De Amerikaanse film ‘The Whole Town’s Talking’ te zien in de Vlaamse bioscoop

‘The Whole Town’s Talking’ is een charmante en vlot geregisseerde misdaadkomedie die vanaf maart 1936 in de Vlaamse bioscoop te zien was.

De film, geregisseerd door John Ford, vertelt het verhaal van Arthur Ferguson Jones, een verlegen en uiterst punctuele kantoorbediende.

Zijn rustige leven wordt volledig overhoop gehaald wanneer blijkt dat hij een sprekende gelijkenis vertoont met Killer Mannion, een beruchte en gevaarlijke ontsnapte gevangene die bekendstaat als staatsvijand nummer één..

De verwarring begint wanneer Jones tijdens een lunch met zijn collega Bill, op wie hij heimelijk verliefd is, door het publiek wordt aangezien voor de voortvluchtige crimineel.

Na een onmiddellijke arrestatie door de politie moet de onschuldige klerk hemel en aarde bewegen om zijn identiteit te bewijzen.

Om verdere misverstanden te voorkomen, krijgt hij een speciaal identificatiebewijs mee, maar dit trekt juist de aandacht van de echte Killer Mannion.

De gangster steelt het document om zich ongestoord in de stad te kunnen bewegen, terwijl Jones overdag braaf op kantoor werkt.

Edward G. Robinson levert een indrukwekkende prestatie in deze dubbelrol door een scherp contrast neer te zetten tussen de zachtmoedige Jones en de meedogenloze Mannion.

Naast hem schittert Jean Arthur als de gevatte Bill, wiens sprankelende aanwezigheid voor de nodige humor en romantische spanning zorgt.

Ondanks zijn aanvankelijke bedeesdheid vindt Jones uiteindelijk de moed om de gevaarlijke bandiet te ontmaskeren en aan de gerechtigheid over te leveren.

Deze heldendaad geeft hem bovendien het zelfvertrouwen om Bill ten huwelijk te vragen, een verzoek dat zij met plezier accepteert.

De film laat zien dat John Ford, hoewel vooral beroemd om zijn westerns, ook uitstekend overweg kon met komische timing en stedelijke settings.

De technische uitvoering, waarbij beide personages van Robinson tegelijkertijd in beeld verschijnen, was voor die tijd zeer knap gedaan.

Het resultaat is een vermakelijke verkenning van de absurditeit van persoonsverwisselingen en de menselijke moed in onverwachte omstandigheden.

90 jaar geleden, Antwerpsch schoon: een wandeling langs verborgen godshuizen, mysterieuze zuilen en de sfeervolle Vlaaikensgang.

Antwerpen herbergt talloze verborgen parels waar de sporen van een rijk verleden nog tastbaar aanwezig zijn.

In de historische stadswijken rijzen statige panden op die ooit toebehoorden aan invloedrijke reëders, bankiers en kooplieden uit vervlogen eeuwen.

Veel van deze woningen zijn in de loop der tijd zorgvuldig gerestaureerd, waardoor ze hun oorspronkelijke grandeur hebben behouden. Bezoekers worden al decennialang gegrepen door het bijzondere en weelderige uiterlijk van deze gevels, zoals ook al treffend werd vastgelegd op beelden uit maart 1936.

Die opnames tonen de Scheldestad in een tijd waarin het historische karakter nog overal in het straatbeeld aanwezig was.

Wanneer de avondschemering intreedt, ontstaat er een serene sfeer in de stad. De daken steken dan scherp en donker af tegen een lila hemel, terwijl men door de smalle straatjes dwaalt.

Een van de meest sfeervolle locaties is de wandelbrug langs de Schelde, een geliefde plek voor de rasechte Sinjoor om even van de frisse buitenlucht te genieten en over het water uit te kijken.

De sfeer van deze momenten is door de jaren heen nauwelijks veranderd.

Naast de grote monumenten schuilt de schoonheid van de stad ook in de details en de meer intieme plekjes.

Decoratieve deuromlijstingen van arduin sieren de opgeknapte patriciërshuizen in straten zoals de Keizerstraat.

Een van de meest tot de verbeelding sprekende locaties is de Vlaaikensgang.

Dit complex werd in 1591 aangelegd als een aarden steegje dat een wirwar van achterhuisjes, kelders en brandgangen verbond tussen de Hoogstraat, de Oude Koornmarkt en de Pelgrimstraat.

In de zestiende en zeventiende eeuw woonden hier schoenmakers die als bijverdienste de noodklokken van de kathedraal luidden. Tijdens de Gouden Eeuw was het een toevluchtsoord voor de allerarmsten, terwijl het in de negentiende eeuw een beluik werd voor havelozen en seizoensarbeiders van het platteland.

De huidige hobbelige kasseitjes dateren uit die periode.

Over de naam van de gang bestaan verschillende theorieën: sommigen wijzen op een voormalig wafelhuis, anderen op een nabijgelegen rijstpellerij waar rijstevlaaien werden gebakken.

Het complex kende een bewogen geschiedenis en ontsnapte in de jaren zestig ternauwernood aan de sloophamer, toen er plannen waren voor een parking.

Antiquair Axel Vervoordt kocht de steeg in 1969 en zorgde voor een jarenlange restauratie.

Sinds 1973 is de gang beschermd als monument en inmiddels is het een exclusieve trekpleister met restaurants en antiekwinkels.

De oostelijke ingang aan de Oude Koornmarkt 16 leidt naar binnenplaatsen met witgekalkte gevels en zwarte boorden, die vroeger met pek werden bestreken om epidemieën te weren.

Men vindt er ook de veertiende-eeuwse Cluyse en de gevelsteen Den Grooten Baars, die vermoedelijk afkomstig is van de afgebroken Antwerpse Burg.

Een ander bijzonder rustpunt is de Sint-Nicolaasplaats bij de Lange Nieuwstraat.

Dit beschermde monument was oorspronkelijk het Sint-Nicolaasgodshuis, in 1422 opgericht door het ambacht van de meerseniers om verarmde leden zoals schoenlappers en kleermakers op te vangen.

Centraal op het pleintje staat een beeld van hun patroonheilige, Nicolaas van Myra.

De bijbehorende kapel uit 1423 deed later dienst als magazijn tot architect Fritz Van Averbeke het complex tussen 1958 en 1968 grondig renoveerde.

Tegenwoordig ademt het plein cultuur, met de poppenschouwburg Van Campen en rederijkerskamer De Violieren als vaste bewoners.

Ook op de Sint-Jacobsmarkt getuigen markante panden van de architecturale rijkdom.

Een opvallend voorbeeld is het hoekhuis op nummer 2, dat direct opvalt door zijn voor Antwerpen zeldzame leistenen overkragende dak.

Op de straathoek bevindt zich een hoge ingemetselde zuil waarvan de betekenis lang een raadsel was.

Hoewel sommigen dachten aan een oude stadspoort, blijkt de kolom het restant te zijn van een wegkapel die zeker tot de zestiende eeuw teruggaat, een stille getuige van het religieuze leven in de oude stad.

De vele gezichten van Davos: van De Toverberg tot Trump.

Davos is een gemeente in het oostelijke deel van Zwitserland, gelegen in het kanton Graubünden.

De plaats staat bekend als de hoogstgelegen stad van Europa, bevindt zich op ruim 1500 meter hoogte in het Landwasser-dal en heeft een rijke geschiedenis die veel verder teruggaat dan de beroemde economische toppen.

Oorspronkelijk werd het gebied in de middeleeuwen bevolkt door de Walser, een Duitstalig volk dat vanuit Oberwallis naar deze hooggelegen gebieden trok om er landbouw te bedrijven.

Eeuwenlang bleef het een relatief geïsoleerde boerengemeenschap, totdat de specifieke ligging en het klimaat in de negentiende eeuw voor een radicale wending zorgden.

De transformatie van boerendorp naar internationale bestemming begon rond 1853, toen de Duitse arts Alexander Spengler de geneeskrachtige werking van de berglucht ontdekte.

Hij merkte op dat tuberculose, destijds een dodelijke volksziekte, nauwelijks voorkwam bij de lokale bevolking.

Dit inzicht leidde tot de ontwikkeling van Davos als een vermaard kuuroord.

Er werden talrijke sanatoria gebouwd waar patiënten uit heel Europa naartoe kwamen om te genezen in de schone, droge lucht.

Deze periode heeft ook een belangrijke literaire erfenis achtergelaten; de Duitse schrijver Thomas Mann bezocht zijn zieke vrouw in Davos en deed daar inspiratie op voor zijn wereldberoemde roman De Toverberg, die zich afspeelt in een van deze sanatoria.

Toen in de loop van de twintigste eeuw medicijnen tegen tuberculose werden ontwikkeld, verloor het kuuroord zijn oorspronkelijke functie, maar de gemeente vond zichzelf succesvol opnieuw uit als bestemming voor wintersport.

Een publicatie uit het tijdschrift ABC van januari 1936 illustreert hoe Davos zich in die periode al had ontwikkeld tot een trekpleister voor sneeuwliefhebbers.

Het gebied Parsenn, gelegen op 2661 meter hoogte en bereikbaar via een spoorwegrit van twintig minuten, werd destijds geprezen als een ideaal terrein met eindeloze hellingen en ongerepte sneeuw.

Prominente bezoekers, zoals de bekende autocoureur Louis Chiron, spraken vol lof over de prachtige skivelden en stelden dat wie de betoverende charme van Davos eenmaal kende, er altijd zou terugkeren.

Hoewel de skisport in die jaren als koning werd gezien, bleven ook activiteiten als kunstschaatsen, ijshockey, curling en tobogganwedstrijden onverminderd populair en trokken ze duizenden mensen naar de bergen.

Tegenwoordig is Davos echter vooral wereldberoemd door een evenement dat jaarlijks in januari plaatsvindt: de bijeenkomst van het World Economic Forum, oftewel het WEF.

De geschiedenis van dit congres begint in 1971, toen de Duitse econoom en ingenieur Klaus Schwab het initiatief nam voor wat toen nog het European Management Symposium heette.

De eerste bijeenkomst vond plaats in het congrescentrum van Davos en trok honderden deelnemers uit het Europese bedrijfsleven.

Het oorspronkelijke doel van Schwab was vrij specifiek: hij wilde Europese bedrijfsleiders kennis laten maken met Amerikaanse managementtechnieken om zo de concurrentiepositie van Europa te versterken.

Hij introduceerde daarbij de stakeholdertheorie, het idee dat een bedrijf niet alleen verantwoording schuldig is aan aandeelhouders, maar aan alle belanghebbenden, inclusief werknemers en de samenleving.

In de jaren die volgden, verbreedde Schwab de horizon van het congres aanzienlijk.

Het werd duidelijk dat economische vraagstukken niet los konden worden gezien van geopolitieke en sociale problemen.

In 1987 veranderde de naam officieel in het World Economic Forum. Het evenement groeide uit tot een uniek platform waar niet alleen CEO’s, maar ook regeringsleiders, intellectuelen, journalisten en activisten samenkomen.

Het informele karakter van de bijeenkomsten in het besneeuwde bergdorp, ver weg van de politieke hoofdsteden, leidde tot wat men de Davos Spirit noemt: een sfeer waarin tegenstanders makkelijker met elkaar in gesprek gaan.

Zo speelde het forum in het verleden een rol bij ontmoetingen tussen Griekenland en Turkije en verschenen Nelson Mandela en F.W. de Klerk er samen op het podium toen de apartheid in Zuid-Afrika ten einde liep.

Vandaag de dag is de combinatie van de kleine berggemeente en het machtige wereldcongres een begrip, waarbij lokale traditie en wereldpolitiek jaarlijks even samensmelten.

De aanwezigheid van president Donald Trump op het Wereld Economisch Forum bevestigt vandaag opnieuw dat het forum nog steeds het centrum van de wereldmacht is.

In het weekblad ABC van 12 januari 1936 wordt een bijzonder portret geschetst van de arbeider Emiel Van Heddegem als kunstenaar uit Wetteren.

In een tijd waarin economische crisis en werkloosheid voor velen een dagelijkse realiteit waren, zochten veel arbeiders naar een zinvolle invulling van hun vrije uren.

Terwijl sommigen uit noodzaak knutselden om de morele leegte te vullen, waren er ook vakmensen zoals Emiel Van Heddegem uit Wetteren die hun passie naar een uitzonderlijk artistiek niveau tilden.

Tijdens een bezoek aan zijn woning aan de Oordegemsesteenweg krijgt de lezer een blik in de wereld van deze gedreven houtbewerker.

Van Heddegem begon in 1930 met zijn artistieke arbeid aan de draaibank. Wat begon als een liefhebberij, groeide al snel uit tot werk van een niveau dat nationale erkenning verdiende.

De foto’s bij het artikel tonen een indrukwekkende collectie voorwerpen, variërend van fijnzinnige vazen en gedecoreerde doosjes tot kandelaars.

Vooral het geometrische inlegwerk en de verfijnde details getuigen van een groot technisch vernuft.

Zijn vakmanschap werd bekroond met diverse prestigieuze onderscheidingen.

Zo behaalde hij in 1932 de beker Dees Cnudde.

Deze prijs was vernoemd naar Désiré Cnudde, een invloedrijk Gents politicus en vertrouweling van Edward Anseele, die zich hartstochtelijk inzette voor de sociale en culturele verheffing van de arbeidersklasse.

De beker was een centrale ereprijs op de groots opgezette tentoonstellingen van de vrije tijd, vaak georganiseerd in gebouwen zoals de Vooruit in Gent.

Deze evenementen hadden als doel de arbeider weg te trekken uit de sfeer van passieve ontspanning en te laten zien dat handarbeiders over een enorme dosis creativiteit en geduld beschikten.

Het winnen van deze beker was een bijzondere prestatie, omdat de deelnemers streng werden beoordeeld op zowel technische perfectie als esthetische waarde.

Voor Van Heddegem was dit slechts het begin, want in 1935 werd hij bovendien benoemd tot laureaat van de Arbeid van België in de eerste klasse.

De tekst benadrukt dat deze vorm van vrijetijdsbesteding veel meer was dan louter tijdverdrijf. Het was een vorm van geestelijke emancipatie.

Voor de arbeider-kunstenaar vormde de creatieve arbeid een noodzakelijk tegenwicht voor de dagelijkse sleur van de fabriek of de werkplaats.

De voldoening van het creëren van schoonheid uit ruwe materialen compenseerde de vele uren van inspanning en opoffering.

Het artikel eindigt met een diep respect voor deze stille werker uit Wetteren, die bewees dat kunst en handarbeid onlosmakelijk met elkaar verbonden kunnen zijn

Gisteren nog vandaag

90 jaar geleden, te gast bij de Nederlandse zanger en tekstschrijver Edwin Gubbins Doorenbos

Edwin Gubbins Doorenbos werd geboren op 10 juli 1894 in Den Haag en overleed op 28 maart 1974 in Amsterdam.

Hij was een markante verschijning in de Nederlandse amusementswereld van de jaren dertig, veertig en vijftig. Als zanger, pianist en tekstdichter gaf hij een eigen kleur aan het chanson en cabaret.

Hij stond bekend om zijn geraffineerde stijl en bracht achter de piano luisterliedjes met een internationale flair, waarmee hij een brug sloeg tussen het traditionele variété en de literaire kleinkunst.

In 1936 was hij op het witte doek te zien als zanger in de film Komedie om geld, onder regie van Max Ophüls.

In januari 1936 besteedde het tijdschrift ABC uitgebreid aandacht aan zijn bijzondere initiatief in Laren.

Doorenbos had daar het deel van een oude boerenhofstede ingericht als cabaretzaal, die hij het Nederlandse Montmartre noemde.

In deze ruimte, verlicht door kaarsen in lege wijnflessen en ingericht met tonnen als tafels, streefde hij er samen met enkele medewerkers naar om de kleinkunst in ere te houden.

Een van hen was Eline Pisuisse, de dochter van de cabaretpionier Jean-Louis Pisuisse.

Ook Rita Fleming werkte mee aan het programma; zij was in die jaren actief als zangeres en actrice in het Nederlandse theater- en cabaretcircuit.

In zijn repertoire liet hij zich inspireren door het werk van Alec Andrew Templeton, een blinde Britse pianist, componist en satiricus wiens compositie Bach Goes to Town in 1939 een grote hit was voor Benny Goodman.

Doorenbos integreerde deze swingende, neoklassieke benadering op een natuurlijke wijze in zijn eigen muzikale voordrachten.

Naast zijn podiumcarrière was Doorenbos een gerespecteerd verzamelaar en kenner van antieke klokken en horloges. Z

Zijn expertise op dit gebied leidde in 1963 tot de publicatie van zijn boek ‘Klokken’ (ABC 12 januari 1936).

Vandaag, 90 jaar geleden, congres van de Volksgazet en de Vooruit met als thema het plan naar den nieuwe tijd

De Volksgazet was decennialang een bepalend boegbeeld van de socialistische beweging in Antwerpen en speelde een cruciale rol in de emancipatie van de arbeidersklasse.

De krant, aanvankelijk uitgebracht onder de titel De Volksgazet, werd opgericht in 1914 door Camille Huysmans en Willem Eekelers.

Het dagblad ontstond uit een fusie tussen De Werker en Volkstribuun en werd uitgegeven door Uitgeverij Ontwikkeling, terwijl het drukwerk werd verzorgd door Excelsior in Antwerpen.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de krant niet gedrukt en ook tijdens de Tweede Wereldoorlog staakte de eigen redactie de publicatie.

In die periode werden de drukpersen van de Volksgazet echter gebruikt voor de krant Volk en Staat.

Op 4 september 1944 verscheen vervolgens het bevrijdingsnummer, waarna de titel werd aangepast naar Volksgazet.

Tijdens het interbellum was de krant al uitgegroeid tot een van de belangrijkste stemmen in Vlaanderen, met de redactie in de Antwerpse Somersstraat als kloppend hart.

Een absoluut hoogtepunt in deze periode was het grote congres, dat op 11 en 12 januari 1936 in Antwerpen plaatsvond, onder de titel Met het plan naar den nieuwe tijd.

Dit was een gezamenlijk initiatief van de Volksgazet en de Gentse krant Vooruit om de massa te mobiliseren voor het Plan van de Arbeid.

Tijdens dit congres in een overvolle zaal gaven prominente figuren acte de présence, waaronder burgemeester Camille Huysmans en Willem Eekelers.

Ook redactiesecretaris Jos Van Eynde en buitenlandredacteur A. Molter waren nauw betrokken bij deze manifestatie, die uitgebreid werd verslagen in de socialistische pers en tijdschriften zoals ABC.

Na de oorlog kende het dagblad aanvankelijk een grote oplage van 150.000 exemplaren, maar dit aantal begon later te dalen.

Tussen 1944 en 1977 ontwikkelde de krant zich onder Jos Van Eynde tot een strikt partijgebonden blad, gelieerd aan de Belgische Werkliedenpartij en vanaf 1945 aan de Belgische Socialistische Partij.

Er werd een duidelijke afspraak gemaakt met de Vooruit over de verspreiding: Volksgazet bediende de provincies Antwerpen, Brabant en Limburg, terwijl Vooruit zich richtte op Oost- en West-Vlaanderen.

Naast politiek en nieuws bood de krant ook ontspanning met bekende strips zoals Mickey Mouse en de avonturen van soldaat Fa Sido.

In de jaren zeventig kreeg de krant het steeds moeilijker door de toenemende ontzuiling en financiële problemen.

Op 17 juli 1978 werd de Volksgazet voor het laatst uitgegeven, waarna de uitgeverij later die dag failliet ging.

De erfenis van de krant leefde echter voort in De Morgen, die kort daarna ontstond uit de fusie met Vooruit en de progressieve traditie op een nieuwe manier voortzette (ABC 19 januari 1936)

Gisteren nog vandaag