Vandaag precies 35 jaar geleden namen we afscheid van Roy Black: een blik op zijn bewogen leven en tijdloze muziek

Gerhard Höllerich zag op 25 januari 1943 het levenslicht met één grote droom: popartiest worden.

Amper achttien was hij toen hij zijn eerste muzikale stappen zette bij The Honky Tonks. Zijn diepzwarte haren en zijn grote bewondering voor Roy Orbison leverden hem al snel zijn bekende artiestennaam op: Roy Black.

Twee jaar later stampte hij zijn eigen band Roy Black and his Cannons uit de grond, wat leidde tot een ontmoeting met producer Hans Bertram.

De start in 1964 verliep niet meteen van een leien dakje, want zijn eerste singles ‘Sweet Baby mein’ en ‘Darling my Love’ kregen nauwelijks aandacht.

Maar met zijn derde poging, ‘Du bist nicht allein’, schoot hij pal in de roos.

Het was het begin van een waanzinnige succesperiode: tot 1969 belandden al zijn singles in de top 10, en maar liefst zes ervan stootten door naar nummer één.

Tussendoor dook hij ook regelmatig op in populaire bioscoopfilms.

In 1971 scoorde hij een enorme internationale voltreffer met het aanstekelijke duet ‘Schön ist es auf der Welt zu sein’, aan de zijde van de toen tienjarige Noorse Anita Hegerland (die van 1987 tot en met 1991 getrouwd was met Mike Oldfield; samen kregen ze twee kinderen).

Daarna keerde het tij. De hits bleven uit en Roy belandde in een diep dal, waarbij vooral zijn privéproblemen en een aanslepende strijd tegen alcohol en pillen de pers haalden.

Toch gaf hij niet op. In 1985 maakte hij een knappe comeback met het nummer ‘Mona’, en vanaf 1989 sloot het publiek hem opnieuw massaal in de armen dankzij zijn rol in de kijkcijferhit Ein Schloß am Wörthersee.

Het herwonnen geluk bleek helaas van korte duur. Op 9 oktober 1991 sloeg het noodlot toe: Roy overleed plots aan een hartinfarct, nauwelijks een maand na de geboorte van zijn dochtertje Nathalie.

Zijn bewogen levensverhaal inspireerde nadien verschillende boeken en leidde tot de film ‘Du bist nicht allein, Die Roy Black Story’, waarin niemand minder dan Christoph Waltz in de huid van de zanger kroop.

Voor mij persoonlijk blijft ‘Du bist nicht allein’ een van de absolute hoogtepunten uit de Duitse popgeschiedenis. Kunnen jullie mij daarin volgen?

45 jaar geleden, Jan Puimège met zijn hit Vrienden Van Het Laatste Glas.

Jan Puimège werd ontdekt in een uitzending van het BRT-programma Ontdek de ster in 1975, in de Koningin Elisabethzaal te Antwerpen, waarbij een vriend hem had ingeschreven.

In 1976 won hij de Grote Prijs Will Ferdy.

Puimèges liedjes hadden een zachte, poëtische inslag en werden met heldere articulatie gezongen.

Soms bevatten ze ook milde maatschappijkritiek.

Na amper zeven jaar carrière overleed hij op 22 mei 1982, op 26-jarige leeftijd, onverwacht aan een hartaanval toen hij in bad zat, vlak voordat zijn derde album op de markt kwam.

Diverse collega’s organiseerden een postume hulde aan Puimège op het album Jan Puimège (1983).

Onder anderen Wim De Craene, Will Ferdy, Zjef Vanuytsel en Ed Kooyman brachten op het album enkele van Puimèges nieuwe liedjes ten gehore die hijzelf nooit meer had kunnen opnemen.

Er is ook een prijs vernoemd naar de zanger: de Prijs Jan Puimège, die door onder meer Mira en De Nihilisten gewonnen is.

In de gemeente Wommelgem bij Antwerpen bracht Jan Puimège een groot deel van zijn jeugd door.

Hier werd als aandenken aan de zanger een culturele kring opgericht onder de naam Kulturele Kring Jan Puimège.

Folkmuzikant en -zanger Dirk Van Esbroeck was een neef van Puimège.

45 jaar geleden, ex-Mud Rob Davis speelt nu bij Darts

Eind september 1981 was Rob Davis allang geen tieneridool meer. Jaren eerder vormde hij samen met zanger Les Gray het vertrouwde uithangbord van Mud, een band die zowel bij ons in Vlaanderen als in Nederland over de koppen liep.

Dagelijks kreeg Rob zakken vol liefdesbrieven en rustig over straat lopen zat er destijds echt niet meer in.

Die gigantische roem bleef echter niet duren. De hits droogden op, het aantal optredens slonk en ook binnen de groep begon het te wringen.

De vanzelfsprekende chemie tussen Les Gray en drummer Dave Mount verdween.

Les trok het schrijven van singles en covers steeds meer naar zich toe, vaak met B-kantjes die maar weinig voorstelden.

Daardoor groeiden Rob en Les stilaan uit elkaar, tot ze eigenlijk gewoon zaten te wachten op het definitieve einde van de groep.

Na hun laatste hit begonnen Rob Davis en bassist Ray Stiles zich stilaan los te wrikken.

Ze zagen het niet meer zitten en hun muzikale voorkeur verschoof naar oudere soulgroepen en opkomende Amerikaanse westcoastbands zoals The Doobie Brothers en Eagles.

Achteraf bekeken werd Mud toen al een heel andere richting uitgeduwd, zonder dat ze het zelf goed en wel beseften.

Toch bleven ze nog enige tijd samen optreden. Er liepen namelijk nog buitenlandse aanbiedingen binnen, al voelde dat vaak als overleven op korte termijn en gebeurde het lang niet altijd met volle goesting.

In 1978 viel dan toch het doek. Het allerlaatste optreden vond plaats in een afgelegen dorpje.

Muzikaal ging het nog wel, maar de sfeer zat helemaal onder het vriespunt en het plezier was definitief weg. Iedereen voelde dat het verhaal geschreven was.

Dave Mount was kort voor dat einde al opgestapt, waarna Rob een tijdje de kost verdiende met studiowerk en het geven van gitaarles.

Ondertussen stampte Les Gray met verse muzikanten een vernieuwde versie van Mud uit de grond.

De vriendschap bleef wel overeind: Rob hielp Les af en toe nog in de studio, al zag hij hem minder vaak, en hij hield ook geregeld contact met Dave, die op dat moment zonder werk zat.

In 1980 belandde Rob bij de Britse doo-wop- en rock-‘n-rollformatie Darts.

Eerst viel hij even in voor de vertrekkende gitarist George Currie, om wat later een vast bandlid te worden.

Hij zou er zo’n twee jaar blijven, tot in 1982.

Zijn uitstraling was intussen een pak nuchterder dan tijdens de wilde Mud-jaren. Grote hits scoorde Darts in die periode amper, maar aan optredens was er geen gebrek: van intieme clubs en kleine zalen tot verre buitenlandse reizen naar Thailand, Korea en Japan.

Bij Mud was het succes vroeger vooral beperkt gebleven tot Engeland, Duitsland en de Benelux.

Rob vond het achteraf gezien best jammer dat ze met Mud nooit die kleinere, directe concerten hadden gespeeld, maar bij Darts kon dat gelukkig wel.

Een echt idool wilde hij sowieso nooit zijn. De muziek primeerde altijd. Die uitzinnige adoratie van vroeger hoefde voor hem niet eens en had hij ook nooit gevraagd.

Op zijn tijd bij Mud keek hij intussen met een heel nuchtere blik terug.

Bij Darts zat hij weer helemaal op zijn plek: omringd door jongere muzikanten, een goedgevulde agenda en elk optreden dat aanvoelde als een echt feestje.

Eind september 1981 liet hij dan ook weten dat hij voorlopig bij Darts bleef. Hij amuseerde zich rot, net zoals de rest van de bende.

De groep had werk en dat was voor hem het allerbelangrijkste.

Hij prees zich gelukkig dat hij opnieuw deel uitmaakte van een band die hem op handen droeg en respecteerde.

Na zijn periode bij Darts gooide Rob Davis het over een heel andere boeg en legde hij zich volledig toe op het schrijven van pop- en dancehits en het studiowerk achter de knoppen.

Dat bleek een schot in de roos: samen met Cathy Dennis pende hij later gigantische wereldhits neer voor Kylie Minogue, waaronder Can’t Get You Out of My Head en Come Into My World.

Ook de andere Mud-leden kenden elk hun eigen verhaal.

Les Gray blies Mud in de jaren tachtig nieuw leven in met een verjongde bezetting.

Zeker in Vlaanderen, Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk was hij een graag geziene gast op nostalgiefestivals en dook hij geregeld op in televisieprogramma’s.

Hij overleed op 21 februari 2004 in een Portugees ziekenhuis aan de gevolgen van keelkanker en een daaropvolgende hartaanval.

Bassist Ray Stiles sloot zich vanaf de jaren tachtig aan bij The Hollies en bleef in de groep tot 20 augustus 2026. Toen de twee kernleden, gitarist Tony Hicks (80) en drummer Bobby Elliott (84), besloten om met pensioen te gaan

Samen met twee nieuwe bandleden treedt hij met de andere muzikanten nog altijd geregeld op onder de naam Mud.

Vier jaar geleden stonden ze trouwens nog gewoon bij ons op het podium in Oudenaarde.

Met drummer Dave Mount liep het helaas heel wat minder goed af. Hij trok zich volledig terug uit de muziekwereld en overleed op 2 december 2006 in het ziekenhuis, na een zelfmoordpoging.

Betty Grable: het Hollywood-icoon dat het hart van Neil Sedaka veroverde

Het nummer Betty Grable van Neil Sedaka verscheen in 1974 op zijn Britse studioalbum Laughter in the Rain.

Sedaka schreef het nummer samen met zijn vertrouwde muzikale partner, tekstschrijver Howard Greenfield, met wie hij al sinds hun tienerjaren talloze klassiekers had afgeleverd.

In een interview legde Sedaka destijds uit waarom hij het nummer heeft geschreven.

Hij zag haar op een avond voorbijkomen in een oude film op televisie en besloot daarom dit eerbetoon te schrijven voor de vrouw op wie hij al zo lang verliefd was.

Het nummer is een nostalgische ode aan zijn jeugd en zijn bewondering voor haar, wat duidelijk blijkt uit de songtekst.

Sedaka zingt over hoe hij als klein kind elke zaterdagmiddag naar de bioscoop ging. Terwijl de andere kinderen voor Mickey Mouse en Donald Duck kwamen, zat hij aan het scherm gekluisterd voor zijn grote filmidool.

Hij zingt dat zijn hele muur vol hing met foto’s van haar, waaronder veel pin-upfoto’s, wat een directe verwijzing is naar haar status als de bekendste Amerikaanse pin-upgirl tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Het nummer vangt precies dat gevoel van nostalgie: de overgang van jongensdromen naar volwassenheid, waarin de glans van zo’n filmster een gekoesterde herinnering blijft.

Elizabeth Ruth Grable werd geboren op 18 december 1916 in St. Louis, Missouri, en groeide uit tot een van de allergrootste kaskrakers van de Amerikaanse filmindustrie.

Gedreven door haar moeder volgde ze van jongs af aan zang-, dans- en acteerlessen.

Al op dertienjarige leeftijd wist ze met een vervalste leeftijd haar eerste rolletjes als koormeisje in Hollywood te bemachtigen.

Gedurende de jaren dertig werkte ze zich gestaag op via bijrollen in diverse studiofilms en speelde ze op Broadway in de succesvolle musical ‘Du Barry Was a Lady’.

Haar definitieve doorbraak volgde rond 1940 bij filmmaatschappij 20th Century Fox, waar ze werd binnengehaald als opvolgster van Alice Faye.

Met haar frisse verschijning, blonde lokken en aanstekelijke energie in kleurrijke technicolor-musicals zoals ‘Down Argentine Way’, ‘Moon Over Miami’ en ‘Springtime in the Rockies’ veroverde ze het grote publiek.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog bereikte haar populariteit een ongekend hoogtepunt.

De befaamde foto die fotograaf Frank Powolny in 1943 van haar maakte, staand in badpak en over haar schouder lachend, werd de meest verspreide pin-up van de hele oorlogsperiode.

Miljoenen Amerikaanse soldaten hingen de foto op in kazernes, scheepsruimen en cockpitruimtes.

Haar benen werden zo beroemd dat filmstudio Fox ze liet verzekeren bij Lloyd’s van Londen voor het toen duizelingwekkende bedrag van één miljoen dollar.

In de jaren veertig en vroege jaren vijftig behoorde Grable steevast tot de best verdienende filmsterren van Hollywood.

Ze schitterde in kaskrakers zoals ‘Mother Wore Tights’ en speelde in 1953 naast Marilyn Monroe en Lauren Bacall in de succesvolle komedie ‘How to Marry a Millionaire’.

Toen de hoogtijdagen van de traditionele filmmusicals medio jaren vijftig voorbij waren, verlegde ze haar werkterrein met veel succes naar theaterpodia, nachtclubs en Broadwayproducties zoals ‘Hello, Dolly!’.

Betty Grable overleed op 2 juli 1973 op 56-jarige leeftijd aan longkanker in Santa Monica, Californië.

Slechts een jaar na haar overlijden brachten Neil Sedaka en Howard Greenfield met hun lied een muzikaal saluut aan deze iconische ster die een hele generatie wist te betoveren.

John Bonham: de onvervangbare hartslag van Led Zeppelin

John Henry Bonham, geboren op 31 mei 1948 in Redditch, Worcestershire, geldt als een van de meest invloedrijke drummers uit de geschiedenis van de rockmuziek.

Als de drijvende kracht achter Led Zeppelin wist hij ongekende kracht te combineren met een verfijnde groove, dynamiek en een feilloos gevoel voor swing.

Zijn unieke status werd decennia later, in 2019, nog eens onderstreept toen het gerenommeerde muziektijdschrift Rolling Stone hem uitriep tot de beste drummer in de geschiedenis van de popmuziek.

Zijn muzikale reis begon al op vijfjarige leeftijd, toen hij ritmes oefende op koffieblikken en voorraadbussen.

Pas rond zijn vijftiende kreeg hij van zijn vader zijn eerste echte drumstel.

Zonder ooit formele drumlessen te volgen, ontwikkelde hij op het gehoor een volstrekt unieke stijl, beïnvloed door Amerikaanse jazz- en soulmuzikanten.

Voordat hij wereldwijd doorbrak, speelde hij in diverse lokale bands, waaronder Terry Web and the Spiders en Band of Joy, waar hij zanger Robert Plant leerde kennen.

Toen gitarist Jimmy Page in 1968 de Yardbirds nieuw leven wilde inblazen en de basis legde voor Led Zeppelin, haalde Plant zijn kameraad Bonham over om mee te doen.

Met Led Zeppelin verlegde Bonham de grenzen van wat een rockdrummer kon doen.

Hij volgde niet louter de basgitaar, maar speelde ritmische contrapunten tegen de gitaarriffs van Page.

Op 25 september 1980 kwam er echter een tragisch en abrupt einde aan zijn leven.

De 32-jarige drummer stikte in zijn eigen braaksel in het huis van bandgenoot Jimmy Page in Londen, na in de 24 uur daarvoor ruim een liter wodka te hebben gedronken.

Uit de officiële autopsie bleek dat er, naast de alcohol, geen andere drugs in het spel waren.

Zijn overlijden betekende direct het definitieve einde van Led Zeppelin.

De overgebleven leden, gitarist Jimmy Page, bassist John Paul Jones en zanger Robert Plant, besloten unaniem om de groep op te heffen vanuit de diepe overtuiging dat Bonham volstrekt onvervangbaar was.

Pas vanaf eind jaren tachtig kwamen de drie bandleden weer incidenteel samen voor speciale live-optredens.

Tijdens deze zeldzame reünies, zoals het historische concert in de Londense O2 Arena in 2007, nam zijn zoon Jason Bonham de plaats in achter het drumstel, waarmee hij de muzikale erfenis van zijn vader met verve eerde.

Een bijzonder en emotioneel eerbetoon vond plaats in 2012 tijdens de uitreiking van de prestigieuze Kennedy Center Honors. De zussen Ann en Nancy Wilson van de Amerikaanse band Heart brachten daar, in aanwezigheid van de overlevende leden van Led Zeppelin en toenmalig president Barack Obama en first lady Michelle Obama, een memorabele versie van Stairway to Heaven.

Ondersteund door een strijkersorkest en een koor nam Jason Bonham ook bij deze gelegenheid met grote precisie de drumpartij voor zijn rekening.

Rond het leven en het legendarische spel van John Bonham zijn door de jaren heen tal van opmerkelijke weetjes en feiten bewaard gebleven:

Zijn bekende bijnaam Bonzo dankte hij aan zijn enorme fysieke kracht achter het drumstel en aan een gelijknamig Brits stripfiguur, het ondeugende hondje Bonzo the Dog.

Tijdens live-uitvoeringen van zijn instrumentale solonummer Moby Dick gooide Bonham regelmatig zijn drumstokken het publiek in om vervolgens minutenlang met zijn blote handen op de snaredrum, pauken en conga’s verder te spelen, net zolang tot zijn knokkels soms bloedden.

Zijn intro op het nummer ‘When the Levee Breaks’, opgenomen in de traphal van het landhuis Headley Grange met behulp van twee hangende microfoons en een natuurlijk galmeffect, groeide uit tot een van de meest gesampelde drumritmes in de muziekgeschiedenis, onder meer veelvuldig gebruikt binnen de vroege hiphopscene.

In tegenstelling tot veel tijdgenoten die dubbele bassdrums gebruikten, speelde hij vrijwel altijd met een enkel bassdrumpedaal.

Zijn rechtervoet was echter zo razendsnel en krachtig dat toehoorders en collega-muzikanten er vaak heilig van overtuigd waren dat hij twee bassdrums bespeelde.

Hoewel hij hield van snelheid, roem en de adrenaline op het podium, leed hij tijdens tournees aan zware heimwee.

Buiten de spotlights trok hij zich het liefst terug op zijn boerderij The Old Hyde Farm in Worcestershire, waar hij Hereford-runderen fokte en aan oude auto’s en tractoren sleutelde.

Van fabrieksarbeider tot wereldster: het bewogen levensverhaal van George Baker

Hans Bouwens kwam ter wereld als enig kind van een Nederlandse moeder en een Italiaanse soldaat in het Duitse bezettingsleger.

Toen zijn vader tegen het einde van de oorlog sneuvelde, ontfermden zijn grootouders zich over hem in Wormerveer, in de Zaanstreek.

Hans moest al vroeg de handen uit de mouwen steken.

Nadat hij op zijn veertiende de schoolbanken vaarwel had gezegd, werkte hij onder meer als kaartjesknipper in de plaatselijke cinema van Krommenie, als leerling-lithograaf, dokwerker in de haven en arbeider in een limonadefabriek.

In 1967 waagde hij zijn kans als zanger bij de Zaanse groep Soul Invention.

De bezetting bestond destijds uit Hans Bouwens zelf op zang en gitaar, George Thé op gitaar, Jan Hop aan de drums, Jacques Greuter op orgel, Henk Kramer op saxofoon en Theo Vermast aan de bas.

Omdat een snelle doorbraak uitbleef, besloten ze amper een jaar later van koers te veranderen en gingen ze voortaan als de George Baker Selection door het leven.

Zowel in interviews als in zijn biografie hield Bouwens altijd vol dat de inspiratie kwam van een goedkope pulproman of stationspocket die hij eind jaren zestig had gelezen.

Het hoofdpersonage heette George Baker. Die naam klonk internationaal, zakelijk en krachtig, wat perfect paste bij de Engelstalige pop en soul die hij wilde maken.

Het bewuste boekje zelf behoorde vermoedelijk tot een van de duizenden anonieme kantoornovelles uit die tijd, waardoor de exacte titel met de noorderzon is verdwenen.

De bezetting van de groep bleef in de jaren daarna evolueren. Rond 1969 werd bassist Theo Vermast vervangen door Jan Visser.

In 1971 maakte Visser op zijn beurt plaats voor Cor Veerman, die in 1974 werd opgevolgd door Martin Schoen.

Datzelfde jaar kreeg de band versterking van zangeres Lida Bond, wiens plaats in 1982 werd ingenomen door de Vlaamse zangeres Nelleke Brzoskowski.

Het nummer Little Green Bag groeide uit tot een van de meest tijdloze en herkenbare klassiekers uit de Nederlandse popgeschiedenis.

Met zijn aanstekelijke baslijn en soulvolle ritme veroverde het nummer bij de release in 1969 meteen de hitlijsten, om decennia later dankzij Hollywood nog eens een iconische status te verwerven.

Hans Bouwens schreef het nummer samen met multi-instrumentalist Jan Visser.

Oorspronkelijk luidde de titel Little Greenback, een rechtstreekse knipoog naar het Amerikaanse dollarbiljet en de fascinatie voor geld.

Bij het drukken van de singlehoes liep het echter mis: de platenfirma noteerde de titel per abuis als Little Green Bag. Baker liet het er niet om liggen en paste de titel officieel aan.

Die administratieve flater gaf het nummer prompt een zweem van mysterie, want generaties luisteraars dachten jarenlang dat de tekst over een groen zakje marihuana ging.

Muzikaal drijft het nummer op een onweerstaanbare basriff van Jan Visser, die vanaf de allereerste tel de toon zet voor een energieke cocktail van rhythm-and-blues, soul en nederpop.

De doorleefde zang van Baker, aangevuld met opzwepende percussie en koperblazers, zorgde voor een internationale sound die ongezien fris klonk voor een debuutsingle uit de Zaanstreek.

Na de release in het najaar van 1969 schoot het nummer pijlsnel omhoog.

In Nederland belandde de single vlot in de top tien, en ook bij ons in Vlaanderen en de rest van Europa werd het een schot in de roos.

De echte verrassing volgde in 1970, toen het nummer zelfs doorbrak in de Verenigde Staten en naar de zestiende plaats klom in de vermaarde Billboard Hot 100, een huzarenstukje voor een debuterende Nederlandse formatie.

Dat succes leverde Bouwens en Visser in 1970 de prestigieuze Zilveren Harp van stichting Conamus op, en op 2 juli van datzelfde jaar mocht de voltallige groep een gouden plaat in ontvangst nemen.

Na de jaren zeventig leek het nummer stilaan een mooie herinnering te worden, tot cineast Quentin Tarantino het in 1992 van onder het stof haalde.

Hij koos Little Green Bag als openingstrack voor zijn regiedebuut Reservoir Dogs.

De openingsscène, waarin een stel gangsters met zwarte maatpakken en zonnebrillen in slow motion over straat kuiert op de tonen van die baslijn, groeide op slag uit tot een van de beroemdste filmscènes ooit.

De film bezorgde het nummer een tweede jeugd. Het werd opnieuw op single uitgebracht, bestormde opnieuw de Europese hitlijsten en werd ontdekt door een hele jonge garde muziekliefhebbers.

Sindsdien bleef het succes nazinderen, waardoor het nummer wereldwijd bleef opduiken in reclamespotjes, televisieseries en verzamelplaten.

In 1975 scoorde hij met Una Paloma Blanca een gigantische hit, waarvan er wereldwijd negen miljoen over de toonbank gingen.

Hoewel hij als een van de weinige Nederlandse artiesten wist door te breken in de Verenigde Staten, kreeg hij vanuit de pers bakken kritiek over zich heen.

Recensenten deden zijn muziek af als prullaria. Hij begreep hun mening wel, maar was vooral tevreden dat het grote publiek er gelukkig heel anders over dacht.

Als bezieler en boegbeeld van de groep die zijn naam droeg, hield hij de touwtjes dan ook strak in handen.

Hij hakte alle knopen door, schreef de nummers en produceerde alle albums.

Hij zwaaide de plak als een volleerde verlichte despoot.

Zolang het succes bleef duren, kraaide daar geen haan naar en legde de rest van de band zich neer bij zijn autoritaire aanpak.

Bovendien vormde hij samen met Jacques Greuter het enige overblijfsel van de oorspronkelijke bezetting.

Over succes en muziek had hij een heel eigen kijk. Hij zag zichzelf destijds allerminst als een virtuoos of muggenzifter, en net dat noemde hij zijn grootste troef.

Van spitstechnologie of notenleer had hij geen kaas gegeten.

Volgens hem was die overdaad aan kennis voor veel muzikanten net een valkuil: ze begonnen te ver te zoeken, maakten vooral muziek voor zichzelf en verloren zo de voeling met het brede publiek.

Wanneer hij de studio instapte, zat het nummer al van a tot z in zijn hoofd.

Er werd doorgewerkt tot het voor hem helemaal goed zat.

Van dat eindeloze gefriemel aan de knoppen moest hij niets weten, omdat een plaat daar maar artificieel van ging klinken.

Ook naar zijn groepsleden toe stelde hij geen onmogelijke eisen.

Het waren geen wonderkinderen of uitzonderlijke talenten, maar dat had hij net liever niet, want zulke genieën vond hij maar riskant binnen een groep.

Zijn muzikanten speelden puur op het gevoel en voelden de sfeer perfect aan.

Ook bij het schrijven van nieuwe muziek bleef hij trouw aan zijn beproefde recept.

Zoiets liet zich niet plannen; ideeën kwamen op de meest onverwachte ogenblikken dan ook naar boven.

Soms liep hij dagenlang rond met een melodie in zijn hoofd zonder ook maar één noot neer te pennen.

Pas als hij het nummer vanbuiten kende, trommelde hij de band op om de studio in te duiken.

Hij vond het achteraf gezien alleen jammer dat er destijds te weinig tijd overbleef om aan de teksten te schaven.

Hij had graag echte verhalen verteld over zijn eigen verleden: de armoede, de miserie en zijn jeugdjaren tussen de fabrieksarbeiders.

In de decennia die volgden, bleef zijn stempel op de muziekwereld bijzonder groot en volgde de erkenning voor zijn volledige oeuvre.

In 1985 stampte hij een nieuwe bezetting van de George Baker Selection uit de grond, die vier jaar later definitief stopte.

Zijn levenswerk werd in 2011 bekroond met de TrosKompas Oeuvre Award.

Alles samen bracht hij achtentwintig albums en negenenvijftig singles uit, behaalde hij vijftig gouden en platina platen, schreef hij zeshonderd nummers en gingen er zowat vijfentwintig miljoen exemplaren over de toonbank.

Zijn laatste album, Seventy, kwam uit in 2014.

Op privévlak stapte hij in 1986 in het huwelijksbootje met Blanche Remeeus.

Uit zijn twee huwelijken kwamen in totaal zeven kinderen voort, en hij zag ook zeven kleinkinderen opgroeien.

Met de jaren doken er wel fysieke kwaaltjes op.

Sinds een coronabesmetting in het voorjaar van 2022 sleepte hij de kwalijke gevolgen van het virus met zich mee.

Vooral zijn gehoor ging er flink op achteruit, wat het zuiver zingen bijzonder lastig maakte.

Door die gehoorproblemen moest hij eind 2023 noodgedwongen zijn theatertournee stopzetten, simpelweg omdat hij de juiste toon niet meer kon aanslaan.

Hij gaf destijds aan dat hij het hooguit een halfuurtje kon uitzingen.

Ondanks die mindere periodes bleef de intussen 81-jarige Baker niet bij de pakken neerzitten; hij bleef verknocht aan de muziekwereld en staat af en toe nog op de planken.

50 jaar geleden, reclame voor het album River Song van George Baker Selection (september – oktober 1976)

In de boot met George Baker (Joepie 19 september 1976)

George Baker, ik word kotsmisselijk van al die vedettenkapriolen (Joepie 26 september 19976)

55 jaar geleden, Creedence Clearwater Revival in het Sportpaleis

In de vroege jaren zeventig stond Creedence Clearwater Revival op een absoluut hoogtepunt.

Dat was ook te merken tijdens hun indrukwekkende Europese tournee van 4 tot 28 september 1971.

De Californische band reisde toen met een eigen privévliegtuig, een luxe die destijds alleen voor de allergrootste wereldsterren was weggelegd. Van die tournee verscheen later het livealbum Live in Europe.

Eerder speelden ze al in Nederland, op 10 september 1971 in het Concertgebouw in Amsterdam.

Op 24 september 1971 landde Creedence Clearwater Revival met hun privéjet op de luchthaven van Deurne.

Ondanks hun status maakten de muzikanten in België op een toegankelijke manier contact met de aanwezige fans.

Tijdens de paspoortcontrole praatte een douanebeambte, zelf muzikant in een lokaal orkestje, graag even met hen.

Hij vond hun muziek wel goed, maar zwoer dat The Shadows voor hem nog altijd bovenaan stonden.

John Fogerty, de onbetwiste leider en creatieve motor van de groep, werd vergezeld door zijn vaste bandleden Douglas Ray Clifford op drums en Stuart Cook op basgitaar.

Fogerty kreeg handtekeningenverzoeken en bewonderende blikken van een paar meisjes.

Met een cassetterecorder om zijn nek stapte hij samen met de rest van de groep in een taxi.

Tussen de hectische optredens door hechtten de groepsleden veel waarde aan rust en ontspanning.

Muziek luisteren via koptelefoons was voor hen een essentiële manier om de batterijen op te laden en te ontsnappen aan de constante druk van het toeren.

Achter de schermen werd de band ondersteund door die vaste ploeg medewerkers, die ervoor zorgden dat de logistiek rond de internationale concerten vlekkeloos verliep.

Onderweg, van concert naar concert, deden ze volgens hen vooral één ding: relaxen.

Ze kwamen net uit Stockholm, waar de band volgens hen een geweldig onthaal had gekregen.

In het Century Hotel in Antwerpen vertelde Fogerty tijdens de persvoorstelling hoe de groepsnaam tot stand was gekomen.

In 1959, toen hij ongeveer veertien was, startte hij met Doug Clifford en Stu Cook een bluesgroepje.

Fogerty speelde piano, Cook gitaar en Clifford drums.

Ze heetten toen The Blue Velvets en traden op schoolfeesten op.

Een manager veranderde hun naam in The Golliwogs en stak hen in rare hoedjes.

Daar kregen ze al snel genoeg van. Ze namen afscheid van die manager en begonnen in 1969 opnieuw. Toms broer Tom Fogerty speelde intussen ook gitaar mee.

‘Creedence’ stond voor hun geloof in het nieuwe plan. ‘Clearwater’ kwam van een tv-reclame voor Olympia-bier, met ‘ongelooflijk helder water’. ‘Revival’ verwees naar de herstart.

Eerst speelden ze covers als ‘Screamin” van Jay Hawkins en ‘Suzie Q’ van Dale Hawkins.

Daarna schreven ze zelf hits als Proud Mary en Bad Moon Rising.

Het optreden in het Antwerpse Sportpaleis was een krachtige vertoning van hun kenmerkende stijl: rauwe rock met heldere, herkenbare melodieën.

De zaal was tot de nok toe gevuld met een enthousiaste menigte die de Amerikaanse beatgroep met open armen ontving.

Toen de omroeper ‘straight from California, the Creedence Clearwater Revival’ aankondigde, barstte het los.

De geluidsinstallatie was keihard. Het gehoor van sommigen was pas twee dagen later weer normaal.

De setlist van die avond was: ‘Born on the Bayou’, ‘Green River’, ‘It Came Out of the Sky’, ‘Door to Door’, ‘Travelin’ Band’, ‘Fortunate Son’, ‘Commotion’, ‘Lodi’, ‘Bad Moon Rising’, ‘Proud Mary’, ‘Up Around the Bend’ en ‘Hey Tonight’.

Het hoogtepunt van de show waren ‘Proud Mary’ en ‘Bad Moon Rising’.

Het optreden eindigde abrupt, zonder toegiften, alleen met ‘Good night, we thank you, we love you all.’

Niet iedereen was tevreden. Sommige jonge bezoekers vonden het ticket van 150 frank, omgerekend naar de koopkracht van vandaag ongeveer 25 euro, te duur.

Ze hadden de band moderner verwacht. Volgens hen was hun tijd voorbij.

Na afloop zei de groep dat ze naar Stockholm terugkeerden.

Ze hadden daar eerder in een hotel gelogeerd dat op een kasteel in de bossen leek, met kandelaars en lakeien. Daar wilden ze opnieuw ongestoord relaxen.

Het verblijf markeerde een gedenkwaardig moment in de Belgische muziekgeschiedenis.

De ongekende populariteit van de band uit de Bay Area werd die dag in Antwerpen tastbaar

Vandaag, op 23 september, mag Julio Iglesias maar liefst 83 kaarsjes uitblazen.

Met meer dan driehonderd miljoen verkochte platen wereldwijd, verdeeld over zo’n tachtig albums, geldt hij zonder twijfel als een van de succesvolste artiesten aller tijden.

Hij staat zelfs in het Guinness Book of World Records als de bestverkopende Latijns-Amerikaanse artiest in de geschiedenis, en wist hits te scoren in meer dan veertien verschillende talen, waaronder het Frans, Italiaans, Engels en zelfs Japans.

Toch hadden zijn verjaardagen er heel anders kunnen uitzien, want feestvieren was vroeger niet altijd vanzelfsprekend.

Als jonge twintiger leek Julio namelijk voorbestemd voor een glorieuze sportcarrière.

Hij stond als talentvolle doelman onder de lat bij de jeugdopleiding van Real Madrid en droomde van een professionele voetbalcarrière, terwijl hij tegelijkertijd rechten studeerde.

Op de vooravond van zijn twintigste verjaardag sloeg het noodlot echter keihard toe.

Door een zwaar auto-ongeluk belandde hij in het ziekenhuis. Zijn onderlichaam raakte verlamd en artsen vreesden dat hij nooit meer op eigen benen zou staan.

Tijdens zijn langdurige revalidatie gaf hij niet op en trainde hij onvermoeibaar door. Om de beweeglijkheid in zijn vingers en handen te verbeteren, gaf een verpleger hem een gitaar cadeau.

Het bleek een wonderlijke speling van het lot: aan het ziekenhuisbed ontdekte Julio zijn passie voor poëzie en muziek, en leerde hij zichzelf akkoorden spelen.

De voetbalschoenen verdwenen definitief in de kast en de muziek nam zijn leven over. In 1968 won hij het prestigieuze Benidorm International Song Festival met ‘La Vida Sigue Igual’, een zelfgeschreven nummer over zijn eigen strijd en herstel.

Slechts twee jaar later, in 1970, vertegenwoordigde hij Spanje op het Eurovisiesongfestival in Amsterdam met het lied ‘Gwendolyne’, waar hij een verdienstelijke vierde plek behaalde.

Zijn echte Europese doorbraak volgde in 1972 met het weemoedige ‘Un Canto A Galicia’, een ode aan de streek waar zijn vader vandaan kwam.

De jaren die volgden markeerden het begin van een internationale zegetocht van ruim 45 jaar.

In 1975 verscheen het prachtige ‘Abrazame’, geschreven door Rafael Ferro en Julio zelf.

Het nummer verscheen destijds op de B-kant van de single ‘Quiero’, en beide nummers vonden hun thuis op het album El Amor.

Voor veel fans behoort de kwetsbare en warme melodie van ‘Abrazame’ nog altijd tot de mooiste parels uit zijn omvangrijke repertoire.

Later veroverde hij ook Amerika stormenderhand met duetpartners als Willie Nelson met ‘To All the Girls I’ve Loved Before’ en Diana Ross.

Bovendien gaf hij het muzikale talent door aan de volgende generatie, met zoons Julio Jr. en superster Enrique Iglesias.

Zijn laatste studioalbum, México & Amigos, verscheen in 2017.

Bij de lancering liet de zanger weten dat dit definitief zijn afscheid van de studio betekende.

Tegenwoordig geniet de jarige zanger in relatieve rust van zijn welverdiende pensioen op zijn riante landgoederen in Punta Cana in de Dominicaanse Republiek en in Florida, al blijft zijn legendarische stem over de hele wereld voortklinken.

Van pechvogel naar wereldsucces: het verhaal van Liverpool Express en manager Hal Carter

In september 1976 kwam het succes precies op tijd voor Liverpool Express.

De voorafgaande maanden waren bijzonder moeizaam verlopen voor de band.

Eerst begaf hun bestelbus het, vervolgens liet de zanginstallatie het afweten en daarna ging een geleende auto stuk.

Tot overmaat van ramp sneuvelde er een set gloednieuwe luidsprekers van duizend pond per stuk, destijds omgerekend ruim 1670 euro, maar door de inflatie naar de maatstaven van vandaag vergelijkbaar met een slordige zevenduizend tot achtduizend euro. Uiteindelijk gaf ook de gitaar van een van de groepsleden de geest.

Het was uitsluitend te danken aan de steun van hun manager Hal Carter en de financiële rugdekking van de platenmaatschappij dat de formatie na die rampzalige periode overeind bleef.

De groep stond namelijk op het punt de handdoek in de ring te gooien, zeker nadat ook hun debuutsingle ‘Smile My Smiler’s Smile’ al was geflopt.

Voor bassist Billy Kinsley, een goedgehumeurde blonde muzikant, was het niet de eerste keer dat hij door zwaar weer ging.

Eerder maakte hij al naam met The Merseybeats en The Merseys. Als tiener bezocht Billy geregeld The Cavern Club om The Beatles te zien optreden, waardoor hij al snel door het rockvirus werd gegrepen.

In 1963 had hij naar eigen zeggen alles in huis om er vol voor te gaan: een zelfgebouwde basgitaar, een leren outfit, een flinke afkeer van Cliff Richard en een voorliefde voor nummers zoals ‘Red River Rock’.

Samen met Tony Crane, John Banks en Aaron Williams richtte hij The Merseybeats op, die eind 1963 debuteerden met ‘It’s Love That Really Counts’ van Burt Bacharach en Hal David.

Doordat managers en zaakwaarnemers hen financieel uitbuitten, bleven uiteindelijk enkel Kinsley en Crane over om als The Merseys verder te gaan, waarmee ze scoorden met ‘Sorrow’.

Later sloot Billy zich aan bij de band rond Jackie Lomax en verrichtte hij de nodige studiowerkzaamheden voor Apple Records, het platenlabel van The Beatles, totdat zakelijk leider Allen Klein daar flink bezuinigde en er voor Kinsley amper nog werk overbleef.

Ondertussen traden Tony Coates, Roger Craig en drummer Derek Cashin op onder de naam Paper Chase.

Dit trio ontmoette Billy Kinsley tijdens een wekelijkse vriendschappelijke voetbalwedstrijd waar lokale muzikanten samenkwamen.

Die partijtjes dienden niet alleen om fit te blijven, maar boden de beroepsmuzikanten ook de gelegenheid om nieuwtjes uit te wisselen over opgeheven groepen, lopende projecten en verse platencontracten. Zodra de vier heren hun eerdere verplichtingen hadden afgerond, besloten ze een nieuwe band te vormen.

Hun manager bedacht, bij gebrek aan een beter alternatief, de groepsnaam Liverpool Express.

In de zomer van 1975 volgde hun eerste tournee en verscheen hun debuutsingle, die commercieel gezien weinig deed.

Ondanks die tegenvaller dook het viertal opnieuw de studio in om aan te tonen hoe veelzijdig ze waren als songwriters.

‘You Are My Love’ werd geschreven door Billy Kinsley en Roger Craig, die beiden lid waren van de groep.

Kinsley schreef de basis van het nummer thuis toen hij enkele dagen alleen zat en zich somber voelde.

Tijdens een volgende repetitie werkte Roger Craig het nummer samen met hem uit.

Aanvankelijk dachten ze dat het het slotakkoord van de groep zou zijn en schonken ze er verder weinig aandacht aan.

Billy overwoog dan ook geenszins om het als single uit te brengen.

De uiteindelijke release verliep echter via een bijzondere omweg.

Derek Taylor, topman bij platenmaatschappij Warner Bros., nam een bandje met opnames mee naar huis en liet het aan zijn zes kinderen horen. Twee van hen wezen ‘You Are My Love’ aan als de ideale single.

Van enige vergelijking met The Beatles of Badfinger kon bij die jonge kinderen uiteraard geen sprake zijn, aangezien ze nauwelijks hun eigen naam konden schrijven.

De keuze van de kinderen bleek een schot in de roos, want de ballade groeide in Groot-Brittannië uit tot een volwaardige hit, terwijl ook de rest van Europa in september 1976 klaargestoomd werd voor de doorbraak van de band en er ondertussen volop werd gewerkt aan een debuutalbum.

In Nederland bereikte het nummer uiteindelijk de twaalfde plaats in de Nederlandse Top 40, al bleef een notering in Vlaanderen vreemd genoeg uit, waar het nummer de BRT Top 30 niet eens wist te bereiken.

Overigens kreeg de compositie later nog een bijzonder groot compliment uit wel heel deskundige hoek: niemand minder dan Paul McCartney riep ‘You Are My Love’ ooit uit tot een van de beste songs die ooit zijn geschreven.

In hun thuisland scoorde de formatie daarna nog bescheiden hits met nummers als ‘Every Man Must Have a Dream’ en ‘Hold Tight’.

In 1977 volgde hun laatste officiële Britse hitsingle met het nummer ‘Dreamin”, dat destijds piekte op de veertigste plaats in de Britse hitlijsten.

Opvallend is dat de groep in Zuid-Amerika, en met name in Brazilië, een gigantisch veel grotere hitstatus genoot dan in Europa.

De drie singles ‘You Are My Love’, ‘Every Man Must Have a Dream’ en ‘Dreamin” stormden daar allemaal door naar de absolute nummer één-positie.

Ze waren destijds zelfs de allereerste band die daar een grootschalige stadiontournee deed voor honderdduizenden uitzinnige fans.

Dat de band destijds kon rekenen op Hal Carter, was een geluk bij een ongeluk.

De Hal Carter Organisation was een Brits bureau voor artiesten- en muziekmanagement, opgericht in 1968 door Hal Carter, een Britse producer, manager en songwriter.

Zijn loopbaan begon op een bijzondere plek: in de piste van het Bertram Mills Circus.

Dit was een van de beroemdste en meest prestigieuze Britse circussen van de twintigste eeuw. Het circus bestond van 1920 tot 1967 en stond bekend als The Quality Show vanwege de ongekend hoge kwaliteit van de acts.

Niet veel later maakte hij de overstap naar de muziekwereld toen impresario Larry Parnes hem vroeg als roadmanager voor Marty Wilde.

In de jaren die volgden leerde Carter de fijne kneepjes van het vak door op pad te gaan met rockiconen als Eddie Cochran, Johnny Burnette, Brenda Lee, Gene Vincent en Billy Fury.

Begin jaren zestig verzorgde hij de podiumshows en tournees voor topbands als The Kinks, The Troggs en The Who, waarna hij de sprong waagde en zijn eigen bureau startte.

Toen hij zich ook op het produceren van platen richtte, volgde het succes al snel.

Na een reeks sterke producties voor Billy Fury scoorde hij met Liverpool Express, een handvol tijdloze hits in het Verenigd Koninkrijk, Europa en Zuid-Amerika.

Ook met de formatie Coast to Coast wist hij vervolgens twee keer de Britse hitlijsten te bestormen.

In 1994 stond Carter aan de wieg van de eerste Solid Gold Rock’n’Roll Show.

De concertreeks werd een enorm succes voor uitverkochte zalen en keerde in de jaren erna nog diverse keren terug op de planken. Tegen het einde van de jaren negentig drukte hij zijn stempel op grote Britse tournees zoals de Solid Silver Sixties en The Illegal Eagles.

Bovendien bracht hij in 2000 de immens populaire eerbetoonband Rumours of Fleetwood Mac op gang voor hun concerten in het Verenigd Koninkrijk.

Zijn agentschap bouwde een indrukwekkend artiestenbestand op, met namen als Slade, The New Seekers, John Leyton, Eden Kane en White Plains met zanger Tony Burrows, naast succesvolle producties zoals The Carpenters Story en Blondie Goes to Hollywood.

Carter stond bekend om zijn grote toewijding aan zijn artiesten en het publiek.

Naast zijn commerciële werk zette hij zich regelmatig in voor grootschalige liefdadigheidsevenementen, waaronder een benefietshow in Londen voor Marie Curie-verpleegkundigen en optredens voor de Variety Club in Cardiff.

Ook buiten het Verenigd Koninkrijk liet hij van zich horen, onder meer met zijn vaste betrokkenheid bij de Golden Years Show in het Antwerpse Sportpaleis en het Britse Chelmsford Festival.

De allerlaatste editie van de populaire nostalgieshow The Golden Years in het Sportpaleis (inmiddels bekend als de AFAS Dome) in Antwerpen vond plaats op zaterdag 14 december 2013.

Het was de vijfentwintigste en tevens finale editie van dit langlopende muziekfeest voor golden oldies, met optredens van onder meer Dave Edmunds, Albert Hammond, Slade, Alvin Stardust, The Sweet en The Rubettes.

Hal Carter, geboren als Harold Carter Burrows op 13 juli 1935, overleed op zijn negenenzestigste verjaardag op 13 juli 2004.

Vandaag is het precies vijf jaar geleden dat de Amerikaanse zangeres Sarah Dash van de meidengroep Labelle overleed.

Dash werd geboren in 1945 en richtte begin jaren 60 samen met Patti LaBelle, Nona Hendryx en Cindy Birdsong the Bluebelles op.

Als kwartet scoorden ze in die beginperiode een bescheiden hit in de Verenigde Staten met “I Sold My Heart to the Junkman”.

Eind jaren 60 vertrok Birdsong naar The Supremes, bekend van iconische nummers als “You Can’t Hurry Love” en “Stop! In the Name of Love”.

Na haar vertrek gingen LaBelle, Hendryx en Dash verder als trio onder de naam Labelle, waarmee ze gestaag bouwden aan hun R&B-carrière.

De grote internationale doorbraak volgde in 1975 met de monsterhit “Lady Marmalade (Voulez-vous coucher avec moi ce soir?)”, afkomstig van het succesvolle album “Nightbirds”.

Het nummer werd geschreven door Kenny Nolan en Bob Crewe, die samen ook verantwoordelijk waren voor “My Eyes Adored You”.

Crewe geniet daarnaast grote bekendheid als medecomponist van de wereldhit “Can’t Take My Eyes Off You”.

De productie van “Lady Marmalade” lag in de vakkundige handen van Allen Toussaint.

Ook bij ons deed het nummer het fantastisch: het bereikte de derde plaats in de Vlaamse BRT Top 30 en klom naar de tweede plaats in de Nederlandse Top 40.

De twee albums die snel na “Nightbirds” verschenen, wisten dat gigantische succes niet te evenaren en braken minder potten.

Pas in 2008 brachten de dames met “Back to Now” weer een gezamenlijk album uit.

Tussendoor timmerde Sarah Dash aan een sololoopbaan met vier eigen albums en leende ze haar herkenbare stem aan projecten van onder anderen Nile Rodgers, Keith Richards en The Rolling Stones.

Buiten de muziek zette ze zich met hart en ziel in voor verschillende goede doelen, waaronder een campagne om de coronavaccinatiegraad in de Verenigde Staten op te krikken.

De zaterdag voor haar overlijden stond Dash nog zij aan zij met Patti LaBelle op de planken.

Na haar heengaan bracht LaBelle een warm eerbetoon op Instagram: “Sarah Dash was een ontzettend getalenteerde, mooie en liefdevolle ziel die mijn leven en het leven van vele anderen geraakt heeft.

Haar geest en wat ze de wereld gegeven heeft, blijft voortleven.”

Brits supermodel, actrice en zangeres Twiggy, geboren als Lesley Hornby, mag vandaag 77 kaarsjes uitblazen

Het Britse supermodel, de actrice en zangeres Twiggy, geboren als Lesley Hornby, mag vandaag 77 kaarsjes uitblazen.

Zij werd op 19 september 1949 geboren in Neasden, een wijk in het noordwesten van Londen.

Ze groeide op in een arbeidersgezin en brak in 1966 op zestienjarige leeftijd plotseling door in de modewereld.

Haar kenmerkende uiterlijk ontstond nadat kapper Leonard of Mayfair haar haar in een korte, jongensachtige coupe knipte en fotograaf Barry Lategan een reeks portretten van haar maakte, waarna ze werd uitgeroepen tot The Face of 1966.

Met haar tengere postuur, androgyne stijl en opvallend opgemaakte ogen met getekende wimpers werd Twiggy het visuele boegbeeld van de Swinging Sixties en de opkomende jeugdcultuur.

Ze sierde de covers van toonaangevende modebladen en reisde de wereld rond voor modeshows en fotoshoots.

Ondanks haar immense succes besloot ze in 1970, na slechts vier jaar op het hoogste niveau, te stoppen met fulltime modellenwerk, omdat ze niet haar hele leven als paspop wilde fungeren.

Vervolgens bouwde ze een veelzijdige carrière op in de amusementsindustrie.

In 1971 maakte ze haar filmdebuut in The Boy Friend, geregisseerd door Ken Russell.

Voor deze rol won ze twee Golden Globe Awards, zowel voor beste actrice in een komedie of musical als voor meest veelbelovende nieuwkomer.

In september 1976 stelde Twiggy dat een kind mooier was dan een carrière.

Dat had men overigens toen erg slim aangepakt.

Voor haar allereerste concert werd namelijk de Royal Festival Hall afgehuurd.

De voltallige jetset uit Londen was daar uitgenodigd.

Het ging bovendien om een benefietconcert voor kinderen met een beperking.

Het getuigde van een enorme dosis moed, zelfvertrouwen en gezonde sterallures om je debuut als zangeres in zo’n setting te maken.

Popsterren, miljonairs, tv-persoonlijkheden en scherpe journalisten zaten klaar om haar af te serveren.

Maar eenmaal in de schijnwerpers stond daar een charmante vrouw, stijlvol gekleed en zelfs een tikkeltje voller.

De tijd was voorbij waarin Twiggy als een wandelende tak of kapstok werd weggezet.

Later verklaarde ze daarover dat haar eigen magere figuur haar bleef achtervolgen.

Ze werd er gek van en kon het niet verkroppen dat ze geen borsten had.

Uiteraard had ze met haar uiterlijk miljoenen binnengehaald, maar als vrouw had ze plots genoeg van dat lichaam.

Ze had daarom een hormoonbehandeling ondergaan, waardoor ze wat zwaarder was geworden en vormen had gekregen, iets waar ze toen bijzonder trots op was.

Haar binnenkomst in de Royal Festival Hall was daarmee een feit.

Toen brak het moment van de waarheid aan: kon ze echt zingen? Het orkest zette in en de verbazing sloeg opnieuw toe bij de trendgevoelige Londenaren.

Met een zekere en aangename stem bewoog ze zich vlot door een flink aantal fijne nummers, meestal met een subtiel, vlot countrytintje. Haar debuutsingle “Here I Go Again” bleek goed voor een reprise. Het verwende publiek ging overstag; Twiggy was een ster.

Ze spreidde in die periode haar vleugels uit naar het Europese vasteland.

Eerst stond een optreden in Toppop op de planning en daarna zou ze wel zien. Haar single “Here I go again” was in het Verenigd Koninkrijk in elk geval al aangeslagen.

Twiggy kwam over als een innemende vrouw.

Ze was toen smoorverliefd op de Amerikaanse acteur Michael Whitney, die ze op een filmset had leren kennen.

Ze wilden trouwen, al voelde Whitney zich wat gekrenkt door het plotselinge succes van zijn aanstaande.

Hij stond als acteur immers in haar schaduw, iets waar ijdele mannen steeds moeite mee hebben.

Twiggy wilde dolgraag trouwen. Ze gaf aan dat ze te veel levens tegelijk had geleid.

Als internationaal topmodel werd je over de aardbol gesleept tot je nauwelijks nog besefte waar je was of wat er met je gebeurde.

Het was een aaneenschakeling van kleding wisselen en achter jezelf aan hollen.

Nu verlangde ze in 1976 naar een gezin.

Ze vond dan ook een kind krijgen, mooier dan een carrière.

Dat liet zich makkelijk zeggen wanneer je al een glansrijke loopbaan achter de rug had, maar ze meende het oprecht.

Ze werd toentertijd nog steeds gecoacht door Justin de Villeneuve, haar ontdekker en voormalige partner.

Hij trad op als haar vaste steun en toeverlaat. De Villeneuve herinnerde zich dat hij haar ooit aantrof in een kapsalon waar ze als scholiere wat bijverdiende.

Hij zag meteen haar blik en voelde de kracht in dat jonge meisje, en daarin had hij zich niet vergist.

De pers vroeg zich toen af of Twiggy een vrouw was of een merkproduct.

Wellicht probeerde ze van haar vrouwelijkheid een product te maken.

Dat kon best, want ze bezat genoeg persoonlijkheid om zich niet te laten reduceren tot een stuk handelswaar in de handen van gladde zakenlui.

Daarvoor had ze simpelweg te veel klasse.

Twiggy had die zeldzame sterrenkwaliteit; je bezit die nu eenmaal of niet, en zij had die in overvloed.

Een bestaan als topmodel volstond niet voor haar. Ze had films gemaakt en sinds enkele weken werd ze in Engeland erkend als volwaardig zangeres.

Dat was een grote prestatie. Kosten noch moeite waren gespaard om het voormalige fotomodel aan een nieuwe muzikale carrière te helpen.

Haar platenlabel had kapitale bedragen geïnvesteerd om de kritische Britse muziekliefhebber ervan te overtuigen dat Twiggy daadwerkelijk kon zingen.

Er moest immers eerst een berg scepsis worden overwonnen om dat geloofwaardig over te brengen.

Waar De Villeneuve zich destijds wel in had vergist, was haar stem.

Hij herinnerde zich dat ze destijds klonk als een hese kraai, maar tien jaar later blies ze de zaal van de Royal Festival Hall omver.

Wat bezielde een jonge vrouw met zo’n achtergrond om dergelijke risico’s te nemen?

Twiggy verklaarde dat dit puur haar stijl en karakter was.

Er leefde in haar een sterke drang om zich telkens opnieuw te bewijzen.

De frustratie van elk topmodel was volgens haar dat je jezelf op den duur beu raakte. Uitsluitend intens in de camera staren vond ze hersenloos werk: hoe langer je ermee doorging, hoe zinlozer het voelde.

Daardoor ontstond de noodzaak om aan de buitenwereld, maar vooral ook aan zichzelf, te tonen wat ze werkelijk in haar mars had.

Ze was die avond met lood in de schoenen het podium opgestapt.

De zenuwen gierden door haar keel, maar diep vanbinnen hield een stem haar voor dat dit het doel was waar ze jarenlang naar had uitgekeken en dat ze nu moest leveren.

Dus begon ze te zingen. Aanvankelijk verliep het nog verkrampt, maar geleidelijk hervond ze haar rust.

Het besef van eigenwaarde dat haar daartoe dreef, kwam terug, en zo’n kentering voelde de zaal meteen feilloos aan.

Het werd een prachtige ervaring en de rest van het concert verliep vlekkeloos.

Twiggy profileerde zich overigens niet alleen als zangeres; er verscheen destijds tevens een autobiografie van haar die in het Verenigd Koninkrijk als zoete broodjes over de toonbank ging.

Ze bleek geen alledaagse schrijfster en leverde hele passages af in het Cockney-dialect om het net even anders aan te pakken.

Daarin was ze geslaagd: Twiggy bleef onvermoeibaar zoeken naar manieren om haar publiek te verrassen, al was die constante bewijsdrang ronduit slopend.

Ze bleef acteren in films, televisieseries en theaterproducties.

In 1983 maakte ze haar debuut op Broadway in de musical ‘My One and Only’, wat haar een nominatie voor een prestigieuze Tony Award opleverde.

Naast acteren bracht ze diverse muziekalbums uit in genres variërend van pop en country tot musicalrepertoire.

In latere decennia bleef ze actief in de publieke belangstelling.

Tussen 2005 en 2007 zat ze vier seizoenen lang in de jury van het televisieprogramma America’s Next Top Model.

Rond dezelfde periode keerde ze terug in de modewereld als het gezicht van een grote Britse winkelketen, waarmee ze bewees ook op rijpere leeftijd een breed publiek aan te spreken.

Daarnaast zette ze eigen kleding- en cosmeticalijnen op.

Op persoonlijk vlak trouwde ze in 1977 met acteur Michael Witney, met wie ze een dochter kreeg; Witney overleed in 1983.

In 1988 trad ze in het huwelijk met acteur Leigh Lawson.

Voor haar decennialange verdiensten voor de mode, de kunsten en liefdadigheid werd ze in 2019 benoemd tot Dame Commander of the Order of the British Empire.

Vandaag de dag brengt ze veel tijd door met haar man, kinderen en kleinkinderen.

Ondanks dat haar laatste album Romantically Yours al van 2011 dateert, zit ze op muzikaal vlak zeker niet stil: ze werkt nog steeds aan muziekprojecten en neemt nieuwe nummers op.

Daarnaast presenteert ze haar eigen podcast. De jarige Twiggy is daarmee nog altijd volop actief, verschijnt af en toe opnieuw voor de camera en blijft tot op de dag van vandaag een tijdloos stijlicoon.

Gisteren nog vandaag

Siouxsie Sioux: van eigenzinnig punkicoon tot tijdloze muzieklegende

In 1981 belichtte Siouxsie haar grimmige kijk op de wereld met de stelling dat vrolijke toestanden geen inhoud hadden.

De zangeres met het zwarte, verwarde piekhaar was samen met The Banshees verantwoordelijk voor het destijds pas verschenen album ‘Ju-Ju’.

Voor het grote publiek leek ze bepaald niet op het vriendelijke buurmeisje.

Haar nummers gingen doorgaans over de donkere, sombere kanten van het bestaan en een lach op haar gezicht was een zeldzaamheid.

Sommigen bestempelden haar zelfs als de ‘Ijskoningin van de rock’. In werkelijkheid klopte dat afstandelijke beeld niet met wie ze was.

In een openhartig gesprek doorprikte ze dat kille imago en liet ze zien dat ze dol was op dieren, prima kon opschieten met haar moeder en tijd vrijmaakte voor goede doelen.

Aan labels had Siouxsie destijds een broertje dood.

Ze gaf toe geen flauw idee te hebben wie haar de bijnaam Ijskoningin had gegeven.

Zulke typeringen raakten volgens haar kant noch wal; ze vermoedde dat iemand vond dat die naam beter bij haar paste dan bijvoorbeeld Sneeuwwitje.

Vanaf het begin was het haar bedoeling geweest om het publiek te prikkelen met haar kleding en muziek.

Rond 1976 behoorde ze tot de pioniers van de punkbeweging.

Haar wilde zwarte kapsel werd door duizenden jongeren nagebootst, onder wie Nina Hagen.

Tegen 1981 stond ze aan het roer van een Britse topband.

Hoewel de toekomst er rooskleurig uitzag, bleef ze worstelen met onzekerheden en gaf ze ruiterlijk toe dat ze bang was voor het moment waarop ze ouder zou worden.

Die persoonlijke kant had ze lange tijd voor de buitenwereld verborgen gehouden.

Omdat haar reputatie minder belangrijk voor haar was geworden, sprak ze opener over haar privéleven.

Zo trok ze zich het lot van dieren enorm aan.

Op haar eerdere album had ze in het nummer ‘Skin’ fel uitgehaald naar de jacht op zeehondenjongen.

Toen ze nog thuis woonde, ving ze samen met haar moeder voortdurend zwerfkatten en gewonde vogels op om ze te verzorgen.

Ze koesterde sowieso veel respect voor haar moeder, ook al voldeed ze niet aan het ideaalbeeld van de keurige dochter.

Haar moeder had ooit gehoopt dat ze secretaresse zou worden, maar dat plan had ze al snel laten varen, al bleef de band tussen hen hecht.

Toentertijd woonde Siouxsie op zichzelf in een appartement.

Ze liet niet veel los over vriendschappen, maar vertelde wel dat ze regelmatig werd meegevraagd voor een avondje uit.

Het succes dat ze in die periode oogstte, veranderde weinig aan haar levensstijl of werkwijze.

Ze was vastbesloten om duistere muziek te blijven maken.

Zodra songs te braaf of oppervlakkig werden, verloren ze volgens haar elke betekenis.

Vrolijkheid om de vrolijkheid zei haar weinig, omdat zulke situaties naar haar mening zelden echte diepgang hadden.

Haar allerlaatste uitgebrachte originele nummer was ‘Love Crime’ uit 2015, dat speciaal werd opgenomen voor de finale van de tv-serie Hannibal.

Haar enige solostudioalbum, Mantaray, stamt uit 2007.

Haar meest bekende relatie was met Peter Clarke, beter bekend als Budgie, de drummer van Siouxsie and the Banshees.

Het stel trouwde in mei 1991 en vormde samen ook het muzikale duo The Creatures.

Na een relatie van 25 jaar, waarvan 15 jaar getrouwd, gingen ze in 2007 uit elkaar.

Siouxsie kreeg geen kinderen; tijdens haar huwelijk grapte ze in interviews wel eens dat haar katten haar baby’s waren.

In 1992 verhuisde ze met Budgie naar het zuidwesten van Frankrijk.

Daar woonde ze ruim 23 jaar in een afgelegen stenen landhuis in de regio Gers, nabij Toulouse.

Ze leidde er een rustig bestaan, ver weg van alle roem, en vulde haar dagen vooral met tuinieren, lezen en de zorg voor haar dieren.

In 2015 keerde ze terug naar Londen, waar ze sindsdien weer woont.

Siouxsie is altijd heel openhartig geweest over haar geaardheid.

In een interview met The Independent gaf ze aan dat ze zichzelf nooit expliciet als heteroseksueel of lesbisch heeft bestempeld.

Ze voelt zich aangetrokken tot mensen, en wanneer ze op mannen valt, hebben die volgens haar vaak wat meer feminiene eigenschappen.

Haar bekendheid zet ze af en toe in voor het goede doel.

Zo is ze een uitgesproken medestander van PETA, waarmee ze fel strijdt tegen dierproeven in de medische sector en de voedingsindustrie.

De inmiddels 69-jarige zangeres geniet van haar pensioen en houdt zich alleen nog bezig met het beheer van haar muzikale erfenis.

Er verschijnen regelmatig nog hoogwaardige vinyl-heruitgaven en geremasterde verzamelalbums van Siouxsie and the Banshees.

Ook de muziekwereld blijft haar vieren; zo bracht het gerenommeerde muziektijdschrift MOJO Magazine in juli 2026 een luxe special uit die volledig aan haar en haar band is gewijd.

Geboren als Susan Janet Ballion op 27 mei 1957 in Londen, vond ze al vroeg houvast in muziek, ondanks een lastige jeugd met een alcoholverslaafde vader.

Haar grote doorbraak volgde in 1976 met de oprichting van Siouxsie and the Banshees.

Als leadzangeres en tekstschrijver groeide ze razendsnel uit tot het boegbeeld van een hele generatie.

De band begon midden in de punkexplosie, maar ontwikkelde al gauw een volstrekt eigen, vernieuwend post-punkgeluid vol ritmische experimenten en donkere sferen.

Daarmee drukten ze een onuitwisbare stempel op de muziekgeschiedenis.

Samen met Banshees-drummer Budgie, met wie ze in 1991 trouwde, begon ze het percussieve zijproject The Creatures.

Na het uiteenvallen van de Banshees in 1996 ging ze solo verder.

Privé liep het huwelijk met Budgie in 2006 spaak en het koppel bleef kinderloos.

Haar enige soloalbum, Mantaray, kreeg lovende recensies van zowel critici als fans, al bleven de grote verkoopcijfers helaas uit.

Toch liet ze zich nooit definitief uit het veld slaan: na een radiostilte van maar liefst tien jaar maakte deze unieke koningin van de post-punk in 2023 eindelijk haar langverwachte rentree op het podium.

Lill Lindfors en het verhaal achter ‘Du för mig’: van Zweeds icoon tot podiumlegende.

Maj-Lill Lindfors, bekend als Lill Lindfors, werd op 12 mei 1940 geboren in Helsinki, Finland.

Op jonge leeftijd verhuisde ze met haar familie naar Zweden, waar ze zou uitgroeien tot een van de meest veelzijdige en geliefde podiumpersoonlijkheden van de Scandinavische lichte muziek.

Haar talent omvat een breed scala aan genres, van pop, jazz en bossanova tot kleinkunst, revue en theater.

Haar grote internationale doorbraak als zangeres beleefde ze in 1966, toen ze samen met Svante Thuresson voor Zweden optrad op het Eurovisiesongfestival in Luxemburg.

Hun duet ‘Nygammal vals’ behaalde een verdienstelijke tweede plaats en vestigde haar naam definitief in Noord-Europa.

In 1967 bracht Lindfors het album ‘Du Är Den Ende’ uit.

Dit succesvolle album bevatte een rijke verzameling liedjes, waaronder vertalingen van nummers van onder meer Bob Dylan en Burt Bacharach.

Een van de meest opvallende nummers op dit album is ‘Du för mig’.

‘Du för mig’ is de Zweedse bewerking van de Britse hit ‘Concrete And Clay’ uit 1965, geschreven door Brian Parker en Tommy Moeller en oorspronkelijk beroemd gemaakt door de groep Unit 4 + 2.

Met de Zweedse vertaling wist Lindfors het ritmische, popgerichte nummer van een eigen, lichte en charmante flair te voorzien op haar album uit 1967.

Naast haar successen in Scandinavië bouwde ze vanaf de tweede helft van de jaren zestig en in de jaren zeventig ook een aanwezigheid op in Duitsland.

Ze bracht diverse Duitstalige singles uit, waaronder ‘Es könnte Liebe sein’ en ‘Jacky John’, en trad regelmatig op in populaire Duitse muziekprogramma’s.

In 1976 kreeg ze bij de Duitse televisie zelfs een eigen muzikale tv-special, de Lill Lindfors Show, waarin ze optrad aan de zijde van bekende artiesten als Horst Jankowski, Bill Ramsey en The King’s Singers.

Bijna twee decennia na haar eerste songfestivaldeelname, in 1985, schreef ze opnieuw songfestivalgeschiedenis, maar ditmaal als presentatrice van het evenement in Göteborg.

Met haar warme humor en een vlekkeloos uitgevoerde kledinggrap op het podium verwierf ze een legendarische status bij miljoenen tv-kijkers in heel Europa.

In de decennia die volgden bleef Lill Lindfors zich voortdurend vernieuwen.

Ze bleef actief in het theater, werkte samen met vooraanstaande jazzmuzikanten en zette zich in als UNICEF-ambassadeur.

Tegenwoordig treedt de nu 86-jarige Lill Lindfors nog incidenteel op, zoals bij speciale concerten of zomersessies.

In de media spreekt ze zich regelmatig uit tegen leeftijdsdiscriminatie en pleit ze voor een respectvolle blik op ouderen.

Ze leidt tegenwoordig een rustig leven in Högby (Bläsinge) op het eiland Öland in Zweden, waar ze tijd besteedt aan wandelen in de natuur en contacten met vrienden.