
Gisteren nog vandaag
Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek

Gisteren nog vandaag
De Berg van Barmhartigheid, een openbaar pandjeshuis, werd gesticht door de aartshertogen Albrecht en Isabella.
Het idee kwam uit Italië, waar de monti di pietà armen een lening gaven tegen een lage interest, tegen een pand. Een pandjeshuis, ook wel een lommerd genoemd, leende alleen geld uit tegen een onderpand.
Je bracht iets binnen, kleren, huisraad, juwelen of een ander voorwerp, en kreeg daar een som geld voor.
Lostte je de lening niet op tijd af, dan mocht het pand verkocht worden.
Voor 1622 moest wie in Gent geld wou lenen bij private geldschieters zijn.
Men noemde ze pussemiers of woekeraars.
Er waren twee groepen: Joodse leners, meestal kleine sommen op korte termijn, en Lombarden uit Italië, meestal grotere sommen op langere termijn.
Van die naam komt het woord lommerd, voor een bank van lening.
De rente was veel hoger dan later bij de Berg. Rond 1500 liep die volgens lokale geschiedschrijving op tot 130 procent.
In 1575 had de overheid die kunnen drukken tot 32,5 procent, maar ook dat bleef hoog, en controle was moeilijk.
De Berg moest die private handel dan ook verdringen.
De man die dat naar de Zuidelijke Nederlanden bracht, was Wenceslas Cobergher, ook Wensel Coebergher genoemd.
Hij werd rond 1557 in Antwerpen geboren en stierf in 1634 in Brussel.
Hij was schilder, graveur, architect en ingenieur. Zijn opleiding kreeg hij in het atelier van Maerten de Vos, en daarna in Parijs, Rome en Napels, waar hij van 1583 tot 1604 verbleef.
Daar leerde hij de Italiaanse barok kennen, en ook de Bergen van Barmhartigheid.
Vanaf 1605 was hij schilder, architect en ingenieur van de landvoogden.
In 1618 werd hij hofarchitect. Bekende ontwerpen van hem zijn de basiliek van Scherpenheuvel en de Sint-Augustinuskerk in Antwerpen.
In opdracht van Albrecht en Isabella richtte hij Bergen van Barmhartigheid op in onder meer Brussel, Antwerpen, Mechelen, Kortrijk, Namen en Gent.
In Gent kocht hij de woning Dondersteen van Adriaen Triest, advocaat bij de Raad van Vlaanderen.
Dat gebouw werd in 1620 gesloopt. In 1621 was de nieuwe bouw klaar, in de Abrahamstraat.
Stilistisch is het de eerste barokke constructie in Gent.
De gevel herinnert aan een Italiaans palazzo. In de volksmond bleef de naam Dondersteen hangen.
In Gent liepen de kosten op tot 125.000 florijnen. Wat dat vandaag zou zijn, hangt af van hoe je rekent.
Als we kijken naar de gewone koopkracht, dat wil zeggen wat je met dat geld in de winkel kon kopen, dan is het ruwweg 2 tot 3 miljoen euro.
Een stuiver rond 1625 had ongeveer de koopkracht van 80 eurocent, en de florijn of gulden telde 20 stuivers.
Kijk je naar lonen, dan weegt het zwaarder. Een geschoolde arbeider verdiende toen zo’n 15 stuivers per dag.
Die 125.000 florijnen vertegenwoordigen dus ruim 160.000 werkdagen, wat vandaag de dag eerder neerkomt op 30 tot 50 miljoen euro aan bouwkosten.
Boven de toegangsdeur werden de inscriptie Mons Pietatis en de passiewerktuigen geplaatst.
Tegen de gevel staat nog het wapenschild van bisschop Triest.
De instelling ging op 29 november 1622 open voor het publiek. Men leende er op pand tegen een lage interest.
Bisschop Triest schonk haar 90.000 gulden.
In dezelfde verhouding is dat ruim 1,5 miljoen euro aan koopkracht, of zo’n 25 tot 35 miljoen als je naar lonen kijkt.
Daarmee kon vanaf 1641 een gratiskas worden geopend, zodat armen ook zonder interest konden lenen.
Ook die kas werkte op pand. Wie niets had om in pand te geven, kon er niet lenen.
Op een grote steen in de gevel staat het nog te lezen: “Hier leent men den armen oock sonder interest.”
Binnen het gebouw verwezen de zware ijzeren deuren, de stevige rekken en de brandvrije gewelven naar de oorspronkelijke functie van het complex.
De oorspronkelijke Berg liep tot de Franse Revolutie. Toen was de activiteit al aan het slabakken.
De directeur zette ze nog een tijd op eigen houtje voort. In 1820 begon het Bureel van Weldadigheid een voorloper van het OCMW, opnieuw met een Openbare Kas van Lening in dat gebouw.
Die kas sloot in 1929. Ze werd meegesleurd in de beurscrash van dat jaar.
Van sluiting was al eerder sprake, omdat de Berg de concurrentie met de banken niet meer aankon.
Wie een kleine lening nodig had, kon intussen elders terecht.
In België bleef lenen op pand wel bestaan. Brussel heeft nog altijd een Berg van Barmhartigheid, de enige instelling die dat hier nog wettelijk mag doen.
In 1930 kwam het Gentse gebouw dan ook vrij.
De archieven van de stad Gent zaten toen nog in het stadhuis en kampten al lang met plaatsgebrek.
In 1930-1931 werden ze overgebracht naar de lokalen van de Berg.
Ook de rekken waarop vroeger de panden lagen, kwamen goed van pas. Het stadsarchief opende er in 1932.
Over die verhuis van 1930-1931 schreef journalist Staf Hapke dat het geen klein karwei was.
Er waren namelijk meer dan veertig grote verhuiswagens nodig voor papieren, boeken, charters en de rest. In het gebouw zaten de stukken ook veiliger, vooral bij brand.
Onder de documenten die toen meekwamen, zat het oudste en merkwaardigste document: een charter uit 1178, een oorkonde met de scheidsrechterlijke uitspraak van de aartsbisschop van Keulen.
Het is in het Latijn opgesteld en gaat over het geschil tussen de burgers van Keulen en die van Gent.
Daardoor werd de vrije doorvaart op de Rijn erkend.
Het oudste boek met de stadsrekeningen dateert van 1314 en bevat de rekeningen over de jaren 1314-15 tot 1325-26.
Ook het muntenkabinet, met de munten van de stad en van Vlaanderen door de eeuwen heen, kreeg toen een plaats in de Berg.
Wie in 1931 de oude archieven wou inkijken, alles tot aan de Franse Revolutie, kon dat gewoon doen.
Voor de nieuwere stukken, vanaf de Franse Revolutie, had je een bijzondere toelating nodig.
Het stadsarchief bleef in de Berg tot 2005.
Toen verhuisde het, samen met de stadsarcheologie, naar De Zwarte Doos in de Dulle-Grietlaan 12 in Gentbrugge, in de gerestaureerde gebouwen van de vroegere Puntfabriek (Arbed).
In 2017 smolt het stadsarchief samen met het OCMW-archief tot Archief Gent.
Dat OCMW-archief zat sinds 2006 aan de Neermeerskaai.
Sinds 3 december 2018 zit de hele dienst in De Zwarte Doos. Het gebouw aan de Neermeerskaai bleef een depot, niet meer open voor het publiek.
De Berg zelf staat intussen leeg en is te koop.
De stad zette het gebouw begin oktober 2026 in de verkoop, instelprijs 2 miljoen euro.
Men verkoopt het pand als een uitzonderlijke herontwikkelingskans op een toplocatie in het hart van Gent, nabij het Gravensteen, met een totale oppervlakte van ongeveer 3.250 vierkante meter.
De toekomstige eigenaar heeft wel heel wat opties voor een nieuwe invulling: appartementen, kantoren, een klein hotel, andere horeca, handelszaken, ateliers, buurtgerichte voorzieningen of zorgfuncties zoals een praktijkruimte of een crèche.
Meer dan de helft van de kantoren mag bijvoorbeeld niet volgens de stedenbouwkundige regels, en alleen appartementen zouden een te grote impact hebben op de indeling van het beschermde monument.
Het gebouw heeft al drie jaar geen verwarming, soms valt de stroom uit, de lift werkt niet meer en de traphal is gestut met schoren.
Kortom, de gebouwen zijn in slechte staat en hebben nood aan diepgaande restauratie- en renovatiewerken.
Momenteel worden verschillende ruimtes nog gebruikt door onder meer kunstenaars, een tangoschool, en Luk De Bruyker, die er kostuums stockeert van zijn voorstellingen.
Dus voelen sommigen van jullie om dit pand te kopen, dan kunt u zich wenden tot Sogent, het vastgoedbedrijf van de stad

In de vroege ochtend van een augustusdag in 1936 trok een gezelschap eropuit voor een tocht door de Vlaamse Ardennen, de heuvelachtige streek in het zuiden van Oost-Vlaanderen tussen Oudenaarde, Ronse en Geraardsbergen.
De hemel hing nog vol nevel en zware wolken, al piepte er af en toe een schuchtere zonnestraal doorheen.
Terwijl de reisgenoten de auto een laatste controle gaven en speurend naar boven keken om het weer in te schatten, lagen de wegenkaart en de verrekijker al vertrekkensklaar.
De motor sloeg aan, er werd nog even gezwaaid naar de thuisblijvers en het gezelschap zette zich in beweging.
Ze reden Geraardsbergen uit via de steenweg naar Oudenaarde en passeerden meteen de oude molen op de linkerhelling, een vertrouwd baken dat bekendstond als de Buitenmolen of de molen van de Oudenaardse poort.
De route liep verder door Deftinge, een aloude dorpskern die vroeger onder de baronie van Boelare viel en er die ochtend heerlijk fris bij lag in het vroege ochtendlicht.
Op de uitgestrekte kouters langs de weg was de oogst al volop bezig.
Het graan stond in schoven te drogen op de rogge- en tarwevelden, terwijl de haveraren nog zachtjes wiegden in de bries, mooi afgewisseld met lappen aardappelen en bieten.
In het landelijke Parike raakten ze aan de praat met een landbouwer die zijn oogst aan het binnenhalen was.
De man bleef er nuchter onder en stelde dat ze eigenlijk niet mochten klagen.
Het graan had wel te lijden gehad onder de aanhoudende regen, maar elders in het land was het veel erger gesteld.
Zo had het Meetjesland eind juni immers nog af te rekenen gekregen met verwoestende wervelwinden.
Even verderop rees de stenen windmolen van Parike op boven de heuvelrug, omringd door pas gemaaid koren.
De reizigers wisselden een paar woorden met de molenaar en legden het idyllische tafereel vast op foto.
Daarna ging de tocht voort richting Nederbrakel.
Het heuvelland vouwde zich steeds breder voor hen open, met goudgele akkers op de voorgrond en donkere boskammen aan de einder.
Aan hun linkerhand lag Everbeek, een Vlaams dorp dat toen nog bij Henegouwen hoorde en waar de toppen van de heuvels de taalgrens markeerden.
Langs de veldwegen rezen statige beuken en olmen op, met her en der een kapelletje en een gietijzeren kruisbeeld onder het bladerdak van oude bomen.
Nederbrakel zelf was toen al een bedrijvige gemeente in de Zwalmvallei, met ruim vijfduizend inwoners en een parochiekerk met een opvallend robuuste, vierkante toren.
Aangekomen in Elst hielden ze halt tegenover de kerk om te informeren naar de juiste weg naar Sint-Maria-Horebeke.
Voorbij het katholieke dorpscentrum, langs de weg naar Nederzwalm, bereikten ze de protestantse Geuzenhoek.
Ze maakten er kennis met dominee Germersaad, die hen met zichtbaar plezier rondleidde langs zowel de oude als de nieuwe kerk.
In het oudste gebedshuis viel hun oog op het portret van meester Karel Blommaert, die tien jaar eerder was overleden.
Hij was een rechtstreekse afstammeling van Jacob Blommaert, de geuzenleider die in 1572 Oudenaarde wist in te nemen.
Na diens vlucht en arrestatie hadden zijn volgelingen een toevlucht gezocht in de omliggende wouden, om uiteindelijk wortel te schieten in Sint-Maria-Horebeke.
De hechte gemeenschap telde in die jaren zo’n honderdvijfenzestig zielen en hield er zelfs een eigen schooltje op na.
Boven het portaal van de nieuwe bakstenen kerk prijkte een gebeeldhouwde open bijbel.
Als geboortedorp van volksschrijver Abraham Hans vormde Sint-Maria-Horebeke de enige overgebleven protestantse enclave van die aard in Vlaanderen, waar katholieken en hervormden in alle sereniteit naast elkaar leefden.
Waar de vrouwen er vroeger nog massaal handschoenen naaiden of kant klosten, was die typische huisnijverheid tegen die tijd vrijwel helemaal uitgedoofd.
Na het hartelijke afscheid van de dominee doorkruiste het gezelschap opnieuw het rijke boerenland.
Overal heerste bedrijvigheid. De kleine keuterboeren maaiden het koren nog met de pik, terwijl de grotere hofsteden al gebruikmaakten van maaimachines en hoog opgetaste wagens vol goudgeel graan naar de schuren zagen dokkeren.
Door het spel van licht en schaduw leken de maaiers en binders wel weggelopen uit een schilderij.
Vervolgens hielden de pelgrims halt in Edelare bij het bekende bedevaartsoord Onze-Lieve-Vrouw van Kerselare, waar vooral in de meimaand duizenden andere pelgrims toestroomden.
Vanaf de heuvel rond de kapel met haar spitse toren genoten ze van een weids panorama.
Ze zagen Mater met zijn karakteristieke witte kerktoren, Etikhove dieper in het dal en Schorisse, de bakermat van Omer Wattez. Aan de verre horizon lagen de wijdvertakte bossen van Vloesberg en Brakel.
Wat later reden ze Oudenaarde binnen, genesteld langs de Schelde.
Boven de rode pannen en leistenen daken torenden de massieve Sint-Walburgatoren en het fijn bewerkte gotische stadhuis uit, terwijl iets verderop in een bocht van de stroom de befaamde Onze-Lieve-Vrouwekerk van Pamele lag.
Over de omliggende meersen en velden waaiden de heldere beiaardklanken hen tegemoet, net zoals dichter Gentil Antheunis, die uit Oudenaarde afkomstig was, het ooit zo treffend had bezongen.
Het deed hen mijmeren over het roemrijke verleden van de oude laken- en tapijtstad, die in de veertiende eeuw al versterkt was en wier wevers tot aan het Franse hof faam genoten.
In het historische gasthuis van Johanna van Constantinopel en de schepenzaal van het stadhuis vormden de bewaarde wandtapijten en historische doeken nog altijd het tastbare bewijs van die glorietijd.
Na een korte groet aan de Scheldestad zette het reisgezelschap koers richting Avelgem om vandaar de oversteek naar de Kluisberg te wagen.
De weg kronkelde langs witgekalkte hoeves, waarvan verschillende strodaken nog bewaard waren gebleven.
De donkere heuvelkam van de Kluisberg rees intussen steeds forser op aan de einder.
Ze dwarsten de kronkelende Schelde en reden door het dichtbebouwde Avelgem met zijn scherpe torenspits, de plek waar Stijn Streuvels destijds in de bakkerij zijn eerste verhalen schreef.
Het nabijgelegen Ruien lag er tegen de heuvelflank bijzonder schilderachtig bij onder de almaar warmer wordende namiddagzon.
Over een steile, mulle zandweg bereikten ze uiteindelijk de top van de Kluisberg, waar tal van cafés, afspanningen en pensions gemoedelijk zij aan zij stonden.
Daar deden ze een minder prettige ontdekking: in de vroege ochtenddrukte was hun zorgvuldig klaargemaakte proviand gewoon thuis blijven liggen.
Er zat dan ook niets anders op dan aan te schuiven voor een stevige boterham met boerenkaas en een dampende tas koffie.
Tussendoor krabbelden ze snel wat prentbriefkaarten voor het thuisfront, waarna ze opnieuw naar buiten trokken.
Inmiddels had de zon de wolken verdreven en lag het panorama er schitterend bij. Vanaf het hoogste punt, ruim honderddertig meter boven de zeespiegel, keken ze tientallen kilometers ver.
De kerktorens van Avelgem, Kwaremont en Etikhove staken helder af tegen het glooiende reliëf.
In de diepte schitterde het lint van de steenweg naar Ronse en in de verte tekenden zich de West-Vlaamse vlas- en tabaksvelden af.
Aan de zuidelijke flank strekten de Henegouwse dorpen Orroir, Amougies en Rozenaken zich uit.
Het bleek een geliefde trekpleister waar wandelaars en gezinnen kwamen herademen in de zuivere boslucht, te midden van verspreid liggende villa’s en buitenverblijven in het groen.
De reizigers haalden nog verschillende keren hun fototoestel boven om de weidsheid van de Schelde-, Ronne- en Zwalmvallei te vereeuwigen.
Hoewel ze maar wat graag nog even waren gebleven om ook de oude uitkijktoren op de top te beklimmen, tikte de tijd door en dwong de naderende avond hen om hun weg weer te vervolgen.

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag
Dit drama speelde zich af eind september 1936 in Gent.
Twee jonge studenten waren op hun mansardekamer op de bovenste verdieping van het pand aan de Coupure bezig met het mengen en testen van chemische stoffen.
Tijdens hun experimenten ging het grondig mis en volgde er een zware ontploffing.
De kracht van de explosie blies de ruiten van het zolderraam eruit en richtte aanzienlijke schade aan in de kamer.
Een van de twee studenten kwam hierbij om het leven, terwijl de ander zwaargewond raakte.
Het voorval haalde destijds de nationale pers en werd onder meer met deze foto verslagen in het weekblad De Stad op 2 oktober 1936.






Op dinsdag 25 augustus 1931 ontspoorde sneltrein 453 rond 9.35 uur op zo’n driehonderd meter van het station van Lichtervelde. De trein was om 7.43 uur vertrokken uit Antwerpen-Centraal met als eindbestemming Adinkerke-De Panne.
Bij de ramp kwam de stoker ter plaatse om het leven. Een reiziger liep zware verwondingen op en overleed later die middag, terwijl zo’n vijfenveertig reizigers licht- tot zwaargewond raakten.
Dat er niet nog meer dodelijke slachtoffers vielen, was uitsluitend te danken aan het feit dat de wagons van het nieuwste type waren en volledig uit staal bestonden.
Enkele uren na het ongeluk bood de rampplek een troosteloze aanblik. De locomotief en de tender lagen gekanteld midden op het spoor en de vijf wagons staken links en rechts schuin in de grond. Zware spoorstaven waren als ijzerdraadjes verbogen en het wachthuisje van de overweg lag als een kaartenhuisje in gruis.
Spoorwegwachter Emma Slagaert vertelde dat ze haar cabine net had verlaten toen de trein eraan kwam. Na een scherp geluid volgde een oorverdovende knal en luid gegil.
Ze reageerde alert door zich snel in een gracht naast het spoor te werpen. Hoewel ze onder het steengruis en de telefoondraden bedolven raakte, bleef ze als door een wonder ongedeerd.
De 35-jarige stoker Jan Ceuterickx uit Antwerpen werd onder de kolen vandaan gehaald.
Hij bleek te zijn overleden door het kokende water uit de stoomketel.
De machinist overleefde het ongeluk zonder kleerscheuren, omdat hij zich stevig had vastgeklemd aan de stuurhendel van zijn machine.
Een 79-jarige reiziger uit Deurne, Petrus Hendrickx, liep een ernstige schedelbreuk op. Hij overleed ’s middags in het Heilig Hartziekenhuis in Roeselare, waar hij naartoe was gebracht voor verzorging.
De overige gewonden kwamen er vanaf met lichte breuken, kneuzingen of snijwonden door rondvliegende glasscherven.
Het parket van Brugge en verschillende deskundigen kwamen ter plaatse voor onderzoek. Daar ontdekten ze dat de snelheidsmeter van de locomotief, die de snelheid registreert, opvallend genoeg verdwenen was. De machinist, Karel Horent, werd hierover verhoord, maar kon geen verklaring geven.
Hij werd daarop aangehouden op verdenking van rijden met overmatige snelheid.
De rijkswachtbrigade van Torhout zette een speciale ordedienst in om de duizenden nieuwsgierigen op afstand te houden. De spoorwegramp veroorzaakte immers grote opschudding in het hele land.
De verslaggeving van het drama werd onder meer opgetekend door journalist Gustaaf Haché, die schreef onder het pseudoniem Staf Hapke.
Hij kwam reeds een paar uur na de feiten ter plaatse om de situatie met eigen ogen vast te leggen. Uit bijkomende getuigenissen bleek ook dat zich in de voorlaatste wagon een complete schoolkolonie bevond.
Deze wagon werd door de klap weggeslingerd en vernielde daarbij het houten spoorwachtershuisje. Dankzij het feit dat de Belgische spoorwegen kort tevoren waren overgeschakeld op volstalen rijtuigen voor hun internationale en nationale sneltreinen, bleven de inzittenden van de schoolkolonie gespaard van een nog groter bloedbad.

De twaalfde IJzerbedevaart vond plaats op drieëntwintig augustus 1931 in Diksmuide.
Een jaar na de plechtige inwijding van de eerste IJzertoren in 1930 kwamen opnieuw tienduizenden Vlaamse pelgrims, veteranen en sympathisanten samen aan de oevers van de IJzer.
Deze jaarlijkse bijeenkomst stond in het teken van de herdenking van de Vlaamse soldaten die waren gesneuveld tijdens de Eerste Wereldoorlog.
De editie van 1931 versterkte de rol van het IJzermonument als centraal symbool voor het Vlaams-nationale bewustzijn en de Vlaamse cultuureisen.
Gedragen door de bekende leuzen ‘Alles voor Vlaanderen’, ‘Vlaanderen voor Christus’ en ‘Nooit meer Oorlog’, verbond het evenement de roep om Vlaamse ontvoogding met pacificatiedrang en christelijke waarden.
De bijeenkomst kenmerkte zich door toespraken, gezangen en vlaggenhuldes, en verankerde de IJzerbedevaart definitief als een van de meest bepalende massamanifestaties van het interbellum in Vlaanderen.
Het absolute hoogtepunt van deze twaalfde bedevaart was de onthulling van het imposante monumentale standbeeld ter ere van de Vlaamse soldaat Renaat De Rudder.
Dit imposante werk werd geplaatst als een van de hoekpijlers aan de voet van de IJzertoren en was het eerste van een reeks monumentale hoekbeelden die het Vlaamse IJzerleed moesten symboliseren.
Het standbeeld werd ontworpen door de Vlaamsgezinde beeldhouwer Karel Aubroeck.
Aubroeck, geboren in Temse in 1894, was een expressionistisch kunstenaar en oud-frontsoldaat die bekendstond om zijn monumentale constructivistische stijl en het gebruik van robuuste materialen.
Voor het beeld van De Rudder maakte hij gebruik van een vernieuwende en technisch uitdagende techniek waarbij een mozaïek van keien en gietbeton werd gecombineerd. Aubroecks gestileerde vormgeving gaf het figuur een krachtige expressie.
De Rudder werd afgebeeld met geboeide handen die ondanks de ketenen vlugschriften omklemden en naar boven reikten, als verbeelding van het idee dat het ideaal stijgt boven de lichamelijke geknevelijkheid.
Het beeld bracht een eerbetoon aan Renaat De Rudder, een jonge oorlogsvrijwilliger uit Oostakker die studeerde aan het Sint-Vincentiuscollege in Eeklo.
Aan het front sloot De Rudder zich aan bij de Vlaamsgezinde Frontbeweging, richtte hij het frontblad ‘De IJzerkerels’ op en verspreidde hij Vlaamsgezinde vlugschriften.
In december 1917 kwam hij op twintigjarige leeftijd om het leven na een incident tijdens een verkenningstocht in niemandsland.
Na de oorlog groeide hij uit tot een van de grote IJzersymbolen en werd zijn nagedachtenis een symbool voor het strijdbare Vlaams-nationalisme.

Wat vandaag de dag als een eenvoudige aardrijkskundige feitelijkheid geldt, namelijk dat de Mont Blanc in de Alpen 4810 meter hoog is, was eeuwenlang een schier onoverkoombare uitdaging.
De ontzagwekkende berg, waarvan ongeveer een derde met sneeuw en ijs is bedekt, oefende een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op avonturiers.
Toch werd tot ver in de achttiende eeuw algemeen aangenomen dat de mens deze machtige top nooit zou kunnen bereiken.
Destijds noemde men de regio rond de berg zelfs het ‘Vervloekte Dal’ (Vallée Maudite), uit angst voor draken, demonen en de verraderlijke gletsjers.
Het was de jonge Zwitserse natuurkundige Horace-Bénédict de Saussure die de uitdaging besloot aan te gaan.
Hij was pas twintig jaar oud toen hij in 1760 Chamonix bezocht en zijn passie voor de Mont Blanc ontwaakte.
De Saussure gold later als een van de grondleggers van de moderne alpinismewetenschap.
Wat begon als een jeugdige ambitie, groeide uit tot een levenslange missie.
Hij loofde zelfs een flinke beloning uit voor degene die een begaanbare route naar de top kon vinden. Jarenlang verkende hij het terrein en ondernam hij talloze pogingen, maar zelfs in 1778 bleef hij ervan overtuigd dat de klim onmogelijk was.
Ondertussen waagden ook anderen hun kans.
In 1784 werd een hoogte van 4331 meter bereikt, en een jaar later moest De Saussure opnieuw onverrichter zake terugkeren.
En zoals dat vaker gaat, was het uiteindelijk een gedreven avonturier die de doorslag gaf: Jacques Balmat, een lokale jager en kristalzoeker uit het dal.
Gedreven door roem en de hoop op goud sloot hij zich in 1786 onverwachts aan bij drie ervaren klimmers.
Toen zijn tochtgenoten door zware tegenslagen besloten op te geven, zette Balmat alleen door.
Hij kwam tot op een paar honderd meter van de top voordat een zware avondstorm hem dwong om terug te keren en noodgedwongen op de gletsjer te overnachten.
Balmat wist nu dat het haalbaar was, maar hij had een getuige én medische expertise nodig voor de extreme hoogte.
Die vond hij in Michel-Gabriel Paccard, een dorpsdokter uit Chamonix die zelf ook al meerdere pogingen had ondernomen en geboeid was door hoogteziekte en drukmetingen.
Samen trokken ze eropuit en op 8 augustus 1786 stonden beide mannen eindelijk op de top van de Mont Blanc.
Het dagboek van dokter Paccard vermeldde er sober over dat ze om 18.23 uur aankwamen en om 18.57 uur weer vertrokken.
Ze stonden precies vierendertig minuten op het hoogste punt.
In het dal kende de vreugde geen grenzen toen het nieuws bekend werd.
De Saussure, de grote inspirator en financier van de expedities, wilde niets liever dan de prestatie aan de zijde van Balmat herhalen.
Pas op 3 augustus van het daaropvolgende jaar zag hij die droom in vervulling gaan, waarbij hij uitgebreide wetenschappelijke experimenten op de top uitvoerde.
Balmat bleef zijn leven lang geobsedeerd door de bergen en de gedachte dat er goud te vinden was.
Op tweeënzeventigjarige leeftijd kwam hij tijdens zo’n zoektocht om het leven in de Val de Sixt; zijn lichaam werd nooit teruggevonden.
Vandaag de dag worden zowel Jacques Balmat als De Saussure geëerd als de pioniers van de Mont Blanc, onder meer met een monument in Chamonix.
Ook vrouwen lieten niet lang op zich wachten.
De allereerste vrouw op de top was de lokale dienstmeid Marie Paradis op 14 juli 1808.
Ze werd door gidsen de berg op geholpen en bereikte de top in vrij slechte fysieke conditie.
Dertig jaar later, op 3 september 1838, volbracht de Franse adellijke sportvrouw Henriette d’Angeville als eerste vrouw op eigen kracht en met een minutieus voorbereide expeditie de zware klim, waarmee ze de bijnaam de Mont Blanc-bruid verwierf.
Leuk om te weten is dat de Mont Blanc tegenwoordig nog steeds een reus van formaat is, al schommelt zijn precieze hoogte door de veranderende ijskap op de top.
Daarnaast bevindt zich diep onder deze berg de beroemde Mont Blanctunnel, die Frankrijk en Italië sinds 1965 met elkaar verbindt.






De 25e editie van de Ronde van Frankrijk, verreden in de zomer van 1931, staat bekend als een van de meest slopende en heroïsche edities uit de vroege geschiedenis van de wielersport.
Met een totale afstand van maar liefst 5091 kilometer, verdeeld over 24 etappes, was deze editie een ware uitputtingsslag, waarbij de renners tegen de klok en elkaar streden op loodzware wegen.
Dit enorme aantal kilometers staat in schril contrast met de moderne wielersport.
Waar de renners in 1931 nog 5091 kilometer moesten overbruggen, is de huidige Ronde van Frankrijk, de editie van 2026, een totale afstand van 3320,7 kilometer.
Destijds was het bovendien het tweede jaar dat de Tour met nationale ploegen reed in plaats van individuele sponsors, wat zorgde voor een felle strijd tussen de grote wielerbuurlanden Frankrijk, België en Italië.
In 1931 stonden er slechts 6 officiële nationale ploegen aan de start, aangevuld met een grote groep individuele renners.
De vier grote wielerlanden Frankrijk, België, Italië en Duitsland stuurden elk een ploeg van 8 renners. Daarnaast was er een gecombineerd team van Australië en Zwitserland met elk 4 renners, en nam Spanje deel met slechts 1 enkele renner.
Nederland schitterde in die tijd door afwezigheid en had geen nationale ploeg aan de start.
In deze beginperiode van de Tour met landenploegen was het wegwielrennen in Nederland nog lang niet zo populair of professioneel ontwikkeld als in de omringende landen.
De sportieve focus lag in Nederland destijds vooral op het baanwielrennen, waar wel grote successen werden geboekt.
Het zou nog tot 1936 duren voordat er voor het eerst een Nederlandse afvaardiging aan de start van de Tour verscheen, destijds met renners als Albert van Schendel en Theo Middelkamp, die toen direct de allereerste Nederlandse etappezege wisten op te eisen.
Dit alles bracht het deelnemersveld van 1931 op 41 ploegrenners, die werden vergezeld door 40 onafhankelijke renners, de zogenaamde touriste-routiers, wat zorgde voor een bescheiden peloton van 81 renners in totaal.
Hoe anders is dat in de editie van 2026, waar 23 professionele merkenteams aan de start verschijnen met elk 8 renners, wat resulteert in een gigantisch en strak georganiseerd peloton van 184 renners.
In het begin van de ronde domineerden de sprinters in de vlakke ritten, maar het spektakel begon pas echt toen de bergen opdoemden.
Een gedenkwaardig moment vond plaats in de tweede etappe, toen de Oostenrijkse individuele renner Max Bulla geschiedenis schreef.
Hoewel de individuele renners tien minuten later waren gestart dan de nationale ploegen, slaagde Bulla erin om iedereen in te halen en de etappe te winnen.
Hierdoor pakte hij als enige onafhankelijke renner ooit in de geschiedenis de gele trui.
Het klassement kreeg zijn definitieve vorm in de loodzware Pyreneeën.
Tijdens de negende etappe van Pau naar Luchon ontbond de Franse renner Antonin Magne zijn duivels.
Hij viel aan op de flanken van de legendarische Tourmalet, nam de leiding in de wedstrijd en veroverde de gele trui. Magne, die bekendstond om zijn tactische inzicht en methodische manier van rijden, werd gesteund door een ijzersterke Franse ploeg met onder anderen Charles Pélissier.
Na deze slopende ritten was er voor de renners van de luxe van moderne hotels absoluut geen sprake.
Hoewel ze na een etappe ergens moesten slapen, was de realiteit uiterst sober.
De ploegen huurden meestal eenvoudige kamers in goedkope lokale herbergen of kleine familiehotels langs de route.
Omdat er vaak niet genoeg bedden waren, moesten renners de kamers en soms zelfs de bedden met elkaar delen.
Na een rit van driehonderd kilometer kropen twee renners dan samen in een krap bed.
Ook de hygiëne liet te wensen over, want kamers met eigen warm stromend water waren er amper.
Renners moesten zich vaak behelpen met een teil koud water op de binnenplaats of een gedeelde kraan op de gang. Van een echt sportdieet was evenmin sprake; men at gewoon de zware kost die de lokale herberg serveerde.

Niet alleen het comfort, maar ook het prijzengeld was van een heel andere orde dan vandaag de dag. In 1931 bedroeg de eerste prijs voor de eindwinnaar van het algemeen klassement 25.000 Franse frank, uit een totale prijzenpot van 650.000 Franse frank.
Gecorrigeerd naar de huidige koopkracht was die hoofdprijs toen ongeveer 15.000 tot 20.000 euro waard.
Dit staat in schril contrast met de editie van 2026, waarin de totale prijzenpot ruim 2,3 miljoen euro bedraagt en de uiteindelijke winnaar maar liefst 500.000 euro mee naar huis neemt.
In de Alpen en tijdens de latere vlakke ritten werd de Franse leider constant bestookt door zijn naaste belagers.
Vooral de Belg Jef Demuysere en de Italiaan Antonio Pesenti gaven zich niet zomaar gewonnen.
Demuysere bleef aanvallen opzetten en won meerdere zware ritten, maar Magne gaf geen krimp.
In de voorlaatste etappe, die over de gevreesde kasseien in het noorden van Frankrijk voerde, probeerden de Belgen een beslissende slag te slaan.
Magne wist echter stand te houden door constant aan het wiel van Demuysere te blijven kleven.

Uiteindelijk eindigde de loodzware koers op 26 juli 1931 in het legendarische Prinsenpark, oftewel het Parc des Princes in Parijs.
In die tijd stroomde de wielerbaan van dit stadion traditiegetrouw bomvol met tienduizenden enthousiaste toeschouwers om de helden van de weg na weken van afzien te huldigen.
Na alle kilometers over onverharde wegen en kasseien konden de renners nog een paar laatste rondjes over de houten piste rijden voor het oog van de massa.
Het was in deze historische ambiance dat Antonin Magne als grote triomfator werd binnengehaald, met een voorsprong van bijna dertien minuten op Demuysere en ruim tweeëntwintig minuten op Pesenti.
Het betekende de eerste van zijn twee Tourzeges en een groot feest voor het Franse publiek.
De Belgen grepen met Demuysere, Gaston Rebry en Maurice De Waele weliswaar net naast de individuele hoofdprijs, maar zij namen wel de troostprijs mee naar huis door het ploegenklassement op hun naam te schrijven


De oorsprong van het domein gaat ver terug tot de middeleeuwen.
Al in de elfde of twaalfde eeuw stond op deze strategische plek een houten of stenen burcht, die diende als een versterkte grensmoerasburcht om de regio te beschermen.
In de loop van de veertiende eeuw werd dit complex herbouwd tot een stevige burcht van zandsteen, waaraan het kasteel zijn naam Het Steen dankt. Het deed in die tijd ook dienst als gevangenis en garnizoenspost.
De meest glansrijke periode voor het kasteel brak aan in mei 1635. Peter Paul Rubens, destijds een gevierd diplomaat en schilder op leeftijd, kocht het zwaar vervallen middeleeuwse slot en de omliggende gronden voor een bedrag van 14.000 guldens.
Hij was kort daarvoor getrouwd met zijn jonge tweede vrouw, Hélène Fourment, en zocht een rustig buitenverblijf buiten Antwerpen om te ontsnappen aan de stadsdrukte en zijn opspelende jicht.
Rubens droeg bij de aankoop van het kasteel al een indrukwekkende internationale carrière met zich mee, want hij was veel meer dan alleen een begenadigd kunstenaar.
Als meertalige, erudiete en charmante verschijning groeide hij uit tot een van de belangrijkste diplomaten van zijn tijd.
De aartshertogen Albrecht en Isabella van de Spaanse Nederlanden merkten zijn talenten op en zetten hem in voor delicate internationale missies.
Zijn schildersatelier diende vaak als de perfecte dekmantel; terwijl hij vorsten en edellieden portretteerde, voerde hij ondertussen discrete politieke gesprekken.
Zijn diplomatieke meesterstukken vonden plaats tussen 1627 en 1630, toen hij een sleutelrol speelde in het tot stand brengen van vrede tussen Spanje en Engeland.
Hij reisde hiervoor naar de hoven in Madrid en Londen, waar hij diepe indruk maakte op zowel de Spaanse koning Filips de Vierde als de Engelse koning Karel de Eerste.
Als dank voor zijn succesvolle bemiddeling sloegen beide koningen hem tot ridder, een uitzonderlijke eer voor een kunstenaar.
Ondanks zijn successen raakte Rubens in de vroege jaren dertig vermoeid door de complexe intriges aan het hof, waarna hij besloot zich grotendeels uit de actieve diplomatie terug te trekken en zich te richten op zijn gezinsleven en de schilderkunst.
Rubens liet het kasteel ingrijpend verbouwen in de stijl van de Vlaamse renaissancestructuur.
Hij voegde onder andere de karakteristieke trapgevels toe en liet de ramen vergroten om meer licht binnen te laten.
Hoewel de zware zandstenen muren aan de basis behouden bleven, transformeerde het complex van een grimmige middeleeuwse burcht naar een elegant ogend herenhuis op het platteland.
De omgeving van Elewijt inspireerde Rubens enorm tijdens zijn laatste levensjaren.
In deze periode schilderde hij minder religieuze of mythologische taferelen en richtte hij zich volop op de natuur.
Beroemde meesterwerken zoals Herfstlandschap met uitzicht op Het Steen en De runderenwal weerspiegelen direct de weidse weilanden, bossen en sfeer rondom zijn buitenverblijf.
Nadat Rubens in 1626 zijn eerste vrouw Isabella Brant had verloren, hertrouwde de inmiddels 53-jarige kunstenaar in december 1630 met de pas 16-jarige Hélène Fourment.
Hélène werd geboren in Antwerpen op 11 april 1614 als de jongste dochter van de welgestelde tapijten- en zijdehandelaar Daniël Fourment en Clara de Stot.
Haar legendarische schoonheid betoverde de ouder wordende schilder volledig, en ze werd al snel zijn ultieme muze.
Rubens vereeuwigde haar weelderige gedaante in talloze beroemde schilderijen, zoals Het pelsken, Hélène Fourment met haar kinderen en de monumentale Tuin van de liefde.
Samen kregen ze vijf kinderen, van wie de jongste werd geboren na het overlijden van de schilder.
Na de dood van Rubens in 1640 bleef Hélène Fourment nog enige tijd op het kasteel wonen.
Ze weigerde uit respect voor zijn nalatenschap een aantal zeer persoonlijke en intieme naaktschilderingen die hij van haar had gemaakt te verkopen, al werden sommige later alsnog verspreid.
Enkele jaren later hertrouwde ze met de diplomaat Jan Baptist van Broechoven, met wie ze nog vijf kinderen kreeg.
Ze speelde hierdoor een prominente rol in de Antwerpse en Brusselse hoogste kringen tot aan haar overlijden in Brussel op 15 juli 1673.
In de eeuwen daarna wisselde het domein herhaaldelijk van eigenaar.
Tijdens de achttiende eeuw onderging het interieur aanpassingen in de classicistische stijl en in de negentiende eeuw volgde een ingrijpende neogotische restauratie, die het kasteel zijn huidige uiterlijk gaf met behoud van de herkenbare renaissancetrekken die Rubens had achtergelaten.
Het kasteel en de omliggende gronden kwamen in de 20e eeuw onder druk te staan door verstedelijking en de verkoop van gronden.
Dit leidde tot bezorgdheid over het behoud van het historische domein.
In juli 1936 publiceerde het weekblad “De Stad” een paginagroot artikel, met diverse foto’s die het kasteel en de omgeving in beeld brachten.
De tekst uitte felle kritiek op het feit dat een dergelijk nationaal erfgoed aan de hoogstbiedende werd verkocht, en verwees naar de verkoop van andere historische panden die voor het land verloren gingen.
De bezorgdheid betrof ook de integriteit van het domein, dat “niet verkaveld, of nog ten dele verkocht mag worden”.
De actie in “De Stad” was een voorloper van de strijd voor het behoud van cultureel erfgoed en getuigt van de groeiende publieke bewustwording van de waarde van het Rubenskasteel.
Ondanks de oproep werd het kasteel uiteindelijk toch verkocht aan private kopers.
Pas in 2019 werd het kasteel aangekocht door Toerisme Vlaanderen, met als doel het monumentale erfgoed en de omliggende natuur te herstellen en open te stellen voor het publiek.
Hoewel ook vandaag het kasteel nog een sprookjesachtig monument is, omringd door een park van 26 hectare, is het kasteel op dit moment niet open voor het publiek.
Want een restauratie drong zich op en de Vlaamse regering doet daarvoor een beroep op Herita, een gespecialiseerde erfgoedorganisatie die al een resem kastelen en andere erfgoedlocaties in Vlaanderen beheert.
De bedoeling is dat het kasteeldomein tegen 2029 in ere is hersteld.
De buitenkant en de rentmeesterwoning worden gerestaureerd, en de orangerie krijgt een nieuwe functie als onthaal, waar bezoekers het verhaal van Rubens kunnen ontdekken


Vanaf deze week neem ik jullie mee naar het prachtige Congo, het land waar mijn overgrootmoeder, de grootmoeder van mijn stiefvader, samen met haar toenmalige Amerikaanse echtgenoot, enkele jaren heeft gewoond.

Wij, haar achterkleinkinderen, noemden haar “oude bomma”. Via oude foto’s en ansichtkaarten van mijn “oude bomma” en haar man ontdekken we dit fascinerende land.
De Congo-rivier is de waterrijkste rivier van Afrika en, na de Nijl, de langste.

De rivier, die deel uitmaakt van het Congobekken, stroomt door het op één na grootste regenwoud ter wereld en vormt een belangrijke scheepvaartverbinding voor Centraal-Afrika.
In de foto zien we een nijlpaard in de wateren van de Congo. De foto is afkomstig uit het tijdschrift “De Stad” van 25 januari 1935.


