De geschiedenis van Free Record Shop begon op 15 oktober 1971, toen Hans Breukhoven zijn eerste platenzaak opende aan het Broersveld te Schiedam

Omdat de winkel niet was aangesloten bij de officiële vereniging voor detailhandelaren, kreeg de zaak de typerende naam Free Record Shop.

Het bedrijf groeide in de decennia daarna gestaag en had eind jaren tachtig al tientallen vestigingen in Nederland en België, waarna later ook de stap naar Luxemburg werd gezet.

In 1997 speelde de keten in op de digitale ontwikkeling met de lancering van een eigen webshop.

Hans Breukhoven was een groot bewonderaar van Frank Sinatra, de legendarische zanger die hij in 1991 bezocht tijdens een onvergetelijk concert, waar ik ook aanwezig was, in het Sportpaleis in Antwerpen.

Breukhoven was daar aanwezig als vipgast, nadat hij de wereldster twee jaar eerder zelf naar Rotterdam had gehaald.

Om die boeking rond te krijgen, vloog hij speciaal naar Detroit om een optreden van Sinatra bij te wonen.

De investering van 3,8 miljoen dollar om de zanger op 8 april 1989 naar Nederland te brengen, was onderdeel van een slimme zakelijke strategie.

Omdat het bedrijf naar de beurs ging, zocht Breukhoven naar een sterke campagne om de naamsbekendheid onder de oudere doelgroep te vergroten.

Terwijl jongeren de keten al massaal wisten te vinden, was de generatie boven de veertig juist de groep die zich met aandelen bezighield.

Een optreden van Sinatra was het ideale middel om deze groep te bereiken.

Het concert in 1989 was een society-evenement van formaat.

Het publiek vergaapte zich aan de vele celebrity’s die over de rode loper arriveerden, onder wie prinses Margriet en Pieter van Vollenhoven, Freddy Heineken, Joop van den Ende, Lee Towers, Neelie Kroes, Jan Rietman, Ron Brandsteder en Ed Nijpels.

Naast dit glitter- en glamouraspect diende het concert als een krachtig signaal in een tijd waarin de muziekindustrie volop in beweging was.

De lp verdween en de cd kwam ervoor in de plaats, al was het destijds nog onzeker of dit nieuwe medium een succes zou worden.

Breukhoven wilde de concerten ook gebruiken om de verkoop van tickets in zijn winkels te stimuleren en meer aanloop te genereren.

Het was overigens niet de eerste keer dat de keten betrokken was bij een historisch evenement; op 23 juni 1978 was Free Record Shop ook al betrokken bij het allereerste popconcert in de Kuip in Rotterdam, waar Bob Dylan voor het eerst in Nederland optrad.

Tijdens de latere piekuren van het succes breidde de organisatie verder uit door in 2006 de Belgische keten Game Mania over te nemen, een formule die vervolgens ook in Nederland werd geïntroduceerd.

Op het hoogtepunt in 2008 telde de onderneming honderden filialen in de Benelux, terwijl de activiteiten in Scandinavië werden verkocht aan GameStop.

Vanaf 2013 kwam de keten echter in zwaar weer terecht door de economische crisis en de teruglopende verkopen in fysieke winkels.

Dit leidde tot een hoge schuldenlast en het uiteindelijke faillissement van de Nederlandse tak in mei 2013.

Hoewel er kort daarna een doorstart volgde waarbij onderdelen als Game Mania en FAME werden afgesplitst, bleven de problemen aanhouden.

Eind 2013 viel ook het doek voor de Belgische activiteiten.

De situatie verslechterde verder toen begin 2014 de logistieke partner E-Ways faillietging, waardoor ook de onlineverkoop volledig stilviel.

De keten probeerde nog te overleven als outlet voor oude voorraden, maar in april 2014 volgde een nieuw faillissement voor de Nederlandse tak.

De resterende activa werden uiteindelijk overgenomen door Boekenvoordeel, waarna de laatste winkels begin mei 2014 definitief hun deuren sloten na een laatste uitverkoop met hoge kortingen.

De Berg van Barmhartigheid, 400 jaar Gentse geschiedenis, nu te koop

De Berg van Barmhartigheid, een openbaar pandjeshuis, werd gesticht door de aartshertogen Albrecht en Isabella.

Het idee kwam uit Italië, waar de monti di pietà armen een lening gaven tegen een lage interest, tegen een pand. Een pandjeshuis, ook wel een lommerd genoemd, leende alleen geld uit tegen een onderpand.

Je bracht iets binnen, kleren, huisraad, juwelen of een ander voorwerp, en kreeg daar een som geld voor.

Lostte je de lening niet op tijd af, dan mocht het pand verkocht worden.

Voor 1622 moest wie in Gent geld wou lenen bij private geldschieters zijn.

Men noemde ze pussemiers of woekeraars.

Er waren twee groepen: Joodse leners, meestal kleine sommen op korte termijn, en Lombarden uit Italië, meestal grotere sommen op langere termijn.

Van die naam komt het woord lommerd, voor een bank van lening.

De rente was veel hoger dan later bij de Berg. Rond 1500 liep die volgens lokale geschiedschrijving op tot 130 procent.

In 1575 had de overheid die kunnen drukken tot 32,5 procent, maar ook dat bleef hoog, en controle was moeilijk.

De Berg moest die private handel dan ook verdringen.

De man die dat naar de Zuidelijke Nederlanden bracht, was Wenceslas Cobergher, ook Wensel Coebergher genoemd.

Hij werd rond 1557 in Antwerpen geboren en stierf in 1634 in Brussel.

Hij was schilder, graveur, architect en ingenieur. Zijn opleiding kreeg hij in het atelier van Maerten de Vos, en daarna in Parijs, Rome en Napels, waar hij van 1583 tot 1604 verbleef.

Daar leerde hij de Italiaanse barok kennen, en ook de Bergen van Barmhartigheid.

Vanaf 1605 was hij schilder, architect en ingenieur van de landvoogden.

In 1618 werd hij hofarchitect. Bekende ontwerpen van hem zijn de basiliek van Scherpenheuvel en de Sint-Augustinuskerk in Antwerpen.

In opdracht van Albrecht en Isabella richtte hij Bergen van Barmhartigheid op in onder meer Brussel, Antwerpen, Mechelen, Kortrijk, Namen en Gent.

In Gent kocht hij de woning Dondersteen van Adriaen Triest, advocaat bij de Raad van Vlaanderen.

Dat gebouw werd in 1620 gesloopt. In 1621 was de nieuwe bouw klaar, in de Abrahamstraat.

Stilistisch is het de eerste barokke constructie in Gent.

De gevel herinnert aan een Italiaans palazzo. In de volksmond bleef de naam Dondersteen hangen.

In Gent liepen de kosten op tot 125.000 florijnen. Wat dat vandaag zou zijn, hangt af van hoe je rekent.

Als we kijken naar de gewone koopkracht, dat wil zeggen wat je met dat geld in de winkel kon kopen, dan is het ruwweg 2 tot 3 miljoen euro.

Een stuiver rond 1625 had ongeveer de koopkracht van 80 eurocent, en de florijn of gulden telde 20 stuivers.

Kijk je naar lonen, dan weegt het zwaarder. Een geschoolde arbeider verdiende toen zo’n 15 stuivers per dag.

Die 125.000 florijnen vertegenwoordigen dus ruim 160.000 werkdagen, wat vandaag de dag eerder neerkomt op 30 tot 50 miljoen euro aan bouwkosten.

Boven de toegangsdeur werden de inscriptie Mons Pietatis en de passiewerktuigen geplaatst.

Tegen de gevel staat nog het wapenschild van bisschop Triest.

De instelling ging op 29 november 1622 open voor het publiek. Men leende er op pand tegen een lage interest.

Bisschop Triest schonk haar 90.000 gulden.

In dezelfde verhouding is dat ruim 1,5 miljoen euro aan koopkracht, of zo’n 25 tot 35 miljoen als je naar lonen kijkt.

Daarmee kon vanaf 1641 een gratiskas worden geopend, zodat armen ook zonder interest konden lenen.

Ook die kas werkte op pand. Wie niets had om in pand te geven, kon er niet lenen.

Op een grote steen in de gevel staat het nog te lezen: “Hier leent men den armen oock sonder interest.”

Binnen het gebouw verwezen de zware ijzeren deuren, de stevige rekken en de brandvrije gewelven naar de oorspronkelijke functie van het complex.

De oorspronkelijke Berg liep tot de Franse Revolutie. Toen was de activiteit al aan het slabakken.

De directeur zette ze nog een tijd op eigen houtje voort. In 1820 begon het Bureel van Weldadigheid een voorloper van het OCMW, opnieuw met een Openbare Kas van Lening in dat gebouw.

Die kas sloot in 1929. Ze werd meegesleurd in de beurscrash van dat jaar.

Van sluiting was al eerder sprake, omdat de Berg de concurrentie met de banken niet meer aankon.

Wie een kleine lening nodig had, kon intussen elders terecht.

In België bleef lenen op pand wel bestaan. Brussel heeft nog altijd een Berg van Barmhartigheid, de enige instelling die dat hier nog wettelijk mag doen.

In 1930 kwam het Gentse gebouw dan ook vrij.

De archieven van de stad Gent zaten toen nog in het stadhuis en kampten al lang met plaatsgebrek.

In 1930-1931 werden ze overgebracht naar de lokalen van de Berg.

Ook de rekken waarop vroeger de panden lagen, kwamen goed van pas. Het stadsarchief opende er in 1932.

Over die verhuis van 1930-1931 schreef journalist Staf Hapke dat het geen klein karwei was.

Er waren namelijk meer dan veertig grote verhuiswagens nodig voor papieren, boeken, charters en de rest. In het gebouw zaten de stukken ook veiliger, vooral bij brand.

Onder de documenten die toen meekwamen, zat het oudste en merkwaardigste document: een charter uit 1178, een oorkonde met de scheidsrechterlijke uitspraak van de aartsbisschop van Keulen.

Het is in het Latijn opgesteld en gaat over het geschil tussen de burgers van Keulen en die van Gent.

Daardoor werd de vrije doorvaart op de Rijn erkend.

Het oudste boek met de stadsrekeningen dateert van 1314 en bevat de rekeningen over de jaren 1314-15 tot 1325-26.

Ook het muntenkabinet, met de munten van de stad en van Vlaanderen door de eeuwen heen, kreeg toen een plaats in de Berg.

Wie in 1931 de oude archieven wou inkijken, alles tot aan de Franse Revolutie, kon dat gewoon doen.

Voor de nieuwere stukken, vanaf de Franse Revolutie, had je een bijzondere toelating nodig.

Het stadsarchief bleef in de Berg tot 2005.

Toen verhuisde het, samen met de stadsarcheologie, naar De Zwarte Doos in de Dulle-Grietlaan 12 in Gentbrugge, in de gerestaureerde gebouwen van de vroegere Puntfabriek (Arbed).

In 2017 smolt het stadsarchief samen met het OCMW-archief tot Archief Gent.

Dat OCMW-archief zat sinds 2006 aan de Neermeerskaai.

Sinds 3 december 2018 zit de hele dienst in De Zwarte Doos. Het gebouw aan de Neermeerskaai bleef een depot, niet meer open voor het publiek.

De Berg zelf staat intussen leeg en is te koop.

De stad zette het gebouw begin oktober 2026 in de verkoop, instelprijs 2 miljoen euro.

Men verkoopt het pand als een uitzonderlijke herontwikkelingskans op een toplocatie in het hart van Gent, nabij het Gravensteen, met een totale oppervlakte van ongeveer 3.250 vierkante meter.

De toekomstige eigenaar heeft wel heel wat opties voor een nieuwe invulling: appartementen, kantoren, een klein hotel, andere horeca, handelszaken, ateliers, buurtgerichte voorzieningen of zorgfuncties zoals een praktijkruimte of een crèche.

Meer dan de helft van de kantoren mag bijvoorbeeld niet volgens de stedenbouwkundige regels, en alleen appartementen zouden een te grote impact hebben op de indeling van het beschermde monument.

Het gebouw heeft al drie jaar geen verwarming, soms valt de stroom uit, de lift werkt niet meer en de traphal is gestut met schoren.

Kortom, de gebouwen zijn in slechte staat en hebben nood aan diepgaande restauratie- en renovatiewerken.

Momenteel worden verschillende ruimtes nog gebruikt door onder meer kunstenaars, een tangoschool, en Luk De Bruyker, die er kostuums stockeert van zijn voorstellingen.

Dus voelen sommigen van jullie om dit pand te kopen, dan kunt u zich wenden tot Sogent, het vastgoedbedrijf van de stad

Vijfenzeventig jaar geleden maakte de wereld voor het eerst kennis met een opvallende innovatie: de tetraëderverpakking.

In september 1951 werd in Zweden een revolutionaire uitvinding gedaan inzake melkverpakking die geroepen was om binnen zeer korte tijd de ganse wereld te veroveren.

Er was lang in die richting gezocht en talrijke proeven werden met succes bekroond.

Het was dan ook te verwachten dat de nieuwe vinding, die het mogelijk maakte verse melk in pakjes in plaats van in flessen te verpakken, door honderden miljoenen melkverbruikers met vreugde zou worden begroet.

Deze kartonnen drankverpakking in de vorm van een viervlak vormde het allereerste product van Tetra Pak, opgericht door Ruben Rausing en Erik Wallenberg in de Zuid-Zweedse stad Lund.

De kenmerkende geometrische vorm gaf het bedrijf niet alleen zijn naam, maar bleek dankzij de enorme ruimtebesparing en stapelbaarheid ook een schot in de roos.

De nieuwe verpakking bestond uit stevig papier met daarboven een huid van plastic die het papier volkomen steriel maakte.

Verder was de verpakking smaak- en reukloos en vanzelfsprekend volledig waterdicht.

Aan het nieuwe verpakkingsmiddel werd destijds de naam Tetra-verpakking gegeven.

Voor de huisvrouw betekende de nieuwe verpakking destijds een aanzienlijke aanwinst.

Zij hoefde voortaan niet meer te vrezen dat de flessen melk zouden stukvallen, hoefde de ledige flessen niet meer te reinigen en was verlost van het betalen van leeggoed aan de melkboer of in de winkel.

Ook in de melkerijen werd met ongeduld naar de nieuwe verpakkingsmogelijkheid uitgezien.

Het liet toe grotere hoeveelheden melk op te slaan, aangezien de pakjes veel minder plaats in beslag namen dan flessen.

Het melktransport werd daardoor aanzienlijk goedkoper en men hoefde geen werkkrachten meer in te zetten om flessen hygiënisch te reinigen.

Hoewel de historische bakermat en de oorsprong van de onderneming in Zweden liggen, verhuisde het hoofdkantoor later om fiscale en strategische redenen naar Zwitserland.

Vandaag de dag is Tetra Pak nog altijd een familiebedrijf.

Inmiddels staat de derde generatie van de familie Rausing aan het roer, waarvan de gezamenlijke rijkdom door zakenblad Forbes rond de 19 miljard dollar wordt geschat.

De onderneming richt zich uitsluitend op het verpakken van vloeibare levensmiddelen in zogeheten gelamineerd papier.

Het concern is uitgegroeid tot een wereldwijde reus met zo’n 21.000 werknemers, verspreid over zestig productielocaties en actief in maar liefst 150 landen.

Die schaal vertaalde zich ook in klinkende cijfers: waar de omzet in 2007 nog rond de 8,6 miljard euro lag, steeg deze in 2011 naar 10,4 miljard euro met een verkoop van bijna 70 miljard verpakkingen wereldwijd.

De bekendheid van het merk reikte zelfs tot in de stripwereld; in april 2008 bracht het bedrijf in samenwerking met Suske en Wiske een speciaal album uit onder de titel De bosbollebozen.

Vandaag 80 jaar geleden: Mechelen bracht een groots eerbetoon aan Rik Wauters

Op 21 september 1946 bracht Mechelen samen met de Belgische overheid en vele kunstliefhebbers een groots eerbetoon aan Rik Wauters.

Aan de witte gevel in de voormalige Huidevettersstraat, waar hij tussen 1890 en 1900 had gewoond, werd toen een bronzen gedenkplaat onthuld en kreeg de straat officieel zijn naam.

Wauters werd in 1882 in Mechelen geboren en stierf in 1916 in Amsterdam na een zware strijd tegen kanker.

Dat de nationale overheid zich bij dit eerbetoon aansloot, voelde als een terechte erkenning voor een kunstenaar die al veel langer internationale waardering genoot.

Tegelijkertijd opende toenmalig minister van Openbaar Onderwijs Herman Vos in de Mechelse feestzaal een overzichtstentoonstelling van zijn werk.

Onder grote publieke belangstelling en in het bijzijn van zijn broer en zijn weduwe Nel, die stilhielden bij het portret dat Wauters van haar had gemaakt, werd de volle omvang van zijn talent zichtbaar.

De expositie toonde hem in al zijn facetten: van beeldhouwer, gevormd door de Mechelse houtsnijders- en meubelmakerstraditie, tot tekenaar, etser, aquarellist en schilder.

In een kort maar uitzonderlijk productief leven bouwde Wauters een indrukwekkend oeuvre op.

Zijn koortsachtige drang om te creëren leek bijna voort te komen uit het voorgevoel dat hem maar weinig tijd was gegund, een gevoel dat herinneringen opriep aan Vincent van Gogh.

Toch ademde zijn werk geen somberheid, maar juist een pure levensvreugde en een diepe fascinatie voor de werking van het licht.

Hoewel hij slechts vluchtig met het Franse impressionisme in aanraking was gekomen en zich nooit verloor in theoretische systemen, wist hij als geen ander het zonlicht en de heldere, pure kleuren te vangen.

Tussen zijn schilderijen stonden ook zijn bronzen beelden opgesteld, waaronder ‘Het Zotte Geweld’ en de buste van James Ensor, die glimlachend leek uit te kijken over de verzamelde meesterwerken.

Zijn vroege overlijden op vierendertigjarige leeftijd liet een wrange vraag achter over wat hij nog had kunnen maken als hij, de man met het oogverband van zijn laatste zelfportret, langer had geleefd.

Wat hij naliet was echter meer dan genoeg om zijn stempel definitief op de Belgische kunstgeschiedenis te drukken.

Minister Vos omschreef die Mechelse herdenkingsdag dan ook treffend als een historisch moment vol diepe en terechte eerbied.

Vandaag kijken we naar Rik Wauters als de absolute meester en het boegbeeld van het Brabants fauvisme, een schilder en beeldhouwer die een unieke plaats inneemt in onze moderne kunst.

Zijn sculptuur ‘Het Zotte Geweld’ geldt inmiddels als een iconisch meesterwerk dat symbool staat voor tomeloze energie, beweging en levenslust.

De innige band met zijn vrouw en muze Nel Duerinckx blijft hedendaagse toeschouwers diep ontroeren, doordat haar aanwezigheid in talloze intieme taferelen en portretten de menselijke warmte van zijn werk onderstreept.

Waar men hem vroeger vooral vergeleek met tijdgenoten, bewondert men hem nu om zijn geheel eigen, zuivere beheersing van licht en kleur.

Zijn doeken, die het alledaagse huiselijke geluk transformeren tot een feest van zonovergoten penseelstreken, hebben na al die jaren niets van hun frisheid verloren en behoren tot de meest gekoesterde topstukken van het Belgische erfgoed.

Het historische pand en de straat zelf getuigen nog altijd van die rijke geschiedenis.

De plek in de voormalige Huidevettersstraat heet vandaag de dag de Rik Woutersstraat, en het woon- en werkhuis van zijn familie bevindt zich op de huidige huisnummers eenenveertig en drieënveertig.

Aan de gevel hangt nog altijd de oorspronkelijke bronzen gedenkplaat uit 1946.

Hoewel de inscriptie door weersinvloeden in de loop der decennia sterk is afgesleten en nog nauwelijks te ontcijferen valt, herinnert ze er nog steeds aan dat de Mechelse schilder en beeldhouwer er zijn jonge jaren doorbracht.

Wie vandaag door de wijk wandelt, vindt vlakbij bovendien een groen rustpunt in de vorm van de Rik Wouterstuin, een sfeervol openbaar binnentuintje dat de herinnering aan Mechelens beroemde meester van het licht levend houdt.

In het spoor van de keizer: het bescheiden leven van Napoleons achterkleinzoon Charles Léon

De geschiedenis had een tijdlang gedacht dat de kleine Corsicaanse keizer Napoleon I niet in staat was kinderen te verwekken.

Tot de geboorte van Charles Léon in 1806 dacht Napoleon zelf immers ook dat hij onvruchtbaar was, omdat zijn eerste echtgenote Joséphine de Beauharnais geen kinderen meer kon krijgen.

Die veronderstelling bleek echter een misvatting te zijn die volledig toe te schrijven viel aan de onvruchtbaarheid van Joséphine. Napoleon zelf mankeerde niets.

Te La Plagne werd immers uit een buitenechtelijk avontuur met Eléonore Denuelle een zoon geboren.

De geboorte van zijn buitenechtelijke zonen leverde het onomstotelijke bewijs van zijn vruchtbaarheid.

Dit gaf de keizer de doorslag om van Joséphine te scheiden en te trouwen met de Oostenrijkse Marie-Louise.

Uit dat tweede huwelijk werd in 1811 zijn enige wettige erfgenaam geboren als Napoleon François Charles Joseph Bonaparte.

Zijn vader gaf hem direct de pompeuze titel Koning van Rome.

Na de definitieve nederlaag van Napoleon in 1815 trad de keizer af ten gunste van zijn toen 4-jarige zoontje.

De jongen was officieel gedurende twee weken Napoleon II, Keizer der Fransen, maar hij heeft nooit echt geregeerd.

De zegevierende Europese grootmachten stelden de Bourbon-koningen weer aan op de troon.

Zijn Oostenrijkse moeder, Marie-Louise, nam hem mee naar haar geboorteland.

Aan het hof in Wenen kreeg hij de titel Hertog van Reichstadt.

Hij werd daar min of meer als een politieke gevangene in een gouden kooi opgevoed.

Zijn Franse identiteit werd zoveel mogelijk onderdrukt en men noemde hem simpelweg Franz.

De jonge prins had een zwakke gezondheid en leed aan chronische bronchitis.

Op 22 juli 1832 overleed hij in Slot Schönbrunn in Wenen aan de gevolgen van tuberculose.

Zijn Franse bijnaam werd L’Aiglon of Het Adelaarsjong, een verwijzing naar de adelaar in het wapenschild van zijn vader.

Omdat Napoleon II nooit heeft geregeerd en kinderloos stierf, ging de claim op de keizerlijke troon uiteindelijk over naar zijn neef Louis-Napoléon Bonaparte, die in 1852 de macht greep en het

Tweede Franse Keizerrijk vestigde als keizer Napoleon III.

Nog tijdens zijn eigen heerschappij verwekte keizer Napoleon I bij zijn Poolse minnares Maria Walewska eveneens een zoon, Alexandre Colonna-Walewski.

Om een politiek en diplomatiek schandaal te vermijden, erkende Napoleon I hem nooit formeel wettelijk, maar in de praktijk zorgde hij uitstekend voor hem.

Hij benoemde hem tot graaf van het keizerrijk, kende hem aanzienlijke inkomsten toe en nam hem op in zijn testament.

Alexandre zou decennia later onder zijn neef Napoleon III uitgroeien tot een vooraanstaand diplomaat en Frans minister van Buitenlandse Zaken.

Daarnaast wordt door historici aangenomen dat Napoleon I ook dochters had uit buitenechtelijke relaties, al ontbrak bij hen eveneens een officiële erkenning.

Zo was er Émilie Pellapra, geboren uit zijn verhouding met Françoise-Marie LeRoy, die haar hele leven overtuigd bleef van haar keizerlijke afkomst en uiterlijk sterk op Napoleon I leek.

Op het eiland Sint-Helena werd bovendien Hélène Napoleone Bonaparte de Montholon geboren uit zijn relatie met Albine de Montholon.

Hoewel de echtgenoot van Albine het kind officieel erkende, droeg het meisje veelzeggend de namen Napoleone en Bonaparte.

Op precies 1 januari 1807 vernam Napoleon I, op doorreis van Pultusk naar Warschau, dat hij veertien dagen tevoren vader was geworden van een flinke zoon.

Een mooier nieuwjaarsgeschenk kon zijn vriendin hem niet aanbieden.

Overigens wilde de dolgelukkige moeder haar baby Napoleon dopen, naar zijn vader, maar de keizer vond dat Léon volstond.

Dat belette niet dat keizer Napoleon I zich ten opzichte van zijn bastaardzoon altijd zeer royaal gedroeg.

Bij de geboorte van Léon kreeg de moeder dertigduizend goudfrank, wat een klein fortuin was.

Telkens als Napoleon I zijn zoon bezocht, wat geregeld voorviel, bracht hij kostbare geschenken mee.

De keizer ging vriendschappelijk met Léon om en schepte er genoegen in zich binnenskamers papa te laten noemen, vooral na het overlijden van L’Aiglon.

Toen Napoleon I in mei 1821 op Sint-Helena overleed, was hij weliswaar het leeuwendeel van zijn keizerlijke rijkdommen, paleizen en staatsbezittingen door confiscatie kwijtgeraakt, maar hij stierf geenszins berooid.

In zijn ballingsoord beschikte hij over aanzienlijke persoonlijke bezittingen: contant goud, zilverwerk, meubilair, boeken en juwelen, naast een groot kapitaal dat hij voor zijn vertrek in bewaring had gegeven bij bankier Laffitte in Parijs.

Vlak voor zijn dood stelde de keizer een uiterst gedetailleerd testament op waarin hij miljoenen francs naliet aan zijn trouwe metgezellen, oud-strijders, loyale steden en zijn buitenechtelijke kinderen.

Zo bleef Napoleon I zich ook na zijn verbanning bekommeren om het welzijn van zijn zoon Léon.

In zijn testament ordonneerde hij een schenking van drieduizend goudfranken, een wilsbeschikking die uiterst discreet werd uitgevoerd, al zorgden juridische procedures en vertragingen van banken en autoriteiten ervoor dat de uitbetalingen van de legaten pas jaren later definitief werden afgewikkeld.

Vanuit zijn ballingsoord stippelde de keizer tevens de toekomst van Léon uit. Tegen zijn raadgevers zei hij dat hij zijn zoon het liefst carrière zag maken in de magistratuur, op voorwaarde natuurlijk dat hij daar zelf zin in had.

Léon voelde daar evenwel weinig voor.

Hij koos aanvankelijk voor een militaire loopbaan en stortte zich daarna op de politiek.

De latere keizer Napoleon III behandelde de zoon van Napoleon I met de nodige égards.

Léon kreeg een residentie en een grafelijke titel, al zocht de keizer nooit echt contact met hem.

Léon kreeg zelf vier kinderen, onder wie Gaston Léon, graaf Léon II, die de vader werd van Charles Léon.

Gisteren nog vandaag

Vandaag precies 35 jaar geleden, op 11 september 1991, kreeg Dirk Frimout het verlossende nieuws: hij mocht definitief mee aan boord van spaceshuttle Atlantis voor de STS-45-missie.

Het was het absolute hoogtepunt van een traject dat al in 1977 begon, toen hij zijn kandidatuur indiende als ruimtevaarder.

In de jaren daarna bouwde hij een indrukwekkende loopbaan op bij de Europese ruimtevaartorganisatie ESA. Tussen 1978 en 1984 coördineerde hij de bemanning voor Spacelab-1, waarna hij tot 1989 bij ESTEC werkte aan microzwaartekrachtexperimenten voor EURECA en Spacelab-1.

In het voorjaar van 1992 schreef hij definitief geschiedenis als de allereerste Belg in de ruimte.

Van 24 maart tot 2 april cirkelde hij met zes collega-astronauten maar liefst 143 keer rond de aarde.

Die historische vlucht leverde hem datzelfde jaar een eredoctoraat op aan de Universiteit Gent.

Later werd hij ook benoemd tot Grootofficier in de Leopoldsorde en verheven in de adelstand met de titel van burggraaf.

Na zijn ruimtemissie zette Frimout zijn kennis en ervaring in op aarde.

Tussen 1993 en 1998 werkte hij bij Belgacom en vanaf 1994 werd hij voorzitter van de Euro Space Foundation, waarmee hij wetenschappelijke en technische studies bij jongeren stimuleerde.

Vanaf juli 1998 sloeg hij een nieuwe weg in bij Flanders Language Valley, waar hij als hoofd van FLV Education de verantwoordelijkheid droeg over permanente vorming.

Een baanbrekende figuur die de Belgische wetenschap letterlijk naar nieuwe hoogten bracht.

Gisteren nog vandaag

90 jaar geleden, te gast in het Kasteel van Laarne

Vlak bij Gent ligt het kasteel van Laarne, een van de best bewaarde waterburchten van ons land en een waar historisch pronkstuk.

De wortels van deze bijzondere plek gaan terug tot het begin van de dertiende eeuw, toen Beatrix van Massemen werd vermeld als vrouwe van Laarne.

Haar zoon, Giselbrecht van Zottegem, was een avontuurlijke ridder die als huurling vocht voor de Engelse koning Jan zonder Land en deelnam aan de vijfde kruistocht in Egypte.

Rond 1228 liet hij vermoedelijk het hof van Laarne aanleggen, de voorloper van de huidige burcht.

De geschiedenis van het kasteel verliep niet zonder slag of stoot.

In 1362 werd het officieel als kasteel vermeld in een overeenkomst waarbij de graaf van Vlaanderen het slot mocht gebruiken in oorlogstijd.

Toen Gent twintig jaar later in opstand kwam, werd het kasteel belegerd en ingenomen.

De brandsporen van die dramatische dag op 22 september 1382 zijn vandaag nog altijd zichtbaar.

Onder de Bourgondische hertogen verloor de burcht uiteindelijk haar militaire functie, omdat de middeleeuwse muren niet bestand waren tegen modern geschut.

Het slot transformeerde daardoor in een vorstelijk buitenverblijf.

De twintigste eeuw bracht nieuwe woelige tijden. Graaf Robert-Jean de Ribaucourt wilde het kasteel restaureren om er te wonen, maar het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en het overlijden van zijn zoon doorkruisten die plannen.

Het kasteel raakte in verval en werd tijdelijk een toevluchtsoord voor kunstenaars zoals Jef Crick.

Nadat het in 1943 als monument werd beschermd, schonk de graaf de vervallen burcht in 1953 aan de Koninklijke Vereniging der Historische Woonsteden van België.

Dankzij een grootschalige restauratie onder leiding van ridder Joseph de Ghellinck d’Elseghem kon het slot in 1967 de deuren openen voor het publiek, compleet met een prachtige zeventiende-eeuwse inrichting en een Europees vermaarde zilvercollectie.

Wie het domein bezoekt, wandelt over een vaste brug over de slotgracht en loopt onder de oude toegangspoort door, waar de kettinggaten van de vroegere ophaalbrug nog herkenbaar zijn.

Op het rechthoekige binnenplein, omringd door historische gebouwen en overschaduwd door vier eeuwenoude linden, voel je meteen het verleden tot leven komen.

Blikvangers zijn de robuuste ronde torens en de imposante dertiende-eeuwse slottoren.

Dankzij latere restauraties vanaf 1987 ontving het kasteel in 1996 zelfs de prestigieuze Europa Nostra Prijs.

Tel daar de mysterieuze legende van de Witte Dame bij op, en je hebt een magische plek die het feodale leven van het middeleeuwse Vlaanderen op unieke wijze bewaart.

Reclame voor chocolade van het merk Sylvia Duc

In de geschiedenis van de Belgische zoetwarenindustrie neemt Chocoladefabriek Duc uit Antwerpen een bijzondere plaats in.

Deze Antwerpse fabrikant verwierf in de eerste helft van de twintigste eeuw, zo tussen 1900 en 1940, grote faam met het merk Chocolat Duc en in het bijzonder met de populaire productlijn Sylvia.

De fabriek was gevestigd in de Lange Kievitstraat 118-120 in Antwerpen, vlak bij het Centraal Station.

Het authentieke industriële fabriekspand werd ontworpen door architect Alphonse Pauwels. In die periode was het merk alomtegenwoordig in Antwerpen door grootschalige reclamecampagnes en populaire verzamelalbums.

In het interbellum bouwde het merk een heel herkenbare visuele identiteit op, zoals onder meer blijkt uit de originele reclame uit augustus 1931.

Het karakteristieke logo met het gestileerde dameshoofd dat met beide handen een reep vasthoudt, prijkte in die tijd niet alleen in gedrukte publicaties, maar was ook een vertrouwd beeld op geëmailleerde reclameborden, blikken dozen en winkeldisplays.

Zoals bij veel middelgrote chocoladefabrikanten het geval was, veranderde de markt in de loop van de twintigste eeuw en verdween het merk uiteindelijk uit de winkelrekken.

Het fabriekspand in de Lange Kievitstraat is echter volledig bewaard gebleven en heeft een nieuwe bestemming gekregen; het doet vandaag de dag dienst als een uniek residentieel woonproject, waardoor dit stukje Antwerps chocolade-erfgoed nog steeds zichtbaar aanwezig is in het straatbeeld.

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Van Paradeplaats tot Botermarkt: eeuwen geschiedenis voor het Gentse stadhuis

De Botermarkt in Gent heeft door de eeuwen heen heel wat verschillende namen en functies gekend.

Oorspronkelijk stond het plein bekend als de Paradeplaats, vernoemd naar de vele toneelvoorstellingen en parades die er werden opgevoerd.

In de vijftiende eeuw was het vooral de plek waar Gentenaars hun houtskool kochten, waarna het in de zestiende eeuw transformeerde tot de Wollemarkt.

Voor het Schepenhuis van Gedele vond toen de wekelijkse wolmarkt plaats.

Pas in de zeventiende eeuw veranderde het aanbod naar verse boter en eieren, wat uiteindelijk leidde tot de naam die we vandaag nog altijd kennen: de Botermarkt.

Het Schepenhuis van Gedele vormt samen met het gotische gedeelte een van de twee grote, beeldbepalende vleugels van het Gentse stadhuis.

Historisch hield het Schepengerecht van Gedele zich voornamelijk bezig met burgerlijke zaken, zoals voogdijkwesties, erfenissen en de zorg voor wezen, min of meer vergelijkbaar met het huidige vredegerecht.

De gevel aan de Botermarkt straalt een harmonieuze rust en regelmaat uit dankzij de opeenvolging van driekwartzuilen volgens de klassieke bouworden: Dorisch, Ionisch en Korintisch.

Deze renaissancestijl staat in scherp contrast met het flamboyante, laatgotische deel van het Schepenhuis van de Keure direct ernaast.

Precies tussen deze twee verschillende bouwstijlen loopt een opvallende blauw-witte regenpijp.

Deze kleuren zijn niet alleen de officiële stadskleuren van Gent en de clubkleuren van KAA Gent, maar symboliseren historisch gezien ook de kleuren van Maria.

Blauwe ruiten en Arabische zeilen, de opmerkelijke geschiedenis van Aral en Q8

De geschiedenis van Aral begint aan het einde van de negentiende eeuw in het Duitse Ruhrgebied.

In 1898 verenigden dertien mijnbouwbedrijven zich in de Westdeutsche Benzol-Verkaufsvereinigung om benzeen, een bijproduct van de cokesproductie, op de markt te brengen.

In de beginjaren werd dit product vooral gebruikt voor de chemische industrie en als verlichting, maar met de opkomst van de verbrandingsmotor veranderde de markt drastisch.

Men zocht naar een efficiëntere brandstof voor de groeiende groep automobilisten, wat leidde tot een cruciale doorbraak in de jaren twintig.

In 1924 ontwikkelde de scheikundige Walter Ostwald een nieuw soort motorbrandstof door een mengsel te maken van benzeen en benzine.

Omdat benzeen tot de chemische groep van de aromaten behoort en benzine tot de alifaten, voegde hij de beginletters van deze twee woorden samen.

Zo ontstond de naam Aral.

Dit nieuwe mengsel bleek een groot succes, omdat het zeer klopvast was, wat betekende dat de motor veel soepeler liep en betere prestaties leverde dan met de toenmalige standaardbrandstoffen.

Het product werd verkocht onder de naam BV-Aral en werd al snel een begrip bij automobilisten.

Enkele jaren later, in 1927, introduceerde het bedrijf de blauw-witte kleuren en het beroemde ruitvormige logo dat tot op de dag van vandaag de tankstations siert.

Tijdens de jaren dertig groeide het bedrijf aanzienlijk en breidde het netwerk zich verder uit.

Na een moeilijke periode tijdens de Tweede Wereldoorlog, waarin de productie door de staat werd gereguleerd, herstelde de onderneming zich snel.

Het merk profiteerde enorm van de massale motorisering in de jaren vijftig en zestig. In deze periode van wederopbouw en economische bloei introduceerde het bedrijf nieuwe, hoogwaardige brandstoffen zoals Aral Super en werden de diensten langs de weg flink gemoderniseerd.

De stations verschenen ook steeds vaker buiten de Duitse landsgrenzen, waaronder in België en Nederland.

Op de Belgische markt bleef het bedrijf decennialang een vaste waarde, totdat de activiteiten daar in 1999 werden beëindigd.

De ongeveer tweehonderd Belgische vestigingen werden overgenomen door Kuwait Petroleum en omgebouwd tot Q8-stations.

Deze overname vormde een belangrijke stap in de groei van Q8 in België.

Tegenwoordig zijn Q8 en het onbemande concept Q8 easy samen goed voor ruim 450 stations op de Belgische markt, en daar komen er nog elk jaar bij.

Ook in Nederland was het merk Aral een bekende verschijning tot de vroege jaren negentig.

Toen werd besloten tot een strategische ruil waarbij de Nederlandse Aral-stations werden geruild met de vestigingen van Mobil in Duitsland.

De voormalige Nederlandse Aral-stations, die in handen kwamen van Mobil, zouden later uiteindelijk transformeren tot BP-stations.

Aan het begin van de eenentwintigste eeuw brak er een nieuw hoofdstuk aan voor de onderneming zelf.

In 2002 werd de keten overgenomen door de internationale energiereus BP.

In plaats van de bekende blauwe stations in Duitsland te vervangen, besloot BP vanwege de enorme naamsbekendheid van het merk juist omgekeerd te werk te gaan: de Duitse BP-stations werden omgebouwd tot Aral.

Vandaag de dag is de keten nog steeds de marktleider in Duitsland met het grootste netwerk aan tankstations.

De focus is in de loop der jaren flink verbreed van een pure brandstofleverancier naar uitgebreide gemakszaken, die verse voeding aanbieden en een snelgroeiend aanbod aan laadpalen voor elektrische voertuigen hebben.

Deze veranderingen hebben de oorspronkelijke uitvinding van Walter Ostwald de eenentwintigste eeuw binnengeloodst.

De overnemer van de Belgische Aral-stations, Kuwait Petroleum International, kent zelf ook een opmerkelijke geschiedenis.

Het moederbedrijf Kuwait Petroleum Corporation werd opgericht in 1980 om de oliebelangen van de staat Koeweit te bundelen.

De internationale expansie kwam in een stroomversnelling toen de internationale tak in 1983 grote delen van het Europese netwerk van Gulf Oil overnam, met inbegrip van de tankstations in de Benelux, Zweden en Denemarken.

Om een sterke en herkenbare eigen identiteit te creëren, werd in 1986 de merknaam Q8 gelanceerd.

Deze naam is gebaseerd op de Engelse fonetische uitspraak van het land Koeweit.

Het kenmerkende logo verwijst naar de thuishaven en stelt de zeilen van een dhow voor, een traditioneel Arabisch zeilschip.

Door de jaren heen wist Q8 zijn positie in Europa verder te versterken via diverse strategische overnames, waaronder netwerken van BP in Italië, het merk Mobil in meerdere landen, en dus ook de Belgische tak van Aral in 1999.

Vandaag de dag is Q8 een wereldwijd opererend merk dat naast brandstoffen voor consumenten ook een belangrijke rol speelt in de ontwikkeling en verkoop van smeermiddelen, stookolie en vliegtuigbrandstof.

Van beeldbuis tot smart-tv: de evolutie van de breedbeeldtelevisie sinds 1991

In 1991 veranderde het televisielandschap ingrijpend met de introductie van de allereerste breedbeeldtelevisie op de consumentenmarkt.

Tot die tijd keek de wereld op vierkante schermen met een beeldverhouding van 4:3, wat betekende dat speelfilms in het bekende bioscoopformaat vaak werden afgesneden of onaantrekkelijke zwarte balken boven en onder het beeld vertoonden.

Met de komst van de 16:9-beeldverhouding haalden pioniers zoals Philips de bioscoopbeleving naar de huiskamer.

De eerste generatie breedbeeldtelevisies maakte nog steeds gebruik van een traditionele kathodestraalbuis.

Het waren zware, kolossale meubelstukken die tientallen kilo’s wogen en diep de kamer in staken, maar de panoramische ervaring die ze boden legde het fundament voor een nieuwe standaard.

In de zomer van 1991 kwam de bioscoop thuis zo een stapje dichterbij door de introductie van de eerste breedbeeld 16:9 televisietoestellen en het begin van de eerste tv-uitzendingen per satelliet volgens dit nieuwe, grotere beeldformaat.

Deze eerste stappen op weg naar volledige high-definition-tv waren nog voorzichtig, de uitzendingen vonden mondjesmaat plaats en de toestellen waren behoorlijk prijzig, want voor een nieuw tv-toestel moest bijna 4.500 euro worden neergeteld.

Daar kreeg de kijker wel een zichtbare verbetering voor terug.

Een van de eerste demonstratietoestellen van de nieuwe 16:9-tv’s van Philips stond opgesteld voor de pers.

Het was een mooi, maar groot apparaat.

Wanneer het toestel werd aangezet, verscheen er een vertrouwd testbeeld op het scherm in de normale 4:3-verhouding, wat het beeldformaat was van de toenmalige televisies waarvoor alle camera’s, studio-apparatuur, tv-zenders en ontvangers waren ingericht.

Omdat de beeldbuis van deze nieuwe televisie een stuk breder was, waren er zwarte balken links en rechts op het beeld te zien.

Dat zou veranderen als er daadwerkelijk tv-uitzendingen volgens het 16:9-beeldformaat plaatsvonden, wat mogelijk werd gemaakt door de nieuwe Europese uitzendnorm D2-MAC.

Tijdens de Berlijnse Funkausstellung, eind augustus van dat jaar, zouden de eerste breedbeeld-tv-uitzendingen plaatsvinden.

De Duitse satellietzender 1 Plus had toen reeds aangekondigd dagelijks via de TV-Sat minstens één speelfilm in het brede formaat uit te zenden. Andere zenders zouden volgen, zoals de abonnee-tv-kanalen van BSkyB in Engeland.

Begin 1992 zou waarschijnlijk ook het Nederlandse D2-TV volgen, waarbij de publieke omroepen per satelliet eveneens breedbeeld-uitzendingen zouden verzorgen.

In Vlaanderen werd D2-TV echter niet op grote schaal ingezet door de eigen openbare omroep (toen de BRTN) of commerciële zenders zoals VTM.

België beschikte toen al over een van de meest dekkende kabelnetwerken ter wereld.

Omdat D2-MAC primair was ontworpen voor directe satellietuitzendingen en doorgifte via specifieke kabeldecoders, verkozen de Vlaamse omroepen en kabelbeheerders een andere route voor breedbeeld.

Voor de overgang naar het 16:9-formaat maakten zij in de jaren negentig voornamelijk gebruik van uitzendingen in letterbox en later de PALplus-techniek, die direct compatibel waren met het bestaande analoge kabelnet en de traditionele televisietoestellen.

Vlaamse kijkers kwamen wel in aanraking met D2-MAC wanneer ze beschikten over een eigen schotelantenne of wanneer de lokale kabelmaatschappij buitenlandse satellietkanalen doorgaf, aangezien Duitstalige en Franstalige zenders wel via D2-MAC uitzonden.

Aangezien de benodigde decoders en televisies erg duur waren en de technologie al snel werd ingehaald door de opkomst van de volledig digitale DVB-standaard, is D2-TV in Vlaanderen nooit een volksstandaard geworden.

Omdat er toen nog niet zo heel veel van dergelijke uitzendingen waren, hadden de technici een aardig foefje bedacht.

Een druk op de knop movie expand zorgde ervoor dat het testbeeld plotseling beeldvullend werd en als het ware werd opgeblazen om tot de volle breedte te reiken.

Daarbij ging een stuk van de boven- en onderkant van het beeld verloren.

Bij een testbeeld stond dat heel raar, maar bij gewone tv-programma’s viel het beeldverlies enorm mee.

Men gaf aan dat degenen die het toestel thuis hadden staan, al snel vrijwel uitsluitend naar het uitgerekte beeld keken.

Deze functie kwam pas echt goed tot zijn recht als er een speelfilm in de volle breedte werd uitgezonden in het zogenaamde letterbox-formaat, met een zwarte balk boven en onder in het beeld.

Met de movie expand-knop verdwenen de beide zwarte balken en vulde de film het volledige scherm.

Daarbij kon via een speciale tilt-functie het beeld op en neer worden bewogen, zodat de ondertiteling goed leesbaar bleef.

Met deze knop zorgde zelfs een gewone tv-uitzending voor een uitstekende breedbeeld-sensatie.

Dat gold niet alleen voor tv-uitzendingen, maar ook voor het afspelen van voorbespeelde videobanden en Laserdisc-beeldplaten die als letterbox waren uitgevoerd.

Helaas werden destijds niet alle films zo uitgezonden of op band gezet en werd er veelal gebruikgemaakt van de zogenaamde pan-and-scanmethode.

Hierbij werd van het oorspronkelijke 16:9-filmbeeld een uitsnede gemaakt, waardoor een gedeelte van het oorspronkelijke beeld verloren ging.

Wanneer er in D2-MAC zou worden uitgezonden, kon ook dit probleem worden opgelost.

Bij deze nieuwe tv-norm bestond namelijk de mogelijkheid om pakketjes met digitale informatie mee te sturen.

Zo kon in D2-MAC een speelfilm op tv-toestellen van het beeldformaat 4:3 met de pan & scan-methode worden getoond, terwijl bezitters van 16:9-toestellen van de volle beeldbreedte konden genieten.

Voor het einde van dat jaar brachten verschillende Europese fabrikanten dergelijke breedbeeld-tv-toestellen op de markt.

Het getoonde model van Philips zou in de winkels verkocht worden voor net iets minder dan 4.500 euro.

De tv-toestellen van de nieuwe 16:9-generatie waren nog geen high-definitiontoestellen, want hoewel het beeld groter was, werd er nog gebruikgemaakt van het toenmalige systeem van 625 beeldlijnen.

Tv-toestellen die 1250 beeldlijnen toonden, bestonden nog niet, omdat de beeldbuistechniek nog niet zo ver gevorderd was dat er zoveel lijnen op een buis getoond konden worden.

Daarom kon men destijds echte HDTV uitsluitend via een projectiesysteem zien,

Het maken van echte HDTV-beeldbuizen vormde de volgende grote uitdaging.

De gaatjes in het scherm moesten daarvoor nog kleiner worden dan de toenmalige 0,75 millimeter bij high-end toestellen, tot theoretisch 0,35 millimeter.

Toch kon met de nieuwe 16:9-toestellen al een bijzonder goede beeldkwaliteit worden bereikt, onder andere door toepassing van de 100 Hertz-techniek waarmee een rustiger beeld werd verwezenlijkt.

Daarnaast paste men alle andere foefjes toe die in de high-end tv-toestellen het PAL-beeld zo mooi hadden gemaakt, inclusief de mogelijkheid om bij klaarlichte dag een haarscherp en duidelijk beeld te bieden.

De vraag was natuurlijk wie de nieuwe 16:9 tv-toestellen zou kopen.

De nieuwe 16:9 tv-toestellen waren met hun 4.500 euro beslist niet goedkoop, en Philips en collega Thomson, die een soortgelijk apparaat op de markt brachten, rekenden op een bescheiden markt van enkele duizenden toestellen in het eerste jaar.

Men dacht daarbij aan de aantallen die toen verkocht werden van de extra grote tv-toestellen met een beeldbuis van tachtig centimeter of meer, die eveneens bijzonder duur waren.

Als de verkochte aantallen omhoog zouden gaan, zou de prijs vanzelf zakken.

De nieuwe Philips breedbeeld-tv, de 36 ML8906, werd toen uitsluitend geleverd als drie-eenheid: in de eerste plaats het toestel zelf met het grote beeldbuisformaat in de verhouding 16:9, daarnaast het Cinema Sound System waarmee de cd-geluidskwaliteit optimaal tot zijn recht kwam en flink kabaal gemaakt kon worden bij spektakelfilms en concerten, en tenslotte een aparte tuner.

Daarbij kon gekozen worden uit een satelliet-tuner voor bezitters van een eigen schotelantenne, of een kabel-MAC-tuner voor aansluiting op een kabelnet waarop D2-MAC-signalen werden doorgegeven.

Na deze 16:9 breedbeeldtoestellen met D2-MAC zou de volgende stap HD-MAC zijn, de echte high-definitiontelevisie met 1250 beeldlijnen.

Philips kondigde toen aan dat dergelijke toestellen al in het voorjaar van 1994 verkrijgbaar zouden zijn, wat in tegenstelling was tot eerdere berichten die spraken van 1995.

Philips Nederland gaf toen aan in het begin geen grote aantallen te verwachten, maar dacht dat het zichtbaar grotere beeld een aantrekkingskracht zou uitoefenen op de trendsetters.

Met de introductie van de breedbeeld 16:9 tv-toestellen ging de televisie een nieuwe fase in. Technisch gesproken was het uiteindelijk de consument die zou bepalen of deze extra uitbreiding van het tv-beeld ook werkelijk de moeite en het geld waard was, terwijl de Europese elektronische industrie met grote belangen op het spel de vingers gekruist hield.

Voor de televisieomroepen bracht deze verschuiving van 4:3 naar 16:9 een enorme operationele en technische uitdaging met zich mee.

In de beginjaren beschikte het overgrote deel van de kijkers immers nog over een oude, vierkante beeldbuis.

Zenders moesten daardoor gedurende een lange overgangsperiode dubbel werk verrichten of creatieve oplossingen bedenken, zoals het uitzenden in letterbox (zwarte balken) of het toepassen van zogenaamde PALplus-signalen.

Ook de cameramensen, regisseurs en decorbouwers moesten hun manier van werken volledig herzien.

Bij het kadreren van beelden moesten regisseurs rekening houden met de safe zone: cruciale informatie, zoals nieuwslezers of spelscores, moest in het midden van het beeld blijven staan, zodat kijkers met een oud toestel het niet misten, terwijl het volledige 16:9-beeld werd benut door bezitters van een breedbeeld-tv.

Pas toen de consumentenmassa massaal overstapte, schakelden zenders definitief over naar een volledig digitale 16:9-productieketen.

Vandaag de dag sturen omroepen hun programma’s op een geheel andere manier de wereld in.

De analoge ether- en kabelsignalen van vroeger zijn volledig verdwenen en vervangen door digitale distributie.

Zenders zenden nu voornamelijk uit in High Definition (1080i of 1080p) via glasvezel, digitale kabel, satelliet en het internet.

Daarnaast is de lijn tussen traditionele lineaire televisie en online distributie vervaagd.

Omroepen maken gebruik van geavanceerde compressietechnieken zoals H.264 en HEVC (H.265) om hoogwaardige beelden efficiënt te streamen.

Naast de traditionele live-uitzendingen bieden zenders hun content simultaan of on demand aan via eigen apps en streamingplatforms, waarbij het signaal zich automatisch aanpast aan de schermgrootte en de internetsnelheid van de gebruiker.

In de decennia die volgden, maakte de televisietechnologie een stormachtige ontwikkeling door.

De zware beeldbuis maakte in het eerste decennium van de 21e eeuw plaats voor platte plasmaschermen en lcd-televisies, waardoor het beeldscherm voortaan aan de muur kon worden opgehangen.

Samen met de vorm veranderde ook de beeldkwaliteit razendsnel.

De overstap van standaarddefinitie naar HD en later Full HD zorgde voor een revolutie in scherpte, gevolgd door 4K en 8K, waarbij pixels voor het menselijk oog vrijwel onzichtbaar werden.

Tegelijkertijd evolueerden de schermtechnologieën naar OLED en QLED, wat resulteerde in ongeëvenaard contrast, diepe zwartwaarden en spatzuivere kleuren.

Met de opkomst van het internet transformeerde het scherm bovendien van een passief ontvangsttoestel tot een slimme hub.

De moderne smart-tv biedt direct toegang tot streamingdiensten, games en apps, waarmee de traditionele grens tussen tv, computer en bioscoop definitief is vervaagd.

Kijkend naar de toekomst staat de tv-industrie opnieuw aan de vooravond van een fascinerende transformatie.

Een van de belangrijkste technologische doorbraken is MicroLED, een technologie die de voordelen van OLED combineert met een extreem hoge helderheid en een lange levensduur, opgebouwd uit modulaire panelen die op termijn schermen van elk denkbaar formaat mogelijk maken.

Schermen worden bovendien flexibeler en integreren beter in het interieur.

In de toekomst zullen oprolbare, transparante en opvouwbare displays steeds gangbaarder worden, waardoor het zwarte vlak in de woonkamer verdwijnt wanneer het toestel niet wordt gebruikt.

Ook kunstmatige intelligentie gaat een steeds grotere rol spelen door beelden in realtime te herstellen, scherper te maken en aan te passen aan het omgevingslicht.

Daarnaast wordt geëxperimenteerd met ruimtelijke weergave en brillenvrij 3D, waarbij beelden diepte krijgen en vanuit verschillende hoeken realistisch ogen.

De televisie van de toekomst wordt zo minder een fysiek apparaat op een dressoir en steeds meer een naadloos, interactief venster op de wereld.

Van pienter pookje tot Volvo: het verhaal van Nederlands enige echte autofabriek

Het is tegenwoordig haast niet meer voor te stellen, maar er was een tijd dat heel Nederland in de ban was van een gloednieuwe, eigenzinnige auto.

We hebben het over de gloriedagen van het paffen in een kleine DAF 600, een vertrouwd tafereel dat symbool staat voor de sfeer en de innovatiedrang van de late jaren vijftig en vroege jaren zestig.

Tussen 1958 en 1963 rolde dit iconische model van de band in Eindhoven, en het sloeg direct in als een bom.

Toen de wagen in februari 1958 op de AutoRAI in Amsterdam werd gepresenteerd, stonden de bezoekers letterlijk rijen dik om een glimp op te vangen van dit Hollandse wonder op wielen.

Er werden tijdens die beurs meteen duizenden bestellingen geplaatst.

Het geheim van de immense populariteit zat hem vooral in een technische revolutie onder de motorkap: de Variomatic.

Deze geniale vinding van DAF-oprichter Hub van Doorne was een continu variabele transmissie, aangedreven door dikke rubberen riemen.

Het systeem kreeg al snel de bekende reclamebijnaam ‘het pientere pookje’.

Het zorgde ervoor dat de bestuurder zelf niet meer hoefde te schakelen. Je hoefde alleen maar gas te geven en te remmen, wat voor die tijd echt een betaalbaar unicum was in de autowereld.

Een opvallend en wereldberoemd weetje over dit revolutionaire systeem is dat de DAF 600, en alle latere DAF-modellen met een Variomatic, dankzij deze traploze transmissie net zo hard achteruit als vooruit konden rijden.

Deze unieke eigenschap leidde decennia later tot de legendarische en nogal spectaculaire achteruitrijraces in het televisieprogramma Te Land, Ter Zee en in de Lucht, waarbij de DAF’jes steevast de grote favoriet waren.

Hoewel de auto in de beginjaren internationaal werd geprezen als een technisch meesterwerk, veranderde het imago in de loop der tijd een beetje.

Omdat de auto door zijn eenvoudige bediening enorm populair werd bij oudere bestuurders, kreeg de DAF in de volksmond oneerbiedige bijnamen zoals de truttenschudder met jarretelaandrijving.

Toch lieten de gebroeders Van Doorne zich niet kennen en bleven ze het merk succesvol doorontwikkelen met modellen als de Daffodil, de 33, 44 en uiteindelijk de 66, vaak met strakke ontwerpen van de beroemde Italiaanse ontwerper Giovanni Michelotti.

Aan dit unieke hoofdstuk in de Nederlandse industriegeschiedenis kwam in de jaren zeventig langzaam een einde.

De ontwikkelingskosten werden te hoog voor een relatief kleine fabrikant.

In 1975 werd de personenautofabriek van DAF in het Limburgse Born definitief opgeslokt door het Zweedse Volvo.

Het destijds actuele model, de DAF 66, werd met wat aanpassingen zoals dikkere bumpers omgedoopt tot de Volvo 66.

Daarmee viel het doek voor de enige echte, volledig Nederlandse personenautofabriek van serieproductiemodellen.

Wat achterbleef is een tastbaar stukje nostalgie en een onuitwisbare stempel op de wereldwijde autogeschiedenis.

Van het Palais des Nations tot America First: de geschiedenis van de Verenigde Naties en de heropleving van het isolationisme in 2026.

In de zomer van 1940 verliet een belangrijk deel van het secretariaat van de Volkenbond, waaronder de Economische en Financiële Organisatie, het weelderige nieuwe Palais des Nations op de rechteroever van het Meer van Genève.

Omdat Zwitserland na de val van Frankrijk ingesloten was geraakt, emigreerden zij naar de Verenigde Staten om hun werk vanuit Princeton voort te zetten.

Zij vonden zo ironisch genoeg onderdak in een land dat nooit lid was geweest van de Geneefse Liga.

De uittocht was echter niet compleet; de Internationale Arbeidsorganisatie verhuisde naar Canada, terwijl een kleine bezetting onder leiding van secretaris-generaal Seán Lester in het vrijwel lege paleis in Genève achterbleef om de organisatie op papier in leven te houden totdat deze in 1946 definitief werd ontbonden.

Dat de vergaderingen van de pas opgerichte Verenigde Naties vanaf 1946 naar de Verenigde Staten verhuisden, was echter geen direct gevolg van deze eerdere emigratie, maar een bewuste geopolitieke keuze.

De geallieerden hadden geleerd van het falen van de Volkenbond, die vanaf het begin zwaar verzwakt was, omdat de Amerikanen weigerden lid te worden en kozen voor isolationisme.

Om te voorkomen dat de grootmacht zich na de Tweede Wereldoorlog opnieuw van de internationale politiek zou afkeren, werd besloten het nieuwe hoofdkwartier op Amerikaans grondgebied te vestigen.

Zo werden de Verenigde Staten letterlijk en figuurlijk in de nieuwe wereldorganisatie verankerd.

Daarbij kwam dat grote delen van Europa in puin lagen en de middelen en infrastructuur misten om zo’n diplomatieke instelling te huisvesten, terwijl de Verenigde Staten ongeschonden en economisch bloeiend uit de strijd waren gekomen.

Hoewel de allereerste Algemene Vergadering in januari 1946 nog in Londen plaatsvond, streek de organisatie later dat jaar tijdelijk neer in de staat New York.

De definitieve keuze voor een permanent hoofdkwartier in Manhattan kreeg de doorslag toen John D. Rockefeller Jr. op het laatste moment 8,5 miljoen dollar schonk om een braakliggend stuk land aan de East River te kopen.

De definitieve vestiging in New York was daarmee geen erfenis van de gevluchte Volkenbondmedewerkers in Princeton, maar de ultieme weerspiegeling van de naoorlogse verschuiving van de macht in de wereld.

Tijdens deze historische eerste bijeenkomst in Londen in januari 1946 nam de Belgische staatsman Paul-Henri Spaak een prominente plaats in.

Hij werd er verkozen tot de allereerste voorzitter van de Algemene Vergadering.

Bij de stemming haalde hij het nipt van de Noorse kandidaat Trygve Lie.

Voor Lie was dit verlies echter van korte duur: amper een maand later werd hij alsnog benoemd tot de eerste officiële secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

Hij volgde daarmee de Britse diplomaat Gladwyn Jebb op, die de functie in de opstartfase tijdelijk als waarnemer had vervuld.

Het verschil tussen deze twee topfuncties, dat toen in de begindagen werd vastgelegd, bestaat vandaag de dag nog steeds en ligt in de aard van het werk en de ambtstermijn.

De secretaris-generaal is de hoogste ambtenaar en het belangrijkste diplomatieke gezicht van de organisatie.

Deze persoon leidt het VN-secretariaat, stuurt wereldwijd het personeel aan, bemiddelt in internationale conflicten en kan als enige rechtstreeks zaken agenderen bij de Veiligheidsraad.

Het is een zware uitvoerende functie met een mandaat dat zich uitstrekt van Silicon Valley tot ver daarbuiten, met een termijn van vijf jaar die vaak één keer wordt verlengd.

De voorzitter van de Algemene Vergadering is daarentegen de neutrale gespreksleider van het overkoepelende orgaan waarin alle lidstaten samenkomen.

Deze voorzitter leidt de debatten, bepaalt mede de agenda en smeedt compromissen.

Dit mandaat duurt slechts één jaar en rouleert jaarlijks tussen de continenten om iedereen evenredig aan bod te laten komen.

Ook in 2026 worden beide functies ingevuld door ervaren diplomaten en politici.

De Portugees António Guterres bekleedt de rol van secretaris-generaal en bevindt zich in de laatste maanden van zijn tweede termijn, die eind 2026 afloopt.

De Algemene Vergadering staat tot september 2026 nog onder leiding van de Duitse Annalena Baerbock, die de tachtigste sessie voorzit.

Omdat een VN-werkjaar in september begint en eindigt, zal de recent verkozen diplomaat Khalilur Rahman uit Bangladesh daarna de voorzittershamer overnemen om de eenentachtigste sessie in goede banen te leiden.

De historische herinnering aan het vroege Amerikaanse isolationisme, dat de kiem legde voor de zwakte van de Volkenbond, is vandaag de dag actueler dan ooit door de buitenlandpolitiek van president Trump onder de noemer America First.

Er zijn duidelijke parallellen te trekken tussen beide stromingen, aangezien ze voortkomen uit het verlangen om nationale belangen absoluut voorop te stellen en zich te distantiëren van multilaterale verplichtingen.

Dit moderne neo-isolationisme uit zich in een diep wantrouwen tegenover internationale instellingen en uit zich in het bekritiseren of verlaten van internationale verdragen en VN-organisaties.

Ook de kritische, transactionele houding tegenover bondgenootschappen zoals de NAVO en het afschermen van de eigen economie met strenge handelstarieven weerspiegelen deze mentaliteit om de focus resoluut binnen de eigen landsgrenzen te leggen.

Toch plaatsen geopolitieke analisten in 2026 een belangrijke kanttekening bij een directe vergelijking met het traditionele isolationisme uit de jaren twintig en dertig.

Waar de Verenigde Staten zich destijds diplomatiek en militair probeerden terug te trekken uit de wereldpolitiek, is de huidige aanpak onder Trump veel assertiever en dominanter.

Het beleid schuwt eenzijdig en krachtig ingrijpen niet wanneer dit het directe Amerikaanse strategische of economische belang dient, zoals zichtbaar is bij zware economische dwangmaatregelen.

De Verenigde Staten isoleren zich dus niet in volledige afzondering, maar weigeren simpelweg om nog langer op te treden als de onvoorwaardelijke spil en financier van de multilaterale wereldorde zonder dat daar een direct en meetbaar voordeel voor het eigen land tegenover staat.

De geest van het isolationisme waart hiermee weliswaar weer volop rond, maar heeft in deze eeuw een veel conventionelere, transactionele en militante vorm aangenomen.

35 jaar geleden: nieuwe kans voor de laserdiscs

In de Verenigde Staten waren er destijds overal gespecialiseerde Laserdisc-winkels te vinden, en men verwachtte dat er tegen het einde van dat jaar meer dan drieduizend verkooppunten zouden zijn, terwijl de hardware ook op Europees niveau beschikbaar was.

Japan was op dat moment het enige land met een volwassen markt voor de beeldplaten.

Men verwachtte er in dat jaar meer dan een miljoen spelers te verkopen, geproduceerd door alle elektronicafabrikanten met uitzondering van JVC, wat het totale aantal spelers in Japanse huishoudens voor het einde van het jaar ruim over de vier miljoen zou brengen.

De keuze aan software was daar erg groot met meer dan tienduizend beschikbare titels van acht verschillende fabrikanten.

Ondertussen begon ook in Amerika de cd-video van de grond te komen, waar toen ongeveer een half miljoen spelers bij de mensen thuis stonden.

Die markt zou dat jaar nog verder groeien met rond de 300.000 exemplaren.

Het Amerikaanse aanbod omvatte meer dan vijfduizend titels en groeide maandelijks met ongeveer 140 nieuwe releases, waardoor er tegen het einde van het jaar ongeveer zevenduizend verschillende platen te koop zouden zijn.

Het voorgaande jaar was in Europa het startsein gegeven voor een derde poging om de beeldplaat aan de man te brengen.

De plaat werd toen van CD-video omgedoopt in Laserdisc en de European Laserdisc Association, afgekort als ELDA, werd opgericht om de Europese zaken gecoördineerd aan te pakken.

Dat was hard nodig, want in de oude wereld waren er in het begin van dat jaar slechts 85.000 spelers in gebruik, waarvan er ongeveer de helft in Frankrijk stond.

In Nederland lag dat aantal naar schatting tussen de zeven- en achtduizend.

Hoewel de derde lancering van de beeldplaat op een cynisch onthaal van de pers stuitte, kon niemand eromheen dat de Laserdisc technisch gezien een fenomenaal product was dat verreweg de beste kwaliteit bood voor zowel beeld als geluid.

Robert van Eck, de voorzitter van de ELDA, legde uit dat de consument nog moest leren om video’s te kopen.

Daarom werkte de organisatie met lokale comités die inspeelden op de specifieke behoeften per land, zoals wetgeving, ondertiteling, dubbing en de lokale smaak.

In Frankrijk was die aanpak al aardig geslaagd; het was niet alleen het land met de grootste Laserdisc-penetratie, maar de markt voor koopvideo’s was er in drie jaar tijd ook gestegen van nul procent naar meer dan de helft van de totale markt.

Wie een kijkje nam in een winkel als de Virgin Megastore op de Champs-Élysées in Parijs, begreep meteen waarom, want daar stond een groot aanbod aan platen opgesteld naast diverse demonstratiemodellen van spelers.

Een van de redenen waarom Laserdiscs tot dan toe nog niet echt aansloegen, was het feit dat de gemiddelde koper zich er geen voorstelling van kon maken wat zo’n systeem precies presteerde.

Een nauwe samenwerking tussen de aanbieders van hardware en software was dus van levensbelang.

Volgens Van Eck zorgde de ELDA er in veel gevallen voor dat deze partijen voor het eerst met elkaar rond de tafel gingen zitten.

Een volgend probleem was dat beide aspecten ook in dezelfde winkel te zien moesten zijn, iets wat op een enkele uitzondering na nog vaak ontbrak. In Nederland leverden op dat moment drie fabrikanten Laserdisc-spelers, te weten Philips, Sony en Pioneer.

Vooral Pioneer was van plan om zich extra in te spannen voor het medium en zou binnenkort starten met een speciale Laserdisc-roadshow om de voordelen van de beeldplaat persoonlijk aan het publiek te tonen.

Op het gebied van software was het aanbod in Europa destijds nog niet zo groot, met naar schatting zo’n zes- tot zevenhonderd beschikbare titels.

Ongeveer vijfhonderd daarvan waren muziekplaten, variërend van klassiek tot pop, met onder andere concerten en clipcollecties.

Daarnaast waren er speelfilms beschikbaar, waarvan zo’n zeventig in Duitsland en al meer dan honderd in Frankrijk.

In het Nederlandse taalgebied toonden RCA Columbia Video, Warner Home Video en Cascar zich actief. RCA was toen het meest actief met een aardig aanbod aan films zoals Red Heat, My Stepmother Is An Alien, La Bamba, Robocop, Ghostbusters en Karate Kid III, die voor een prijs van 59,95 gulden, omgerekend 27,20 euro, over de toonbank gingen.

Bij Warner Home Video viel op dat moment vooral de titel Batman op. Het label Cascar, een dochter van Super Club en Philips, bracht films uit van Vestron, Cinema International en natuurfilms van National Geographic, wat goed was voor zo’n zestig titels.

Daarnaast zou er binnenkort ook materiaal van Disney verschijnen via Buena Vista Home Entertainment.

De Laserdisc bood echter meer dan alleen een concert of film op een plaat, want men was in de Verenigde Staten volop bezig met het toevoegen van extra dimensies aan het beeld. In de eerste plaats waren veel films verkrijgbaar in twee verschillende formaten.

Allereerst was er de gewone, beeldvullende variant via de zogenaamde pan-and-scan-methode.

Omdat het volle beeld van een bioscoopfilm niet helemaal op een traditioneel televisiescherm paste, koos men bij deze methode een nieuwe uitsnede, waardoor er steeds een gedeelte van het oorspronkelijke beeld wegviel.

Dit gold als een nachtmerrie voor elke filmliefhebber en menig regisseur.

Daarom kwamen er in Amerika veel films uit op het zogenaamde letterbox-formaat, waarbij de hele film wordt getoond met een zwarte balk boven en onder het beeld, zodat het volledige breedbeeld zichtbaar bleef voor de echte cinefielen.

Voor de toekomst bood dit brievenbusformaat extra mogelijkheden, aangezien de toekomstige breedbeeldtelevisies de optie zouden hebben om dergelijke beelden op te blazen tot de volle hoogte en breedte van het grotere scherm.

De kwaliteit vormde daarbij geen enkel probleem, want de beeldplaat had een oplossend vermogen van 400 lijnen, vergeleken met slechts 240 lijnen voor de gemiddelde videorecorder.

Een andere mogelijkheid die speciaal op filmgekken was gericht, was het aanbieden van extra informatie.

Het Amerikaanse merk Criterion Collection specialiseerde zich in zulke cinefiele edities van bioscoopfilms.

Bij titels als Raging Bull en Taxi Driver kreeg de koper naast de film bijvoorbeeld een documentaire over het maken van de productie en de originele promotiefilmpjes.

Bovendien gaf regisseur Martin Scorsese op een apart geluidsspoor commentaar bij de film.

Voordat zulke extra’s in Nederland beschikbaar zouden zijn, was men naar verwachting wel weer een paar jaartjes verder.

Wie destijds een Laserdisc-speler wilde aanschaffen, had nog niet zo heel veel keuze.

Er waren drie fabrikanten waarvan de apparaten ruim verkrijgbaar waren: Philips, Sony en Pioneer.

De prijzen begonnen bij ongeveer 1200 gulden, wat omgerekend neerkwam op circa 544,54 euro.

Voor dat bedrag kocht men een speler die niet alleen laserdiscs van alle formaten kon afspelen, maar ook geschikt was voor gewone audio-cd’s.

Het verdient daarom aanbeveling om de speler niet alleen op de televisie, maar eveneens op de hifi-installatie aan te sluiten.

Alleen Sony had op dat moment een multisysteemspeler op de markt waarmee ook Amerikaanse en Japanse Laserdiscs konden worden afgespeeld.

Deze buitenlandse platen werkten volgens de NTSC-kleurennorm en konden daardoor niet op alle gangbare Europese televisies worden aangesloten.

Naar alle waarschijnlijkheid zou ook Pioneer later dat jaar met een eigen multisysteemspeler op de proppen komen.

In de Noord-Hollandse plaats Huizen hield Ron Exalto zich destijds bezig met zijn speciaalzaak Elvic.

Hij was al jaren bezeten van het medium en had van zijn hobby zijn werk gemaakt, waarmee hij de enige winkel in Nederland bezat die zich exclusief toelegde op beeldplaten.

Exalto had in zijn zaak zowel de spelers als de discs overzichtelijk naast elkaar uitgestald, zodat hij klanten die nog niet bekend waren met het medium direct kon tonen wat er allemaal mogelijk was.

Wat ooit was begonnen als een klein postorderbedrijfje, was uitgegroeid tot een van de grootste collecties Laserdiscs in het land, met een sterke specialisatie in speelfilms en popmuziek.

Klassieke muziek was er op bestelling leverbaar en hij bood regelmatig speciale acties aan.

Zo had hij destijds een partij Nederlandse Laservision-kinder-video’s opgekocht en importeerde hij platen uit Engeland en de Verenigde Staten. De winkel was gevestigd aan de Haardstedelaan 2 in Huizen.

Laserdiscs werden destijds gezien als het mooiste videomedium dat men zich kon bedenken, dankzij een fantastische beeldkwaliteit en volledig digitaal geluid dat via de hifi-installatie voor een echte bioscoopervaring in de huiskamer zorgde.

Toch was de Laserdisc in Nederland toen nog steeds niet het grote succes dat het feitelijk had moeten zijn, terwijl het medium in Japan en de Verenigde Staten wel een redelijk succes genoot.

De geschiedenis van de beeldplaat was toen ongeveer tien jaar daarvoor begonnen. Met de introductie van de compactdisc bleek destijds dat dit medium ook uitstekend geschikt was voor de opslag van beelden.

Onder de naam Laservision werden de eerste beeldplaten op een formaat van 30 centimeter uitgebracht, maar dat werd destijds geen doorslaand succes.

De videorecorder was toen net aan een sterke opmars begonnen en iedereen riep dat men met een Laservision-speler niet zelf programma’s kon opnemen.

Bovendien was het in die tijd nog onduidelijk welk beeldplaatsysteem de toekomst zou gaan worden.

Uit Amerika kwam destijds het CED-systeem van RCA, dat nog met een conventionele naald werkte, terwijl JVC het VHD-systeem voor beeldplaten ontwikkelde.

Hoewel Laservision technisch het meest geavanceerde systeem van de drie was, hield het destijds in Europa en Amerika evenmin gemakkelijk stand.

Alleen in Japan zette men destijds door op de ingeslagen weg. Ondertussen evolueerde de techniek en in 1987 werd ook in Europa en Amerika een nieuwe versie van Laservision geïntroduceerd onder de naam CD-video.

Hierbij werd het geluid voortaan digitaal opgeslagen in plaats van analoog. Bovendien werden de nieuwe spelers geschikt gemaakt voor alle soorten compact discs, zodat zowel de audio-cd als de nieuwe CD-video en de oudere Laservision-platen erop konden worden afgespeeld.

Maar ook na deze tweede introductieronde bleef het grote succes in Europa aanvankelijk uit, terwijl de markt in Japan juist wel goed begon aan te trekken.

Men was daar inmiddels tien jaar bezig met het medium en aan het begin van dat jaar stonden er volgens Robert van Eck al zo’n 3,2 miljoen spelers bij de Japanse consumenten thuis.

De voornaamste reden dat het systeem uiteindelijk nooit doorbrak bij het grote publiek, lag in de harde concurrentie met de VHS-videoband.

De consument gaf massaal de voorkeur aan het gemak van de videorecorder, waarmee men zelf televisieprogramma’s en films van de televisie kon opnemen. Een Laserdisc-speler bood die opnamemogelijkheid niet en was puur een afspeelmedium.

Daarnaast bleven de aanschafkosten voor zowel de spelers als de grote, kwetsbare disc-platen erg hoog in vergelijking met de goedkope magneetbanden.

Ook het feit dat men een film halverwege handmatig moest omdraaien, omdat de disc twee kanten had, werd door velen als onpraktisch ervaren.

Hoewel filmliefhebbers en cinefielen bleven zweren bij de superieure beeld- en geluidskwaliteit, bleef die Laserdisc daardoor een nicheproduct voor de fijnproever.

Het definitieve einde van het systeem werd ingeluid aan het einde van de jaren negentig met de komst van de DVD.

Dit nieuwe digitale medium bood dezelfde hoge kwaliteit, maar dan op een handzaam, kleiner schijfje dat goedkoper te produceren was en bovendien wél moeiteloos een volledige film op één zijde kon tonen.

De productie van de Laserdisc-spelers en de platen werd hierna wereldwijd afgebouwd, tot Pioneer in het begin van de 2000-jaren de fabricage van de allerlaatste spelers definitief stopzette.