toren boven de poort die niet bezet was.

Via een brandweerladder bereikten ze de toren, waar ze met hun wapenstokken een einde maakten aan het studentenfeestje.

Omdat het publiek de grap wel kon smaken, werden de studenten niet vervolgd.

Elk jaar herdenken de Gentse studenten de moedige bezetting van hun voorgangers.

Niet met rot fruit, maar wel met trompetten, vlaggen en liters Rodenbach.

In 2012 kreeg de herdenking een extra toets doordat aan de ingang van het Gravensteen een bord onthuld werd om de Slag om het Gravensteen te herdenken. (diverse bronnen, Elienne Langendries en Anne-Marie Simon-Vanderm)

Vandaag 71 jaar geleden, Slag om het Gravensteen
Vandaag 71 jaar geleden, Slag om het Gravensteen
Vandaag 71 jaar geleden, Slag om het Gravensteen
Vandaag 71 jaar geleden, Slag om het Gravensteen