Vandaag is het 100 jaar geleden dat Woodrow Wilson is overleden (3 februari 1924)

Woodrow Wilson was een Amerikaanse politicus en academicus die de 28e president van de Verenigde Staten was van 1913 tot 1921.

Hij was lid van de Democratische Partij en diende als president van de Princeton University en als gouverneur van New Jersey voordat hij de presidentsverkiezingen van 1912 won.

Als president veranderde hij het economische beleid van het land en leidde hij de Verenigde Staten in de Eerste Wereldoorlog in 1917.

Hij was de belangrijkste architect van de Volkenbond, en zijn progressieve houding tegenover het buitenlands beleid kwam bekend te staan als het wilsonianisme .

Wilson werd geboren in Staunton, Virginia, en groeide op in het zuiden van de Verenigde Staten, voornamelijk in Augusta, Georgia, tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog en het Reconstruction-tijdperk.

Hij studeerde af aan de Princeton University en behaalde zijn doctoraat in de politieke wetenschappen aan de Johns Hopkins University.

Zijn proefschrift, Congressional Government: A Study in American Politics, werd gepubliceerd in 1886 en vestigde zijn reputatie als een geleerde.

Hij doceerde aan verschillende universiteiten voordat hij in 1902 president werd van Princeton, waar hij een aantal hervormingen doorvoerde om het curriculum te moderniseren en de democratie te bevorderen.

In 1910 werd Wilson gekozen tot gouverneur van New Jersey met de steun van de progressieve vleugel van zijn partij.

Hij voerde een aantal wetten door om de arbeidsomstandigheden te verbeteren, de corruptie te bestrijden, het kiesrecht uit te breiden en het bankwezen te reguleren.

Zijn succes als gouverneur maakte hem tot een leidende kandidaat voor de presidentsverkiezingen van 1912, waar hij het opnam tegen de Republikeinse zittende president William Howard Taft en de voormalige president Theodore Roosevelt, die zich afsplitste van zijn partij om een derde partij op te richten, de Progressive Party .

Wilson won de verkiezing met een meerderheid in het kiescollege, maar slechts 42 procent van de populaire stemmen.

Hij was de eerste Democraat die sinds 1896 werd gekozen tot president en de eerste zuidelijke president sinds 1848.

Als president lanceerde hij een ambitieus binnenlands programma dat bekend stond als The New Freedom, dat gericht was op het verminderen van tarieven, het hervormen van het bankwezen, het creëren van een federale handelscommissie en het versterken van de antitrustwetgeving.

Hij steunde ook sociale wetgeving om kinderarbeid te verbieden, arbeiders het recht op collectieve onderhandelingen te geven en federale leningen aan boeren te verstrekken .

Wilson werd herkozen in 1916 met een nipte marge onder de slogan “He kept us out of war”.

Hij had geprobeerd om neutraal te blijven in de Eerste Wereldoorlog die Europa verscheurde sinds 1914, maar hij werd geconfronteerd met toenemende druk om zich bij de geallieerden aan te sluiten tegen Duitsland na verschillende provocaties, zoals de onbeperkte duikboot oorlogvoering en het Zimmermann-telegram.

In april 1917 vroeg Wilson het Congres om een oorlogsverklaring tegen Duitsland “om de wereld veilig te maken voor democratie”.

Hij mobiliseerde snel het land voor oorlog door middel van propaganda, conscriptie, rantsoenering en leningen.

Hij stuurde ook meer dan twee miljoen Amerikaanse soldaten naar Europa om te vechten onder generaal John J. Pershing.

Wilson speelde een cruciale rol bij het beëindigen van de oorlog en het vormgeven van de naoorlogse orde.

Hij presenteerde zijn visie voor een rechtvaardige en duurzame vrede in een toespraak tot het Congres in januari 1918, waarin hij zijn beroemde Veertien Punten uiteenzette.

Deze omvatten het principe van nationale zelfbeschikking, de vrijheid van de zeeën, de vermindering van bewapening, en vooral de oprichting van een “algemene vereniging van naties” om de internationale samenwerking en veiligheid te waarborgen.

Wilson reisde persoonlijk naar Parijs om deel te nemen aan de vredesconferentie, waar hij de leider werd van de “Big Four”, samen met de Britse premier David Lloyd George, de Franse premier Georges Clemenceau en de Italiaanse premier Vittorio Orlando.

Hij slaagde erin om zijn idee van een Volkenbond op te nemen in het Verdrag van Versailles, dat in juni 1919 werd ondertekend.

Wilson keerde terug naar de Verenigde Staten om het verdrag te ratificeren door het Congres, maar hij stuitte op hevig verzet van senatoren die zich verzetten tegen het lidmaatschap van de Volkenbond.

Wilson weigerde compromissen te sluiten of wijzigingen in het verdrag toe te staan, en lanceerde een nationale spreekbeurt om steun te verwerven voor zijn plan.

Tijdens deze tour kreeg hij echter een beroerte die hem gedeeltelijk verlamd en blind aan één oog achterliet.

Zijn vrouw Edith, met wie hij in 1915 was getrouwd na de dood van zijn eerste vrouw Ellen in 1914, nam veel van zijn taken over als zijn naaste adviseur.

Het Congres verwierp uiteindelijk het Verdrag van Versailles en de Volkenbond, waardoor Wilsons droom van een nieuwe wereldorde werd gedwarsboomd.

Wilson bleef tot het einde van zijn termijn in 1921 in functie, maar hij was grotendeels afgesneden van het publiek en had weinig invloed op binnenlandse of buitenlandse zaken.

Hij werd opgevolgd door de Republikein Warren G. Harding, die beloofde terug te keren naar “normaliteit” na de oorlog en de hervormingen.

Wilson trok zich terug in zijn huis in Washington, D.C., waar hij tot zijn dood in 1924 bleef.

Hij werd begraven in de Washington National Cathedral, als eerste president die in de hoofdstad werd begraven .

Wilson wordt algemeen beschouwd als een van de belangrijkste presidenten in de Amerikaanse geschiedenis, vooral om zijn leiderschap tijdens de Eerste Wereldoorlog en zijn visie op een vreedzame internationale orde.

Hij wordt ook geprezen om zijn progressieve hervormingen op binnenlands gebied, hoewel hij ook wordt bekritiseerd om zijn segregatiebeleid en zijn schendingen van burgerlijke vrijheden tijdens de oorlog.

Hij ontving in 1919 de Nobelprijs voor de Vrede voor zijn bijdrage aan het beëindigen van de oorlog en het bevorderen van de Volkenbond.

Germaine Coty was de vrouw van René Coty, de laatste president van de Vierde Franse Republiek.

Ze werd geboren als Germaine Corblet op 9 april 1886 in Le Havre, Frankrijk.

Haar ouders waren Charles Corblet, een reder en medeoprichter van het bedrijf C. Brown en Corblet, en Marie Jeanne Clotilde Belhomme.

Ze trouwde met René Coty, een advocaatnotaris, op 8 januari 1907 en het koppel kreeg twee dochters: Geneviève Coty enAnne-Marie Coty.

Ze steunde haar man tijdens zijn politieke carrière.

René Coty was lid van de conservatief-liberale Centre National des Indépendants et Paysans (CNIP, Nationaal Centrum van Onafhankelijken en Boeren).

Voor zijn presidentschap was hij lid geweest van beide kamers van het Franse parlement namens Seine-Inférieure (in de Kamer van Afgevaardigden vanaf 1923 en in de Senaat vanaf 1936).

Ook was hij minister van Reconstructie en Urbanisme van 1947 tot 1948.

Ze vergezelde hem bij officiële bezoeken aan het buitenland, zoals naar Marokko, Tunesië, Italië en het Verenigd Koninkrijk.

Ze ontving ook vele buitenlandse gasten in het Élysée-paleis, waaronder koningin Elizabeth II, president Dwight D. Eisenhower en paus Johannes XXIII.

Germaine Coty overleed op 11 november 1955 in Parijs, op 69-jarige leeftijd en is daarmee tot vandaag de eerste partner van een president die stierf tijdens zijn bewind.

Ze werd begraven op de begraafplaats Sainte-Marie in Le Havre. Waar ook enkele jaren later haar man begraven is (foto De Post 17 januari 1954)

Vandaag is het precies honderd jaar geleden dat Vladimir Lenin kwam te overlijden.

Na de val van de tsaar tijdens de Februarirevolutie (in onze kalender, was dit in maart) in 1917, was er nog geen sprake van een communistische regering, meer nog de communisten waren toen een minderheid.

De tijdelijke regering, zonder communisten, eiste dat Nicolaas II zijn macht zou opgeven.

Op 2 maart 1917 ging hij daarmee akkoord.

Hij wilde eerst de troon doorgeven aan zijn zoon Aleksej, met zijn broer Michail als regent.

Maar hij bedacht zich toen hij besefte dat hij zijn land moest verlaten en zijn zieke zoon moest achterlaten.

Hij deed daarom afstand van de troon voor zichzelf en voor Aleksej, en bood de kroon aan Michail aan.

Die weigerde echter (weigerde totdat een verkozen parlement dit zou goedkeuren).

Dit gebeurde nooit en tijdens de Russische Revolutie werd hij gevangengenomen en nog voor zijn broer Nicolaas vermoord en dit betekende dan ook het einde van de Romanov-dynastie en van de monarchie in Rusland.

Terug nu naar Lenin, en hoe de communisten, van een kleine minderheid in enkele maanden tijd, de macht konden overnemen.

Lenin was één van de leden van het centraal comité van de bolsjewistische partij, waarin alle belangrijke beslissingen collectief werden genomen.

Maar met de nooit afnemende energie waarmee hij het centraal comité van zijn gelijk overtuigde, stak hij met kop en schouders boven de rest uit.

Het begon al meteen nadat hij op 16 april 1917 na zijn ongewone reis vanuit Zwitserland in Petrograd arriveerde, een maand na de val van tsaar.

Rusland zat toen in een revolutionaire staat van genade.

Iedereen was blij dat het autoritaire tsarenregime was gevallen.

Het nieuwe Rusland zou democratisch worden, met respect voor de rechten van de arbeiders, de nationale minderheden enzovoort.

Democratie was een modewoord geworden.

Daarover was er een soort nationale eendracht rond de Voorlopige Regering. Partijtegenstellingen leken even onbelangrijk.

Toch was de situatie allesbehalve schitterend.

De oorlog duurde voort en de Duitsers en de Oostenrijkers hadden grote delen van het westen van Rusland veroverd.

Verder waren er de zware economische problemen, vooral de schrijnende voedseltekorten, die veroorzaakt werden doordat de boeren onvoldoende graan leverden.

De eis “vrede en brood” van de betogingen die tot de val de tsaar hadden geleid, werd niet ingewilligd.

Lenin zag dat in en in zijn Aprilstellingen, die hij vlak na zijn terugkeer formuleerde, sloeg hij een radicale toon aan.

De “imperialistische” Wereldoorlog moest meteen worden beëindigd.

De Voorlopige Regering, die “bourgeois” was en die met leugenachtige argumenten de oorlog voortzette, mocht niet worden gesteund.

De Aprilstellingen waren zo buitengewoon, dat zelfs de meeste bolsjewieken daar niet voor te vinden waren.

Maar met zijn kenmerkende hardnekkigheid wist Lenin zijn partijgenoten te overtuigen.

Daarmee lag het programma voor de Oktoberrevolutie al vast.

Lenin begreep echter dat de bolsjewieken nog te weinig invloed hadden om dit te bereiken.

De sovjets werden gedomineerd door de gematigde socialisten.

De voortzetting van de oorlog maakte de Voorlopige Regering snel impopulair.

Toen het leger in juli een zware nederlaag leed, braken rellen uit onder de soldaten en de arbeiders in Petrograd.

Ze eisten dat de sovjets de macht zouden overnemen en de oorlog beëindigen.

Precies wat Lenin wilde. Alleen kwam de opstand te vroeg.

De regering had nog te veel macht. Lenin besefte dat, maar de bolsjewieken konden niets anders dan de demonstranten steunen.

Het gevolg van deze “julidagen” was een harde repressie door de Voorlopige Regering, nu onder leiding van de gematigde socialist Kerenski.

De bolsjewistische partij werd bijna verboden en vooraanstaande bolsjewieken werden gearresteerd.

Lenin slaagde erin naar het naburige Finland te ontkomen.

Hij dacht toen dat zijn zaak verloren was.

Hij zou zich maandenlang, schuil houden en pas kort voor de Oktoberrevolutie stiekem naar Petrograd terugkeren.

Intussen veranderde de toestand snel.

De toenemende invloed van de rechtse generaal Kornilov op Kerenski (hij voerde opnieuw de doodstraf in en eiste een stakingsverbod in de oorlogsindustrie) deed velen vrezen dat de verworvenheden van de revolutie zouden worden teruggedraaid.

Toen het leek alsof Kornilov een staatsgreep pleegde tegen de Voorlopige Regering, verzetten de arbeiders zich tegen wat ze als een “contrarevolutie” zagen.

Ook de bolsjewieken deden daaraan mee.

Vanwege die houding werden de meeste gevangen bolsjewieken weer vrijgelaten en kon de partij weer functioneren, al bleef Lenin ondergedoken.

Toen de herfst aanbrak wonnen de bolsjewieken snel aan invloed, terwijl Kerenski steeds impopulairder werd.

In oktober waren de Duitse legers gevaarlijk dicht bij Petrograd gekomen.

De roebel verloor steeds meer aan waarde. In de winkels was nauwelijks nog eten te krijgen.

In dat klimaat leek de val van de Voorlopige Regering onvermijdelijk.

De gematigde socialistische partijen waren meer en meer geneigd om de standpunten van de bolsjewieken te volgen, die zelf steeds meer aanhang kregen.

Het zag er naar uit dat er een brede coalitie van partijen zou ontstaan die zou bereiken wat Lenin gewild had.

Vreemd genoeg was Lenin daar absoluut niet voor te vinden.

In brieven die hij vanuit Finland naar het centraal comité van de bolsjewieken stuurde, verwierp hij onderhandelingen met andere partijen.

Hij eiste dat de bolsjewieken de macht met de wapens zouden veroveren.

Opnieuw stond hij met dat standpunt in het begin vrijwel alleen en opnieuw wist hij zijn gelijk te halen, zij het met veel moeite.

Nadat Lenin clandestien naar Petrograd was teruggekeerd vond daar op 23 oktober (10 oktober volgens de Russische kalender) in het grootste geheim een vergadering van het centraal comité plaats.

Alleen maar 12 van de 21 leden waren aanwezig en daarvan keurden er 10 het plan van Lenin goed om een gewapende opstand te beginnen.

Er was wel nog geen datum voor de opstand bepaald.

Op 7 november (25 oktober) zou het tweede Congres van Sovjets bijeenkomen.

De bolsjewieken wilden daar voorstellen dat dit Congres de staatsmacht zou overnemen en het zag ernaar uit dat ze ditmaal een grote steun van andere partijen zouden krijgen.

Sommige bolsjewieken dachten dan ook dat een gewapende opstand overbodig zou zijn.

Maar Lenin eiste en bekwam dat de bolsjewistische staatsgreep zou gebeuren vóór het congres begon.

Lenin zei dat het risico bestond dat de Voorlopige Regering het congres niet zou laten doorgaan of dat er een of andere “contrarevolutie” zou plaatsvinden die een vreedzame machtsovername zou verhinderen.

Hij was er immers van overtuigd dat de kapitalisten nooit vreedzaam hun macht zouden afstaan en dat een burgeroorlog onvermijdelijk was.

Maar wellicht had Lenin nog een andere reden.

Door vooraf de macht te grijpen en het Congres van Sovjets voor een voldongen feit te plaatsen, zouden de bolsjewieken de macht niet met andere partijen moeten delen.

Lenin wilde de macht voor zijn partij alleen.

Een dictatuur van het proletariaat, die in de praktijk een dictatuur van de bolsjewieken zou zijn.

Op 7 november nam een door de bolsjewieken gecontroleerd Militair-Revolutionair Comité de macht in Petrograd over.

Diezelfde avond begon het Congres van Sovjets.

Door allerlei problemen en misverstanden kon de beslissende aanval op het Winterpaleis (de zetel van de Voorlopige Regering) pas beginnen toen de vergadering al begonnen was.

Een deel van de niet-bolsjewistische congresafgevaardigden was daarover verontwaardigd en verliet het Congres, waardoor de bolsjewieken er een duidelijke meerderheid kregen.

Het Congres stelde een bolsjewistische regering aan onder leiding van Lenin, maar die regering zou in de volgende weken en maanden de democratische vrijheden die er sinds de val van de tsaar waren ontstaan, terugschroeven.

De dictatuur die Lenin bijna op zijn eentje had gewild, werd een feit.

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Vandaag 90 jaar geleden, de Nederlandse arbeider en communist Marinus van der Lubbe onthoofd in Duitsland (10 januari 1934)

Van der Lubbe werd geboren in 1909 in Leiden, als zoon van een metselaar.

Hij verloor zijn vader op jonge leeftijd en moest al vroeg gaan werken om zijn moeder en broers te ondersteunen.

Hij raakte betrokken bij de socialistische beweging en werd lid van de Communistische Partij van Nederland.

Hij nam deel aan stakingen en demonstraties en raakte gewond bij een confrontatie met de politie.

Hij verloor ook zijn linkeroog bij een ongeluk op het werk.

In 1931 reisde hij naar Duitsland, waar hij getuige was van de opkomst van het nazisme en de vervolging van de communisten en andere tegenstanders.

Hij sloot zich aan bij verschillende antifascistische groepen en nam deel aan illegale acties.

Hij werd meerdere keren gearresteerd en mishandeld door de nazi’s.

Hij raakte gefrustreerd door het gebrek aan effectieve weerstand tegen Hitler en besloot om een individuele daad van protest te plegen.

Op 27 februari 1933 sloop hij het Rijksdaggebouw binnen en stak verschillende gordijnen in brand.

Hij werd snel overmeesterd door de bewakers en bekende zijn daad.

Hij beweerde dat hij alleen had gehandeld, uit haat tegen het nazisme.

De nazi’s grepen echter de kans om een groot complot te fabriceren en beschuldigden de communisten, de sociaaldemocraten en andere tegenstanders van betrokkenheid bij de brand.

Ze gebruikten de brand als voorwendsel om een noodtoestand af te kondigen en duizenden mensen te arresteren, te martelen en te doden.

Van der Lubbe werd berecht voor hoogverraad, samen met vier andere verdachten: Ernst Torgler, een Duitse communistische leider, en drie Bulgaarse communisten: Georgi Dimitrov, Vasil Tanev en Blagoi Popov.

Het proces was een schijnvertoning, waarbij de nazi’s probeerden om Van der Lubbe als een marionet van de communisten af te schilderen, terwijl de andere verdachten hun onschuld volhielden en zich fel verdedigden.

Dimitrov maakte vooral indruk met zijn moedige weerwoord tegen Hitler, die persoonlijk het proces bijwoonde.

De rechtbank sprak uiteindelijk alle verdachten vrij, behalve Van der Lubbe, die schuldig werd bevonden en ter dood werd veroordeeld.

Hij werd onthoofd op 10 januari 1934, ondanks internationale protesten en verzoeken om gratie.

De doodstraf voor Marinus van der Lubbe leidde tot een opmerkelijke actie van de VARA op die dag.

De omroep liet drie minuten lang niets horen op de radio, als een stil protest tegen het vonnis.

De regering was woedend en nam wraak door de VARA een dag lang van de ether te halen.

Zijn lichaam werd gecremeerd en zijn as werd verstrooid boven de Noordzee.

Na zijn dood bleef Van der Lubbe een controversiële figuur.

Sommigen beschouwden hem als een martelaar voor de antifascistische zaak, anderen als een dwaas of een verrader die de nazi’s hielp om aan de macht te komen.

In 1967 werd hij postuum gerehabiliteerd door een West-Duitse rechtbank, die oordeelde dat zijn executie onrechtmatig was geweest.

In 2008 werd hij ook officieel vrijgesproken van alle beschuldigingen door een Duitse federale rechtbank, op grond van een wet die alle nazioorlogsmisdaden nietig verklaarde.

Vandaag is het precies 60 jaar geleden dat president John F. Kennedy werd vermoord in Dallas, Texas.

Hij was het slachtoffer van een aanslag die de wereld schokte en de loop van de geschiedenis veranderde.

Kennedy was de 35e president van de Verenigde Staten en een van de populairste en charismatische leiders van de 20e eeuw.

Gisteren nog vandaag

De officiële dader, Lee Harvey Oswald, is voor velen een te onwaarschijnlijk figuur, en zijn motieven zijn te onduidelijk om ooit klaarheid te kunnen krijgen in wat nu precies de reden is geweest voor de moordaanslag.

Cubanen? Russen? Amerikanen? Maffiosi? Oliebaronnen? Johnson? Allemaal hadden ze redenen te over om JFK kwijt te willen.

Gisteren nog vandaag

Dat in het rijtje de maffia een prominente plaats inneemt, zal voor altijd een smet blijven werpen op een man die een enorme belofte inhield, maar daar uiteindelijk weinig van kon waarmaken.

Tot op de dag van vandaag blijft dan ook de moord op Kennedy een bron van fascinatie, speculatie en controverse.

Vandaag is het 90 jaar geleden dat de Franse wiskundige en politicus Paul Painlevé overleed (29 oktober 1933)

Paul Painlevé geboren op 5 december 1863 in Parijs, stamt af van een familie die zich in verschillende ambachten heeft onderscheiden.

Aan de kant van zijn vader waren zijn voorouders wijnmakers uit Eure-et-Loir, terwijl aan de kant van zijn moeder zijn voorouders steenhouwers waren uit Meaux.

Zijn grootvader van vaderskant verhuisde naar Parijs, waar hij als typograaf werkte.

Hij ging met pensioen op negenenvijftigjarige leeftijd en keerde terug naar zijn geboortedorp, waar hij twintig jaar later overleed.

Zijn vader volgde het voorbeeld van zijn grootvader en zijn oom en werd een lithografisch ontwerper in de grafische industrie in Parijs.

In het begin van de jaren zeventig richtte hij een drukinktfabriek op in Malakoff.

Paul Painlevé groeide op in een redelijk welvarende, progressieve en goed opgeleide middenklasse familie.

Hij studeerde aan de École Normale Supérieure, waar hij later ook hoogleraar werd.

Hij was een expert op het gebied van differentiaalvergelijkingen en hemelmechanica, en leverde belangrijke bijdragen aan de theorie van de singulariteiten en de stabiliteit van vloeistofstromen.

In 1900 werd hij verkozen tot lid van de Academie van Wetenschappen.

Hij bestudeerde de beweging van vloeistoffen en hun toepassing op het ontwerp van vliegtuigen.

In 1903 publiceerde hij een formule die aantoonde dat een vleugel een opwaartse kracht kan genereren door de luchtstroom om zich heen te veranderen.

In 1908 maakte hij een historische vlucht en was hij de eerste passagier van de gebroeders Wright, die de eerste gemotoriseerde vlucht hadden uitgevoerd in 1903.

Hij bleef geïnteresseerd in de theorie van de luchtvaart en in 1927 formuleerde hij een wiskundig model voor de beweging van een vlak in een perfecte vloeistof, dat wil zeggen een vloeistof zonder viscositeit of wrijving.

Zijn werk legde de basis voor latere ontwikkelingen in de aerodynamica en de stromingsleer.

Hij was niet alleen een invloedrijke figuur in de Franse wetenschap, maar hij was ook actief in de politiek, zo was hij twee keer premier (in 1917 en 1925) en bekleedde hij verschillende ministerposten.

Hij speelde ook een belangrijke rol in de ontwikkeling van de militaire luchtvaart in Frankrijk.

In 1910 overtuigde hij het parlement om geld vrij te maken voor de aanschaf van vliegtuigen.

Hij was rapporteur en later voorzitter van de commissie voor marinezaken, lid van de Hoge Raad voor Militaire Luchtvaart en van de Technische Commissie voor Spoorwegoperaties.

Hij zette zich in om de nationale verdediging te versterken.

Hij was een voorstander van de internationale samenwerking en de wetenschappelijke vooruitgang, en richtte onder andere het Institut d’Histoire des Sciences et des Techniques op.

Painlevé was getrouwd met Marguerite Petit de Villeneuve

Zij hadden samen een zoon, Jean Painlevé, die een beroemde regisseur en bioloog werd.

Jean Painlevé maakte meer dan tweehonderd films over het leven in de zee, waarin hij wetenschap en kunst combineerde. Hij was ook een pionier op het gebied van de microcinematografie en de onderwaterfotografie.

Paul Painlevé stierf op 29 oktober 1933 in Parijs, op 69-jarige leeftijd.

Gisteren nog vandaag

Vandaag 60 jaar geleden, de ontvoering van voetballer Alfredo Di Stéfano (Panorama 8 oktober 1963)

In 1963 werd Di Stéfano het slachtoffer van een ontvoering in Caracas, Venezuela, waar hij met Real Madrid een vriendschappelijke wedstrijd zou spelen.

Hij werd op (volgens sommige bronnen op 24 augustus) meegenomen door twee gewapende mannen die zich voordeden als politieagenten.

Ze eisten losgeld en politieke concessies van de Venezolaanse regering.

Di Stéfano werd twee dagen vastgehouden (sommige bronnen hebben het over 25 uur) in een afgelegen huis, maar bleef ongedeerd. Hij kreeg zelfs te eten en te drinken en mocht naar de radio luisteren.

De ontvoerders behoorden tot een linkse guerrillabeweging die zichzelf de Gewapende Revolutionaire Beweging (MRA) noemde.

Ze wilden met hun actie aandacht vragen voor de sociale ongelijkheid en de onderdrukking in Venezuela.

Ze hadden ook contact met Fidel Castro, de leider van Cuba, die hen steunde in hun strijd tegen het regime van president Rómulo Betancourt.

Castro zou zelfs hebben bemiddeld om Di Stéfano vrij te krijgen, volgens sommige bronnen.

Op 26 augustus werd Di Stéfano vrijgelaten in de buurt van de Spaanse ambassade.

Hij werd opgevangen door zijn ploeggenoten en kon al snel weer voetballen.

Hij speelde zelfs mee in de uitgestelde wedstrijd tegen São Paulo, die Real Madrid met 2-1 won.

Di Stéfano zei later dat hij geen wrok koesterde tegen zijn ontvoerders en dat hij begrip had voor hun idealen. Hij schonk ook een deel van zijn gage aan een Venezolaans weeshuis.

Alfredo Di Stéfano was een van de grootste voetballers aller tijden. Hij speelde als aanvaller en was vooral bekend om zijn successen met Real Madrid in de jaren 50 en 60.

Hij won vijf keer de Europacup I en scoorde in elke finale. Hij was ook vijf keer de topscorer van Spanje en werd twee keer verkozen tot Europees voetballer van het jaar.

Di Stéfano begon zijn carrière bij River Plate in Argentinië, waar hij in 1947 de Copa América won.

Hij speelde ook voor Huracán en Millonarios in Colombia, voordat hij in 1953 naar Real Madrid ging.

Hij nam de Spaanse nationaliteit aan en speelde 31 interlands voor Spanje, nadat hij eerder ook voor Argentinië en Colombia had gespeeld.

Di Stéfano maakte nooit zijn debuut op een WK, omdat Spanje zich niet kwalificeerde of zich terugtrok.

Na zijn voetbalcarrière werd hij trainer van onder andere Elche, Boca Juniors, Valencia, Sporting CP, Rayo Vallecano, Castellón, River Plate en Real Madrid.

Hij won als coach onder meer de Argentijnse titel met Boca Juniors en River Plate, de Spaanse titel en de Europacup II met Valencia en de Spaanse Supercup met Real Madrid.

Hij was ook een filmacteur en speelde in vier films: Con los mismos colores (1949), Saeta rubia (1956), La batalla del domingo (1963) en Once pares de botas (1968).

Di Stéfano overleed in 2014 op 88-jarige leeftijd in Madrid. Hij wordt beschouwd als een legende van het voetbal en een icoon van Real Madrid.

50 jaar geleden, Jane Fonda uit Noord-Korea, ik zal nooit meer dezelfde zijn (De Post 6 augustus 1972)

50 jaar geleden, Jane Fonda uit Noord Korea, ik zal nooit meer dezelfde zijn (De Post 6 augustus 1972)

50 jaar geleden, Jane Fonda uit Noord-Korea, ik zal nooit meer dezelfde zijn (De Post 6 augustus 1972)
50 jaar geleden, Jane Fonda uit Noord-Korea, ik zal nooit meer dezelfde zijn (De Post 6 augustus 1972)
50 jaar geleden, Jane Fonda uit Noord-Korea, ik zal nooit meer dezelfde zijn (De Post 6 augustus 1972)
50 jaar geleden, Jane Fonda uit Noord-Korea, ik zal nooit meer dezelfde zijn (De Post 6 augustus 1972)
50 jaar geleden, Jane Fonda uit Noord-Korea, ik zal nooit meer dezelfde zijn (De Post 6 augustus 1972)
50 jaar geleden, Jane Fonda uit Noord-Korea, ik zal nooit meer dezelfde zijn (De Post 6 augustus 1972)
50 jaar geleden, Jane Fonda uit Noord-Korea, ik zal nooit meer dezelfde zijn (De Post 6 augustus 1972)