100 jaar geleden, overzichtstentoonstelling van de Vlaamse kunstschilder Albijn Van den Abeele in de kunstgalarij, Brabantdam in Gent.

Albijn Van den Abeele (1835-1918) was een veelzijdig man die zich zowel als schrijver, politicus en kunstschilder liet gelden.

Hij wordt beschouwd als de stamvader van de Latemse school, een groep kunstenaars die zich in de late 19e en vroege 20e eeuw in Sint-Martens-Latem vestigden en zich lieten inspireren door de natuur en het landleven.

Van den Abeele was zelf geboren en getogen in Sint-Martens-Latem, waar hij ook burgemeester, schepen en gemeentesecretaris was.

Hij schreef verschillende dorpsromans en een geschiedenis van zijn geboorteplaats.

Pas op veertigjarige leeftijd begon hij te schilderen, vooral bosgezichten en landschappen in een fijnzinnig kleurenpalet.

Zijn huis in de Latemstraat was een ontmoetingsplaats voor andere kunstenaars, zoals Xavier de Cock, Emile Claus, George Minne, Valerius de Saedeleer en de broers Gustave en Karel van de Woestyne.

Hij oefende een grote invloed uit op de eerste generatie van de Latemse school, die zich kenmerkte door een realistische en romantische stijl.

Van den Abeele overleed op 16 november 1918 en werd begraven op het kerkhof van Sint-Martens-Latem, waar ook zijn vriend George Minne rust (Ons Land 12 januari 1924).

Vandaag 32 jaar geleden, op een veiling bij Sotheby’s in Londen haalt het schilderij van Gentenaar Gustaaf De Smet, De blauwe Canpé de recordprijs van 550000 pond

Gustaaf De Smet werd geboren als zoon van de huisschilder-decorateur en fotograaf Jules De Smet.

Gustave had een 4 jaar jongere broer, de impressionistische Léon De Smet.

Beiden volgden de Gentse Academie.

Terwijl Gustave eerder onregelmatig volgde, was Léon een schitterend student.

De Smet trouwde in 1898 met Gusta Van Hoorebeke en bleef in Gent wonen.

Eerst in 1908 volgde hij zijn broer Léon naar Sint-Martens-Latem.

Daar ging hun aandacht eerder uit naar het impressionistische luminisme van Emile Claus, die in het nabijgelegen Astene verbleef, in zijn villa Zonneschijn.

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, week Gustave met zijn gezin en zijn vriend Frits Van den Berghe uit naar Nederland.

Van 1914 tot 1922 verbleven zij te Amsterdam, te Hilversum, te Laren en te Blaricum.

In Nederland leerde hij zowel het Duitse als het Hollandse expressionisme kennen, waarbij de Franse schilder Henri Le Fauconnier een voortrekkersrol speelde.

Dit betekende het grote keerpunt in zijn kunst.

Zijn enig kind, Firmin De Smet, overleed in 1918 toen hij twintig was, tijdens een spoorwegongeluk in het Nederlandse Weesp.

In 1922 keerde hij naar België terug, om samen met Frits Van den Berghe bij Permeke in te trekken, te Oostende.

Toen had hij toch al de Sélection-beweging op gang gebracht, met de Brusselse kunstkenners André de Ridder en Paul-Gustave van Hecke.

Na enige maanden trok hij weer naar zijn Leiestreek en in 1923 ging hij in Bachte-Maria-Leerne wonen en daarna in Afsnee, om zich ten slotte in 1927 in Deurle te vestigen.

In 1923 verscheen in de reeks Junge Kunst, een uitgave van Klinkhardt & Biermann in Leipzig, als Band 38 de eerste monografie van Gust De Smet met een dertigtal afbeeldingen.

Desmets expressionisme, met de eigen kubistische inslag, had op dat moment een hoogtepunt bereikt, met zijn circus- en kermistaferelen, zijn accordeonspelers en zijn evocaties van dorp en huis, doordrenkt van zijn specifiek coloriet.

Op dat ogenblik stond zijn expressieve kracht mijlenver van de visie van zijn broer Léon.

De Smet overleed op 66-jarige leeftijd te Deurle aan tuberculose.

In reactie op De Smets dood zei Permeke: “Hij was nooit klein.”

De Smets woonhuis wordt bewaard als lokaal museum, het Museum Gust De Smet, dat een duidelijk beeld geeft van de leefomgeving en het atelier.

Om de tand des tijds een beetje bij te vijlen heeft de gemeente gekozen om het museum te restaureren onder leiding van architect Maarten Dobbelaere.

De restauratie heeft plaatsgevonden in 2015-2016 en het museum is opnieuw geopend op 15 oktober 2016.

Het gebouw heeft opnieuw de uitstraling van weleer.

Je stapt als het ware binnen in het leven van Gust en Gusta De Smet. (diverse bronnen, Wikipedia en Foto 4 en 5 zijn oud huis , nu een museum)

40 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse kunstenaar André Bogaert.

André Bogaert studeerde aan de Academie van Dendermonde en later aan het Hoger Instituut van Antwerpen.

Om te schetsen en studies te maken, ging hij onder andere in de leer bij Emile Claus, Prosper De Troyer en Albert Saverys.

Hij was assistent bij Floris Jespers en de Amerikaan Steinbech.

In 1953 behaalde hij de Prijs Laurent Meeus en in 1956 de prijs Burgemeester Camille Huysmans.

André Bogaert verkreeg in 1958 de beurs van de Unesco bij atelier Kokoscka voor München en Salzburg.

Verder werd hij vermeld bij de Talensprijs, de Olivettiprijs en de Prijs van de Jonge Belgische Schilderkunst.

In In 1958 trad hij toe tot de “G58”-groep in Antwerpen.

Hij was aanvankelijk actief als schilder, maar vanaf het midden van de jaren 60 begon hij allerlei reliëfs te assembleren, met behulp van verschillende materialen zoals hout, vilt, schuim, polyester, textiel en machineonderdelen.

In België werd assemblage kunst beschouwd als: de metamorfose van het object.

Toonaangevend binnen de Belgische moderne kunst waren de activiteiten van de Antwerpse G58 en de Gentse-Forum tentoonstellingen.

Manifestaties waar Bogaerts werk meermaals vertoond werd en door kunstcritici en pers positief onthaald.

Er begon zich een Belgische groep van assemblagekunstenaars te manifesteren: Camiel Van Breedam, Vic Gentils, Paul Van Hoeydonck, Remo Martini en Annie Debie.

In 1964 werd hun lidmaatschap uitgebreid met Bogaert en enkele andere oude G58ers.

Rond 1974 keerde hij terug naar het schilderen en schilderde hij landschappen, struiken en bomen, waaraan hij vreemde elementen toevoegde zoals witte cirkels, vierkanten of abstracte figuren.

Zijn werken werden geëxposeerd in 32 tentoonstellingen te Antwerpen, Gent, Brussel, Leuven, Sint-Niklaas, Ronse, Lokeren (Parkhotel en galerie De Vuyst), Luik, Rotterdam, Milaan en Londen, zowel tijdens zijn leven als na zijn dood.

In diverse musea zijn werken van hem te vinden, onder andere in het SMAK en in het Museum voor Moderne Kunst te Brussel.

In Zele-Durmen werd de “Durmeboorden Wandelroute” geopend, waarlangs een 25-tal reproducties van werken van Dré Bogaert werden geplaatst. (Diverse bronnen, Wikipedia en De Post 17 mei 1981)

40 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse kunstenaar André Bogaert
40 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse kunstenaar André Bogaert
40 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse kunstenaar André Bogaert
40 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse kunstenaar André Bogaert