De geschiedenis van de huidige IVG-School in Gent begon in de tweede helft van de negentiende eeuw, een tijd waarin het secundair onderwijs in Vlaanderen vrijwel volledig Franstalig was.

Omdat onderwijs destijds hoofdzakelijk een privéaangelegenheid was, betaalden ouders het schoolgeld zelf.

In deze tijdsgeest richtte wiskundeleraar Henri Rachez op 1 augustus 1852 in Brussel een privéschool op om leerlingen voor te bereiden op de Militaire School en de examens voor burgerlijk ingenieur.

Op 1 oktober 1899 breidde dit initiatief uit naar Gent met de opening van een dochterschool in het herenhuis De Cock aan de Nederkouter.

Onder de naam Institut Rachez de Gand bood de school onderdak aan bijna alle leerlingen van de Ecole Molitor, die door stadsverfraaiingen in het centrum moest sluiten.

In 1901 werd de Gentse vestiging volledig onafhankelijk. De focus verschoof in de jaren daarna geleidelijk: in 1905 kwam er meer aandacht voor wetenschappen naast wiskunde, en in 1909 kreeg de school de naam Institut de Gand, waarbij ook moderne talen een prominentere plek in het curriculum kregen.

Een belangrijke administratieve stap volgde op 1 september 1928, toen de lagere school officieel werd erkend en gesubsidieerd.

De zes laagste jaren functioneerden als transmutatieklassen waar Franstalige kinderen intensief Nederlands leerden, terwijl de voertaal in het zevende en achtste leerjaar volledig Nederlands was.

De secundaire afdeling was op dat moment nog niet erkend en hanteerde een verdeling van 65 procent Frans en 35 procent Nederlands.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog schreef de school in 1942 haar eerste meisje in, waarmee het de eerste gemengde school van Gent werd.

Dankzij het Schoolpact van mei 1959 kreeg de school via werkingskredieten en wedde-toelagen ruimere financiële middelen.

Dit maakte de weg vrij voor de officiële erkenning van de secundaire afdeling.

Het onderwijs schakelde volledig over op het Nederlands en de naam veranderde definitief in Instituut van Gent.

In 1970 kon de school voor het eerst gehomologeerde getuigschriften uitreiken aan haar leerlingen.

Ondanks de vernederlandsing bleef meertaligheid een essentieel onderdeel van het pedagogisch project.

Zo kregen leerlingen in het eerste jaar van de middenschool drie uur Engels per week, en werd het lessenpakket buiten de wettelijke kaders uitgebreid met extra lessen Frans en Spaans.

Sinds 2012 vaart de school een nieuwe koers onder de naam IVG-School, waarbij de letters staan voor de kernwaarden Inspirerend, Vrijdenkend en Geëngageerd.

Vandaag dertig jaar geleden onthulde historicus Rein Bijkerk een opmerkelijk hoofdstuk uit de Nederlandse geschiedenis: in 1919, vlak na de Eerste Wereldoorlog, stond Nederland op het punt om België binnen te vallen.

De legertop trof destijds vergaande voorbereidingen voor een militaire operatie, een plan waar ook minister van Oorlog Alting von Geusau volledig van op de hoogte was.

De aanleiding voor deze agressieve houding lag in de enorme spanningen tussen de buurlanden na de Grote Oorlog.

België wilde de eigen grenzen beter kunnen verdedigen en claimde daarom Zeeuws-Vlaanderen, om de controle over de Schelde te verkrijgen, en delen van Limburg voor een betere bewaking van de Duitse grens.

Zowel de Nederlandse legerleiding als de minister hielden serieus rekening met een Belgische annexatie.

Om de zuiderburen voor te zijn en te voorkomen dat de geallieerden de Belgische eisen zouden steunen in het Verdrag van Versailles, broedde de legertop op een preventieve bliksemactie.

Volgens Bijkerk, die zich baseert op correspondentie uit geheime defensiearchieven, wilde de militaire top drie van de vier Nederlandse legerdivisies in Noord-Brabant samentrekken.

Van daaruit moest een aanval worden ingezet op het Belgische hart, met Antwerpen en Brussel als hoofddoelen.

Een cruciaal bewijsstuk is een memorandum van 16 september 1919 van generaal Burger aan de waarnemend opperbevelhebber, generaal Pop.

Burger stelde hierin onomwonden dat het leger niet gedemobiliseerd mocht worden, maar de volle aandacht op het zuiden moest richten om België met maximale kracht en snelheid een slag toe te brengen.

Pop reageerde enkele dagen later instemmend op dit aanvalsplan.

Uit aantekeningen in de kantlijn van deze documenten blijkt dat diverse defensieafdelingen nauw betrokken waren bij de invasieplannen.

Er lagen zelfs al gedetailleerde schema’s klaar voor de inzet van de cavalerie en wielrijders; alleen de exacte marsroutes moesten nog worden ingevuld.

Dat minister Alting von Geusau de plannen steunde, bleek onder meer uit zijn strijdbare taal in de Tweede Kamer, waar hij verklaarde dat Nederland zich niet als een schaap van de vacht zou laten ontdoen.

Ondertussen probeerde de Belgische politicus Hymans de geallieerde grootmachten te overtuigen van de Belgische eisen.

Aanvankelijk leek hij succes te boeken toen er een commissie werd opgericht om de grensherzieningen te onderzoeken.

De diplomatieke strijd tussen België en Nederland ontaardde echter in een bittere ruzie, waarna de grote mogendheden in juni 1919 ingrepen.

Er kwam een nieuwe commissie die de oude verdragen mocht herzien, maar met één harde voorwaarde: van gebiedsuitbreiding kon geen sprake meer zijn.

Hoewel België op diplomatiek vlak verloor, bleven de spanningen aanhouden.

De Belgen probeerden alsnog invloed te krijgen op de militaire verdediging van de Maas en de Schelde en droomden zelfs van een volksraadpleging in de betwiste gebieden.

Uiteindelijk kwam het nooit tot een gewapende confrontatie, vooral omdat Engeland en Frankrijk zich openlijk tegen de Belgische territoriale claims keerden.

België moest uiteindelijk genoegen nemen met Eupen-Malmedy en een protectoraat in Afrika, terwijl de Nederlandse aanvalsplannen definitief in de archiefkast verdwenen (Diverse bronnen, Trouw, persconferentie 14 april 1996)

Vandaag vieren we de 215e geboortedag van Adolphe François Hyacinte Joseph Papeleu, een invloedrijke tuinbouwer en botanist.

Hij werd op 7 april 1811 geboren in Aalst, maar verhuisde al op jonge leeftijd met zijn ouders, rentenier Louis Joseph Papeleu en Collette Romaine Tack, naar Ledeberg bij Gent.

Zijn ondernemersgeest kwam al vroeg tot uiting toen hij in 1836 een succesvolle sier- en fruitboomkwekerij oprichtte in Wetteren.

Drie jaar later zocht hij de samenwerking op met Louis Van Houtte om in Gentbrugge een nieuw bedrijf te starten dat zich volledig toelegde op bloemen en planten.

In 1844 sloeg Papeleu een avontuurlijker pad in door voor de Compagnie Belge de Colonisation te gaan werken.

Als leider van botanische expedities in Guatemala en inspecteur van proeftuinen in de toenmalige Belgische nederzetting Santo Thomas deed hij internationale ervaring op.

Na zijn terugkeer in 1847 pakte hij de draad in Wetteren weer op.

Op de Boskantse Hei realiseerde hij de grootste boomkwekerij van België, met een indrukwekkend assortiment aan struiken, sier- en fruitbomen.

Deze onderneming was niet alleen commercieel belangrijk, maar bood ook de nodige werkgelegenheid in een regio die zwaar getroffen was door de landbouwcrisis van de 19e eeuw.

Hoewel Papeleu in 1859 op 48-jarige leeftijd in Ledeberg overleed, bleef zijn levenswerk springlevend.

Zijn werknemers zetten de activiteiten voort, waarna het bedrijf in 1874 uiteindelijk de deuren sloot als de grootste kwekerij van het land.

Zijn nalatenschap is vandaag de dag nog steeds zichtbaar.

In Wetteren staat een herdenkingsmonument van de hand van Vic Temmerman dat in 1959 werd onthuld, en in Gent kunnen wandelaars terecht in het naar hem vernoemde Adolf Papeleupark op de grens van Ledeberg en Gentbrugge.

Deze week is het precies 555 jaar geleden dat keizer Karel V het bevel gaf om alle boeken en geschriften van Maarten Luther te verbranden.

Hij stelde bovendien een strikt verbod in op het drukken, verkopen of lezen van dergelijke werken.

Kort daarna, op 18 april, bevestigde de keizer eigenhandig de excommunicatie van Luther en voegde daar de rücksichtslos-boodschap aan toe dat diens aanhangers moesten worden uitgeroeid.

Monotheïsme staat inherent op gespannen voet met de acceptatie van een andere god of een ander geloof.

Toch is het tot die acceptatie veroordeeld als we streven naar een harmonieuze samenleving, tenzij men de uitroeiing van andersdenkenden als enige alternatief ziet.

Op de bijbehorende illustratie, een schilderij van de Zweedse kunstenaar Karl Aspelin uit 1885, zien we een tegenreactie: Luther verbrandt op zijn beurt de pauselijke bul die paus Leo X tegen zijn leerstellingen had uitgevaardigd.

Oude postkaart van de Nationale Bank van België in Antwerpen (1912)

De Nationale Bank van België in Antwerpen is een monument dat een centrale rol speelt in de architecturale en financiële geschiedenis van de stad.

Het gebouw bevindt zich aan de Frankrijklei, op de plek waar vroeger de zestiende-eeuwse stadswallen lagen.

Nadat deze vestingswerken halverwege de negentiende eeuw werden gesloopt, ontstond er ruimte voor monumentale architectuur die de groeiende economische macht van Antwerpen moest weerspiegelen.

De bank werd opgericht om de monetaire stabiliteit te waarborgen en de handel in de wereldhaven te ondersteunen.

Het ontwerp is van de hand van architect Beyaert, die tussen 1875 en 1879 een indrukwekkend complex neerzette in een rijke eclectische stijl.

Hij combineerde elementen uit de Franse neorenaissance met barokke invloeden, wat resulteerde in een paleisachtige uitstraling die autoriteit en veiligheid uitstraalt.

De gevel is versierd met gedetailleerd beeldhouwwerk en beschikt over een kenmerkende koepel en paviljoens op de hoeken.

Beyaert slaagde erin om functionaliteit te koppelen aan esthetiek, waarbij de zware muren en het gesloten karakter van de benedenverdieping de noodzakelijke beveiliging voor de goudreserves en bankbiljetten boden.

Tegenwoordig heeft het gebouw zijn oorspronkelijke functie als operationeel bankkantoor verloren, nadat de Nationale Bank haar diensten in Brussel centraliseerde.

Het pand ondergaat momenteel een grootschalige renovatie via een meerfasig project onder leiding van Group L en de Participatiemaatschappij Vlaanderen.

De herwaardering van de benedenverdieping en een groot deel van de kantoorruimtes is reeds voltooid, wat in 2021 leidde tot de opening van interieurzaak Donum na jaren van leegstand.

Op 12 mei 2024 vond er een grote opening plaats waarbij het publiek een kijkje kon nemen in het vernieuwde interieur.

Op dit moment ligt de focus van de werkzaamheden op de dakverdiepingen, die verder worden aangepakt om het historische gebouw weer volledig functioneel te maken voor de toekomst.

Gisteren nog vandaag

Hoe een boze kok de populairste snack ter wereld bedacht

Chips zijn al decennia een favoriete snack en daarom duiken we vandaag in de boeiende geschiedenis van deze lekkernij.

Het begon allemaal in 1853 in het Amerikaanse Moon’s Lake House Hotel. De kok George Crum verloor zijn geduld met een veeleisende gast die zijn gebakken aardappels steeds terugstuurde, omdat ze te dik waren.

Uit pure frustratie sneed Crum de aardappels zo flinterdun dat ze niet meer met een vork te eten waren.

Tot zijn grote verbazing was de gast razend enthousiast.

Deze Saratoga Chips werden al snel een hit en kregen een vaste plek op de menukaart.

Het duurde tot 1920 voordat Europa kennismaakte met de snack, dankzij Frank Smith.

Hij emigreerde van Amerika naar Engeland en opende daar een fabriek die binnen een jaar alweer te klein was door de enorme vraag.

Ondertussen zat men in Amerika ook niet stil.

Herman W. Lay richtte in 1932 een aardappelbedrijf op in Nashville, dat later fuseerde met de Frito Company van C.E. Doolin.

Zo ontstond in 1961 de gigant Frito-Lay, Inc.

In de Benelux waren chips eind jaren vijftig nog nagenoeg onbekend.

Daar kwam verandering in toen Nederlandse aardappeltelers uit Broek op Langedijk zochten naar nieuwe manieren om hun oogst te verkopen.

Boer Gerrit Kistemaker leerde het vak van Frank Smith en samen stampten zij in 1958 de eerste Nederlandse chipsfabriek uit de grond onder de merknaam Smiths.

België volgde niet veel later. In 1966 opende een klein fabriekje in Nieuwkerke, dat na een overname door United Biscuits in 1972 wegens succes moest uitwijken naar een grotere, moderne locatie in Veurne.

De jaren negentig stonden in het teken van grote veranderingen en rages.

Terwijl Smiths in 1995 heel Nederland en België in de ban hield van de flippo-gekte, werd het bedrijf achter de schermen klaargestoomd voor de wereldmarkt.

Na de overname door PepsiCo in 1998 werd de fabriek in Veurne onderdeel van een van de grootste voedingsmiddelenconcerns ter wereld.

Om wereldwijd eenheid en kwaliteit uit te stralen, veranderde de merknaam voor aardappelchips in 2001 van Smiths naar Lay’s.

Hoewel de naam Smiths nog een tijdje werd gebruikt voor zoute snacks met speciale vormen, zoals Bugles en Grills, besloot PepsiCo in 2015 om definitief afscheid te nemen van die naam en alles onder te brengen bij Lay’s en Cheetos.

Gisteren nog vandaag

De vele gezichten van Davos: van De Toverberg tot Trump.

Davos is een gemeente in het oostelijke deel van Zwitserland, gelegen in het kanton Graubünden.

De plaats staat bekend als de hoogstgelegen stad van Europa, bevindt zich op ruim 1500 meter hoogte in het Landwasser-dal en heeft een rijke geschiedenis die veel verder teruggaat dan de beroemde economische toppen.

Oorspronkelijk werd het gebied in de middeleeuwen bevolkt door de Walser, een Duitstalig volk dat vanuit Oberwallis naar deze hooggelegen gebieden trok om er landbouw te bedrijven.

Eeuwenlang bleef het een relatief geïsoleerde boerengemeenschap, totdat de specifieke ligging en het klimaat in de negentiende eeuw voor een radicale wending zorgden.

De transformatie van boerendorp naar internationale bestemming begon rond 1853, toen de Duitse arts Alexander Spengler de geneeskrachtige werking van de berglucht ontdekte.

Hij merkte op dat tuberculose, destijds een dodelijke volksziekte, nauwelijks voorkwam bij de lokale bevolking.

Dit inzicht leidde tot de ontwikkeling van Davos als een vermaard kuuroord.

Er werden talrijke sanatoria gebouwd waar patiënten uit heel Europa naartoe kwamen om te genezen in de schone, droge lucht.

Deze periode heeft ook een belangrijke literaire erfenis achtergelaten; de Duitse schrijver Thomas Mann bezocht zijn zieke vrouw in Davos en deed daar inspiratie op voor zijn wereldberoemde roman De Toverberg, die zich afspeelt in een van deze sanatoria.

Toen in de loop van de twintigste eeuw medicijnen tegen tuberculose werden ontwikkeld, verloor het kuuroord zijn oorspronkelijke functie, maar de gemeente vond zichzelf succesvol opnieuw uit als bestemming voor wintersport.

Een publicatie uit het tijdschrift ABC van januari 1936 illustreert hoe Davos zich in die periode al had ontwikkeld tot een trekpleister voor sneeuwliefhebbers.

Het gebied Parsenn, gelegen op 2661 meter hoogte en bereikbaar via een spoorwegrit van twintig minuten, werd destijds geprezen als een ideaal terrein met eindeloze hellingen en ongerepte sneeuw.

Prominente bezoekers, zoals de bekende autocoureur Louis Chiron, spraken vol lof over de prachtige skivelden en stelden dat wie de betoverende charme van Davos eenmaal kende, er altijd zou terugkeren.

Hoewel de skisport in die jaren als koning werd gezien, bleven ook activiteiten als kunstschaatsen, ijshockey, curling en tobogganwedstrijden onverminderd populair en trokken ze duizenden mensen naar de bergen.

Tegenwoordig is Davos echter vooral wereldberoemd door een evenement dat jaarlijks in januari plaatsvindt: de bijeenkomst van het World Economic Forum, oftewel het WEF.

De geschiedenis van dit congres begint in 1971, toen de Duitse econoom en ingenieur Klaus Schwab het initiatief nam voor wat toen nog het European Management Symposium heette.

De eerste bijeenkomst vond plaats in het congrescentrum van Davos en trok honderden deelnemers uit het Europese bedrijfsleven.

Het oorspronkelijke doel van Schwab was vrij specifiek: hij wilde Europese bedrijfsleiders kennis laten maken met Amerikaanse managementtechnieken om zo de concurrentiepositie van Europa te versterken.

Hij introduceerde daarbij de stakeholdertheorie, het idee dat een bedrijf niet alleen verantwoording schuldig is aan aandeelhouders, maar aan alle belanghebbenden, inclusief werknemers en de samenleving.

In de jaren die volgden, verbreedde Schwab de horizon van het congres aanzienlijk.

Het werd duidelijk dat economische vraagstukken niet los konden worden gezien van geopolitieke en sociale problemen.

In 1987 veranderde de naam officieel in het World Economic Forum. Het evenement groeide uit tot een uniek platform waar niet alleen CEO’s, maar ook regeringsleiders, intellectuelen, journalisten en activisten samenkomen.

Het informele karakter van de bijeenkomsten in het besneeuwde bergdorp, ver weg van de politieke hoofdsteden, leidde tot wat men de Davos Spirit noemt: een sfeer waarin tegenstanders makkelijker met elkaar in gesprek gaan.

Zo speelde het forum in het verleden een rol bij ontmoetingen tussen Griekenland en Turkije en verschenen Nelson Mandela en F.W. de Klerk er samen op het podium toen de apartheid in Zuid-Afrika ten einde liep.

Vandaag de dag is de combinatie van de kleine berggemeente en het machtige wereldcongres een begrip, waarbij lokale traditie en wereldpolitiek jaarlijks even samensmelten.

De aanwezigheid van president Donald Trump op het Wereld Economisch Forum bevestigt vandaag opnieuw dat het forum nog steeds het centrum van de wereldmacht is.

De geschiedenis van Hotel d’Hane-Steenhuyse begint in 1768, wanneer graaf Emmanuel-Ignace d’Hane een reeks middeleeuwse huizen in de Gentse Veldstraat omvormde tot een indrukwekkend stadspaleis.

De graaf was een invloedrijk edelman en nazaat van een familie die al sinds de 15e eeuw een prominente rol speelde in de Gentse politiek en maatschappij.

Als afgevaardigde van de Staten van Vlaanderen beschikte hij over de middelen om een dergelijk prestigieus project te realiseren.

Wie vandaag de kelders bezoekt, kan daar nog steeds de sporen terugvinden van de oorspronkelijke middeleeuwse bebouwing waar hij op voortbouwde.

Drie generaties van het geslacht d’Hane de Steenhuyse hebben bijgedragen aan de bouw van het paleis om het zijn huidige allure te geven.

Graaf Emmanuel Ignace d’Hane (1702-1771) legde de basis met het hoofdgebouw en de uitbundige voorgevel in Lodewijk XV-stijl.

Zijn zoon, graaf Pierre Emmanuel d’Hane de Leeuwergem (1726-1786), zorgde voor de verdere uitbreiding en de meer classicistische tuingevel in Lodewijk XVI-stijl in 1773.

Tot slot was het graaf Jean-Baptiste d’Hane de Steenhuyse (1757-1826) die verantwoordelijk was voor de verfijnde aankleding en de binnendecoratie van het pand.

Een van de absolute pronkstukken in het interieur is de balzaal, die de volledige hoogte van de twee verdiepingen beslaat.

De wand- en plafondschilderingen in deze zaal zijn het werk van Petrus Nicolaas (P.N.) van Reysschoot (1738-1795). Deze Gentse kunstenaar, die deel uitmaakte van een bekende schildersfamilie, decoreerde het plafond met taferelen die de goden op de Olympus voorstellen.

Samen met zijn broers en zussen werkte hij tot aan zijn dood in 1795 aan verschillende prestigieuze opdrachten in de stad.

De verfijnde afwerking van de zaal wordt gecompleteerd door de parketvloer in inlegwerk uit 1770 van de Parijse schrijnwerker François Felix.

Onder Jean-Baptiste groeide het paleis in het begin van de 19e eeuw uit tot een ontmoetingsplaats voor de Europese adel en wereldtop.

In juli 1805 namen de Franse minister van Buitenlandse Zaken, prins de Talleyrand-Périgord, en zijn echtgenote er hun intrek.

Enkele jaren later, in 1810, logeerden Napoleon en Marie-Louise van Oostenrijk in het hotel, evenals de koning en koningin van Westfalen.

Op 24 juni 1814 was het de beurt aan de Russische tsaar Alexander I en datzelfde jaar verbleef ook John Quincy Adams, de latere president van de Verenigde Staten, in het paleis.

In 1815, tijdens de turbulente Honderd Dagen, vond de Franse koning Lodewijk XVIII hier op 30 maart een veilig onderkomen, nadat hij door Napoleon was verjaagd.

Datzelfde jaar, op 5 september 1815, brachten ook de pas gekroonde koning der Nederlanden, Willem I, en zijn echtgenote Wilhelmina een bezoek tijdens hun Blijde Intrede in Gent.

In 1818 mocht het paleis bovendien prins Willem II der Nederlanden als gast verwelkomen.

Toen de mannelijke lijn van de familie d’Hane de Steenhuyse uitstierf, kwam het stadspaleis in handen van Valerie van Pottelsberghe de la Potterie.

Zij was de dochter van Marie-Thérèse d’Hane de Steenhuyse en de echtgenote van jhr. Edouard van Pottelsberghe de la Potterie.

Door dit erfgoed bleef het paleis nauw verbonden met de Gentse adel. Tot 1902 bleven de erfgenamen het gebouw bewonen, waarna de rijke geschiedenis als privéresidentie tot een einde kwam.

Na de Tweede Wereldoorlog kreeg het pand een nieuwe bestemming als Museum der Honderd Dagen, maar dat bleek weinig succesvol.

Om de kosten te dekken, werden de ruimtes op de gelijkvloerse verdieping uiteindelijk verhuurd als winkels.

In 1981 kwam het pand in handen van Stad Gent, die het gebouw stelselmatig restaureerde en er jarenlang de dienst Monumentenzorg onderbracht.

De toekomst van dit erfgoed is echter onzeker geworden.

Op 2 december 2025 raakte bekend dat Gent maar liefst 48 gebouwen wil verkopen of in erfpacht wil geven.

Naast bekende monumenten zoals het poortgebouw van de Oude Vismijn en de Rabottorentjes staan ook de stadspaleizen Hotel d’Hane-Steenhuyse en Hotel Arnold Vander Haeghen op deze lijst.

De stad spreekt over het creëren van businesscases voor deze locaties, al blijft het onduidelijk wat dat precies zal inhouden.

Deze plannen roepen de nodige bezorgdheid op. Gezien de recente ontwikkelingen in de stad – zoals de horeca in het Gravensteen, de komst van luxe-appartementen in het Geeraard de Duivelsteen en de opening van een Delhaize-supermarkt binnen afzienbare tijd in de Sint-Annakerk – vragen velen zich af welke nieuwe invulling dit historische erfgoed zal krijgen.

Voorlopig blijft het gebouw wel nog toegankelijk voor het publiek. Je kunt het paleis elke vrijdag, zaterdag en zondag bezoeken tussen 14 en 18 uur.

40 jaar geleden, Steve Jobs, 30 jaar oud, 12 miljard rijk en plots werkloos.

Steve Jobs, de geadopteerde zoon van een Syrische immigrant en een Amerikaanse vrouw, groeide uit tot een van de invloedrijkste figuren in de moderne technologie.

Samen met Steve Wozniak richtte hij Apple op in de garage van zijn ouders.

Terwijl Wozniak de techneut was, blonk Jobs uit als de visionaire verkoper die hun creaties aan de wereld kon presenteren.

Hun eerste grote succes, de Apple II, was een van de eerste personal computers die technologie toegankelijk maakte voor de gewone man.

De echte revolutie volgde in 1984 met de Macintosh, die met zijn grafische interface en de muis de standaard zette voor hoe we computers vandaag de dag nog steeds gebruiken.

Na in 1985 uit Apple te zijn gezet, bewees Jobs zijn veerkracht.

Hij kocht Pixar dat hij uitbouwde tot een revolutionaire

animatiestudio, en richtte het computerbedrijf NeXT op.

In 1997 keerde hij terug als CEO bij een zwaar noodlijdend Apple en zorgde hij voor een spectaculaire ommekeer.

Onder zijn leiding lanceerde Apple een reeks iconische producten die hele industrieën op hun kop zetten.

De iPod en iTunes veranderden de muziekwereld, de iPhone definieerde de moderne smartphone en de iPad creëerde de tabletmarkt.

De kern van Jobs’ succes was niet dat hij de technologie zelf uitvond, maar dat hij een uniek instinct had om die technologie te vertalen naar prachtig ontworpen, gebruiksvriendelijke producten die consumenten fantastisch vonden.

Na een lange strijd tegen kanker overleed hij in 2011

Vandaag is het ook al vijftig jaar geleden dat Francisco Franco y Bahamonde, en beter bekend als generalísimo Francisco Franco is overleden

Francisco Franco werd op 4 december 1892 geboren in El Ferrol, Galicië, in het noordwesten van Spanje.

Zijn jeugd was moeilijk. Zijn vader, een marineofficier, was vooral bezig met gokken, drinken en vreemdgaan, wat thuis tot voortdurende ruzies leidde.

Uiteindelijk verliet zijn vader het gezin voor een jonge maîtresse in Madrid.

Getekend door deze ervaringen koos Franco zelf een radicaal ander pad: hij was een sober man die roken, drinken, gokken en het bezoek aan kroegen of bordelen meed.

Hoewel hij de marine ambieerde, koos hij in 1907 noodgedwongen voor het leger. Hij was een middelmatige student, maar maakte carrière in het Spaanse protectoraat Marokko.

Zijn optreden tijdens de Rifoorlog (ca. 1921-1926) was meedogenloos.

Nadat hij in 1916 gewond raakte, werd hij bevorderd. Een sleutelrol speelde hij in het Spaanse Vreemdelingenlegioen dat hij omvormde tot een geduchte eenheid.

Het redden van de stad Melilla in 1921 maakte hem tot een nationale held.

In 1923 trouwde hij met Carmen Polo, met wie hij één dochter kreeg.

Toen in 1931 de Tweede Spaanse Republiek werd uitgeroepen, hield Franco zich aanvankelijk afzijdig.

Wel ontstond er frictie toen de republikeinen zijn Militaire Academie sloten.

In de onrustige jaren dertig sloeg hij in 1934 een linkse opstand neer.

Toen het linkse Volksfront in 1936 de verkiezingen won, werd Franco overgeplaatst naar de Canarische Eilanden, wat hij zag als een verbanning.

Dit was de opmaat naar de Spaanse Burgeroorlog, die op 17 juli 1936 uitbrak.

Franco en andere rechtse generaals probeerden de macht te grijpen om te voorkomen dat Spanje ‘links-anarchistisch’ zou worden.

De staatsgreep slaagde deels, wat leidde tot een bloedige oorlog. Franco kreeg cruciale militaire steun van Hitlers Duitsland en Mussolini’s Italië; de republikeinen werden gesteund door Stalins Sovjet-Unie.

De invloed van de communisten binnen het republikeinse kamp zorgde echter voor interne spanningen.

Eind 1938 trok Stalin zijn steun terug, wat het lot van de republiek bezegelde.

Op 1 april 1939 claimden de nationalisten de overwinning.

De nationalisten traden hard op; alleen al in Barcelona werden in enkele dagen 10.000 mensen zonder proces geëxecuteerd.

De oorlog was desastreus, met naar schatting 320.000 doden en 114.000 blijvend vermiste republikeinen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef het fascistische Spanje officieel neutraal.

Hitler en Franco ontmoetten elkaar in 1940, maar naar verluidt had Hitler een hekel aan de Spaanse leider.

Hoewel Franco een lijst met Joodse namen doorspeelde aan Duitsland, diende het neutrale Spanje ook als toevluchtsoord voor ongeveer 200.000 Joden.

Na 1945 bouwde Franco zijn dictatuur uit, wat leidde tot een internationaal isolement.

Hij herstelde in 1947 op papier de monarchie en wees in 1969 Juan Carlos I aan als zijn opvolger.

Francisco Franco stierf op 20 november 1975.

Tot verrassing van velen leidde de nieuwe koning Juan Carlos Spanje naar een democratie.

De erfenis van Franco blijft echter gevoelig; in 2022 werd in Spanje een wet aangenomen die het verheerlijken van Franco en het fascisme verbiedt.

40 jaar geleden, te gast bij Élisabeth de Chimay.

Hoewel ze door haar huwelijk een Belgische prinses werd, was ze van Franse oorsprong.

Prinses Élisabeth werd geboren in Bordeaux, Frankrijk, op 20 maart 1926 als Martha Marie Élisabeth Antoine Manset.

Ze groeide op in de wijnhandel van haar familie, maar haar jeugd werd getekend door een tragedie: ze was slechts 13 jaar oud toen haar ouders in 1939 omkwamen bij een auto-ongeluk.

Op 18-jarige leeftijd verhuisde ze naar Parijs.

In 1947 trouwde Élisabeth Manset met Élie de Riquet, de 20e Prins van Caraman en Chimay (1924-1980).

Door dit huwelijk werd ze Prinses van Chimay en verhuisde ze naar het voorouderlijk kasteel van de familie in Henegouwen.

Vanaf haar huwelijk in 1947 tot aan haar dood op 2 augustus 2023 woonde de prinses op het Kasteel van Chimay.

Prinses Élisabeth wijdde haar leven aan het erfgoed van de familie De Riquet de Caraman en het behoud van de uitgebreide archieven van het kasteel.

Ze stond er ook om bekend het kasteel open te stellen voor cultuur en organiseerde van 1957 tot 1980 een gerenommeerd festival voor barokmuziek.

Daarnaast was ze een goede vriendin en hofdame van koningin Fabiola van België.

Als verdienstelijk schrijfster en biografe publiceerde ze twee belangrijke werken:

  • La Princesse des Chimères (1993): Een biografie van Thérésa Tallien, een invloedrijke figuur tijdens de Franse Revolutie die eveneens prinses van Chimay werd.
  • La Fin d’un siècle, souvenirs (2000): Haar autobiografie, waarin ze terugblikt op haar Franse jeugd en haar ervaringen als prinses.

Het echtpaar kreeg drie kinderen:

  • Philippe (1948)
  • Marie-Gilone (1950)
  • Alexandra (1952)

Haar zoon Philippe (nu de 21e Prins van Chimay) volgt zijn vader op als hoofd van de adellijke familie.

Philippe huwde met een erfgename van InBev, het grootste bierconcern van de wereld.

Bij dat huwelijk was de Belgische prins Laurent aanwezig als getuige.

Op een strategische rots boven de vallei van de Eau Blanche in Henegouwen staat het Kasteel van Chimay.

Al meer dan duizend jaar is dit de residentie van prinselijke families.

Wie ‘Chimay’ hoort, denkt misschien aan het bekende bier, maar het kasteel en de familie die er woont, dragen een veel diepere geschiedenis met zich mee, die zich zelfs uitstrekt tot in het Nederlandse Weert.

De oorsprong van het kasteel gaat terug tot de 11e eeuw. Het is de thuisbasis geweest van vier grote adellijke families, waaronder Croÿ en Hénin-Liétard, en sinds 1804 de familie De Riquet de Caraman.

Het gebouw heeft veel te lijden gehad onder oorlogen, maar de meest recente ramp was een verwoestende brand in 1935, die een groot deel in de as legde.

Het kasteel werd zorgvuldig gereconstrueerd in een renaissance Hendrik IV-stijl, hoewel de middeleeuwse kerkers en de donjon de vroege geschiedenis blijven verraden.

Binnenin tonen de Grote Hal en de Wapenzaal harnassen, terwijl de Portrettenzaal de lange familielijn illustreert.

Het absolute pronkstuk is echter het intieme theater. Dit juweel, een verkleinde kopie van het rococotheater van het Kasteel van Fontainebleau, werd in 1863 gebouwd en is vandaag geklasseerd als Uitzonderlijk Erfgoed van Wallonië.

Het kasteel wordt omgeven door een 25 hectare groot Prinselijk Park, aangelegd als een formele Franse tuin.

De huidige eigenaars, prins Philippe en prinses Françoise de Chimay, hebben net als hun voorgangers hun hart verloren aan Chimay en blazen het kasteel nieuw leven in door er culturele activiteiten met internationale uitstraling te organiseren.

Het theater van het Kasteel van Chimay biedt een divers podium voor concerten (zowel klassieke muziek als jazz), theater, conferenties en speciale voorstellingen voor kinderen.

Vlak bij de bekende Hotsy Totsy in Gent ligt een verborgen parel: de Turrepoortsteeg.

Velen lopen er achteloos voorbij, maar wie de steeg inwandelt, vindt een oase van rust die de Gentse kunstenaar Gustave Dierkens (1878 – 1940) al in 1936 wist te vatten op doek.

Zijn schilderij toont een tafereel uit een ongetwijfeld rustiger tijdperk, maar ook vandaag nog ademt het steegje een sfeer waarin je de wereld even vergeet.

De naam ‘Turrepoort’ (of Torenpoort) is een historische verwijzing naar een van de vier 13e-eeuwse stadspoorten die ooit aan de Oude Houtlei stond.

Vandaag is van de poort enkel een doodlopend steegje over, dat eindigt tegen een blinde muur met een nis.

Het meest opvallende element, zowel in de steeg als op het schilderij, is een bakstenen poortgebouw uit 1764.

Dit gebouw werd dwars over de doorgang gemetseld en fungeerde als achterhuis voor een woning aan de Oude Houtlei.

Tussen de twee ramen van dit poortgebouw prijkt een muurkapelletje met een kleurrijk beeld van Onze-Lieve-Vrouw.

Dit zogenaamde ‘gebuurtekapelletje’, ingewijd in 1929, was nog relatief nieuw toen de kunstenaar het vereeuwigde.

Dit soort kapelletjes ontstond vaak uit dankbaarheid en werd door de buurt zelf gefinancierd.

Dierkens had oog voor detail: op zijn doek zijn aan weerszijden van de kapel ‘zaterdags lichtjes’ te zien. Deze verwijzen naar de oude gewoonte om op zaterdag, de Mariadag, extra verlichting te branden.

De kunstenaar achter dit sfeervolle werk, Gustave Dierkens, was een rasechte Gentenaar.

Hij genoot zijn opleiding aan de Gentse Academie voor Schone Kunsten, waar hij later ook als tekenaar en leraar aan verbonden was.

Hoewel hij vooral bekend stond om zijn stadsgezichten, schilderde hij ook landschappen, bloemen, portretten en stillevens.

Zijn belangrijkste werk buiten zijn thuisstad is te vinden in Leuven, waar hij in 1935 de kruisweg voor de kapel van het Heilige Drievuldigheidscollege ontwierp.

Een leuke wetenswaardigheid is dat deze school lange tijd de bijnaam ‘Gentsch College’ droeg, omdat ze werd opgericht door de Gentse humanist Frans van de Nieulande (Bronnen Robert Declerck en Ghendtsche Tydinghen)

Veertig jaar geleden, werd de Amerikaanse pop- en rockmuziek het middelpunt van een verhitte cultuurstrijd.

Een groep invloedrijke vrouwen in Washington D.C., richtte het Parents Music Resource Center (PMRC) op.

Onder leiding van Tipper Gore, de toenmalige vrouw van senator Al Gore, openden ze de aanval op wat ze zagen als de verderfelijke invloed van popsongs op de jeugd.

Ze waren bezorgd over teksten die volgens hen geweld, drugsgebruik, seksuele losbandigheid en het occulte verheerlijkten.

Om hun punt kracht bij te zetten, stelde de PMRC de beruchte “Filthy Fifteen” samen, een lijst van vijftien nummers die zij als de meest aanstootgevende voorbeelden zagen.

De volledige “Filthy Fifteen” lijst was als volgt:

Prince – “Darling Nikki” (Reden: Seks/Masturbatie)

Sheena Easton – “Sugar Walls” (Reden: Seks)

Judas Priest – “Eat Me Alive” (Reden: Seks/Geweld)

Vanity – “Strap On ‘Robbie Baby'” (Reden: Seks)

Mötley Crüe – “Bastard” (Reden: Geweld/Taalgebruik)

AC/DC – “Let Me Put My Love Into You” (Reden: Seks)

Twisted Sister – “We’re Not Gonna Take It” (Reden: Geweld)

Madonna – “Dress You Up” (Reden: Seks)

W.A.S.P. – “Animal (Fuck Like a Beast)” (Reden: Seks/Taalgebruik/Geweld)

Def Leppard – “High ‘n’ Dry (Saturday Night)” (Reden: Drugs- en alcoholgebruik)

Mercyful Fate – “Into the Coven” (Reden: Occultisme)

Black Sabbath – “Trashed” (Reden: Drugs- en alcoholgebruik)

Mary Jane Girls – “In My House” (Reden: Seks)

Venom – “Possessed” (Reden: Occultisme)

Cyndi Lauper – “She Bop” (Reden: Seks/Masturbatie)

De lobby van de PMRC was zo succesvol dat het leidde tot een hoorzitting in de Amerikaanse Senaat op 19 september 1985.

Hier kreeg de campagne een krachtig en onverwacht tegengeluid van drie muzikanten: folkzanger John Denver, en de rockiconen Frank Zappa en Dee Snider.

Frank Zappa, gewapend met zijn intellect en scherpe tong, noemde het voorstel van de PMRC “een ondoordacht stuk nonsens” en een gevaarlijke eerste stap richting censuur die de vrijheid van meningsuiting zou ondermijnen.

Hij waarschuwde dat vage labels artiesten zouden stigmatiseren en de creativiteit zouden smoren.

Dee Snider, de frontman van Twisted Sister, was misschien wel de grootste verrassing.

De senatoren verwachtten een rebelse en onverstaanbare rocker, maar kregen te maken met een welbespraakte man die zijn teksten met verve verdedigde.

Hij legde uit dat “We’re Not Gonna Take It” een universeel protestlied was en dat de als gewelddadig bestempelde videoclip pure, op tekenfilms gebaseerde, slapstick was.

Hij beschuldigde de PMRC van het verkeerd interpreteren van zijn werk, zoals bij het nummer “Under the Blade”, dat niet over sadomasochisme ging, maar over de angst voor een operatie.

Ondanks de indrukwekkende getuigenissen van de artiesten, zwichtte de platenindustrie uiteindelijk voor de druk.

In plaats van een gedetailleerd ratingsysteem, kwamen ze overeen om vrijwillig de bekende “Parental Advisory: Explicit Lyrics” sticker op albums met expliciete inhoud te plakken.

Vandaag 111 jaar geleden, bezetten de Duitse troepen Gent.

Op 12 oktober 1914 marcheerden Duitse troepen Gent binnen.

De stad werd de hoofdplaats van het Vierde Etappegebied, een militaire zone die West- en Oost-Vlaanderen en een deel van Henegouwen besloeg.

Hierdoor kwam Gent onder een direct militair bestuur te staan, wat een bezettingsregime met zich meebracht dat nog harder was dan in de rest van België.

Het leven in de stad veranderde drastisch. Contact met andere delen van het land werd zo goed als onmogelijk gemaakt.

De pers en de post stonden onder strenge censuur en elke vorm van politieke berichtgeving was verboden.

Het dagelijkse leven werd gedomineerd door voortdurende opeisingen door de bezetter.

In het stadscentrum namen de Duitsers steeds meer gebouwen in beslag, te beginnen met alle kazernes.

De Kouter werd de centrale uitvalsbasis waar onder andere de Kommandantur en de Pass-Zentrale gevestigd waren.

Veel gebouwen kregen een nieuwe, militaire functie: het Gravensteen diende als opslagplaats en herstelplaats voor wapens, in het Groot Vleeshuis werden bier en wijn gestockeerd en Het Pand werd een groentendepot.

Soldaten konden revalideren in hotels, scholen en het Casino aan de Coupure, terwijl het Belfort dienstdeed als uitkijkpost voor piloten.

Het omvangrijke wagenpark van het leger vond onderdak in loodsen in de haven.

Met ongeveer 12.000 militairen was de Duitse aanwezigheid overweldigend en zeer zichtbaar in het straatbeeld.

Duitse vlaggen wapperden aan de gevels, Duitse bewegwijzering hing aan muren en bomen, en cafés kregen Duitse namen.

Het station Gent Sint-Pieters groeide uit tot het centrale spoorwegknooppunt voor het transport van troepen en materieel van en naar het front.

De controle over de bevolking werd aangescherpt door de invoering van de identiteitskaart met foto.

Aanvankelijk was dit document enkel nodig om het Etappegebied te verlaten, maar vanaf 1916 werd iedere inwoner verplicht er een te bezitten en bij zich te dragen.

Vier jaar lang was de bewegingsvrijheid van de Belgen beperkt tot hun eigen gemeentegrens, tenzij ze de nodige papieren konden voorleggen.

De productie van al deze identiteitskaarten stelde fotografen voor een praktisch probleem.

Door een tekort aan fotopapier namen ze vaak hun toevlucht tot een creatieve oplossing: ze maakten een groepsfoto en sneden vervolgens de individuele gezichten uit om op de identiteitskaarten te kleven.

Het grootste probleem vanaf het begin van de oorlog was echter de voedselbevoorrading.

De binnenlandse productie was ontoereikend, de Britse maritieme blokkade verhinderde de invoer van levensmiddelen en de talrijke Duitse opeisingen maakten de situatie nog nijpender.

De Stad Gent reageerde snel en richtte al op 8 augustus 1914 een Stedelijk Comité der Volksvoeding op dat gratis soep en brood uitdeelde.

Tegen het najaar werd de voedselsituatie echter kritiek.

Op 23 oktober 1914 werd in Brussel het Nationaal Hulp- en Voedingscomité opgericht dat de spil zou worden van de nationale hulpverlening.

Voedsel werd in de Verenigde Staten aangekocht door de Commission for Relief in Belgium.

De distributie in België zelf werd door het Nationaal Comité georganiseerd via een netwerk van provinciale en lokale comités.

Het voedsel werd gerantsoeneerd en verkocht in speciale ‘Amerikaanse’ winkels.

In 1916 waren meer dan 60.000 Gentenaars afhankelijk van deze voedselhulp.

Naarmate de oorlog vorderde, nam het Comité steeds meer taken op zich, zoals het organiseren van soepkeukens, melk- en schoolmaaltijden, het uitdelen van kleding, werklozensteun en het versturen van pakjes naar krijgsgevangenen.

Naast dit nationale initiatief waren er in Gent nog een dertigtal kleinere hulporganisaties actief.

Deze georganiseerde hulp was echter maar één kant van het verhaal. Schaarste leidde onvermijdelijk ook tot hamsteren, een bloeiende zwarte markt en woekerprijzen.

Nieuwe rijken, die profiteerden van de tekorten, kregen de smalende bijnaam ‘baron Zeep’, een verwijzing naar de bijzonder winstgevende productie van ersatzzeep.

De afkorting ‘RIF’ op deze zeepblokken werd door de bevolking verkeerdelijk geïnterpreteerd als ‘Reines Jüdisches Fett’, wat de gruwelijke misvatting voedde dat er menselijk vet in verwerkt zat.

In werkelijkheid stond de afkorting voor ‘Reichsstelle für industrielle Fette’, het rijksbureau voor de bevoorrading van industrieel vet, en bevatte de zeep geen menselijk vet.