Het Steen in Elewijt, ook bekend als het Rubenskasteel, kent een rijke geschiedenis die nauw verbonden is met de landschappen rondom Mechelen en de latere levensjaren van de beroemde barokschilder Peter Paul Rubens.

De oorsprong van het domein gaat ver terug tot de middeleeuwen.

Al in de elfde of twaalfde eeuw stond op deze strategische plek een houten of stenen burcht, die diende als een versterkte grensmoerasburcht om de regio te beschermen.

In de loop van de veertiende eeuw werd dit complex herbouwd tot een stevige burcht van zandsteen, waaraan het kasteel zijn naam Het Steen dankt. Het deed in die tijd ook dienst als gevangenis en garnizoenspost.

De meest glansrijke periode voor het kasteel brak aan in mei 1635. Peter Paul Rubens, destijds een gevierd diplomaat en schilder op leeftijd, kocht het zwaar vervallen middeleeuwse slot en de omliggende gronden voor een bedrag van 14.000 guldens.

Hij was kort daarvoor getrouwd met zijn jonge tweede vrouw, Hélène Fourment, en zocht een rustig buitenverblijf buiten Antwerpen om te ontsnappen aan de stadsdrukte en zijn opspelende jicht.

Rubens droeg bij de aankoop van het kasteel al een indrukwekkende internationale carrière met zich mee, want hij was veel meer dan alleen een begenadigd kunstenaar.

Als meertalige, erudiete en charmante verschijning groeide hij uit tot een van de belangrijkste diplomaten van zijn tijd.

De aartshertogen Albrecht en Isabella van de Spaanse Nederlanden merkten zijn talenten op en zetten hem in voor delicate internationale missies.

Zijn schildersatelier diende vaak als de perfecte dekmantel; terwijl hij vorsten en edellieden portretteerde, voerde hij ondertussen discrete politieke gesprekken.

Zijn diplomatieke meesterstukken vonden plaats tussen 1627 en 1630, toen hij een sleutelrol speelde in het tot stand brengen van vrede tussen Spanje en Engeland.

Hij reisde hiervoor naar de hoven in Madrid en Londen, waar hij diepe indruk maakte op zowel de Spaanse koning Filips de Vierde als de Engelse koning Karel de Eerste.

Als dank voor zijn succesvolle bemiddeling sloegen beide koningen hem tot ridder, een uitzonderlijke eer voor een kunstenaar.

Ondanks zijn successen raakte Rubens in de vroege jaren dertig vermoeid door de complexe intriges aan het hof, waarna hij besloot zich grotendeels uit de actieve diplomatie terug te trekken en zich te richten op zijn gezinsleven en de schilderkunst.

Rubens liet het kasteel ingrijpend verbouwen in de stijl van de Vlaamse renaissancestructuur.

Hij voegde onder andere de karakteristieke trapgevels toe en liet de ramen vergroten om meer licht binnen te laten.

Hoewel de zware zandstenen muren aan de basis behouden bleven, transformeerde het complex van een grimmige middeleeuwse burcht naar een elegant ogend herenhuis op het platteland.

De omgeving van Elewijt inspireerde Rubens enorm tijdens zijn laatste levensjaren.

In deze periode schilderde hij minder religieuze of mythologische taferelen en richtte hij zich volop op de natuur.

Beroemde meesterwerken zoals Herfstlandschap met uitzicht op Het Steen en De runderenwal weerspiegelen direct de weidse weilanden, bossen en sfeer rondom zijn buitenverblijf.

Nadat Rubens in 1626 zijn eerste vrouw Isabella Brant had verloren, hertrouwde de inmiddels 53-jarige kunstenaar in december 1630 met de pas 16-jarige Hélène Fourment.

Hélène werd geboren in Antwerpen op 11 april 1614 als de jongste dochter van de welgestelde tapijten- en zijdehandelaar Daniël Fourment en Clara de Stot.

Haar legendarische schoonheid betoverde de ouder wordende schilder volledig, en ze werd al snel zijn ultieme muze.

Rubens vereeuwigde haar weelderige gedaante in talloze beroemde schilderijen, zoals Het pelsken, Hélène Fourment met haar kinderen en de monumentale Tuin van de liefde.

Samen kregen ze vijf kinderen, van wie de jongste werd geboren na het overlijden van de schilder.

Na de dood van Rubens in 1640 bleef Hélène Fourment nog enige tijd op het kasteel wonen.

Ze weigerde uit respect voor zijn nalatenschap een aantal zeer persoonlijke en intieme naaktschilderingen die hij van haar had gemaakt te verkopen, al werden sommige later alsnog verspreid.

Enkele jaren later hertrouwde ze met de diplomaat Jan Baptist van Broechoven, met wie ze nog vijf kinderen kreeg.

Ze speelde hierdoor een prominente rol in de Antwerpse en Brusselse hoogste kringen tot aan haar overlijden in Brussel op 15 juli 1673.

In de eeuwen daarna wisselde het domein herhaaldelijk van eigenaar.

Tijdens de achttiende eeuw onderging het interieur aanpassingen in de classicistische stijl en in de negentiende eeuw volgde een ingrijpende neogotische restauratie, die het kasteel zijn huidige uiterlijk gaf met behoud van de herkenbare renaissancetrekken die Rubens had achtergelaten.

Het kasteel en de omliggende gronden kwamen in de 20e eeuw onder druk te staan door verstedelijking en de verkoop van gronden.

Dit leidde tot bezorgdheid over het behoud van het historische domein.

In juli 1936 publiceerde het weekblad “De Stad” een paginagroot artikel, met diverse foto’s die het kasteel en de omgeving in beeld brachten.

De tekst uitte felle kritiek op het feit dat een dergelijk nationaal erfgoed aan de hoogstbiedende werd verkocht, en verwees naar de verkoop van andere historische panden die voor het land verloren gingen.

De bezorgdheid betrof ook de integriteit van het domein, dat “niet verkaveld, of nog ten dele verkocht mag worden”.

De actie in “De Stad” was een voorloper van de strijd voor het behoud van cultureel erfgoed en getuigt van de groeiende publieke bewustwording van de waarde van het Rubenskasteel.

Ondanks de oproep werd het kasteel uiteindelijk toch verkocht aan private kopers.

Pas in 2019 werd het kasteel aangekocht door Toerisme Vlaanderen, met als doel het monumentale erfgoed en de omliggende natuur te herstellen en open te stellen voor het publiek.

Hoewel ook vandaag het kasteel nog een sprookjesachtig monument is, omringd door een park van 26 hectare, is het kasteel op dit moment niet open voor het publiek.

Want een restauratie drong zich op en de Vlaamse regering doet daarvoor een beroep op Herita, een gespecialiseerde erfgoedorganisatie die al een resem kastelen en andere erfgoedlocaties in Vlaanderen beheert.

De bedoeling is dat het kasteeldomein tegen 2029 in ere is hersteld.

De buitenkant en de rentmeesterwoning worden gerestaureerd, en de orangerie krijgt een nieuwe functie als onthaal, waar bezoekers het verhaal van Rubens kunnen ontdekken

50 jaar geleden, reclame voor de Kangourak van het merk Salik (juli 1976)

Wie in de jaren zeventig of tachtig is opgegroeid, herinnert zich ongetwijfeld nog de schoolreizen of uitstapjes met de jeugdbeweging waarbij één kledingstuk absoluut onmisbaar was.

Rond de middel van zowat elk kind hing toen een handig, opgerold tasje dat bij de minste regenbui kon worden uitgeplooid tot een felgekleurde regenjas.

Dit ingenieuze kledingstuk, dat sterk leek op de Franse K-way, stond bij ons bekend als de kangourak.

Het was de absolute kaskraker van de Belgische zakenman Pierre Salik en zijn gelijknamige kledingbedrijf.

De geschiedenis van het kledingmerk Salik begint feitelijk al vlak na de Tweede Wereldoorlog bij de Joodse handelaar Jacob Salik, de vader van Pierre.

Het bedrijf kende zijn eerste grote successen met de import en verkoop van militaire overschotten van het Amerikaanse leger en begon in de jaren vijftig met de productie van leren en suède kleding.

Toen Pierre Salik in 1964 het roer overnam van zijn overleden vader, zag de jonge ondernemer meteen een gat in de markt.

Hij richtte zijn pijlen op de productie van jeansbroeken en deed dat met succes.

Het opvallende, Amerikaans lijkende woordlogo Salik werd in de jaren zestig in Europa even bekend als Lee Cooper of Levi’s en vormde zowaar een geduchte concurrent voor deze grote merken.

Pierre Salik was niet alleen een gewiekst zakenman, hij begreep ook de kracht van marketing als geen ander.

Om zijn fortuin te maken met de verkoop van jeansbroeken, plaatste hij onder meer grote advertenties in het weekblad Kuifje.

Wie was er immers beter geplaatst om reclame te maken voor stoere jeans dan stripheld Lucky Luke?

Omdat Salik in Brussel heel wat mensen kende, waaronder tekenaar Hergé, haalde hij uit die nauwe band met de stripwereld in de jaren zeventig nog een meesterzet.

Bij de verkoop van de beroemde kangourak-regenjasjes zat telkens een spaarzegel of een zelfklever van Kuifje, Kapitein Haddock of een ander personage uit de reeks.

De tekeningen hiervoor werden vaak speciaal ontworpen door Hergés rechterhand Bob de Moor.

Het zorgde ervoor dat kinderen maar wat graag een nieuwe kangourak wilden, liefst nog in verschillende kleuren, wat de kassa van Salik flink deed rinkelen.

De man achter dit enorme succes, de in 1930 geboren Pierre Salik, was een bijzonder flamboyant figuur in de Brusselse beau monde.

Salik was naar het schijnt een intimus van de afgetreden koning Leopold III, bij wie hij naar verluidt kind aan huis was, en bouwde in de loop der jaren een fabelachtige kunstcollectie op.

Hij verzamelde werken van klinkende namen als Monet en Modigliani, maar had vooral een immense collectie schilderijen van de Belgische surrealist René Magritte.

Tot zijn verzameling behoorde ooit La corde sensible, een doek dat later voor ettelijke miljoenen euro’s onder de hamer ging bij veilinghuis Christie’s.

Salik hield van het luxueuze leven en ontving geregeld bekende politici op zijn buitenverblijf in Knokke, waarbij hij niet verlegen zat om het uitdelen van dure relatiegeschenken.

Ondanks de grote successen met de Salik-jeans en de onvergetelijke kangourak, kende het zakenimperium in de latere decennia ook donkere periodes.

De fabriek in Quaregnon moest eind jaren zeventig de deuren sluiten en latere avonturen in de kledingsector kenden wisselend succes.

Zo eindigde het verhaal van zijn kinderkledingmerk Kid Cool uiteindelijk in een faillissement.

Vanaf de late jaren tachtig tot ver in de jaren negentig en zelfs in de jaren tweeduizend kwam Pierre Salik vaker in het nieuws door aanslepende en dure conflicten met de fiscus en vermeldingen in politiek-juridische dossiers, in plaats van met nieuwe modetrends.

Die jarenlange fiscale geschillen bleven niet zonder gevolgen.

In 2022 verkocht hij noodgedwongen zijn bekende villa in Knokke voor 14 miljoen euro om een miljoenenboete aan de fiscus te kunnen betalen.

Vandaag is het kledingmerk Salik grotendeels uit het straatbeeld verdwenen.

De fabriek in Quaregnon, de plek waar ooit duizenden broeken van de band rolden, is tegenwoordig een meubelzaak.

Toch blijft de naam Salik, en in het bijzonder de felgekleurde kangourak met de Kuifje-stickers, voor velen een iconisch stukje nostalgie.

Het was een tijd waarin een simpel regenjasje in een buideltje volstond om ons als kind op schoolreis een veilig en stoer gevoel te geven.

Pierre Salik is vorig jaar op 17 januari 2025 op 94-jarige leeftijd overleden.

45 jaar geleden, reclame voor ondergoed van het merk Bon Giorno

Bon Giorno is een Nederlands merk van ondergoed dat al meer dan vijftig jaar een bekende naam is op de markt.

Oorspronkelijk was het merk eigendom van Willink Tricotage, maar aan het eind van de jaren zestig kwam het in handen van Hollandia Tricot uit Veenendaal.

Onder deze eigenaar groeide de bekendheid enorm, mede dankzij actieve en opvallende reclamecampagnes.

In de beginjaren stonden verschillende bekende Nederlanders, waaronder Patricia Paay, Champagne, Jerney Kaagman en Herman Brood, model voor het merk.

Gisteren nog vandaag

Dit zorgde ervoor dat de naam stevig verankerd raakte bij het grote publiek.

Na een faillissement van Hollandia Tricot ontstond er een doorstart via een personnel buyout onder de naam Holland Trend.

In 1988 werd het bedrijf overgenomen door Timpa en bereikte het merk zelfs de top drie van de Nederlandse ondergoedmarkt.

Toen dit succes na enige tijd begon terug te lopen, kwam de naam in handen van het in Hongkong gevestigde American Phil Textiles, dat via een Europese dochteronderneming de productie, kwaliteit en styling weer in eigen beheer wilde sturen.

Gisteren nog vandaag

Uiteindelijk werd het ondergebracht bij Semper Paratus in Tholen.

Vandaag de dag staat Bon Giorno nog steeds bekend om comfortabel ondergoed dat als een tweede huid zit.

Naast de traditionele katoenen slips en boxers, zoals de bantam en de tanga, biedt het merk inmiddels ook moderne collecties van bamboe aan.

Omdat de naamsbekendheid in Nederland al decennia groot is, zijn opvallende reclamecampagnes tegenwoordig minder noodzakelijk en bedient het merk vooral een trouwe klantenkring via grote ketens en diverse gespecialiseerde webshops.

Gisteren nog vandaag

Vandaag is het precies veertig jaar geleden dat de vooraanstaande Franse industrieel ontwerper Raymond Loewy overleed.

Na zijn studietijd in Parijs tussen 1910 en 1914 diende hij tijdens de Eerste Wereldoorlog als tweede luitenant in het Franse leger.

In 1919 maakte hij de oversteek naar New York, waar hij aanvankelijk aan de slag ging als etaleur voor warenhuizen en als mode-illustrator voor bekende tijdschriften zoals Vogue, Harper’s Bazaar en Vanity Fair.

Tien jaar later, in 1929, richtte hij zijn eigen ontwerpbureau op.

Zijn filosofie was even simpel als doeltreffend, getuige de tekst op zijn visitekaartjes: als twee producten in prijs, functie en kwaliteit gelijk zijn, dan verkoopt het mooiste beter.

Dit bewees hij al snel met zijn eerste grote succes: het restylen van de Gestetner-stencilmachine.

Hoewel het apparaat technisch vrijwel identiek bleef aan zijn voorganger, zorgde de vereenvoudigde en strakkere vormgeving voor een efficiëntere productie en hogere verkoopcijfers.

In de decennia die volgden, leek het alsof Loewy alles ontwierp wat er maar te ontwerpen viel.

Van gestroomlijnde stoomlocomotieven, auto’s en vliegtuigen tot frisdrankautomaten, ijskasten en het interieur van NASA’s Skylab; hij stond altijd vooraan.

Hij werkte voor giganten als Pennsylvania Railroad, Greyhound, Coca-Cola en Studebaker.

Daarnaast was hij verantwoordelijk voor het ontwerpen van verpakkingen voor Lucky Strike en beeldmerken voor grote bedrijven als Spar, Exxon en Shell.

Bij Shell bewees hij bovendien zijn scherpe zakelijke inzicht door niet alleen het logo af te leveren, maar ook strikte wereldwijde richtlijnen voor het uniforme gebruik ervan op te stellen.

Zijn benadering van het vak legde hij vast in zijn autobiografie Never Leave Well Enough Alone uit 1951.

Loewy’s invloed was op het hoogtepunt van zijn carrière zo groot dat naar schatting meer dan vijfenzeventig procent van de Amerikanen dagelijks met zijn ontwerpen in aanraking kwam.

Dit bracht hem ongekende roem, die vergelijkbaar was met die van een filmster, wat in 1949 resulteerde in een coververhaal in Time Magazine.

In de jaren zeventig kreeg zijn loopbaan een diplomatiek tintje toen hij, op verzoek van de Amerikaanse regering, voor de Sovjet-Unie ging werken in een poging de spanningen van de Koude Oorlog te verzachten.

Hij ontwierp voor hen onder meer een motorfiets, auto, tractor en diverse huishoudelijke apparaten, al zijn deze plannen helaas nooit gerealiseerd.

Ondanks zijn fenomenale staat van dienst eindigde zijn verhaal in mineur.

Waar zijn kantoor rond 1960 nog honderdtachtig werknemers telde, moest hij in 1977 wegens financiële problemen zijn Amerikaanse vestiging sluiten.

Toen Raymond Loewy in 1986 stierf, liet hij een onuitwisbare stempel achter op de moderne vormgeving, maar was hij zelf volledig bankroet.

Vandaag 45 jaar geleden: eerste aflevering van de Knokke Cup op BRT 1 en Nederland 2

Zou het ooit nog eens worden zoals vroeger, met een tierende Lou van Rees en een woedende Willem O. Duys?

Kregen we na jaren weer een echt rel-festival terug met keiharde, door en door gemene Belgen- en Hollander-grappen?

Of werd het Knokke-festival ook dit jaar weer een zouteloos liedjesgedoe waarin iedereen lief was voor iedereen?

Ach, had de oude heer Gustaaf Nellens nog maar geleefd.

Ivo Niehe was de kapitein van de ploeg en samen met Lori Spee, Suzanne Michaels en Wim Hogenkamp probeerde hij het Nederlandse team naar een goede prestatie te leiden.

Ivo Niehe was toen kapitein van de ploeg.

Lori Spee blonk dit jaar uit met haar zang.

Als kind zong Lori al opvallend hoog en goedbedoelde kennissen brachten haar en Ruud Jacobs (broer van Pim Jacobs, zwager van Rita Reys en ex-vriend van Liselore Gerritsen) bij elkaar.

Lori bleek over een schitterende stem te beschikken en mocht een heuse langspeelplaat volzingen met als titel “Behind those eyes”.

Lori schreef al haar teksten zelf en dat was in het hitgevoelige wereldje geen voordeel, want onzichtbare krachten wonnen meestal.

Maar misschien werden we eindelijk wakker en hoorden we dat Lori heel mooie liedjes schreef.

Suzanne Michaels leek het sprookje van ieder schoolmeisje te beleven: zo van de klas naar de platenstudio.

Haar eerste single werd eind 1979 een succes: “It should be Christmas every day”. In één keer werd dat plaatje opgenomen, omdat Suzanne het lied in één keer hemels zuiver zong.

In de platenindustrie hadden ze nog nooit eerder zoiets meegemaakt.

In 1981 zong ze onder meer “It’s you” en “Love me tender”.

Het werden geen dikke hits, maar ze had net haar diploma gehaald aan het begin van haar zesde jaar atheneum.

Eerst een diploma, vond haar moeder, en zo gebeurde het.

Maar wie weet lag straks heel België plat aan haar voeten.

Wim Hogenkamp, helaas ook al overleden in 1989, was het derde lid van de Holland-equipe, en hij werd door een klein aantal liefhebbers op handen gedragen.

Wim schreef ooit het liedje “De mallemolen” voor Heddy Lester, die er tijdens het Eurovisie Songfestival slechts weinig punten mee behaalde.

Aangespoord door dit “succes” stortte Wim Hogenkamp zich als uitvoerend artiest op zijn eigen werk.

Er werd een langspeelplaat gemaakt met de titel “Heel gewoon”, waarvoor hij een Edison ontving.

Toen droeg hij eenmaal de Louis Davids-ring om de ringvinger; de zanger zat helemaal gebeiteld.

Niets kon hem een tweede langspeelplaat meer in de weg staan en die kwam er dan ook, met als titel “Punt uit”.

Zoiets deed je vermoeden dat het de laatste plaat van Wim was.

Maar nee, volgens de biografie van de platenmaatschappij was de nabije toekomst voor Wim van groot belang: hij was met zoveel dingen tegelijk bezig dat het hem vaak moeilijk viel zijn gedachten op één activiteit te concentreren.

Plannen voor de toekomst waren er in ieder geval genoeg.

Nederland wist de Knokke Cup in 1981 niet te winnen.

De hoofdprijs ging dat jaar naar het Vlaamse team met Sofie (Sofie Verbruggen).

Ze vertegenwoordigde dat jaar ons land samen met haar collega-artiesten Johan Verminnen en actrice en zangeres Liliane Dorekens.

Liliane Dorekens, geboren op 29 oktober 1950 te Antwerpen, studeerde in 1972 af aan de Studio Herman Teirlinck als onderdeel van de allereerste lichting van de opleiding kleinkunst.

Ze deed dit samen met onder andere Connie Neefs en Luc Appermont.

Haar bekendste rollen zijn Melanie in de populaire komische serie Slisse & Cesar en Micheline Hoefkens (de vriendin van Rita) in de soap Familie.

Ze had daarnaast gastrollen in onder andere Thuis.

Ze speelde mee in grote producties zoals de musicals Je Anne (Koninklijk Ballet van Vlaanderen) en Fiddler on the Roof.

Recent vierde ze nog haar 55-jarige vriendschap met Connie Neefs in de muzikale theatervoorstelling Vrienden voor het leven.

De oorspronkelijke, grote zangwedstrijd De Knokke Cup (voorheen bekend als het Songfestival van Knokke of de Europabeker voor Zangvoordracht) liep jaarlijks van 1959 tot en met 1973.

In de jaren 80 werd er in het Casino van Knokke nog vijf keer een kleinschaligere versie onder de naam ‘Knokke Cup’ georganiseerd.

De allerlaatste editie van deze reeks vond plaats in 1986.

Als chef d’équipe (kapitein van de ploeg) deed Lou van Rees vanaf 1959 voor Nederland maar liefst 15 keer mee aan het befaamde Knokkefestival.

Regelmatig mondde dit uit in een relletje, maar volgens Van Rees was dat altijd weer goed voor de publiciteit.

Nederland won onder zijn leiding in 1964 met Willeke Alberti, Shirley, Trea Dobbs, Ilonka Biluska en Rita Hovink en in 1965 met Greetje Kauffeld, Liesbeth List, Conny van Bergen, Suzie en Jan Arntz.

Willem O. Duys schreef in diverse muziekbladen en werd wegens zijn grote vakkennis uitgenodigd om een optreden van Johnnie Ray voor de AVRO aan te kondigen.

Zo maakte hij op 1 juli 1959 zijn debuut als televisiepresentator en volgden er meer opdrachten.

In die tijd liet hij zich Willem ‘O’ Duys noemen.

Het was trouwens Willem Duys die Nederland in 1975 liet kennismaken met een nieuw fenomeen, namelijk Lee Towers.

Gustave (Gustaaf) Nellens (1907–1971) was een visionaire Belgische kunstverzamelaar en de legendarische directeur van het Casino Knokke.

Onder zijn leiding groeide de kustgemeente uit tot een internationale ontmoetingsplaats voor de absolute wereldtop uit de kunst- en muziekwereld.

Hij haalde iconen zoals Frank Sinatra, Edith Piaf, Jacques Brel en Nat King Cole naar het podium.

In 1952 bestelde hij de destijds grootste kristallen kroonluchter ter wereld (7 ton zwaar) voor de grote feestzaal.

Hij onderhield nauwe vriendschappen met meesters zoals Pablo Picasso, Salvador Dalí en Max Ernst, die er allemaal exposeerden.

Zijn meest permanente nalatenschap in het casino is de opdracht aan de surrealistische schilder René Magritte.

In 1953 realiseerde Magritte er de monumentale, 71 meter lange 360°-muurschildering Het betoverde rijk (Le Domaine Enchanté) in de zaal die vandaag de dag de Magrittezaal heet.

Na zijn onverwachte overlijden in 1971 werd het artistieke roer overgenomen door zijn zonen Jacques en Roger Nellens.

Zij zetten de familietraditie voort door onder andere popart-icoon Keith Haring naar Knokke te halen.

Ter nagedachtenis aan Gustave werd in 1974 het iconische stenen beeld Eva van Eugène Dodeigne in Knokke ingehuldigd.

De familie Nellens droeg de concessie van het casino in de jaren 90 van de vorige eeuw over aan de Franse casinogroep Partouche.

Hiermee kwam een einde aan de rechtstreekse creatieve en familiale leiding.

De Belgische gokgroep Napoleon Games nam de exploitatie in 2013 over. Het casino draagt vandaag de dag ook de naam Napoleon Casino Knokke.

Het gebouw zelf is eigendom van de gemeente Knokke-Heist.

De gemeente heeft recent grote plannen goedgekeurd voor een volledige vernieuwing en uitbreiding van de site.

Aan de renovatie van het casino hangt een stevig prijskaartje van 95 miljoen euro.

De bedoeling is dat de werken klaar zijn tegen 2032.

De Haan is een van de meest charmante en unieke badplaatsen aan de Belgische kust, gelegen in de provincie West-Vlaanderen.

Wat de gemeente onmiddellijk onderscheidt van vrijwel alle andere steden langs de kustlijn, is het ontbreken van de typische aaneengesloten muur van hoge appartementsgebouwen langs het strand.

In de plaats daarvan word je verwelkomd door sierlijke en historische architectuur in de zogenaamde Belle Epoquestijl.

Dit is vooral zichtbaar in de beschermde villawijk de Concessie, die aan het begin van de twintigste eeuw slim werd ingeplant in het golvende duinenlandschap.

Gisteren nog vandaag

De naam van deze wijk verwijst letterlijk naar de erfpacht of concessie die in 1889 door de Belgische staat, onder impuls van koning Leopold II, voor negentig jaar werd toegekend aan particuliere investeerders.

Om het onherbergzame duingebied te ontwikkelen tot een luxueuze badplaats, stelde men erg strenge bouwvoorschriften op onder leiding van de Duitse stedenbouwkundige Hermann-Josef Stübben.

De nieuw aan te leggen wegen moesten het kronkelende, natuurlijke reliëf van de duinen volgen en er mochten uitsluitend vrijstaande villa’s met grote omliggende tuinen gebouwd worden.

Toen deze oorspronkelijke concessie-overeenkomst na negentig jaar in 1979 ten einde liep, werd de erfpacht niet wettelijk verlengd. Grote bouwpromotoren zagen onmiddellijk hun kans schoon om de percelen op te kopen en de kustlijn ook hier vol te bouwen met hoge appartementsblokken.

Enkele authentieke gebouwen, waaronder Hotel Beau Rivage, gingen aanvankelijk zelfs tegen de vlakte om plaats te maken voor moderne flatgebouwen zoals residentie Mayfair.

Deze plotselinge afbraak leidde echter tot een storm van protest en een grootschalige petitie van zowel inwoners als toeristen, die massaal eisten dat het unieke karakter van De Haan bewaard zou blijven.

Als reactie hierop koos de overheid er niet voor om het oude erfpachtcontract zomaar te verlengen, maar greep ze in via de wetgeving rond monumentenzorg en stedenbouw.

Gisteren nog vandaag

In 1981 werd het centrale deel van de wijk, samen met enkele belangrijke historische gebouwen, geklasseerd als beschermd dorpsgezicht.

Enkele jaren later werden er via een Bijzonder Plan van Aanleg ook zeer strenge bouwvoorschriften vastgelegd om te garanderen dat de bestaande verhoudingen tussen de huizen en de natuur gerespecteerd bleven, waarna de volledige vroegere concessie in 1995 definitief als erfgoed werd beschermd.

Het oorspronkelijke juridische contract liep dus af, maar de stedenbouwkundige visie werd dankzij burgerprotest permanent verankerd in nieuwe beschermingsstatuten.

Het resultaat is een groen, uitgestrekt en rustig straatbeeld vol charmante witte villa’s, kenmerkend door hun rode daken, torentjes en sierlijke houten balkons.

Naast dit architecturale erfgoed trekt De Haan ook enorm veel natuurliefhebbers aan, met name dankzij de uitgestrekte Duinbossen en het opvallend lange, rustige zandstrand.

Gisteren nog vandaag

Het meest beroemde feit over De Haan is ongetwijfeld het tijdelijke verblijf van Albert Einstein.

In het voorjaar van 1933, vlak nadat hij nazi-Duitsland was ontvlucht, woonde de wereldberoemde natuurkundige maar liefst zes maanden lang in de Villa Savoyarde.

Hij wandelde er dagelijks door de duinen en ontving er talloze prominente wetenschappers, kunstenaars en hoogwaardigheidsbekleders voordat hij met zijn vrouw definitief naar de Verenigde Staten vertrok.

Een ander opvallend monument en geliefd weetje is het historische tramstationnetje uit 1902.

Dit sierlijke gebouwtje, met zijn typische vakwerk, is in zijn authentieke glorie bewaard gebleven en fungeert nog steeds als een van de mooiste en meest gefotografeerde haltes van de hele Kusttram.

Tot slot is het bijzonder om te weten dat het vele groen in De Haan absoluut geen toeval is; de uitgebreide bossen werden destijds heel bewust aangeplant om het opwaaiende zand tegen te houden en te voorkomen dat het het dorp zou overspoelen.

Dit doordachte plan geeft de badplaats tot op de dag van vandaag haar unieke, bosrijke en schilderachtige karakter.

Giteren nog vandaag

De geschiedenis van Ter Duinen in Nieuwpoort: over zorg, devotie en abdijstenen

Wanneer we spreken over Ter Duinen in de context van Nieuwpoort, komen we uit bij een boeiende geschiedenis die nauw verweven is met de heropbouw en de zorgsector aan de Belgische kust.

Hoewel de naam Ter Duinen historisch gezien vooral herinneringen oproept aan de middeleeuwse Duinenabdij van Koksijde, heeft Nieuwpoort zijn eigen specifieke plekken gekregen die deze naam met trots dragen.

De belangrijkste moderne betekenis van Ter Duinen in Nieuwpoort is het bekende zorg- en herstelverblijf van de Christelijke Mutualiteit, gelegen aan de Louisweg.

Gisteren nog vandaag

De geschiedenis van deze specifieke locatie begon in de vroege jaren tachtig van de twintigste eeuw.

In februari 1983 startten de bouwwerken voor wat destijds werd opgezet als een modern revalidatiecentrum en vakantiedomein.

Het doel was om een toegankelijke vakantieplek te creëren voor senioren, chronisch zieken en mensen die moesten herstellen na een ziekenhuisopname.

Door de jaren heen evolueerde het complex tot een volledig aangepast centrum, dat vandaag de dag een cruciale rol speelt in het zorgtoerisme aan de kust.

Het centrum kreeg een officieel toegankelijkheidslabel en biedt al decennia een tijdelijk onderkomen waar professionele zorg en ontspanning hand in hand gaan.

Gisteren nog vandaag

Naast dit moderne zorgverblijf is er in de lokale Nieuwpoortse geschiedenis ook een sterke religieuze en volkskundige link met de naam, in de vorm van de Onze-Lieve-Vrouw-ter-Duinenkapel.

Deze kapel, die vaak kortweg de Duinenkapel wordt genoemd, groeide in de loop van de twintigste eeuw uit tot een belangrijk lokaal Mariaoord.

Gisteren nog vandaag

Vooral tijdens de moeilijke jaren van de Tweede Wereldoorlog vond de Nieuwpoortse bevolking hier een plek van samenkomst en troost.

In 1958 kende de kapel een triest dieptepunt toen het oorspronkelijke Mariabeeld werd vernield, maar nog in datzelfde jaar werd een nieuw beeld ingewijd door pastoor Pieter Declercq.

Gisteren nog vandaag

De kapel bleef een ontmoetingsplaats voor de lokale gemeenschap, en in de jaren negentig werd het interieur nog verrijkt met bas-reliëfs van de bekende volkskundige en keramist Bert Bijnens, die lokale sagen en legendes in de kunstwerken verwerkte.

Een bijzonder en minder bekend historisch weetje over deze Duinenkapel is dat de oorsprong van de devotie op deze plek teruggaat tot een opmerkelijke vondst in de negentiende eeuw.

Volgens de lokale overlevering werd er in 1890 door spelende kinderen een oud houten Mariabeeldje gevonden, half begraven in het zand van de Nieuwpoortse duinen.

De vondst werd destijds door de vissersgemeenschap beschouwd als een hemels teken van bescherming tegen de gevaren van de zee.

Om het beeldje te eren en te beschermen, werd er aanvankelijk een heel eenvoudige houten schuilplaats gebouwd, die later werd vervangen door de meer permanente bakstenen kapel.

Dit verklaart waarom de kapel, hoewel geografisch losstaand van de oude abdij, toch de naam ter Duinen kreeg en door de jaren heen vooral door zeemansfamilies werd bezocht om een behouden vaart af te smeken.

Er is ook een historisch-materieel verband tussen Nieuwpoort en de oorspronkelijke middeleeuwse Duinenabdij van Koksijde.

Toen die reusachtige abdij na de beeldenstorm en de godsdienstoorlogen aan het einde van de zestiende eeuw in verval raakte, werden de restanten een geliefde bron van bouwmateriaal voor de wijde omgeving.

De stad Nieuwpoort bleek een trouwe afnemer van deze historische stenen, de zogenaamde abdijmoeffen.

Zelfs rond het jaar 1800 kocht het stadsbestuur van Nieuwpoort nog grote partijen van deze oude stenen op om ze te verwerken in de herstelling en versteviging van de lokale sluizen.

Zo zit er letterlijk een stukje van het oude Ter Duinen ingemetseld in de maritieme geschiedenis en de waterwerken van Nieuwpoort.

Gisteren nog vandaag

Vandaag, vijfenvijftig jaar geleden: de officiële opening van Resto Overpoort.

Om aan de enorme groei van het aantal studenten te voldoen, werd gezocht naar een centrale locatie voor een faciliteit op grote schaal.

Het resultaat was indrukwekkend: De Resto Overpoort was destijds een van de grootste studentenrestaurants van Europa.

In de piekperiode had het complex de capaciteit om dagelijks maar liefst 10.000 tot 15.000 maaltijden te verwerken.

Voor de bouw van dit omvangrijke complex moesten verschillende bestaande panden in de Overpoortstraat wijken, waardoor de straat een volledige gedaanteverandering onderging.

Het huidige gebouw is ontworpen door de bekende architect Jean-Pierre Scott en geldt als een markant voorbeeld van het brutalisme in België.

Scott was een invloedrijke figuur in de naoorlogse Belgische architectuur en stond bekend om zijn vermogen om complexe technische uitdagingen te vertalen naar functionele, eerlijke ontwerpen.

Zijn visie voor dit studentenrestaurant paste perfect binnen de brutalistische traditie, die de eerlijkheid van materialen en de zichtbaarheid van de structuur centraal stelt.

Dit komt duidelijk naar voren in de zware betonstructuur, waarbij de textuur van de houten bekisting vaak nog zichtbaar is in het oppervlak.

Het ontwerp van Scott fungeert als een poortgebouw dat letterlijk als een brug over de Overpoortstraat is gebouwd om de verbinding te leggen tussen verschillende universiteitsgebouwen.

De constructie rust op massieve betonnen pijlers die de enorme overspanning dragen, waardoor er onder het gebouw een open publieke ruimte ontstaat.

Dit werd destijds gezien als een uiterst innovatieve manier om schaarse stedelijke ruimte optimaal te benutten.

De gevels worden gekenmerkt door repetitieve raampartijen in diepe nissen, wat een ritmisch visueel effect geeft en tegelijkertijd dient als natuurlijke zonwering voor de etende studenten.

Naast de functie als restaurant heeft De Brug altijd een sociale rol vervuld als verzamelpunt voor protesten en informele ontmoetingen.

Binnenin is de structuur logisch en functioneel ingedeeld met grote open eetzalen en brede trappartijen die ontworpen zijn om grote stromen mensen gelijktijdig te kunnen verwerken.

Scott slaagde erin om een massief volume te creëren dat toch een zekere lichtheid behoudt door het zwevende karakter boven het wegdek.

In de loop der jaren is het interieur gemoderniseerd om aan huidige duurzaamheidsnormen te voldoen, maar de essentie van de gedurfde ingenieurskunst is bewaard gebleven.

De Dulle Griet: van gevreesd oorlogswapen tot Gents icoon.

Toen de Gentenaars in 1452 ten strijde trokken tegen hertog Filips de Goede, zetten ze volgens de legende een indrukwekkend kanon in bij het beleg van Oudenaarde.

De Gentenaars verloren de strijd echter, waardoor het monster van Gent als zegeteken in Oudenaarde achterbleef.

Pas op 25 februari 1578 wist kapitein Rockelfing het wapen te heroveren.

Op 8 maart van dat jaar kwam de Dulle Griete, ook wel de Rode Duivel genoemd, aan bij het Cuupgat bij de Minderbroeders.

Hoewel er vermoedelijk plannen waren om het kanon te slopen, besloten de Gentse schepenen anders.

Op 15 april werd het per boot naar het einde van de Langemunte gebracht om op rollen te worden geplaatst bij Wannekens aard, een plek die vernoemd was naar de nabijgelegen brouwerij Wannekin.

Vanaf 1812 kreeg deze locatie de officiële naam Bij ’t Groot Kanon.

De afwezigheid van dergelijke zware wapens in de stad had een historische reden.

Na de Gentse Opstand tussen 1537 en 1540 voerde keizer Karel V een strikt verbod op vuurwapens in en liet hij de stadswallen slopen om toekomstige rebellie te voorkomen.

Tijdens het calvinistische bewind aan het eind van de zestiende eeuw werd dit gebrek aan defensie pijnlijk duidelijk, wat de herovering van het kanon extra betekenis gaf.

De naam Dulle Griet kent verschillende verklaringen.

Een bekende theorie verwijst naar gravin Margaretha van Constantinopel, die vanwege haar felle karakter door het volk de booze of dulle Griet werd genoemd.

Een andere verklaring legt de link met het schilderij van Pieter Bruegel de Oude, waarop een toornige vrouw te zien is die zo dapper is dat zij zelfs voor de poorten van de hel durft te roven.

Zij personifieert daarmee kwaad, oorlog en vernieling. In de loop der tijd veranderde de symboliek echter van een teken van verwoesting naar een icoon van vergane glorie en nationale trots.

Margaretha van Constantinopel, vaak aangeduid als Zwarte of Dulle Griet, leidde een roerig bewind dat werd gekenmerkt door de bittere strijd tussen haar kinderen uit twee huwelijken.

Uit haar eerste verbintenis met Bouchard van Avesnes kwamen Jan en Boudewijn voort, terwijl haar tweede huwelijk met Willem van Dampierre de zonen Willem en Gwijde voortbracht.

Deze familievete leidde uiteindelijk tot de splitsing van Vlaanderen en Henegouwen, waarbij de nazaten van Avesnes Henegouwen behielden en de Dampierres Vlaanderen kregen.

Hoewel Willem van Dampierre vanaf het Verdrag van Parijs in 1246 de titel van graaf droeg, bleef hij tot zijn dood in 1251 onder het gezag van zijn moeder.

Margaretha bleef immers tot aan haar eigen overlijden in 1279 de feitelijke heerser over het verenigde rijk.

Pas na haar troonsafstand werd haar zoon Gwijde van Dampierre de onbetwiste alleenheerser over Vlaanderen.

Gisteren nog vandaag

De eerste steenlegging op 7 juni 1931 als startpunt van de Onze-Lieve-Vrouw-van-Lourdesbasiliek in Edegem.

De Onze-Lieve-Vrouw-van-Lourdesbasiliek in Edegem is onlosmakelijk verbonden met de grot die Peter-Jan Van Aelst liet bouwen.

Toen de grot een enorm succes werd en de bestaande Sint-Antoniuskerk te klein bleek voor de groeiende parochie en de vele bedevaarders, ontstond de noodzaak voor een nieuw en groter gebedshuis.

De kerk werd tussen 1931 en 1933 gebouwd naast de grot, naar een ontwerp van architect Louis De Vooght.

Het is een opvallend bouwwerk in neobyzantijnse stijl, herkenbaar aan de indrukwekkende centrale koepel van beton en een zestig meter hoge toren.

De eerste steen van de Onze-Lieve-Vrouw-van-Lourdesbasiliek in Edegem werd op 7 juni 1931 gezegend en gelegd door kardinaal Van Roey, die de kerk op 1 mei 1933 ook officieel inwijdde.

De afwerking van het interieur, met onder meer muurschilderingen van Paul Wante, nam nog enkele jaren in beslag en werd pas vlak voor de Tweede Wereldoorlog voltooid.

Gisteren nog vandaag

Hoewel de inwoners van Edegem het gebouw vanaf het begin al de basiliek noemden vanwege de imposante architectuur, kreeg de kerk deze eretitel officieel pas veel later.

Ter gelegenheid van het vijfenzeventigjarig bestaan van de kerk in 2008 verleende paus Benedictus XVI haar de officiële status van basilica minor.

De bouw van deze basiliek was destijds een gigantische investering van bijna drie miljoen Belgische frank.

Dit astronomische bedrag werd grotendeels verzameld door de vrijgevigheid van de lokale bevolking en gulle weldoeners zoals mevrouw Farcy-Van Ael.

Deze vrome dame was de weduwe van een vermogende industrieel en trad op als een belangrijke mecenas die diverse religieuze projecten financieel ondersteunde.

Haar aanzienlijke bijdrage was essentieel om de ambitieuze plannen van de architect volledig te kunnen realiseren.

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

De geschiedenis van de grot en de basiliek in Edegem begon in 1883, toen J.P. Van Aelst op zijn grond een exacte kopie van de grot in Lourdes liet bouwen.

Hij deed dit voor zijn ongeneeslijk zieke dochter Maria Carolina, voor wie de reis naar Frankrijk te zwaar was.

Hoewel de rotsen uit Namen werden aangevoerd en zij er dagelijks kon bidden, mocht een genezing helaas niet baten.

Na de inzegening in 1885 bleef de plek in familiebezit, tot de erven Van Aelst de grot in 1924 overdroegen aan de parochie.

Gisteren nog vandaag

De enorme toeloop van bedevaarders van heinde en verre zorgde al snel voor grote drukte in het dorp.

Bezoekers arriveerden te voet, met de tram of via het toenmalige station van Edegem.

Deze gebeurtenis leidde tot de bloei van talloze cafés, hotels en marktkramen met religieuze artikelen in de Hovestraat.

De overlast was echter zo groot dat de lokale veldwachter vaak de hulp van de gendarmerie uit Kontich nodig had om de orde te handhaven.

Vandaag de dag bestaan zowel de grot als de later gebouwde basiliek nog steeds als een stil en herkenbaar rustpunt in het hart van de gemeente.

De gierigste miljardair ter wereld: een terugblik op het meedogenloze leven van Jean Paul Getty, een halve eeuw na zijn overlijden.

Jean Paul Getty was met een persoonlijk vermogen van 15 miljard dollar een van de rijkste mensen ter wereld.

De in de Verenigde Staten geboren oliemagnaat had al op 24-jarige leeftijd zijn eerste miljoen verdiend, waarna hij tijdelijk met pensioen ging om een playboyleven in Los Angeles te leiden.

Hoewel hij al snel terugkeerde naar de zakenwereld en een van de omvangrijkste kunstcollecties op deze planeet opbouwde, was hij op iets heel anders het meest trots: een mannelijk geslacht van meer dan dertig centimeter.

Zijn immense fortuin kwam overigens in een stroomversnelling toen hij in 1949 een gok waagde in het Midden-Oosten en Arabisch leerde om persoonlijk de uiterst lucratieve oliecontracten met Saoedi-Arabië uit te onderhandelen.

Hij sprak daarnaast ook vloeiend Frans, Duits, Italiaans, Spaans en Russisch.

Zijn privéleven was een aaneenschakeling van schandalen en huwelijken, want Getty trouwde maar liefst vijf keer.

Zijn echtgenotes waren achtereenvolgens Jeanette Dumont, met wie hij van 1923 tot 1925 getrouwd was en zoon George Franklin Getty II kreeg.

Daarna volgde Allene Ashby van 1926 tot 1928 en Adolphine Helmle van 1928 tot 1932, met wie hij zoon Jean Ronald Getty kreeg.

Met Ann Rork, getrouwd van 1932 tot 1935, kreeg hij twee zonen: Paul Getty en Gordon Getty.

Tot slot was er Louise Dudley Lynch van 1939 tot 1958, de moeder van zijn op twaalfjarige leeftijd overleden zoon Timothy.

Omdat scheiden voor hem niet snel genoeg kon gaan, leefde de miljardair twee keer in bigamie.

Dat hij hiervoor niet meermaals gerechtelijk werd vervolgd, had hij uitsluitend aan zijn grote invloed te danken.

Tijdens de scheiding van zijn vierde vrouw Ann bracht haar getuigenis echter alsnog een gigantisch schandaal aan het licht.

Terwijl zij acht maanden zwanger was, vertrok Getty naar Europa om de bloemetjes buiten te zetten.

Toen zij hem achterna reisde, sloot hij haar op in zijn Parijse liefdesnest aan de Rue Saint-Didier, terwijl hij zichzelf amuseerde in een hotel met jonge Françaises.

Bovendien verplichtte hij de hoogzwangere vrouw om de Vesuvius te bewandelen, wat erin resulteerde dat het kind enkele dagen later te vroeg werd geboren op een Italiaans vrachtschip.

Terug in Los Angeles huurde hij een goedkope flat voor zijn vrouw en kind, en trok zelf weer in bij zijn moeder.

Een later bezoekje aan Ann resulteerde in een nieuwe zwangerschap, wat voor Getty de ultieme reden was om prompt weer naar Europa te vluchten.

Kort na de geboorte keerde hij even terug, keek in het ziekenhuis naar de baby, zei enkel dat het kind op haar leek, en vertrok direct weer.

Zijn zonen konden de meedogenloze oliemagnaat net zo min schelen als zijn vrouwen.

De oudste dreef hij tot drank en zelfmoord in 1973.

De volgende onterfde hij kort na de geboorte, puur uit wraak op de moeder, omdat zij weigerde genoegen te nemen met een karige alimentatie.

Zijn derde zoon werd al snel drugsverslaafd, en over zijn vierde gaf hij zijn advocaat letterlijk de opdracht om hem kapot te maken.

Het meest hartverscheurend was de situatie rond zijn jongste zoon Timothy, die op negenjarige leeftijd een hersentumor kreeg.

Getty maakte zich voornamelijk kwaad over de hoge behandelingskosten.

Toen het jongetje op twaalfjarige leeftijd stierf, kwam de miljardair niet eens naar de begrafenis, maar was hij wel razend, omdat hij de uitvaartkosten te hoog vond.

Op latere leeftijd verklaarde Getty over zijn relaties dan ook stellig dat een blijvende relatie met een vrouw alleen mogelijk is als je een zakelijke mislukkeling bent.

Gisteren nog vandaag

(Foto met fotomodel Dorien Leigh)

Wat veel mensen niet weten, is dat hij ondanks deze kille opvattingen wel zelfhulpboeken schreef, waaronder het bekende How to Be Rich, en in zijn vrije tijd een leeuwenwelp als huisdier hield.

Ondanks zijn immense fortuin was Old John, zoals de oliebaron werd genoemd, een notoire gierigaard.

Om geld uit te sparen, waste hij zijn eigen kleding met de hand, zodat hij de stomerij niet hoefde te betalen.

Op recepties en cocktailparty’s stond hij erom bekend zijn zakken te vullen met gratis sigaren en gebakjes.

Op zijn landgoed Sutton Place in het Britse Surrey liet hij zelfs een betaaltelefoon installeren, speciaal om te voorkomen dat hij moest opdraaien voor de telefoontjes van zijn personeel en gasten.

Als hij reisde, onderhandelde hij eindeloos tot hij de mooiste kamer in het meest luxe hotel kreeg voor een absoluut minimumbedrag, een tactiek die hij ook steevast toepaste bij het afdingen op kunst en onroerend goed.

Deze drang naar gierigheid bleek ook toen de schatrijke Griekse scheepsmagnaat Aristoteles Onassis bij hem op bezoek kwam; de gast kreeg niet eens een stoel aangeboden om op te zitten, wat pijnlijk duidelijk maakte dat er zelfs onder de allerrijksten nog steeds ongelijkheid bestond.

Het absolute dieptepunt van zijn krenterigheid werd bereikt toen zijn zestienjarige kleinzoon John Paul Getty III in 1973 in Rome werd ontvoerd door de Italiaanse maffia.

De ontvoerders eisten zeventien miljoen dollar losgeld, wat voor Getty een peulenschil was, maar hij weigerde stellig te betalen.

Pas toen de kidnappers een afgesneden oor en een haarlok naar een krant stuurden met de dreigende boodschap dat het andere oor zou volgen of de jongen in stukjes zou terugkeren als het geld niet binnen tien dagen werd betaald, kwam de oude Getty in actie.

De losgeldprijs was inmiddels gezakt naar drie miljoen dollar, maar Getty wilde niet meer dan 2,2 miljoen betalen, omdat dit precies het maximale bedrag was dat hij fiscaal van de belasting kon aftrekken.

De resterende 800.000 dollar mocht zijn zoon van hem lenen, uiteraard wel tegen een rente van vier procent.

Zijn kleinzoon kwam dit immense trauma nooit te boven; hij raakte verslaafd aan drugs, kreeg een beroerte door een overdosis drank en medicijnen en eindigde zwaar verlamd en vrijwel blind.

Gisteren nog vandaag

(Foto met Onassis)

Regisseur Ridley Scott verfilmde dit ijzingwekkende verhaal in 2017 in de film All the Money in the World, die geïnspireerd was op het boek Painfully Rich: The Outrageous Fortunes and Misfortunes of the Heirs of J. Paul Getty van auteur John Pearson.

In zijn latere jaren trok de hoogbejaarde Getty, die een cosmetische facelift had ondergaan die enigszins mislukt was en hem een onnatuurlijke uitdrukking gaf, zich terug op zijn kasteel Sutton Place, waar hij samenleefde met maar liefst zes vriendinnen.

Hij vergeleek zichzelf met een boosaardige duivel en gaf openlijk toe dat zijn enige overgebleven plezier was om deze vrouwen tegen elkaar op te hitsen.

Elke avond koos hij zijn bedpartner door een van hen met een klap op de bips te sommeren.

De onderlinge concurrentiestrijd was intens; er ging geen week voorbij zonder hysterische aanvallen en woede-uitbarstingen.

Krijsend vlogen de vrouwen elkaar in de haren, vielen ze elkaar aan met bestek en aan de eettafel werd continu gebekvecht om de ereplaats naast Getty.

Tijdens wandelingen duwden ze elkaar letterlijk aan de kant om naast hem te kunnen lopen.

Er heerste oorlog op alle fronten, maar de vrouwen verdroegen het in de vaste overtuiging dat zij voor hun beste jaren rijkelijk beloond zouden worden in zijn testament.

Gisteren nog vandaag

(foto met de zes vrouwen die hij op het einde van zijn leven deelde)

De oude miljardair bedroog hen echter nog in de dood.

Toen hij op 83-jarige leeftijd stierf, was de vervreemding van zijn familie zo groot dat uitsluitend zijn oudste zoon Paul op de begrafenis verscheen.

De ontsteltenis was enorm toen bleek dat Getty enkele weken voor zijn dood zijn testament ingrijpend had gewijzigd.

Hij liet zijn volledige bezit niet na aan zijn zonen, maar vermaakte alles aan zijn museum in Malibu.

Ook de zes vriendinnen kwamen bedrogen uit: op één na kregen zij allemaal slechts een handvol aandelen met een magere waarde van een paar duizend dollar.

Voor het zwakke geslacht had hij nog een allerlaatste cynische verrassing in petto.

Al wie kon bewijzen dat zij ooit intiem met hem was geweest, ontving exact tien dollar uit de erfenis, en ook zonen of dochters die uit een dergelijke relatie waren voortgekomen, moesten het met precies datzelfde bedrag doen.

Gisteren nog vandaag

(foto 1 met fotomodel Danielle Hegeler)

Vandaag 100 jaar geleden, start van de 15e editie van de internationale Gordon Bennett Cup voor gasballonnen

De 17 ballonnen stegen een voor een op vanuit Wilrijk.

Vrijwel direct na de start kregen de piloten te maken met zeer zware weersomstandigheden. Een krachtige storm blies veel ballonnen direct richting het noordoosten (Nederland).

Door de gevaarlijke rukwinden moesten meerdere deelnemers al snel de landing inzetten. Vier internationale ballonnen maakten diezelfde middag en avond een noodlanding in het midden en westen van Noord-Brabant (onder andere in Chaam en Loosbroek).

De piloten die de stormachtige nacht wisten te overleven, landden in de vroege ochtenduren verspreid over Europa.

De Amerikaanse piloten kapitein Hawthorne C. Gray en luitenant Douglas Johnson landden rond 04:00 uur ’s ochtends in de Duitse regio Mecklenburg na een vlucht van 12 uur (goed voor de tweede plek).

De Amerikaanse ballon Goodyear III, bestuurd door Ward T. Van Orman en Walter W. Morton, wist de grootste afstand af te leggen.

Zij landden na een riskante vlucht van 864 kilometer nabij Sölvesborg in Zweden en wonnen daarmee de felbegeerde Gordon Bennett-trofee.

De geschiedenis van de huidige IVG-School in Gent begon in de tweede helft van de negentiende eeuw, een tijd waarin het secundair onderwijs in Vlaanderen vrijwel volledig Franstalig was.

Omdat onderwijs destijds hoofdzakelijk een privéaangelegenheid was, betaalden ouders het schoolgeld zelf.

In deze tijdsgeest richtte wiskundeleraar Henri Rachez op 1 augustus 1852 in Brussel een privéschool op om leerlingen voor te bereiden op de Militaire School en de examens voor burgerlijk ingenieur.

Op 1 oktober 1899 breidde dit initiatief uit naar Gent met de opening van een dochterschool in het herenhuis De Cock aan de Nederkouter.

Onder de naam Institut Rachez de Gand bood de school onderdak aan bijna alle leerlingen van de Ecole Molitor, die door stadsverfraaiingen in het centrum moest sluiten.

In 1901 werd de Gentse vestiging volledig onafhankelijk. De focus verschoof in de jaren daarna geleidelijk: in 1905 kwam er meer aandacht voor wetenschappen naast wiskunde, en in 1909 kreeg de school de naam Institut de Gand, waarbij ook moderne talen een prominentere plek in het curriculum kregen.

Een belangrijke administratieve stap volgde op 1 september 1928, toen de lagere school officieel werd erkend en gesubsidieerd.

De zes laagste jaren functioneerden als transmutatieklassen waar Franstalige kinderen intensief Nederlands leerden, terwijl de voertaal in het zevende en achtste leerjaar volledig Nederlands was.

De secundaire afdeling was op dat moment nog niet erkend en hanteerde een verdeling van 65 procent Frans en 35 procent Nederlands.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog schreef de school in 1942 haar eerste meisje in, waarmee het de eerste gemengde school van Gent werd.

Dankzij het Schoolpact van mei 1959 kreeg de school via werkingskredieten en wedde-toelagen ruimere financiële middelen.

Dit maakte de weg vrij voor de officiële erkenning van de secundaire afdeling.

Het onderwijs schakelde volledig over op het Nederlands en de naam veranderde definitief in Instituut van Gent.

In 1970 kon de school voor het eerst gehomologeerde getuigschriften uitreiken aan haar leerlingen.

Ondanks de vernederlandsing bleef meertaligheid een essentieel onderdeel van het pedagogisch project.

Zo kregen leerlingen in het eerste jaar van de middenschool drie uur Engels per week, en werd het lessenpakket buiten de wettelijke kaders uitgebreid met extra lessen Frans en Spaans.

Sinds 2012 vaart de school een nieuwe koers onder de naam IVG-School, waarbij de letters staan voor de kernwaarden Inspirerend, Vrijdenkend en Geëngageerd.

Vandaag dertig jaar geleden onthulde historicus Rein Bijkerk een opmerkelijk hoofdstuk uit de Nederlandse geschiedenis: in 1919, vlak na de Eerste Wereldoorlog, stond Nederland op het punt om België binnen te vallen.

De legertop trof destijds vergaande voorbereidingen voor een militaire operatie, een plan waar ook minister van Oorlog Alting von Geusau volledig van op de hoogte was.

De aanleiding voor deze agressieve houding lag in de enorme spanningen tussen de buurlanden na de Grote Oorlog.

België wilde de eigen grenzen beter kunnen verdedigen en claimde daarom Zeeuws-Vlaanderen, om de controle over de Schelde te verkrijgen, en delen van Limburg voor een betere bewaking van de Duitse grens.

Zowel de Nederlandse legerleiding als de minister hielden serieus rekening met een Belgische annexatie.

Om de zuiderburen voor te zijn en te voorkomen dat de geallieerden de Belgische eisen zouden steunen in het Verdrag van Versailles, broedde de legertop op een preventieve bliksemactie.

Volgens Bijkerk, die zich baseert op correspondentie uit geheime defensiearchieven, wilde de militaire top drie van de vier Nederlandse legerdivisies in Noord-Brabant samentrekken.

Van daaruit moest een aanval worden ingezet op het Belgische hart, met Antwerpen en Brussel als hoofddoelen.

Een cruciaal bewijsstuk is een memorandum van 16 september 1919 van generaal Burger aan de waarnemend opperbevelhebber, generaal Pop.

Burger stelde hierin onomwonden dat het leger niet gedemobiliseerd mocht worden, maar de volle aandacht op het zuiden moest richten om België met maximale kracht en snelheid een slag toe te brengen.

Pop reageerde enkele dagen later instemmend op dit aanvalsplan.

Uit aantekeningen in de kantlijn van deze documenten blijkt dat diverse defensieafdelingen nauw betrokken waren bij de invasieplannen.

Er lagen zelfs al gedetailleerde schema’s klaar voor de inzet van de cavalerie en wielrijders; alleen de exacte marsroutes moesten nog worden ingevuld.

Dat minister Alting von Geusau de plannen steunde, bleek onder meer uit zijn strijdbare taal in de Tweede Kamer, waar hij verklaarde dat Nederland zich niet als een schaap van de vacht zou laten ontdoen.

Ondertussen probeerde de Belgische politicus Hymans de geallieerde grootmachten te overtuigen van de Belgische eisen.

Aanvankelijk leek hij succes te boeken toen er een commissie werd opgericht om de grensherzieningen te onderzoeken.

De diplomatieke strijd tussen België en Nederland ontaardde echter in een bittere ruzie, waarna de grote mogendheden in juni 1919 ingrepen.

Er kwam een nieuwe commissie die de oude verdragen mocht herzien, maar met één harde voorwaarde: van gebiedsuitbreiding kon geen sprake meer zijn.

Hoewel België op diplomatiek vlak verloor, bleven de spanningen aanhouden.

De Belgen probeerden alsnog invloed te krijgen op de militaire verdediging van de Maas en de Schelde en droomden zelfs van een volksraadpleging in de betwiste gebieden.

Uiteindelijk kwam het nooit tot een gewapende confrontatie, vooral omdat Engeland en Frankrijk zich openlijk tegen de Belgische territoriale claims keerden.

België moest uiteindelijk genoegen nemen met Eupen-Malmedy en een protectoraat in Afrika, terwijl de Nederlandse aanvalsplannen definitief in de archiefkast verdwenen (Diverse bronnen, Trouw, persconferentie 14 april 1996)