







Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
















Herman Brood, die op 11 mei 1946 in Zwolle het levenslicht zag, begon zijn muzikale carrière in 1964.
Hij vergaarde grote roem met zijn begeleidingsband Wild Romance, wat leidde tot hits als Saturday Night, Still Believe en Never Be Clever.
Ook scoorde hij in 1984 een groot succes met het nummer “Als je wint”, een samenwerking met voormalig Doe Maar-bassist Henny Vrienten.
In zijn latere jaren verlegde hij zijn focus en was hij voornamelijk actief als beeldend kunstenaar.
Op persoonlijk vlak was hij in 1968 vader geworden van zijn zoon Marcel Buissink, die werd geboren na een onenightstand met het Groningse model Tekie Buissink.
Op 18 juli 1985 werd zijn dochter Lola geboren.
In 1994 kreeg zijn toenmalige vrouw Xandra Jansen een dochter, Holly Mae Brood, van wie Herman overigens niet de biologische vader was.
Tegen het jaar 2001 was zijn lichaam volledig uitgeleefd door een leven vol genotmiddelen.
Brood gebruikte sinds zijn zeventiende speed, een middel dat energie geeft, maar tevens voor de afbraak van het lichaam zorgt.
Voor de juiste balans dronk hij daarnaast dagelijks zo’n twee liter sterke drank of mierzoete likeur.
Doorgaans sliep hij telkens één op de twee nachten.
Hoewel hij na dertig jaar met succes was afgekickt van zijn speedverslaving en drugs hem weinig effect meer gaven, bleek het onmogelijk om definitief met alles te stoppen.
Zijn alcoholconsumptie nam duizelingwekkende proporties aan, waardoor zijn voorheen schijnbaar onverwoestbare gezondheid in een razend tempo verslechterde.
Dit alles leidde tot de tragische beslissing op 11 juli 2001, toen de vierenvijftigjarige Brood om 13.28 uur van het Amsterdamse Hilton Hotel sprong.
In zijn binnenzak droeg hij een afscheidsbriefje met de tekst: “Xandra & alle skatjes, Deze snelheid in plaats van opbranden dat laat ik aan de crematie over. … Rous door zoals ik deed… en treur niet ! maak er een feest van. Ik zie jullie nog weleens. Ik ga nu bungy zonder elastiek. Genade – pappa “
Naast zijn bekende hits en turbulente levensstijl zijn er nog enkele opvallende details over deze unieke artiest.
Zo was hij opmerkelijk genoeg kleurenblind, wat meteen zijn voorkeur voor ongemengde, heldere primaire kleuren in zijn schilderijen verklaart.
Hij beperkte zijn kunst overigens niet tot traditionele doeken, maar beschilderde ook auto’s, bussen, trams en talloze muren in zijn volstrekt eigen stijl.
In 1979 haalde hij bovendien de internationale pers door een kortstondige en uiterst spraakmakende romance met de Duitse punkzangeres Nina Hagen, een relatie die destijds door velen als een slimme publiciteitsstunt werd gezien.
Om hun film te promoten, want in het echt is er nooit een romance geweest en zeker geen huwelijk.
Voordat hij de gevierde frontman van zijn eigen Wild Romance werd, maakte hij ook nog deel uit van de succesvolle en invloedrijke bluesband Cuby & the Blizzards, een periode die cruciaal bleek voor zijn verdere muzikale ontwikkeling.

Cha Cha: een stunt die de kranten haalde
Cha Cha haalde destijds de voorpagina’s van alle grote kranten en vormde het gesprek van de dag.
Dit kwam vooral door het huwelijk dat destijds tussen Herman Brood en Nina Hagen plaatsvond.
Achteraf bleek het een opzet van de manager van Brood te zijn om op die manier zijn film onder de aandacht te brengen.
Hoewel de film door deze publiciteitsstunt volop in de belangstelling stond, bleef een groot commercieel succes in de bioscoop uit.
De regie van de film was in handen van Herbert Curiel en de hoofdrollen werden vertolkt door Herman Brood, Nina Hagen en Lene Lovich.
De bijrollen waren weggelegd voor Ramses Shaffy, Simon Vinkenoog, Dolf Brouwers, Ko van Dijk, Nelly Frijda, Jules Deelder en de Amsterdamse Hells Angels. (Hitkrant Juni 1979)

46 jaar geleden, wedstrijd met Herman Brood in de Hitkrant

Dit aanstekelijke nummer werd geschreven door de Britse zangeres, componiste en producer Cathy Dennis, samen met oude rot in het vak Rob Davis.
De wat oudere muziekliefhebbers zullen Davis misschien nog wel herkennen uit zijn tijd als gitarist van de legendarische Britse glamrockband Mud.
De samenwerking bleek een schot in de roos, want de single veroverde moeiteloos de eerste plaats in de Vlaamse Ultratop 50 en wist die positie maar liefst zes weken lang vast te houden.
In de BRT Top 30 deed het nummer het zo mogelijk nog beter door daar maar liefst acht weken lang de absolute eerste plaats te bezetten.
Eveneens in Nederland en in vrijwel de rest van de wereld domineerde het nummer de hitlijsten en behaalde het overal de nummer één-positie.
De pers was destijds laaiend enthousiast over deze fenomenale comeback en schreef dat Kylie er weer helemaal mocht zijn.
Het kon inderdaad verkeren, want nog niet zo heel lang daarvoor werd ze gezien als een simpel tienersterretje met zo weinig geloofwaardigheid dat zelfs de Joepie of de Hitkrant er zijn neus voor zou ophalen.
Ze onderging echter een indrukwekkende transformatie tot een ware vamp en bouwde aan een heel nieuw imago.
Ze had een spraakmakende relatie met INXS-frontman Michael Hutchence, zong een onvergetelijk duet met Nick Cave, werkte samen met de Manic Street Preachers en nam muziek op met Robbie Williams.
Haar geloofwaardigheid steeg naar zulke grote hoogten dat popkoningin Madonna destijds zelfs met een T-shirt met de naam van Kylie erop rondliep.
Om haar nieuwe, zelfverzekerde imago nog wat extra in de verf te zetten, poseerde ze in die periode regelmatig met zo min mogelijk kleding aan voor diverse vooraanstaande fotografen.
Naast deze opmerkelijke feiten over haar megahit en transformatie, is de carrière van de Australische zangeres rijk aan nog veel meer bijzondere details.
Wat veel mensen zich wellicht nog herinneren, is dat ze haar doorbraak niet in de muziek beleefde, maar als actrice in de populaire Australische soapserie Neighbours.
Daar vertolkte ze de rol van de stoere monteur Charlene Robinson, en haar bruiloft op het scherm met Jason Donovan behoort nog altijd tot de best bekeken televisiemomenten uit die tijd.
Het beroemde en onweerstaanbare la-la-la-gedeelte uit Can’t Get You Out Of My Head was overigens in eerste instantie bedacht als een tijdelijke opvulling voor de melodie, maar bleek zo aanstekelijk dat het ongewijzigd werd behouden en uitgroeide tot de grootste hook van het decennium.
Ook de futuristische muziekvideo, geregisseerd door Dawn Shadforth, droeg enorm bij aan het wereldwijde succes.
In deze clip is Kylie onder meer te zien in een sportieve wagen tegen een futuristische achtergrond en voert ze samen met haar dansers een strakke choreografie uit, bedacht door Michael Rooney, die hiervoor in 2002 zelfs een MTV Video Music Award voor Best Choreography won.
Minstens zo memorabel was haar kleding in de clip: een uiterst opvallende witte jumpsuit met diepe uitsnijdingen en een kap, speciaal voor haar ontworpen door de Londense modeontwerpster Fee Doran onder het label Mrs Jones.
Bovendien is Kylie niet de enige ster in de familie; haar jongere zus Dannii Minogue heeft eveneens een enorm succesvolle carrière opgebouwd als zangeres en televisiepersoonlijkheid.
Misschien wel het meest bewonderenswaardige aan Kylie is haar immense veerkracht, want na een zware strijd tegen borstkanker in 2005 keerde ze wonderbaarlijk snel en succesvol terug naar het podium om haar unieke status in de popmuziek verder voort te zetten.
Dat de inmiddels 58-jarige zangeres nog absoluut geen zin heeft om te stoppen met haar passie, bewees ze onlangs nog maar eens.
Op 1 juli van dit jaar bracht ze namelijk in samenwerking met Snow Control de nieuwe single ‘These Alarm’ uit.
Ook op andere vlakken blijft ze volop actief, want ook dit jaar verscheen er een gloednieuwe documentaire over haar leven op Netflix, simpelweg getiteld Kylie.
Na bijna dertig jaar in Londen te hebben gewoond, is ze inmiddels teruggekeerd naar haar roots en geniet ze tegenwoordig van het leven in haar thuisland Australië, waar ze zich nabij Melbourne heeft gevestigd.

De Ronde van Frankrijk van 2001 was de achtentachtigste editie van de belangrijkste wielerwedstrijd ter wereld en vond plaats van 7 tot en met 29 juli.
De ronde startte in de Noord-Franse stad Duinkerke met een proloog, die werd gewonnen door de Fransman Christophe Moreau, en eindigde traditiegetrouw op de Champs-Élysées in Parijs.
Deze editie bestond uit een proloog en twintig etappes, met een totale afstand van net geen drieduizendvijfhonderd kilometer.
Het parcours bracht het peloton voornamelijk door Frankrijk, maar maakte ook een korte uitstap naar België.
Voor de Belgische wielerfans en de twee deelnemende Belgische ploegen, Lotto-Adecco en Domo-Farm Frites, werd het een succesvolle editie op het gebied van ritzeges en strijdlust.
De nationale wielertrots werd al vroeg aangewakkerd in de tweede etappe van Calais naar Antwerpen.
De Belg Marc Wauters, die uitkwam voor de Nederlandse Rabobank-ploeg, wist in zijn thuisland de overwinning te grijpen en veroverde daarmee voor één dag de prestigieuze gele trui.
Ook in het verdere verloop van de ronde lieten de Belgen zich nadrukkelijk gelden.
Het was daarbij specifiek de Belgische Lotto-Adecco-formatie die wist te schitteren met exact twee overwinningen.
Rik Verbrugghe schreef na een lange ontsnapping de vijftiende etappe tussen Pau en Lavaur op zijn naam.
Twee dagen later was het opnieuw raak voor de Lotto-ploeg toen Serge Baguet de zeventiende rit van Brive-la-Gaillarde naar Montluçon won.
De andere Belgische ploeg, Domo-Farm Frites, had dat jaar absolute triomfen gevierd in het voorjaar, maar in deze Tour behaalden de renners van Patrick Lefevere geen etappewinst en hun absolute kopman Johan Museeuw was niet in de selectie opgenomen.
In het algemeen klassement speelden de Belgische renners, waaronder Mario Aerts en de voor Domo rijdende Axel Merckx, geen rol van betekenis voor de absolute topplaatsen, maar de ritzeges en de dag in het geel maakten het tot een geslaagde Tour voor België.
Sportief gezien werd het algemeen klassement gedomineerd door het verwachte duel tussen de Amerikaan Lance Armstrong en de Duitser Jan Ullrich.
Armstrong, kopman van de US Postal-ploeg, hield zich in het begin van de ronde relatief rustig, maar deelde een enorme klap uit tijdens de eerste zware Alpenrit naar Alpe d’Huez.
Het moment waarop hij vlak voor zijn beslissende demarrage even achterom keek naar Ullrich, is een onuitwisbaar beeld uit de wielergeschiedenis geworden. Armstrong domineerde de bergen en de tijdritten en won de ronde uiteindelijk met een voorsprong van ruim zes en een halve minuut op Ullrich.
De Spanjaard Joseba Beloki mocht als derde mee op het eindpodium in Parijs.
Naast de strijd om de gele trui waren er andere opvallende prestaties die de koers kleurden.
De Duitse sprinter Erik Zabel veroverde de groene trui voor het puntenklassement voor de zesde opeenvolgende keer, wat destijds een absoluut record was.
De populaire Franse renner Laurent Jalabert won de bolletjestrui voor het bergklassement en bracht het thuispubliek in vervoering met zijn aanvallende rijstijl in de bergen.
De witte trui voor de beste jongere ging naar de talentvolle Spanjaard Oscar Sevilla, terwijl de aanvallende Spaanse Kelme-ploeg het ploegenklassement won.
Een grote verrassing was de Kazach Andrei Kivilev, die dankzij een lange ontsnapping in de achtste etappe naar Pontarlier, een rit die door de Nederlander Erik Dekker werd gewonnen, uiteindelijk als vierde in Parijs eindigde.
De rode lantaarn voor de laatste renner in het klassement ging naar de Franse sprinter Jimmy Casper.
Jaren later kreeg de uitslag van deze Tour echter een zware historische correctie.
In 2012 werd Lance Armstrong, na een grootschalig onderzoek van het Amerikaanse antidopingagentschap USADA, ontmaskerd als spil in een geavanceerd dopingnetwerk.
De internationale wielerunie UCI besloot daarop onmiddellijk om Armstrong al zijn zeven Tourzeges, waaronder die van 2001, af te nemen.
De organisatie van de Tour de France besloot de opengevallen eerste plaats vacant te laten en geen nieuwe winnaar aan te wijzen.
Hierdoor is de eerste positie in de officiële geschiedenisboeken voor de editie van 2001 voor altijd blanco gebleven, wat deze wedstrijd onlosmakelijk verbindt met een donkere periode uit de wielersport.

Mike Hazlewood maakte in de jaren zestig en zeventig deel uit van The Family Dogg, de groep die we vooral kennen van de hit Sympathy onder de naam Steve Rowland & The Family Dogg.
Binnen deze formatie kruiste zijn pad dat van Albert Hammond, wat het startpunt vormde voor een uiterst succesvolle en nauwe samenwerking.
Als schrijversduo bleken zij een gouden combinatie voor de popmuziek en ze penden talloze klassiekers neer, waaronder It Never Rains In Southern California, The Free Electric Band en het bejubelde The Air That I Breathe.
Ook hits als Little Arrows en Freedom Come Freedom Go kwamen uit hun koker.
Een aanzienlijk deel van hun succes was verbonden aan de Ierse zanger Joe Dolan.
Voor hem schreven Hazlewood en Hammond in 1969 de internationale hit ‘Make Me an Island’, gevolgd door de singles ‘Teresa’ en ‘You’re Such a Good Looking Woman’.
Dat laatste nummer groeide uit tot het lijflied van Dolan en voerde zelfs twee keer de Ierse hitlijsten aan: eerst in 1970 en later opnieuw in 1997, toen hij een nieuwe versie opnam met Dustin the Turkey.
Daarnaast schreef Hazlewood het nummer ‘Southern Lady,’ dat werd vertolkt door Rita Coolidge.
Na zijn jarenlange successen in de hitlijsten richtte Hazlewood zich eind jaren tachtig op de theaterwereld.
Hij verwierf de rechten van de roman Mr. Pye van Mervyn Peake en bewerkte het boek in samenwerking met de Amerikaans-Britse componist Howard Lee Sloan tot een muziektheatervoorstelling.
Een opmerkelijk hoofdstuk in zijn carrière is de onverwachte link met de Britse band Radiohead.
Hazlewood en Hammond worden namelijk officieel vermeld als medeauteurs van de wereldhit ‘Creep’ uit 1992.
Dit was het resultaat van een rechtszaak wegens plagiaat, omdat Radiohead de akkoordprogressie en de melodie van de brug uit ‘The Air That I Breathe’ had overgenomen.
Het leven van de getalenteerde tekstschrijver kwam abrupt tot een einde in 2001.
Tijdens een vakantie in het Italiaanse Florence werd Mike Hazlewood getroffen door een hartaanval.
Hij werd slechts 59 jaar oud.


Zijn muzikale carrière begon na de bevrijding toen hij naar Parijs ging en begon te werken als pianist in diverse nachtclubs.
Al vlug wordt hij opgemerkt en wordt de begeleider van de zanger Jacques Pills, de echtgenoot van Edith Piaf.

Gisteren nog vandaag
Zij moedigt hem aan zelf de microfoon ter hand te nemen en brengt hem in contact met tekstschrijvers Louis Amade en Pierre Delanoë.(schoonbroer van Frank Gérald).
Het succes laat niet lang op zich wachten.
Na enkele optredens in trendy Parijse nachtclubs is Gilbert Bécaud in 1954 de hoofdact in de Olympia.

Gisteren nog vandaag
De vonk slaat over en het publiek breekt zowat de zaal af, wat hem de bijnaam ‘monsieur 100.000 volts’ oplevert.
Bécaud zal nog een dertigtal keer terugkeren naar de Olympia en ontwikkelt er een speciale band mee.
In 1997 mag hij de zaal na renovatie heropenen.
Zijn hits aan het eind van de jaren vijftig waren onder andere “La corrida” (1956), “Le jour où la pluie viendra” (1957) en “C’est merveilleux l’amour” (1958).
Zijn eerste hit in de Engelstalige wereld was met Jane Morgans vertaling van “Le jour où la pluie viendra” (The Day the Rains Came).

Gisteren nog vandaag
Op het toppunt van zijn roem geeft Bécaud 250 optredens per jaar, binnen Frankrijk en ver daarbuiten.
In 1966 prijkt zijn naam drie weken op Broadway.
Zijn “Et Maintenant” scheert in een Engelse versie “What now my Love” hoge toppen aan de andere kant van de oceaan, in een vertolking van Jane Morgan, Shirley Bassey, Frank Sinatra en Johnny Mathis.
Hij ontving in 1974 de prestigieuze onderscheiding van het Legioen van Eer voor zijn bijdrage aan de Franse cultuur.

Gisteren nog vandaag: Gilbert Bécaud met zijn zoon Gaya Bécaud en Marlene Dietrich (november 1962)
Hij werkte samen met bekende artiesten als Pierre Grosz en Neil Diamond en creëerde ook de Broadwaymusical “Madame Roza” met Julian More.
Hij schreef meer dan 400 liedjes en had minstens 20 hits.
Zijn laatste album, uitgebracht in 1999, bevatte enkele intieme nummers waarin hij zijn naderende dood door kanker onder ogen zag.

Gisteren nog vandaag
Gilbert Bécaud, stierf op 18 december 2001 op zijn woonboot in Parijs.
Hij ligt begraven op de prestigieuze begraafplaats Père-Lachaise, waar veel beroemdheden hun laatste rustplaats hebben.
Ondanks zijn ziekte bleef Bécaud muziek maken tot het einde van zijn leven.
Zijn zoon Gaya bracht in 2002 een postume cd uit met enkele van zijn laatste opnames.
Zijn stem klinkt soms zwakker, maar zijn passie blijft onverminderd.

Gisteren nog vandaag
Paul Decoutere, beter bekend als Paul Couter, werd bij toeval geboren in Izegem toen zijn moeder daar op familiebezoek was, maar was in hart en nieren een jongen van de kust.
Hij groeide op in het horecaleven; zijn ouders baatten een café uit in Knokke.
Na hun echtscheiding verhuisde hij met zijn moeder en stiefvader naar Zeebrugge.
De muziek zat er al vroeg in, want vanaf zijn negende speelde hij gitaar.
Het was aan die kust dat hij een muzikale zielsverwant vond in de Oostendenaar Arno Hintjens.
In 1972 legden ze de basis voor hun latere carrière met de band Freckleface.
Met Couter op gitaar, Arno op zang, Paul Vandecasteele op bas en Eddy Storm (later Jean Lamoot) op drums, werd de kiem gelegd voor een jarenlange samenwerking.
Hoewel Freckleface hetzelfde jaar nog werd opgedoekt, gingen de leden naadloos over in de formatie Tjens Couter, een samentrekking van de achternamen van de twee frontmannen.
In 1980 transformeerde de groep tot T.C. Matic, de band die later klassiekers als O la la la en Putain putain zou maken.
Voor Paul Couter was dit echter het eindpunt van de samenwerking.
Het nieuwe geluid lag hem niet, en al na enkele maanden verliet hij de band om plaats te maken voor Jean-Marie Aerts.
Couter koos daarna zijn eigen, grillige pad. Hij trok een tijd naar Parijs als straatmuzikant, richtte met Ferre Baelen de band Partisan op en baatte diverse cafés uit in Zeebrugge.
In de jaren tachtig verlegde hij zijn terrein naar Gent.
Daar drukte hij een blijvende stempel op het nachtleven door, samen met Jo van Groeningen, aan de wieg te staan van het iconische muziekcafé Charlatan.
Tot aan zijn dood bleef Paul Couter actief als muzikant, vooral in de Gentse scene.
Hij bracht nog verscheidene cd’s uit in eigen beheer, ver weg van het commerciële circuit.
Zijn zwanenzang volgde in maart 2021. Terwijl hij op de palliatieve afdeling van het AZ Sint-Lucas verbleef wegens terminale kanker, bracht hij nog een laatste album uit.
Hij overleed in het ziekenhuis op 27 april 2021 op 72-jarige leeftijd.
