
50 jaar geleden, reclame voor schrijfgerief van het merk Parker

Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek

Octopus was niet zomaar een lokale band uit Diest; het was een bijzonder Vlaams-Brits experiment.
De groep ontstond uit de assen van The Bats, de formatie van Robert Vlaeyen, Gerard Opdebeeck en Roberts broer René Vlaeyen (de latere bekende tv-producent).
Om de groep internationale allure en een perfecte Engelse uitspraak te geven, werden de Britten Steve Pine en Phil Francis erbij gehaald.
Een van de opvallendste Vlaamse leden was toetsenist en zanger Paul Michiels.
De groep kwam zakelijk onder de vleugels van manager Sylvain Tack.
In 1973 bracht de band hun allereerste single uit: Go down slow. Voor de productie van dit debuut deden ze een beroep op Sylvain Vanholme (bekend van The Wallace Collection).
Hun tweede single uit datzelfde jaar, Hey na na, bevat dan weer een leuk detail voor de trivia-liefhebbers: op die opname zongen de bekende radio- en televisiepresentatoren Zaki en Mike Verdrengh mee in het achtergrondkoortje.
De grote doorbraak in 1974 was eigenlijk een ‘interne’ cover.
Hun hit I’m so in love with you was de Engelse vertaling van Ik ben verliefd op jou van Paul Severs, die eveneens door Tack werd gemanaged.
In 1975 volgde het debuutalbum From Octopus With Love, waarvoor de groep samenwerkte met producer Eddy Govert.
Ondanks deze successen verkocht Tack het contract van de groep aan het Nederlandse Telstar van Johnny Hoes.
Onder het bewind van ‘smartlappenkoning’ Hoes veranderde het karakter van de band drastisch. Octopus werd steeds meer in de richting van close harmony geduwd.
Hoewel dit commercieel een gouden greep bleek – het album Oldies but goldies met covers van Amerikaanse crooners zorgde voor een doorbraak in Nederland en hits als Cry en South of the border – zorgde het intern voor wrijving.
Met name Paul Michiels voelde zich steeds minder thuis in de rol van artiest die enkel covers zong.
In 1980 probeerde de groep het tij te keren en terug te gaan naar hun eigen sound.
Dit leverde met All alone nog een bescheiden hitje op in België, maar de chemie was uitgewerkt.
Na het uiteenvallen van de groep kon Paul Michiels eindelijk zijn eigen artistieke weg gaan.
Eerst solo als P.P. Michiels, en later met enorm succes aan de zijde van Jan Leyers in Soulsister.


Midden jaren 70 was de wereld volledig in de ban van oosterse gevechtskunsten.
Bruce Lee was de grootste filmster van het moment en in de hitlijsten had Carl Douglas net de weg vrijgemaakt met zijn wereldhit Kung Fu Fighting.
In dat kielzog verscheen in 1975 nog een opvallende single die slim inspeelde op die rage: Chinese Kung Fu van de groep Banzai.
Het nummer werd geschreven door de Fransman Bernard Estardy.
Estardy was in de Franse muziekwereld een ware legende; hij was een geniale geluidstechnicus en toetsenist die in zijn eigen studio werkte met de grootste sterren.
Voor dit project, dat op de hoes vaak als Banzaii met twee i’s werd geschreven, besloot hij zelf te experimenteren met synthesizers en geluidseffecten.
Estardy combineerde die typische, vroege discobeat met stereotiepe oosterse melodietjes en – uiteraard – de nodige ‘Hia!’-kreten en geluiden van vechtende mensen.
Omdat het een echt studioproject was, was Banzai geen band die je zomaar live zag optreden; het was puur gemaakt voor de dansvloer.
Hoewel we het nu als een klassieker beschouwen, is het feitelijk nooit een officiële hit geweest.
Het nummer werd destijds grijsgedraaid in de discotheken van de Benelux en was enorm populair in het uitgaansleven, maar die populariteit vertaalde zich vreemd genoeg niet naar de verkoopcijfers.
Zowel in Vlaanderen als in Nederland haalde de single nooit de officiële hitparade. Het blijft daarmee een van de bekendste ‘niet-hits’ uit het discotijdperk.








Casey ontmoette Finch begin jaren 70 in de platenzaak waar Harry werkte.
Wanneer ze een Caraïbische band aan het werk zien, besluiten ze een discogroep op te richten met Caraïbische invloeden.
De eerste single flopt, maar met ‘Queen Of Clubs’ scoren ze een eerste top 10-hit, merkwaardig genoeg wel enkel in de UK.
Op dat moment is er ook nog geen echte Sunshine Band. Harry en Richard nemen alles zelf op in de studio.
‘Get Down Tonight’ wordt in de zomer van 1975 de eerste wereldhit voor het kleurrijke gezelschap uit Miami, meteen goed voor een eerste Amerikaanse n°1.
Ondertussen was er al een echte Sunshine Band samengesteld waarmee op tournee kon worden gegaan. Met ‘That’s The Way I Like It’ scoort KC & The Sunshine Band in het najaar van 1975 zijn voorlopig grootste hit.
Naast de Billboard Hot 100 bereikte de single ook in Nederland de top van de Top 40.
In Ultratop houdt ‘I’m On Fire’ van 5000 Volts hen van de top. Hierna wordt ‘Queen Of Clubs’ in januari 1976 alsnog een top 10-hit in Vlaanderen en Nederland.
KC & The Sunshine Band scoorde tot 1980 nog hits.
Na ‘Please Don’t Go’ was het vet van de soep. In 1983 volgde een verrassende comeback met ‘Give It Up’, een Britse n°1.
Alhoewel de naam KC & The Sunshine Band behouden bleef, ging het om een soloproject van Harry W. Casey.
‘Queen Of Clubs’ werd in het najaar van 1995 weer een klein Ultratop-hitje (n°38) in de versie van het Vlaamse danceproject Timeshift (Joepie 17 december 1975 en met dank aan Denis Michiels).

De herkenbare melodie was gebaseerd op Moonlight Serenade van Glenn Miller (1939), met een Franse tekst van zijn echtgenoot Patrick Loiseau en productie van Jean Jacques Souplet.
Het werd een enorme hit: in Vlaanderen en Nederland bereikte het de eerste plaats (op 6 december 1975) in de Brt Top 30 en in de Nederlandse Top 40 (10 november 1975)
Achter de artiestennaam Dave gaat Wouter Otto Levenbach schuil, geboren in Amsterdam in mei 1944.
Hij begon zijn carrière op twintigjarige leeftijd als de frontman van het combo Dave Rich & the Millionaires, waarmee hij in 1964 de single Girl of my dreams uitbracht.
De voornaam van “Dave Rich” hield hij aan als zijn artiestennaam.
In zijn begintijd zong Dave nog in het Nederlands.
In 1967 verhuisde hij echter naar Frankrijk.
In een aflevering van het tv-programma Volle Zalen (13 maart 2025) vertelde hij hierover aan Cornald Maas.
Hij gaf aan dat hij als jonge man met een vriend naar Frankrijk vertrok, zonder enig toekomstplan. Hij wist niet waar hij zou belanden, maar voelde dat hij iets moest veranderen; alleen zou hij die stap waarschijnlijk niet gezet hebben.
Hoewel hij in Frankrijk woonde, had hij in 1969 nog een eerste, bescheiden Nederlandstalige hit in Vlaanderen en Nederland met Natalie. Met het nummer Natalie nam hij trouwens deel aan het Songfestival van Knokke in 1969.
In datzelfde jaar deed hij met het Nederlandstalige Niets gaat zo snel mee aan het Nationaal Songfestival.
Uiteindelijk schakelde hij definitief over naar het Frans.
Zijn eerste grote hit in Frankrijk scoorde hij in 1974 met Trop Beau, een Franse vertaling van Sugar Baby Love van The Rubettes.
Na zijn hoogtijdagen in de jaren 70 keerde Dave in de 21e eeuw terug in de schijnwerpers.
Zijn autobiografie Soit Dit En Passant (2003) zorgde ervoor dat hij veelvuldig op de Franse radio en tv verscheen.
Dit leidde tot nieuwe successen: in 2004 gaf hij drie concerten in het Olympia in Parijs en zijn album Doux Tam Tam (2004) werd goed verkocht.
In 2006 bracht hij het album Levenbach uit, vernoemd naar zijn achternaam, met zeer persoonlijke teksten.
Dave bleef een bekende persoonlijkheid in zowel Frankrijk als Vlaanderen en Nederland.
Hij was te zien in de Franse film Une chanson pour ma mère (2013) en speelde een prominente rol in beide afleveringen van het Nederlandse tv-programma Chansons! met Matthijs van Nieuwkerk en Rob Kemps.
De afgelopen jaren kende hij persoonlijke tegenslagen. In 2021 ontsnapten hij en zijn partner Patrick aan een koolmonoxidevergiftiging.
Een jaar later raakte Dave ernstig gewond na een ongelukkige val van de trap in hun Parijse huis.
Hiervan is hij redelijk hersteld, al heeft hij nog last van de gevolgen; zo zijn zijn smaak- en reukzin nog steeds niet teruggekeerd.
Desondanks blijft hij actief.
Eind maart 2025 gaf hij voor het eerst een optreden in Carré in Amsterdam.
Joepie 21 augustus 1974

Gisteren nog vandaag
Dave, rusten op bevel (Joepie van 2 september 1979)

Gisteren nog vandaag
Dave (Juni 1979)

Gisteren nog vandaag
Op dit verzamelalbum staan de volgende nummers: Stille Nacht Heilige Nacht van De Mastreechter Staar, Little Drummer Boy van Nana Mouskouri, Gloria In Excelsis Deo van het orkest van Paul Mauriat, Er Is Een Kindeke Geboren Op Aard van Pro Musica, Rudolph The Red-Nosed Reindeer van John Woodhouse, De Herdertjes Lagen Bij Nachte van De Damrakkertjes, O Denneboom van Marty, Mary’s Boy Child van Kamahl, Jingle Bells van The Syd Lawrence Orchestra, White Christmas van The Platters, Komt Allen Tezamen van Het Westlands Mannenkoor, The Christmas Song van The Tonny Eyk Quartet & Frans Poptie en Nu Zijt Wellekome van Marietje Kwakman & Het Volendams Operakoor.

