Alice White groeide op in New Haven, Connecticut, waar ze een opleiding tot stenografie volgde.
Toen haar grootouders naar Californië verhuisden, zette ze haar studie voort aan Hollywood High School.
Daar was Mary Brian, de latere bekende actrice, een van haar medeleerlingen.
Na haar opleiding had ze verschillende banen, waaronder typiste, telefoniste, verkoopster en etaleur.
Een vriendin van haar, die bij Universal werkte, wees haar op een auditie.
Regisseur Joseph Von Sternberg zag direct haar levendigheid, maar vond haar lach ‘zowel vreselijk als meeslepend’.
Hij bood haar een contract aan bij de publiciteitsafdeling en later als zijn persoonlijke secretaresse.
Een kantoorbaan was echter niet genoeg voor Alice, want ze droomde van een filmcontract.
Na een conflict met Von Sternberg stapte ze over naar Charlie Chaplin, die haar uiteindelijk een rol voor de camera gaf.
Ze speelde met succes rollen als ‘flapper’ – een zelfbewuste vrouw die zich niets aantrok van de gangbare normen – of als geldgierige vrouw.
Hiermee trok ze de aandacht van regisseur Mervyn LeRoy, die veel potentieel in haar zag.
Door haar opvallende persoonlijkheid werd ze vaak vergeleken met actrice Clara Bow.
Met de opkomst van de geluidsfilm werd White populairder dan ze in de periode van de stomme film was.
Haar carrière raakte echter beschadigd door een schandaal: ze had een relatie met haar vriend Jack Warburton en haar toekomstige echtgenoot Sidney Bartlett tegelijk.
Dit leidde ertoe dat ze geen hoofdrollen meer kreeg en genoegen moest nemen met bijrollen.
Haar laatste film was ‘Flamingo Road’ uit 1949.
Alice White overleed in 1983 aan een beroerte.


