35 jaar geleden: het ongekookte ei van Fred Bervoets, een historisch portret door Jan Haerynck.

In juni 1991 vertelde de kersverse Staatsprijswinnaar voor Beeldende Kunst,

Fred Bervoets aan verslaggever Jan Haerynck dat hij niet wilde dat het accent op zijn alcoholische uitspattingen werd gelegd.

Hij wist dat hij dronk, maar hij deed in zijn leven ook nog iets anders.

Vaak riep hij gefrustreerd uit dat zijn schilderij al af was, maar zijn ei nog niet gekookt.

Hij had met de prijs eindelijk zijn langverwachte erkenning beet.

Het was toen elf uur ’s morgens in de huiskamer van zijn manager en boezemvriend Adriaan Raemdonck, de eigenaar van galerij De Zwarte Panter.

Schilder Fred Bervoets tartte er met zijn stoel alle evenwichtswetten.

Hij dronk koffie met whisky en wees de aangeboden sigaretten van de verslaggever af. Barclay was te licht voor hem; hij hield het bij Groene Michel, wat hij stukken gezonder vond.

De toen 49-jarige Bervoets grijnsde en legde uit dat er in die dagen in Antwerpen weinig of niets te beleven viel. Vroeger was dat anders geweest.

Hij vroeg of de verslaggever ook een borrel wilde en nam een stevige teug van de zijne alvorens zijn Antwerpen-theorie te verkondigen.

Hij zei dat de bezoeker goed moest luisteren, tenzij die daar geen zin in had.

Volgens hem leefden Antwerpenaars vroeger een beetje anders.

De jaren zestig waren een beweeglijke periode geweest waarin men het zich niet kon permitteren om een nacht in bed te liggen, uit schrik om iets belangrijks te missen.

In de beginjaren van de negentig was de situatie anders.

Als men toen een week sliep, stelde men op vrijdag vast dat er niks was gebeurd.

Hij voegde eraan toe dat als hij toen een café binnenstapte en iets te hevig met zijn armen zwaaide, de mensen al snel dachten dat hij uit het zothuis was gevlucht.

Fred Bervoets was toen een belangrijk kunstenaar en een monument, maar over geen enkele andere Vlaamse artiest werden in die tijd zoveel woeste verhalen rondgebazuind.

Hij noemde het geheimzinnig, een beetje verzonnen en een beetje waarheid, maar hij wilde vooral over schilderijen praten.

Dat was zijn leven en al de rest hoorde er voor hem gewoon bij.

Hij was destijds al twintig jaar een van de duurste, maar ook een van de meest eigenzinnige kunstenaars.

In de jaren zestig en zeventig hadden zijn woest-erotische schilderijen sterk gechoqueerd, waarbij kerk en staat niet ontsnapten aan zijn plastische spot.

Het had hem bijna de kop gekost, maar begin jaren negentig reageerde Vlaanderen met applaus.

Hij gaf toe dat hij over een gebrek aan succes niet mocht klagen, hoewel dat vroeger helemaal anders was geweest.

Over hem ging toen het verhaal dat zijn kunstwerken vlugger werden verkocht dan geschilderd, en hij schilderde zéér vlug.

Zelf zei hij soms vloekend dat zijn schilderij al klaar was, terwijl zijn ei nog niet was gekookt.

Dat wilde voor hem echter niet zeggen dat het allemaal zo makkelijk ging.

Het was telkens een hele worsteling in zijn hoofd, maar als de strijd daar eenmaal was uitgevochten, ging het razendsnel.

En als het resultaat hem niet beviel, gooide hij het gewoon in een hoek en nam hij een ander doek.

Tijdens zijn meest recente tentoonstelling had Bervoets zich gepresenteerd met bijna witte doeken, maar hij verzekerde de verslaggever dat zijn volgende expositie volledig anders zou zijn.

Dat moest ook wel, vond hij, want op dat moment in 1991 werkte hij met etsen.

Hij had elk jaar zo’n periode en geloofde sterk dat een artiest in zijn werk afwisseling moest vinden om niet gek te worden.

Voor een expositie maakte hij destijds altijd een serie schilderijen, wat volgens hem ook gevaren inhield.

Als hij in een bepaalde sfeer zat, was het mogelijk dat hij op den duur alleen nog met het plastische bezig was en zijn gevoelens vergat.

Vaak viel er dan een werk tussenuit waarvan hij voelde dat hij het moest maken, maar dat niet in het strakke concept van het moment paste.

Hij noemde dat een werk dat tussen de soep en de patatten viel. Jaren later werd zoiets dan in ere hersteld.

Zijn geplande volgende expositie zou dan ook volledig uit zulke bijna-vergeten werken bestaan, waardoor hij zich op dat moment de restaurateur van zijn eigen oeuvre voelde.

In een serie zaten voor hem altijd mindere en betere werken, maar een slecht werk gaf hij naar eigen zeggen nooit mee.

Na een diepe zucht stelde hij dat hij dat niet over zijn hart kon verkrijgen.

Een werk moest buiten de serie immers een eigen leven kunnen leiden; pas dan was het af, was het geboren en moest het op eigen benen staan.

Daarnaast wilde hij af en toe direct resultaat zien.

Met etsen was het eindproduct er pas na drie weken, dus om zichzelf wat op te krikken maakte hij dan vlug een schilderij tussendoor.

Dat deed hij gewoon om te weten of hij het nog wel kon en om zichzelf mentaal te beschermen.

Hij leefde immers in zijn eigen wereld en als hij niet onmiddellijk resultaat zag, dreigde hij te flippen.

Hij zou nooit hebben kunnen leven als een beeldhouwer die pas na maanden vaststelde dat hij een bepaald stuk niet had mogen afkappen.

Dat vond hij meer dan een verschrikking en absoluut geen leven meer.

Bervoets lachte toen en keek verstoord naar zijn twee kwetterende kanaries.

Hij schonk zijn glas nog eens vol, rookte in een ruk de helft van zijn sigaret op en legde uit dat hij absoluut geen reiziger was.

Hij bleef het liefst thuis, zodat hij op elk tijdstip kon schilderen. Op reis vond hij niet altijd het juiste doek of de juiste verf, en daar kon de schilder niet mee leven.

Een paar jaar eerder was hij op uitnodiging van een vriend naar de Amerikaanse woestijnstaat Nevada getrokken.

Daar had hij al na een paar uur door dat er weinig of niets te beleven viel.

De eerste dag had hij zich dan maar beziggehouden met het telkens opnieuw bekijken van een film over een onderzeeër die vastzat in een mijnenveld.

Meteen daarna had hij op een stuk van een oude parachute een televisieschilderij gemaakt.

Als hij zin kreeg, moest hij onmiddellijk iets op doek kunnen zetten, anders werd hij naar eigen zeggen zot.

Daarom zag men hem in die tijd nooit ver van zijn atelier ronddwalen; daar had hij alles, het was zijn paradijs.

In Nevada had hij 250 kilometer heen en terug moeten rijden om enkel een potje verf te kunnen kopen.

Hij begreep dan ook niet wat er zo leuk was aan reizen; het maakte hem alleen maar ontzettend zenuwachtig.

Zelfs een treinreis naar Brussel vond hij destijds al een kwelling, puur omdat hij zijn atelier moest kunnen ruiken.

Na dertig jaar schilderen zorgde een slecht werk bij hem nog steeds voor een kleine depressie.

Hij liet zijn stoel op één poot draaien, hoestte luidruchtig en sloeg met zijn vuist op tafel.

Hij weigerde te prutsen aan zijn schilderijen; voor hem was het af of niet. Een slecht schilderij bleef een vreselijk ding.

Vroeger schopte hij het gewoon kapot, omdat hij het niet meer kon zien.

Als hij toen in 1991 in zijn album bladerde, had hij wel eens spijt van die uitbarstingen, want er waren op die manier ook mooie dingen voor de eeuwigheid verloren gegaan.

Hij was daar stilaan rustiger in geworden; de houtblokken vlogen niet meer in het rond en hij draaide zo’n mislukt doek gewoon om, waarna hij er in de toekomst altijd naar kon teruggrijpen.

Hij gaf eerlijk toe dat slecht werk steevast leidde tot een kleine depressie.

Hij begon altijd met groot enthousiasme en als hij dan zag dat het de verkeerde kant uitging, deed dat pijn, waar zijn omgeving dan ook onder leed.

Daar stond tegenover dat als hij in een euforie leefde, zijn omgeving daar ten volle van kon meegenieten.

Met die euforie moest men volgens hem wel voorzichtig zijn.

Twee dagen tegen het plafond leven in de waan het helemaal te pakken te hebben, zorgde nadien voor nog veel meer pijn toen hij vaststelde dat het toch weer niet gelukt was.

Op de vraag van de journalist of het laatste schilderij altijd het beste was, mompelde hij iets in zichzelf, keek streng en ontkende dat ten stelligste.

Maar het was voor hem wel altijd een onmisbare stap op de weg, waarbij elke periode zijn specifieke toppers kende.

Als hij in zijn documentatiemappen bladerde, vloekte hij soms spijtig dat hij ergens niet mee was doorgegaan.

Alles bewust sturen was echter onmogelijk; hij leefde op intuïtie en die was onlosmakelijk verbonden met de levensomstandigheden van dat moment.

Hij keek toen door het raam en merkte filosofisch op dat het leven niet altijd even makkelijk was.

Maar het maken van donkere schilderijen betekende volgens hem absoluut niet automatisch dat hij een moeilijke periode beleefde.

Dat noemde hij een groot misverstand.

Hij had in het verleden grijze doeken met veel geweld geschilderd, maar vond het ronduit debiel om te denken dat hij in die tijd de hele dag met een pistool in het rond liep te zwaaien.

Hij vond dat zijn werk helemaal veel te eng werd bekeken.

Toen hij in een periode zat waarin hij bezeten was van witte doeken, had iedereen geroepen dat Bervoets milder was geworden.

Dat noemde hij puur gezichtsbedrog, want hij besefte dat hij nog nooit in zijn werk zo agressief was geweest als toen.

Het draaide voor hem immers niet om een kleur, maar om de pure kracht van de plasticiteit.

Hij vroeg zich in de zomer van 1991 luidop af wanneer de mensen dat eindelijk eens zouden gaan begrijpen.

Jan Haerynck, de journalist die het bewuste interview afnam, was een gewaardeerde Belgische reporter en schrijver.

Hij werd geboren in Tielt op 17 oktober 1964 en is helaas overleden in Gent op 14 april 2023.

Als zoon van de bekende dichter Gwij Mandelinck groeide hij op met een grote affiniteit voor taal en kunst.

Tijdens zijn succesvolle journalistieke carrière werkte hij voor diverse vooraanstaande kranten en tijdschriften, en was hij eveneens de auteur van onder andere De luchtkunstenaar, een veelbesproken biografisch boek waarin hij het leven van kunstpaus Jan Hoet belichtte.

Fred Bervoets werd geboren op 12 mei 1942 in Burcht en is uitgegroeid tot een van de meest markante figuren binnen de hedendaagse Belgische kunst.

Hij studeerde aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen en het Nationaal Hoger Instituut.

Zijn werk is moeilijk in een enkel hokje te plaatsen, maar wordt vaak omschreven als neo-expressionistisch met een rauw, verhalend en soms chaotisch karakter.

Bervoets put inspiratie uit zijn eigen leven, zijn dromen, angsten en de zelfkant van de samenleving, die hij met een intense wirwar aan lijnen op het doek of papier zet.

Naast schilder is hij een meesterlijk graficus die de etstechniek tot in de puntjes beheerst.

Hij gaf zijn enorme vakkennis ook decennialang door als geliefd docent aan de Antwerpse Academie, waar hij vele generaties jonge kunstenaars wist te inspireren en begeleiden.

De naam Fred Bervoets is onlosmakelijk verbonden met de bekende Antwerpse galerie De Zwarte Panter.

Deze galerie werd in 1968 opgericht door Adriaan Raemdonck en is daarmee de oudste nog actieve galerie voor hedendaagse kunst in Vlaanderen.

De Zwarte Panter is prachtig gevestigd in de historische kapel van het Sint-Julianusgasthuis in de Hoogstraat.

Bervoets is er al meer dan een halve eeuw de absolute huisartiest.

De band tussen de kunstenaar en de galeriehouder is uitzonderlijk; ze zijn veel meer dan alleen zakenpartners, ze zijn boezemvrienden die samen de hele evolutie van de Antwerpse kunstscene hebben meegemaakt en mee vormgegeven.

De vernissages van Bervoets in De Zwarte Panter zijn al jarenlang heuse volkstoelopen, waarbij zowat de hele artistieke en bohémien-scene van de stad samentroept.

Een leuk weetje over Bervoets is dat hij bekendstaat om vaak nachtenlang vol overgave in zijn atelier te werken, gedreven door een onstuitbare scheppingsdrang.

Zijn werken zitten vol verborgen zelfportretten, waarop je hem vaak kan herkennen met zijn kenmerkende hoed, dwalend door een absurde of soms nachtmerrieachtige wereld vol vreemde figuren.

Wat de galerie betreft, fungeert De Zwarte Panter niet enkel als een gewone tentoonstellingsruimte, maar als een echt kloppend hart voor cultuur.

Het is een levendige ontmoetingsplaats waar ook schrijvers, dichters en muzikanten kind aan huis zijn.

Bervoets liet zijn etsen en tekeningen daar dan ook regelmatig samensmelten met poëziebundels van bevriende schrijvers.

Adriaan Raemdonck en Fred Bervoets hebben in de loop der jaren samen talloze prachtige kunstmappen uitgebracht die inmiddels erg gezocht zijn door kunstliefhebbers en verzamelaars.

Help, de Vlaamse zanger Ferre Grignard ( echte naam Fernand Karel Louisa Grignard) komt terug (De Post 18 april 1971)

Ferre Grignard werd in het Moederhuis aan de Vinkenstraat in Antwerpen geboren.

Zijn vader was Fernand Ghislain Joseph Grignard, gehuwd met Maria Helena Joanna Jansen.

Vader Fernand, die Nand werd genoemd, was bediende bij de Nederlandse scheepvaartfirma “Ruys & Co”.

Ferre had een broer Roger, die de eenentwintigste augustus 1931 was geboren, acht jaar ouder dus.

Na de Tweede Wereldoorlog bouwden zijn ouders een huis in de Letterkundestraat te Wilrijk.

Hier zal Ferre het grootste gedeelte van zijn jeugdjaren slijten.

Meteen na de Tweede Wereldoorlog gaat Ferre naar de Stedelijke Jongensschool op het Kiel.

Hij gaat, net als zijn broer, naar de scouts, waar hij tijdens heel wat scoutsmeetings en kampen niet alleen voortreffelijk theater speelt, maar ook graag muziek maakt.

Bij de scouts leerde hij gitaar spelen en met zijn broer en een vriend vormde hij naar aanleiding van een schoolfeestje een groepje op.

Een wasbord, een theekist, een gitaar en een mondharmonica.

Pure skiffle dus, die iets later in blues overglijdt.

Zij nemen zelfs aan een liedjeswedstrijd deel, die ze ook winnen, en daarmee is de aanzet voor zijn latere zangcarrière al deels een feit.

Eind van de jaren vijftig van de vorige eeuw koos hij voor het kunstonderwijs aan het Stedelijk Instituut voor Sierkunsten en Ambachten in de Cadixstraat in Antwerpen.

Ferre specialiseerde zich in boekillustraties en behaalde zijn diploma met onderscheiding.

Hier leerde hij etsen, tekenen, schilderen enzovoort. Ook kreeg hij bekendheid in de Antwerpse artiestenwereld.

Niet omdat zijn schilderijen zo goed verkochten, maar omdat hij gitaar speelde en zong als een blanke zwarte. “Hij heeft de blues, al spreekt hij geen woord Engels”, zei men weleens.

Na zijn studies gaat Ferre naar het leger om er zijn dienstplicht te volbrengen.

Hij komt terecht in Lombardsijde (Nieuwpoort) bij het luchtafweergeschut.

Veel geoefend als militair heeft hij daar niet, want hij mocht onder meer de muren van de officiersmess decoreren met zijn kunsten.

Nadien kwam hij bij enkele grafische firma’s terecht, maar dat liep niet van een leien dakje, want in de schaduw en voetsporen van bazen lopen, was niet Ferres sterkste kant.

De verstandhouding tussen Ferre en zijn vader wordt daardoor almaar slechter.

Die conflicten leiden ertoe dat Ferre het ouderlijk huis in stilte verlaat en alleen gaat wonen.

De Ferre gaat in een steegje in de buurt van de Paardenmarkt wonen en vestigt zich daar als kunstschilder.

Omdat de Ferre niet uitsluitend van zijn kunstwerken kan leven, begint hij in de “Gard Sivik” als barman.

De bekende, in Berchem geboren jazzmuzicus Jack Sells, die onder anderen samen met Dizzy Gillespie en Lester Young speelde, liet zich daar graag zien en horen, samen met de toenmalige uitbater van de Gard Sivik, Mike Zinzen, zelf een voortreffelijk altsaxofonist.

Ook muzikanten van het orkest van Francis Bay liepen daar geregeld binnen.

De Ferre kwam hier op zijn beurt in het bluescircuit terecht en is dan dat genre beginnen te zingen en spelen.”Zijn aanstaande vrouw, kunstschilderes Krie De Vylder, zus van een vriend van de Ferre, leert hij hier kennen.

Krie heet eigenlijk Christiana De Vylder.

Zij liep als kind altijd rond met kersrode kaakjes en daarom noemde haar familie haar Kriekje, maar toen ze groter werd, vond ze dat niet meer zo leuk en dus werd het Krie.

Op 18 september 1962 trouwde de twee in Antwerpen.

De eerste maart 1963 wordt hun zoon Ferdinand geboren, die meteen als Ferre wordt aangesproken.

In het moederhuis schreef hij voor hem de song The Zoo.

Walter Masselis, de baas en oprichter van “De Muze” (samen met Tone Pauwels), die toen nog aan de academie in Antwerpen studeerde, speelt een belangrijke rol in de carrière van Ferre.

Hij stichtte ook in Kortrijk heel wat cafés, zoals “De Vagant”, waar er vaak optredens waren.

In 1962 opende hij samen met kleinkunstzanger Antoon De Candt artiestenkroeg “’t Krotekot” in Kortrijk.

Hij was eind jaren zestig de medestichter van “Bar Choque” op de Vlasmarkt in Kortrijk en de toenmalige rebelse kroeg “De Shakespeare” in de Jan Persijnstraat.

Zijn cafés waren bruine kroegen met muziek op plaat en een lange toog.

In 1964 werd in Antwerpen het muziekcafé “De Muze” geopend en begon hier eveneens als barman, maar door zijn almaar groeiende succes bij het aanwezige publiek gaat hij vaker optreden, elke donderdag, samen met George Smits op gitaar en mondharmonica en Miel De Somer op wasbord.

Zijn song “Ring Ring I’ve Got To Sing” kende er zoveel succes dat Walter Masselis er een single van liet persen.

De eerste 500 exemplaren waren onmiddellijk uitverkocht.

Hans Kusters, een talentscout van het Philipslabel, liet een nieuwe opname maken en de single werd een hit.

Met zijn hippie-achtige imago, zijn lange haar en nonchalante uiterlijk, werd hij ook weleens de Vlaamse Bob Dylan genoemd.

In 1965 staat Ferre Grignard op de affiche van “Jazz Bilzen”.

De dertigste april 1966 staat Ring, ring, I’ve got to sing op de tiende plaats genoteerd in de Top Dertig.

In Frankrijk covert Claude François, in een productie van Les Reed, het nummer.

Hij schrijft samen met Vline Buggy de Franse tekst C’est moi… c’est moi.

Een hoogtepunt was een optreden in de Olympia in Parijs in april 1966.

Kort daarop klaagde hij de Franse vedette Johnny Hallyday aan, die een bewerking had gemaakt van zijn tweede hit “My Crucified Jesus” met als titel “Cheveux longs idées courtes”.

Het plagiaat zelf kon hem niet zoveel schelen, wel het feit dat Halliday er een tekst op had gemaakt, die beledigend was voor hippies in het algemeen en Grignard in het bijzonder.

In oktober 1966 mocht hij zelfs optreden in de Star-Club in Hamburg, waar ooit The Beatles hadden opgetreden.

Zelfs in Londen stonden er optredens geprogrammeerd.

In 1967 deelde Grignard in 1967 het podium in Hamburg met Jimi Hendrix.

Ferre verdiende groot geld, maar jammer genoeg wist hij het niet te beheren.

Grignard leefde overeenkomstig zijn imago: wild en nonchalant.

Bovendien waren er problemen met zijn platencontract en na een jaar van stilte verscheen in 1968 een nieuwe elpee: “Captain’s Disaster”.

In april 1969 heeft hij nog een kleine hit met Yama Yama Hey

In 1969 besluiten Ferre en Krie van elkaar te scheiden.

Die scheiding valt de Ferre zwaar en daarmee ook zijn motivatie voor zijn beroep en werden zijn optredens slechter.

Dat deed zijn carrière geen goed en de fans waren hem snel vergeten.

De elpees die intussen nog verschenen, flopten en omdat Ferre nooit belastingen had betaald, werd in 1979 zijn inboedel openbaar verkocht.

Ferre Grignard werd weer cafézanger.

Vlak voordat hij in 1982 aan keelkanker zou overlijden, probeerde hij een comeback te maken, “met beklemmend werk, indringend als een lange doodskreet”.

Ook tekende hij terug in Oost-Indische inkt.

Die werden tentoongesteld in Galerij “De Zwarte Panter” van zijn vriend Adriaan Raemdonck.

Via het OCMW van Antwerpen geraakt Ferre Grignard aan een appartementje waar hij de laatste weken van zijn leven kan slijten.

Hij overlijdt de achtste augustus 1982, op 43-jarige leeftijd, in het Universitair Ziekenhuis van Edegem.

Ferre Grignard ligt begraven op de begraafplaats Schoonselhof te Wilrijk. (diverse bronnen, Daisy Lane & Marc Brillouet, Wikipedia en De Post 18 april 1971)

Help, de Vlaamse zanger Ferre Grignard komt terug (De Post 18 april 1971)
Help, de Vlaamse zanger Ferre Grignard komt terug (De Post 18 april 1971)