Oude postkaart van de skipiste Zondal op de Ruggeveldlaan te Deurne.

Skipiste Zondal was gedurende tientallen jaren een bekend begrip in het Antwerpse sportlandschap.

De baan werd destijds opgericht door ondernemer Jean-Claude Giraud en was bij de opening een van de eerste kunstskibanen van Europa.

Het specifieke karakter van de piste zat vooral in het gebruik van de zogenaamde borstelbaan, een ondergrond van witte plastic borstelharen die met water werd besproeid om de gladheid van sneeuw na te bootsen.

De locatie aan de Ruggeveldlaan diende als een belangrijke voorbereidingsplek voor generaties Vlamingen die zich wilden klaarstomen voor hun jaarlijkse skivakantie.

Naast de recreatieve skiërs was de piste ook de thuisbasis van de Zondal Ski Club, een vereniging die talloze talenten heeft voortgebracht en een sterke reputatie genoot in de competitiewereld.

De club zorgde voor een levendige sociale sfeer in de bijbehorende cafetaria, die een authentieke Zwitserse chalet-uitstraling had.

Hoewel de sluiting in 2017 voor velen als een verrassing kwam, was de beslissing deels ingegeven door de veranderende tijden en de noodzaak voor grootschalige stadsvernieuwing.

De installaties waren na vierenveertig jaar intensief gebruik verouderd en de exploitatiekosten liepen op.

De afbraak in 2018 maakte uiteindelijk de weg vrij voor de realisatie van het nieuwe sport- en recreatiepark Groot Schijn.

Dit park biedt vandaag de dag ruimte aan diverse andere sporten, zoals hockey en voetbal, en heeft het gebied getransformeerd tot een moderne groene long voor de buurt.

Ondanks de fysieke verdwijning in Deurne kunnen de Antwerpenaars gelukkig nog gebruikmaken van de indoorskihal die voorheen bekendstond als Aspen.

In oktober 2023 werd deze hal overgenomen door de SnowWorld-groep en sindsdien draagt het officieel de naam SnowWorld Antwerpen.

SnowWorld zelf is sinds 2017 grotendeels in handen van Alychlo NV, de investeringsmaatschappij van de Belgische ondernemer Marc Coucke.

Coucke kocht het bedrijf van oprichter Koos Hendriks en zette in op een buy-and-build-strategie.

Alychlo bezat tot eind 2025 circa 95% van de aandelen na een overnameproces, waarna het bedrijf van de beurs werd gehaald.

Eind 2025 fuseerde SnowWorld met het Britse Snowcentres, waarbij Alychlo 50% van het nieuwe fusiebedrijf behoudt.

Zo blijft er in de regio toch een plek bestaan waar skiliefhebbers terechtkunnen onder een sterke internationale koepel, ook al leeft de naam Zondal alleen nog voort in de herinneringen van de vele mensen die daar hun eerste bochten in de buitenlucht leerden draaien.

Oude postkaart van de Nationale Bank van België in Antwerpen (1912)

De Nationale Bank van België in Antwerpen is een monument dat een centrale rol speelt in de architecturale en financiële geschiedenis van de stad.

Het gebouw bevindt zich aan de Frankrijklei, op de plek waar vroeger de zestiende-eeuwse stadswallen lagen.

Nadat deze vestingswerken halverwege de negentiende eeuw werden gesloopt, ontstond er ruimte voor monumentale architectuur die de groeiende economische macht van Antwerpen moest weerspiegelen.

De bank werd opgericht om de monetaire stabiliteit te waarborgen en de handel in de wereldhaven te ondersteunen.

Het ontwerp is van de hand van architect Beyaert, die tussen 1875 en 1879 een indrukwekkend complex neerzette in een rijke eclectische stijl.

Hij combineerde elementen uit de Franse neorenaissance met barokke invloeden, wat resulteerde in een paleisachtige uitstraling die autoriteit en veiligheid uitstraalt.

De gevel is versierd met gedetailleerd beeldhouwwerk en beschikt over een kenmerkende koepel en paviljoens op de hoeken.

Beyaert slaagde erin om functionaliteit te koppelen aan esthetiek, waarbij de zware muren en het gesloten karakter van de benedenverdieping de noodzakelijke beveiliging voor de goudreserves en bankbiljetten boden.

Tegenwoordig heeft het gebouw zijn oorspronkelijke functie als operationeel bankkantoor verloren, nadat de Nationale Bank haar diensten in Brussel centraliseerde.

Het pand ondergaat momenteel een grootschalige renovatie via een meerfasig project onder leiding van Group L en de Participatiemaatschappij Vlaanderen.

De herwaardering van de benedenverdieping en een groot deel van de kantoorruimtes is reeds voltooid, wat in 2021 leidde tot de opening van interieurzaak Donum na jaren van leegstand.

Op 12 mei 2024 vond er een grote opening plaats waarbij het publiek een kijkje kon nemen in het vernieuwde interieur.

Op dit moment ligt de focus van de werkzaamheden op de dakverdiepingen, die verder worden aangepakt om het historische gebouw weer volledig functioneel te maken voor de toekomst.

Gisteren nog vandaag

90 jaar geleden, Antwerpsch schoon: een wandeling langs verborgen godshuizen, mysterieuze zuilen en de sfeervolle Vlaaikensgang.

Antwerpen herbergt talloze verborgen parels waar de sporen van een rijk verleden nog tastbaar aanwezig zijn.

In de historische stadswijken rijzen statige panden op die ooit toebehoorden aan invloedrijke reëders, bankiers en kooplieden uit vervlogen eeuwen.

Veel van deze woningen zijn in de loop der tijd zorgvuldig gerestaureerd, waardoor ze hun oorspronkelijke grandeur hebben behouden. Bezoekers worden al decennialang gegrepen door het bijzondere en weelderige uiterlijk van deze gevels, zoals ook al treffend werd vastgelegd op beelden uit maart 1936.

Die opnames tonen de Scheldestad in een tijd waarin het historische karakter nog overal in het straatbeeld aanwezig was.

Wanneer de avondschemering intreedt, ontstaat er een serene sfeer in de stad. De daken steken dan scherp en donker af tegen een lila hemel, terwijl men door de smalle straatjes dwaalt.

Een van de meest sfeervolle locaties is de wandelbrug langs de Schelde, een geliefde plek voor de rasechte Sinjoor om even van de frisse buitenlucht te genieten en over het water uit te kijken.

De sfeer van deze momenten is door de jaren heen nauwelijks veranderd.

Naast de grote monumenten schuilt de schoonheid van de stad ook in de details en de meer intieme plekjes.

Decoratieve deuromlijstingen van arduin sieren de opgeknapte patriciërshuizen in straten zoals de Keizerstraat.

Een van de meest tot de verbeelding sprekende locaties is de Vlaaikensgang.

Dit complex werd in 1591 aangelegd als een aarden steegje dat een wirwar van achterhuisjes, kelders en brandgangen verbond tussen de Hoogstraat, de Oude Koornmarkt en de Pelgrimstraat.

In de zestiende en zeventiende eeuw woonden hier schoenmakers die als bijverdienste de noodklokken van de kathedraal luidden. Tijdens de Gouden Eeuw was het een toevluchtsoord voor de allerarmsten, terwijl het in de negentiende eeuw een beluik werd voor havelozen en seizoensarbeiders van het platteland.

De huidige hobbelige kasseitjes dateren uit die periode.

Over de naam van de gang bestaan verschillende theorieën: sommigen wijzen op een voormalig wafelhuis, anderen op een nabijgelegen rijstpellerij waar rijstevlaaien werden gebakken.

Het complex kende een bewogen geschiedenis en ontsnapte in de jaren zestig ternauwernood aan de sloophamer, toen er plannen waren voor een parking.

Antiquair Axel Vervoordt kocht de steeg in 1969 en zorgde voor een jarenlange restauratie.

Sinds 1973 is de gang beschermd als monument en inmiddels is het een exclusieve trekpleister met restaurants en antiekwinkels.

De oostelijke ingang aan de Oude Koornmarkt 16 leidt naar binnenplaatsen met witgekalkte gevels en zwarte boorden, die vroeger met pek werden bestreken om epidemieën te weren.

Men vindt er ook de veertiende-eeuwse Cluyse en de gevelsteen Den Grooten Baars, die vermoedelijk afkomstig is van de afgebroken Antwerpse Burg.

Een ander bijzonder rustpunt is de Sint-Nicolaasplaats bij de Lange Nieuwstraat.

Dit beschermde monument was oorspronkelijk het Sint-Nicolaasgodshuis, in 1422 opgericht door het ambacht van de meerseniers om verarmde leden zoals schoenlappers en kleermakers op te vangen.

Centraal op het pleintje staat een beeld van hun patroonheilige, Nicolaas van Myra.

De bijbehorende kapel uit 1423 deed later dienst als magazijn tot architect Fritz Van Averbeke het complex tussen 1958 en 1968 grondig renoveerde.

Tegenwoordig ademt het plein cultuur, met de poppenschouwburg Van Campen en rederijkerskamer De Violieren als vaste bewoners.

Ook op de Sint-Jacobsmarkt getuigen markante panden van de architecturale rijkdom.

Een opvallend voorbeeld is het hoekhuis op nummer 2, dat direct opvalt door zijn voor Antwerpen zeldzame leistenen overkragende dak.

Op de straathoek bevindt zich een hoge ingemetselde zuil waarvan de betekenis lang een raadsel was.

Hoewel sommigen dachten aan een oude stadspoort, blijkt de kolom het restant te zijn van een wegkapel die zeker tot de zestiende eeuw teruggaat, een stille getuige van het religieuze leven in de oude stad.

Vandaag, 90 jaar geleden, congres van de Volksgazet en de Vooruit met als thema het plan naar den nieuwe tijd

De Volksgazet was decennialang een bepalend boegbeeld van de socialistische beweging in Antwerpen en speelde een cruciale rol in de emancipatie van de arbeidersklasse.

De krant, aanvankelijk uitgebracht onder de titel De Volksgazet, werd opgericht in 1914 door Camille Huysmans en Willem Eekelers.

Het dagblad ontstond uit een fusie tussen De Werker en Volkstribuun en werd uitgegeven door Uitgeverij Ontwikkeling, terwijl het drukwerk werd verzorgd door Excelsior in Antwerpen.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de krant niet gedrukt en ook tijdens de Tweede Wereldoorlog staakte de eigen redactie de publicatie.

In die periode werden de drukpersen van de Volksgazet echter gebruikt voor de krant Volk en Staat.

Op 4 september 1944 verscheen vervolgens het bevrijdingsnummer, waarna de titel werd aangepast naar Volksgazet.

Tijdens het interbellum was de krant al uitgegroeid tot een van de belangrijkste stemmen in Vlaanderen, met de redactie in de Antwerpse Somersstraat als kloppend hart.

Een absoluut hoogtepunt in deze periode was het grote congres, dat op 11 en 12 januari 1936 in Antwerpen plaatsvond, onder de titel Met het plan naar den nieuwe tijd.

Dit was een gezamenlijk initiatief van de Volksgazet en de Gentse krant Vooruit om de massa te mobiliseren voor het Plan van de Arbeid.

Tijdens dit congres in een overvolle zaal gaven prominente figuren acte de présence, waaronder burgemeester Camille Huysmans en Willem Eekelers.

Ook redactiesecretaris Jos Van Eynde en buitenlandredacteur A. Molter waren nauw betrokken bij deze manifestatie, die uitgebreid werd verslagen in de socialistische pers en tijdschriften zoals ABC.

Na de oorlog kende het dagblad aanvankelijk een grote oplage van 150.000 exemplaren, maar dit aantal begon later te dalen.

Tussen 1944 en 1977 ontwikkelde de krant zich onder Jos Van Eynde tot een strikt partijgebonden blad, gelieerd aan de Belgische Werkliedenpartij en vanaf 1945 aan de Belgische Socialistische Partij.

Er werd een duidelijke afspraak gemaakt met de Vooruit over de verspreiding: Volksgazet bediende de provincies Antwerpen, Brabant en Limburg, terwijl Vooruit zich richtte op Oost- en West-Vlaanderen.

Naast politiek en nieuws bood de krant ook ontspanning met bekende strips zoals Mickey Mouse en de avonturen van soldaat Fa Sido.

In de jaren zeventig kreeg de krant het steeds moeilijker door de toenemende ontzuiling en financiële problemen.

Op 17 juli 1978 werd de Volksgazet voor het laatst uitgegeven, waarna de uitgeverij later die dag failliet ging.

De erfenis van de krant leefde echter voort in De Morgen, die kort daarna ontstond uit de fusie met Vooruit en de progressieve traditie op een nieuwe manier voortzette (ABC 19 januari 1936)

Gisteren nog vandaag

Foto van Het Steen in Antwerpen voor de verbouwing

Het Steen, het oudste bewaarde gebouw van Antwerpen, kent een rijke geschiedenis die start tussen 1200 en 1225.

Oorspronkelijk diende het als poortgebouw van de imposante Antwerpse burcht. Wat we vandaag zien, is echter maar een fractie—minder dan 5%—van dat oorspronkelijke complex.

De burcht werd in de jaren 1880 grotendeels afgebroken om de Schelde te verbreden en de kades recht te trekken.

Enkel de cluster gebouwen rond het poortgebouw bleef bewaard en kreeg toen de naam “Het Steen”.

Vrijwel direct na die afbraak, tussen 1887 en 1890, werd er een nieuwe vleugel in neogotische en neotraditionele stijl aan toegevoegd en werden ook andere delen verbouwd.

Het gebouw is ook doordrenkt van Antwerpse folklore.

Volgens de verhalen woonden de reuzen Druon Antigoon en Lange Wapper er.

Van die laatste staat sinds 1963 een standbeeld van Albert Poels bij de ingang.

Nog opvallender is het wijdbeense beeldje in een nis boven de ingangsboog dat de vruchtbaarheidsgod Semini voorstelt.

Dit beeld had oorspronkelijk een lange fallus, die door velen werd vereerd bij vruchtbaarheidsproblemen.

In de 17e eeuw werd dit lichaamsdeel echter door jezuïeten afgehakt.

Deze gebeurtenis leefde voort in volksliedjes, en Semini’s naam is, mogelijk als restant van een voorchristelijke cultus, nog steeds te horen in typisch Antwerpse krachttermen als ‘Godsjumenas!’ en ‘Seminis kinderen!’.

Het Steen is niet alleen een historisch, maar ook een cultureel baken.

Het duikt veelvuldig op in de verhalen van Suske en Wiske, zoals in ‘De zwarte madam’ (1947) en ‘De 7 schaken’ (1995).

Ook in de muziek wordt ernaar verwezen: Bobbejaan Schoepen zong erover in zijn lied ‘k Zie zo gere m’n duivenkot (1949).

Zelfs de opera ‘Lohengrin’ van Wagner speelt zich af in en rond Het Steen.

Vandaag de dag heeft het gerenoveerde Steen een nieuwe, centrale rol in de stad.

Het fungeert als het toeristische onthaalcentrum, het Antwerp Visitor Center. Bezoekers kunnen er ‘The Antwerp Story’ ontdekken, een multimediaparcours door elf kamers dat de geschiedenis en identiteit van de stad belicht.

Deze geslaagde transformatie werd in oktober 2022 bekroond met de Onroerenderfgoedprijs.

Het gedicht ’11 november’ van de Vlaamse dichter en prozaschrijver Fritz Francken.

Na zijn studies aan de normaalschool in Lier begon Fritz Francken in 1913 als onderwijzer.

Zijn loopbaan werd echter al snel onderbroken door de Eerste Wereldoorlog. Aan het IJzerfront klom hij als soldaat op in de rangen van korporaal en sergeant tot adjudant.

Tijdens de oorlogsjaren was Francken tegelijkertijd zeer actief in het literaire leven achter de frontlinie.

Hij was een regelmatige bezoeker van ‘Swiss Cottage’, de kunstenaarsvilla van Marie-Elisabeth Belpaire, en werd redactielid van haar tijdschrift Dietsche Warande en Belfort.

Uit zijn briefwisseling met Belpaire blijkt hun gedeelde, strenge veroordeling van de collaboratie met de Duitsers.

Hoewel Francken een voorstander was van Vlaams zelfbestuur, wees hij samenwerking met de bezetter resoluut af als middel om dat doel te bereiken.

Dit standpunt verwoordde hij scherp in een brief aan Lode Baekelmans in 1919: ‘In princiep keuren we de meeste veranderingen door de activisten tijdens de oorlog uitgevoerd goed.

Maar wat we veroordelen: ze hadden de bescherming van de vijand niet mogen inroepen om hun programma op te dringen.’ Ondanks deze duidelijke afwijzing van het activisme, groeide na de oorlog zijn sympathie voor Vlaams zelfbestuur.

Francken engageerde zich voor het Vlaams-nationalistische tijdschrift De Schelde en het radicaal flamingantische uitgeversfonds De Regenboog.

Deze geleidelijke radicalisering kwam hem in liberale kringen op het verwijt te staan een ‘politieke springer’ te zijn.

Zijn bekendste literaire werk ontstond aan het front. Net voor de oorlog was hij gedebuteerd met de dichtbundel ‘Festijnen uit een Bruidsgetij’.

In 1918 verscheen zijn tweede bundel, ‘Het heilige schrijn’, gevolgd door ‘De vijf glorierijke wonden’ en ‘De blijde kruisvaart’ in 1919.

Kenmerkend voor zijn frontgedichten is de opvallend lichte en opgewekte toon die door de sombere oorlogsthematiek heen schemert.

Na de oorlog verschoof zijn focus van poëzie naar het korte verhaal, al bleef de oorlog een belangrijk thema in werken als ‘De Antwerpsche volksjongen op het oorlogspad’ (1937) en de roman ‘De Bonnefoy’s trouwen uit’ (1939).

Zelfs in 1959 blikte hij terug met ‘Met de Ransel op de Rug’, een verzameling gedichten uit de loopgraven.

Na de demobilisatie keerde Francken niet terug naar het onderwijs. Hij vond werk in de Stedelijke Volksbibliotheek in Antwerpen, schreef een monografie over Pol de Mont en werkte mee aan dagbladen als De Schelde en De Volksgazet.

Onder zijn echte naam, Frederik Edward Clijmans, publiceerde hij diverse gidsen over Antwerpen, wat in 1934 leidde tot zijn aanstelling als hoofd van de Dienst voor propaganda en toerisme.

Fritz Francken overleed op 15 augustus 1969 en werd begraven op de begraafplaats Schoonselhof in Antwerpen.

De Antwerpse zoo in oude postkaarten uit mijn eigen verzameling

Een groot deel van de charme van de Zoo schuilt in de vele historische gebouwen, waarvan er verschillende beschermd zijn als monument. Deze architecturale parels vertellen het verhaal van de lange geschiedenis van de dierentuin:

De Egyptische Tempel (1856): Dit is een van de oudste en meest waardevolle gebouwen. Het wordt beschouwd als een van de fraaiste voorbeelden van neo-Egyptische architectuur in Europa en huisvest vandaag de giraffen en olifanten.

De Moorse Tempel (1871): Dit gebouw was oorspronkelijk bedoeld voor struisvogels en herbergt nu de okapi’s, een diersoort waarmee de Zoo een speciale historische band heeft.

Het Aquarium (1911): Dit monumentale gebouw herbergt een grote diversiteit aan vissen en ongewervelden. Het rifaquarium is een van de blikvangers.

De Wintertuin: Een prachtige serre die een tropisch klimaat nabootst en tal van vogelsoorten en planten een thuis biedt.

De Ingang (1903): De majestueuze ingang aan het koningin-Astridplein.

Naast deze zijn er nog tal van andere historische verblijven, zoals de roofvogelvolières en de oude hertengebouwen, die de sfeer van een 19e-eeuwse dierentuin oproepen.

De dierentuin strekt zich uit over een oppervlakte van ongeveer 11 hectare. Gelegen pal naast het Centraal Station, vormt het een unieke combinatie van een 19e-eeuwse tuin in Engelse landschapsstijl met historische gebouwen en moderne dierenverblijven.

Het is een beschermd landschap en wordt door velen beschouwd als een groene long voor de stad.

In totaal zetten ongeveer 400 personeelsleden zich dagelijks in voor het welzijn van de dieren, het onderhoud van de parken, wetenschappelijk onderzoek en de ontvangst van de bezoekers.

Dit team bestaat uit dierenverzorgers, dierenartsen, biologen, tuiniers, technisch personeel, en medewerkers voor de horeca en administratie.

De Antwerpse zoo in oude postkaarten uit mijn eigen verzameling

De Zoo van Antwerpen, officieel de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde Antwerpen (KMDA), werd opgericht op 21 juli 1843.

Het is daarmee de oudste dierentuin van België en een van de oudste ter wereld.

De initiatiefnemer was Jan Frans Loos, een toenmalige schepen en latere burgemeester van Antwerpen.

Hij raakte in 1841 geïnspireerd na een bezoek aan dierentuin Artis in Amsterdam. Samen met een groep invloedrijke Antwerpse burgers nam hij het initiatief om ook in Antwerpen een dierentuin op te richten.

De wetenschappelijke en praktische motor achter het project was Jacques Kets.

Hij was een gerenommeerde zoöloog en plantkundige.

De oprichters wisten hem te overtuigen om de eerste directeur van de nieuwe dierentuin te worden. Kets stelde als voorwaarde dat er ook een museum zou komen om zijn omvangrijke natuurhistorische verzamelingen in onder te brengen.

Zijn expertise en zijn collectie opgezette dieren vormden de wetenschappelijke basis van de zoo bij de opening.

Bij de start in 1843 was de dierentuin nog bescheiden, met naast de collectie van Kets voornamelijk wat paarden en geiten.

De ingang bevond zich toen aan de Borgerhoutsesteenweg, de huidige Carnotstraat.

Dankzij de visie van Loos en de toewijding van Kets groeide de Zoo van Antwerpen al snel uit tot de belangrijke wetenschappelijke en recreatieve instelling die ze vandaag nog steeds is.