Oude postkaart van Klokke Roeland en de bewogen geschiedenis van De Grote Triomfante.

De basis voor dit verhaal ligt bij een bijzondere opdracht van de stad, waarbij Hemony de taak kreeg een nieuwe beiaard te gieten voor het Belfort.

Dit was een prestigieuze klus die destijds uitsluitend door een officiële poorter van de stad uitgevoerd mocht worden.

Uit de handen van Hemony ontstond de indrukwekkende basklok De Grote Triomfante.

Al snel kreeg deze klok in de volksmond de naam Klokke Roeland, een titel die zij overnam van haar voorganger.

In 1914 werd geprobeerd de luidklok te elektrificeren, maar dit systeem bleek verre van optimaal.

De hevige trillingen die hierdoor ontstonden, veroorzaakten een grote scheur in Klokke Roeland, waardoor deze definitief verstomde.

Uiteindelijk werd de beschadigde klok in 1948 uit de toren gehaald en vervangen door een nieuw exemplaar, terwijl de originele klok een ereplaats kreeg aan de voet van het Belfort.

Na bijna negentig jaar stilte werd in 2002 besloten om de scheur te herstellen.

De klok werd hiervoor overgebracht naar Koninklijke Eijsbouts in het Nederlandse Asten, waarna ze in herstelde staat terugkeerde naar haar vertrouwde plek.

Tijdens de herinrichting van het plein tussen 2009 en 2012 moest Klokke Roeland echter opnieuw verhuizen.

Op het vernieuwde Emile Braunplein staat nu een betonnen koker die eigenlijk bedoeld was voor de nieuwe Mathildisklok.

Vanwege onenigheid hangt De Grote Triomfante sinds 2012 in deze koker.

In de toekomst wordt zij mogelijk weer in het Belfort opgehangen als beiaardklok.

Om nieuwe schade te voorkomen, zal zij dan echter niet meer als luidklok worden gebruikt.

Interessant is dat de klok die sinds 1948 in het Belfort hangt ter vervanging van De Grote Triomfante, ook vaak Klokke Roeland wordt genoemd.

Haar officiële naam is echter de Sint-Michielsklok, en zij heeft historisch gezien geen relatie met de oorspronkelijke Roeland of De Grote Triomfante.

Deze maand, 70 jaar geleden, de Halletoren van Brugge, ook wel bekend als het Belfort, staat scheef.

Door verschillende oorzaken, zoals structurele schade, waterinfiltratie en corrosie, helt de toren 87 centimeter over naar de kant van de Wollestraat.

De laatste keer dat het Belfort een grondige restauratie onderging, was in de jaren 70.

Nu heeft de stad Brugge een grootschalig renovatieproject opgestart om de toren te redden van verder verval.

De werkzaamheden die in 2026 zullen starten, gaan verder dan enkel restauratie.

Het project omvat het herstellen van de funderingen, het dak, de gevels en de verlichting, maar ook het verbeteren van de toegankelijkheid en de beleving voor de bezoekers.

Er komen nieuwe ingangen aan de zijkanten, een modern onthaal op de begane grond en een betere ontsluiting van de Belforttoren.

Het Belfort werd gebouwd in de 13e eeuw (of volgens sommige bronnen al in 1140) als symbool van de stedelijke autonomie en de handel.

Het Belfort is 83 meter hoog en heeft een achthoekige bovenbouw in neogotische stijl, die werd voltooid in 1482.

Het huisvestte een schatkamer, een archief en een klokkenspel.

In het Belfort zijn tal van kunstwerken te bewonderen, zoals het beeld van Sint-Michiel op de spits, de muziekrol die de beiaard aanstuurt en het klavier waarop de beiaardier speelt.

De beiaard telt 47 klokken en wordt regelmatig bespeeld voor het publiek.

In de schatkamer zijn ook enkele historische documenten te zien, zoals de stadskeuren en het stadszegel.

Het Belfort biedt ook een prachtig uitzicht over de stad en de omgeving, voor wie de 366 trappen durft te beklimmen.

Het Belfort maakt sinds 1999 deel uit van het UNESCO-werelderfgoed, samen met andere belforten in België en Frankrijk.

In het Belfort zijn tal van kunstwerken te bewonderen, zoals het beeld van Sint-Michiel op de spits, de muziekrol die de beiaard aanstuurt en het klavier waarop de beiaardier speelt.

De beiaard telt 47 klokken en wordt regelmatig bespeeld voor het publiek. In de schatkamer zijn ook enkele historische documenten te zien, zoals de stadskeuren en het stadszegel.

Het Belfort biedt ook een prachtig uitzicht over de stad en de omgeving, voor wie de 366 trappen durft te beklimmen (Diverse bronnen en De Post van 7 februari 1954)

Vandaag is het precies 90 jaar geleden dat de Vlaamse schrijver Jules Persyn is overleden (10 oktober 1933)

Jules Persyn werd geboren op 20 april 1878, te Wachtebeke.

Hij studeerde achtereenvolgens aan het College te Lokeren en te Eeklo en ging dan naar Rome, waar hij twee jaar wijsbegeerte studeerde, maar deze studies niet afmaakte.

Aan de Leuvense universiteit promoveerde hij in 1902 in de Germaanse filologie.

Hij werd dan in 1905 docent aan de katholieke Hogeschool voor Vrouwen en in 1909 aan het Hoger Handelsinstituut te Antwerpen.Was achtereenvolgens ambtenaar aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken, in 1905 docent aan de katholieke Hogeschool voor Vrouwen, leraar aan het Hoger Handelsinstituut te Antwerpen en daarna hoogleraar te Gent.

Hij nam de leiding op zich van “Dietsche Warande en Belfort” en werd hoogleraar aan de Gentse universiteit.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog vestigde hij zich eerst in Engeland, daarna in Nederland.

In 1918 werd hij als hoogleraar ontslagen.

Na eerherstel werd hij hoogleraar in de letteren en wijsbegeerte.

Hij schreef vooral romans, verhalen en essays over de Vlaamse cultuur, geschiedenis en identiteit.

Persyn werd in de eerste plaats bekend om zijn schitterende essays en biografische schetsen (of beter gezegd “standaardwerken”),

o.a. over O.K. De Laey (1910) en A. Snieders (1925-26).

Hij was ook een actief lid van de Vlaamse Beweging, die streefde naar meer autonomie en erkenning voor de Nederlandstalige gemeenschap in België.

Persyn was een voorstander van de vernederlandsing van het onderwijs, de rechtspraak en het bestuur in Vlaanderen.

Hij was ook een criticus van de Franstalige elite, die hij beschuldigde van onderdrukking en verfransing.

Persyn was een invloedrijke figuur in de literaire wereld, die veel waardering kreeg voor zijn stijl, humor en originaliteit.

Hij won verschillende prijzen voor zijn werk, waaronder de Staatsprijs voor Letterkunde in 1928.

Werkverslaafd als hij was, kwam hij in een zware depressie terecht.

Jules Persyn kwam op ongelukkige wijze om het leven te Broechem op 10 oktober 1933.

Zijn lichaam werd gevonden in de regenput aan zijn woning.

Jules Persyn werd met grote rede en onder massale belangstelling op het kerkhof van Broechem begraven.

Zijn collega’s Herman Teirlinck, Jozef Muls en August van Cauwelaert spraken een grafrede uit, waarin ze hem prijsden als een auteur van wereldklasse.

Een paar jaar later kreeg hij een gedenksteen op zijn graf, en aan zijn geboortehuis in Wachtebeke hangt er een plaquette.

Door Broechem slingert er een wandelpad dat zijn naam draagt.

Er is een Jules Persynstraat, maar vele mensen weten vandaag niet meer wie Persyn was.

Zijn werk verdween als het ware uit de geschiedenis.

Niet zo verbazingwekkend want de man stierf al op 55-jarige leeftijd.

Hij werd beschouwd als de literaire leermeester van de katholieke intellectuelen.

Zoon Jan Persyn, emirentius, schreef een biografie van zijn vader: “Jules Persyn 1878-1933: Een slachtoffer van arbeidsdrift en politieke onwil; tevens bescheiden gezinskroniek”.

Jan Persyn kon de publicatie niet meemaken, daar hij spijtig genoeg overleed in 2001.

Het werk verscheen later in 2001 bij de stichting Maria-Elisabeth Belpaire vzw.

In 2004 werd er ter nagedachtenis van de literair criticus Jules Persyn een schitterend koperen borstbeeld gemaakt dat een ereplaats kreeg aan het gemeentehuis van Broechem.

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

50 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse dichter en schrijver Bert Peleman (De Post oktober 1972)

Bert Peleman, zoon van een kruidenier, volbracht zijn humaniora in het Klein Seminarie van Hoogstraten, waar zijn leraars Ast Fonteyne en Remi Lens bij hem de belangstelling voor toneel en kunst opwekten.

Hij vervolgde met anderhalf jaar politieke en sociale wetenschappen in Leuven, maar onderbrak die studie tijdens het tweede jaar.

Hij had zich vooral onledig gehouden met het oprichten van een studentencabaret, waarmee hij optrad, onder meer voor de radio.

In die tijd raakte hij, onder de invloed van Jef Van Bilsen, in de ban van Joris Van Severen en werd lid van het Verdinaso.

Beroepshalve werd hij redacteur voor de cultuurbladzijde van De Courant en in 1939 werd hij medewerker bij het Nationaal Instituut voor de Radio-omroep (NIR).

In 1939 werd hij gemobiliseerd als luitenant in het Belgisch leger.

Hij publiceerde een boekje, Wij, soldaten, met fervente lofbetuigingen aan het adres van het koningshuis.

Krijgsgevangen na de Achttiendaagse Veldtocht werd hij tot in juli 1940 in Beieren opgesloten.

Na zijn terugkeer werd hij lid van de Eenheidsbeweging-VNV.

Hij werd hoofdreferent voor kunst en cultuur bij de door de bezetter gecontroleerde Radio Brussel en werd ondervoorzitter van de Duitsgezinde Brabantse kunstfederatie.

In 1942 verliet hij de radio om de leiding te nemen van het departement Stijl en Vorming van de Dietsche Militie – Zwarte Brigade.

Als gevolg hiervan liep hij vaak in het uniform van de Zwarte Brigade rond en reisde hij naar het Oostfront, waar zijn broer soldaat was.

Hij schreef ook de Mars van het Vlaams Legioen, getoonzet door Karel De Brabander, met onder meer het volgende vers:

Wij volgen het vaandel der leeuwen

door sikkel en hamer onteerd

Ons horen de komende eeuwen

Te wapen voor outer en heerd.

Wegens meningsverschillen verliet hij einde 1943 de Zwarte Brigade en werd tot aan het einde van de bezetting hoofdredacteur van het geïllustreerd weekblad De illustratie, een zusterblad van het collaborerende Volk en Staat.

Na de bevrijding werd Peleman gearresteerd op beschuldiging van collaboratie met de vijand en in 1946 werd hij ter dood veroordeeld wegens hoogverraad en tevens van medeplichtigheid aan de plundering van de woning van de burgemeester van Sint-Kwintens-Lennik.

Na zijn verblijf in het Hechteniskamp Lokeren, werd in maart 1947 de straf in beroep bevestigd, maar in april 1948 omgezet tot levenslange hechtenis.

Einde 1950 kwam hij vervroegd vrij, onder meer dankzij de inspanningen van verschillende letterkundigen, in de eerste plaats de Leuvense professoren Albert Westerlinck en Willy Peremans.

Hij hield zich voortaan afzijdig van actieve politiek en legde zich toe op de promotie van het toerisme in Vlaanderen, meer bepaald in de Brabantse Scheldestreek.

Hij stichtte hiervoor verenigingen, zoals Mercatoria (1955) en Scaldiana (1957). In 1969 was hij de initiatiefnemer voor het Schelde-eiland in Rupelmonde.

Hij werd de eerste directeur van de uitgeverij Mercatorfonds (1965-1966) en artistiek directeur bij de uitgeverij Buschmann (1966-1978).

Hij leidde er de reeks publicaties onder de naam Flandria Illustrata.

Hij werd ook lid en voorzitter van de Antwerpse Uilenspiegelgezellen (vanaf 1966) en van de internationale kunstenaarskring De 7 rond Tijl (vanaf 1977).

In 1986 kwam hij nog in het nieuws omdat de hem toegekende benoeming tot ridder in de Orde van Leopold II werd ingetrokken, na protest van verzetsstrijders en Waalse socialisten.

In 1937 kreeg Peleman de poëzieprijs van de provincie Antwerpen voor zijn dichtbundel Variante voor harp.

Hierin wordt het volkse leven van de boeren verheerlijkt. Het leven van de boeren en vissers in de Scheldestreek zijn vaak een thema in zijn werk.

De Schelde was een heel belangrijke inspiratiebron voor Peleman.

Zo zei hij in een interview: Voor mij is de Schelde eerder een bovenaardse dan geografische stroom geworden. Ze is voor mij uitgegroeid tot een slagader, een symbool van ebbe en vloed.

Vanaf 1938 schreef hij ook verzen voor Dietsche Warande en Belfort en publiceerde ook in het meer personalistische tijdschrift Vormen.

Zijn latere werk werd door zijn ervaringen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog soberder en somberder.

Hij haalde veel inspiratie bij de figuren van Reinaert de Vos en Tijl Uilenspiegel, die hij beschouwde als uitdrukkingen van de Vlaamse vrijheidsgeest.(Diverse bronnen, Wikipedia en de Post van 8 oktober 1972)