Joseph Jacques Kieckepoost, in de volksmond bekend als de Kiekenpuut van Gent, duikt voor het eerst op in 1810.
Op 30 juli van dat jaar werd hij aangesteld als de beheerder van de begrafenisdienst. Deze functie ging in op 1 januari 1811.
Iedere Gentenaar had hem op een dag nodig om naar een van de drie begraafplaatsen te worden gebracht: die buiten de Brugse Poort, de Dampoort of de Heuvelpoort.
Door zijn functie werd zijn naam verbasterd tot ‘Kiekenpuut’.
Daarnaast werd hij vaak afgebeeld in spotprenten met een misvormde voorarm die leek op een kippenpoot, compleet met extra sterke klauwen.
De dagelijkse uitdrukking ‘hij es bij kiekenpuut’ of ‘zij es bij kiekenpuut’ betekende dan ook dat iemand was overleden.

