De openbare omroep bestaat vandaag 70 jaar.

In 1931 vond de eerste publieke demonstratie van de werking van televisie plaats.

Pas vanaf 31 oktober 1953 begon het toenmalig Nationaal Instituut voor de Radio-omroep (NIR) vanuit het Flageygebouw in Brussel haar eerste regelmatige televisie-uitzendingen te verzorgen.

Omroepster Paula Sémer was de eerste Vlaming die op televisie te zien was.

Ze presenteerde en acteerde tijdens die eerste tv-avond in het tv-drama “Drie dozijn rode rozen.”

Vlaanderen telde toen slechts één televisiezender, zond in zwart-wit uit en in 625 lijnen.

Alle uitzendingen gingen live en vonden plaats in een verbouwde radiostudio, waar personeel en rekwisieten in die pioniersjaren nog op elkaar gepakt stonden.

Terwijl in de ene helft toneel gespeeld werd, moest men in de andere hoek alles gereed brengen voor het Journaal.

Veel uitzendingen waren vrij primitief omdat bij gebrek aan voldoende televisiemakers met ervaring er voornamelijk radiomakers werden ingeschakeld.

Op dat moment waren er in heel België amper 15.000 ontvangsttoestellen. Het zendbereik was ook beperkt.

Naar aanleiding van de Wereldtentoonstelling van 1958 werden er op voorhand enkele relais-zenders gebouwd zodat men beter over het ganse land kon uitzenden. Het evenement spoorde ook veel Belgen aan om een eigen televisietoestel te kopen.

In 1958 werd kijkgeld ingevoerd, de tv-loze maandag afgeschaft en werd de omroep losgemaakt uit het ministerie van PTT en Verkeer en onder Cultuur ondergebracht.

Via de nieuwe omroepwet veranderde het NIR op 18 mei 1960 haar naam in de BRT (Belgische Radio en Televisie).

De pioniersdagen van kleurentelevisie zijn voer voor kwissers. Wie weet bijvoorbeeld nog dat de toenmalige minister van Cultuur Frans Van Mechelen de nieuwe revolutie aankondigde?

Hij droeg een donkerblauw pak, en een wijnrood strikje, en zijn toespraak op 1 januari 1971 werd door het nieuwe medium bepaald bibberend op het scherm gebracht. Waarna het traditionele nieuwjaarsmenu volgde: nieuwjaarsconcert vanuit Wenen, en het schansspringen uit Garmisch-Partenkirchen.

Hooguit vijfhonderd landgenoten hadden op dat moment al een kleurentelevisie. Niet zo vreemd als men bedenkt dat die toen bijna drie keer zoveel kostte als een zwart-wit toestel. Je moest niet minder dan duizend euro overhebben voor een beetje kleur in de huiskamer. Dat zou nu overeenkomen met zowat vierduizend euro als je rekening houdt met de inflatie.

Er was ook een andere reden. De prijs van een zwart-wittoestel lag in die tijd in Vlaanderen hoger dan in de ons omringende landen.

Dat was het gevolg van de ,,lijnenslag”. Frankrijk wilde 819 lijnen voor zijn televisie, terwijl alle andere landen bij de aanbevolen 625 lijnen bleven. Het tweeslachtig beleid van België resulteerde in toestellen die beide normen aankonden. Veel mensen die een fortuin neergeteld hadden voor een duurdere zwart-wittelevisie, schaften zich niet meteen weer een nieuw, nog duurder toestel aan.

Maar het ging snel. Drie jaar later was de volledige programmering van de BRT al in kleur. En, zegt Jan Cuypers, directeur operationele diensten bij de VRT, “de kleurentelevisie heeft in korte tijd veel succes gehad. Daar werd echt wel voor gespaard. Het was niet alleen maar voor de rijken.”

In 1983, toen een kleurentelevisie nog altijd 32.000 frank kostte, hadden ongeveer twee miljoen Belgen een kleurentelevisie, tegenover een miljoen zwart-witkijkers.

De hele omschakeling betekende voor de openbare omroep een kleine revolutie.

Al in 1967 begon de BRT met de voorbereidingen. Eind 1968 startten de eerste cursussen voor het BRT-personeel: die moesten de overgang van zwart-wit naar kleur glad laten verlopen. Jan Ceuleers, toentertijd werkzaam bij de nieuwsdienst, heeft die overgang van dichtbij meegemaakt. ,,Het hele proces is binnen de BRT geleidelijk verlopen.

Er werd zelfs een tijdelijke studio ingericht om experimenten uit te voeren, voordat we in kleur gingen uitzenden.”

Jan Cuypers: ,,De introductie van kleur viel samen met de ingebruikname van het Omroepcentrum in Brussel. Voor die tijd zat iedereen verspreid over Brussel, en plots kwam alles samen. Vanaf toen is het personeel ook opgeleid om te denken en programma’s te maken volgens de nieuwe kleurenterminologie.

Je moest bijvoorbeeld rekening houden met moeilijke kleuren als wit en paars. Bij het Journaal werd geen wit papier gebruikt en witte boorden werden, als ik me niet vergis, in thee gedompeld om de kleur wit te vermijden.”

Ondanks alle goede voorbereidingen kreeg ook de BRT-problemen met de bekende kinderziektes.

Dertig jaar geleden was het niet uitzonderlijk om schreeuwende kleurencombinaties en glanzende decors te zien, of een stel voetballers zonder benen. ,,De apparatuur was in die tijd nog niet zo stabiel en vooral zeer temperatuurgevoelig”, zegt Jan Cuypers. ,,Camera’s stonden dag en nacht aan en vergden veel onderhoud. Om de kleuren goed te houden, moesten ze twee, drie keer per dag afgesteld worden.”

Het had ook grote consequenties voor de make-up. Vroeger mochten de sterren zelf bepalen of ze geschminkt wilden worden, maar met de opkomst van kleur werd dat een verplichting. Wie dat vertikte, kwam met een bleekgroen gezicht op het scherm.

Overigens moesten ook de eerste schminksters bijgeschoold worden. De oorspronkelijke Duitse schmink werd algauw vervangen door Italiaanse producten.

Op 27 januari 1991 veranderde de zender haar naam in de BRTN (Belgische Radio en Televisie Nederlands). Sinds 1 januari 1998 heet de omroep de VRT (Vlaamse Radio- en Televisieomroeporganisatie).

Vanaf 1973 begon de BRT voor het eerst met een tweede zender te experimenteren, die vanaf 26 april 1977 definitief een volwaardig tv-kanaal werd onder de naam BRTN TV2.

Op 27 januari 1991 werd deze zender in TV2 omgedoopt, terwijl BRTN 1 voortaan TV1 heette.

Op 1 december 1997 werd dit tweede net opgesplitst in twee verschillende programmablokken voor verschillende doelgroepen: de kinderzender Ketnet, die vanaf 7 uur ’s ochtends tot 7 uur ’s avonds uitzond, en de volwassenenzender Canvas die haar uitzendingen pas na 19 uur ’s avonds begon.

Sinds 1 januari 2005 heet TV1 Eén. Het profiel van het eerste televisiekanaal van de openbare omroep (thans “Eén”) mikt op amusementsprogramma’s voor het hele gezin. Ketnet is voor de jeugd bestemd en Canvas richt zich op de meerwaardezoekers.

Op 1 mei 2012 werden Canvas en Ketnet gesplitst van elkaar, ze hebben nu allebei een eigen kanaal. Canvas zendt op het huidige kanaal uit vanaf 14 uur.

Ketnet, dat vanaf 14 mei 2012 naar een gloednieuw kanaal, OP12, verhuisde. (diverse bronnen en Wikipedia)

50 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse dichter en schrijver Bert Peleman (De Post oktober 1972)

Bert Peleman, zoon van een kruidenier, volbracht zijn humaniora in het Klein Seminarie van Hoogstraten, waar zijn leraars Ast Fonteyne en Remi Lens bij hem de belangstelling voor toneel en kunst opwekten.

Hij vervolgde met anderhalf jaar politieke en sociale wetenschappen in Leuven, maar onderbrak die studie tijdens het tweede jaar.

Hij had zich vooral onledig gehouden met het oprichten van een studentencabaret, waarmee hij optrad, onder meer voor de radio.

In die tijd raakte hij, onder de invloed van Jef Van Bilsen, in de ban van Joris Van Severen en werd lid van het Verdinaso.

Beroepshalve werd hij redacteur voor de cultuurbladzijde van De Courant en in 1939 werd hij medewerker bij het Nationaal Instituut voor de Radio-omroep (NIR).

In 1939 werd hij gemobiliseerd als luitenant in het Belgisch leger.

Hij publiceerde een boekje, Wij, soldaten, met fervente lofbetuigingen aan het adres van het koningshuis.

Krijgsgevangen na de Achttiendaagse Veldtocht werd hij tot in juli 1940 in Beieren opgesloten.

Na zijn terugkeer werd hij lid van de Eenheidsbeweging-VNV.

Hij werd hoofdreferent voor kunst en cultuur bij de door de bezetter gecontroleerde Radio Brussel en werd ondervoorzitter van de Duitsgezinde Brabantse kunstfederatie.

In 1942 verliet hij de radio om de leiding te nemen van het departement Stijl en Vorming van de Dietsche Militie – Zwarte Brigade.

Als gevolg hiervan liep hij vaak in het uniform van de Zwarte Brigade rond en reisde hij naar het Oostfront, waar zijn broer soldaat was.

Hij schreef ook de Mars van het Vlaams Legioen, getoonzet door Karel De Brabander, met onder meer het volgende vers:

Wij volgen het vaandel der leeuwen

door sikkel en hamer onteerd

Ons horen de komende eeuwen

Te wapen voor outer en heerd.

Wegens meningsverschillen verliet hij einde 1943 de Zwarte Brigade en werd tot aan het einde van de bezetting hoofdredacteur van het geïllustreerd weekblad De illustratie, een zusterblad van het collaborerende Volk en Staat.

Na de bevrijding werd Peleman gearresteerd op beschuldiging van collaboratie met de vijand en in 1946 werd hij ter dood veroordeeld wegens hoogverraad en tevens van medeplichtigheid aan de plundering van de woning van de burgemeester van Sint-Kwintens-Lennik.

Na zijn verblijf in het Hechteniskamp Lokeren, werd in maart 1947 de straf in beroep bevestigd, maar in april 1948 omgezet tot levenslange hechtenis.

Einde 1950 kwam hij vervroegd vrij, onder meer dankzij de inspanningen van verschillende letterkundigen, in de eerste plaats de Leuvense professoren Albert Westerlinck en Willy Peremans.

Hij hield zich voortaan afzijdig van actieve politiek en legde zich toe op de promotie van het toerisme in Vlaanderen, meer bepaald in de Brabantse Scheldestreek.

Hij stichtte hiervoor verenigingen, zoals Mercatoria (1955) en Scaldiana (1957). In 1969 was hij de initiatiefnemer voor het Schelde-eiland in Rupelmonde.

Hij werd de eerste directeur van de uitgeverij Mercatorfonds (1965-1966) en artistiek directeur bij de uitgeverij Buschmann (1966-1978).

Hij leidde er de reeks publicaties onder de naam Flandria Illustrata.

Hij werd ook lid en voorzitter van de Antwerpse Uilenspiegelgezellen (vanaf 1966) en van de internationale kunstenaarskring De 7 rond Tijl (vanaf 1977).

In 1986 kwam hij nog in het nieuws omdat de hem toegekende benoeming tot ridder in de Orde van Leopold II werd ingetrokken, na protest van verzetsstrijders en Waalse socialisten.

In 1937 kreeg Peleman de poëzieprijs van de provincie Antwerpen voor zijn dichtbundel Variante voor harp.

Hierin wordt het volkse leven van de boeren verheerlijkt. Het leven van de boeren en vissers in de Scheldestreek zijn vaak een thema in zijn werk.

De Schelde was een heel belangrijke inspiratiebron voor Peleman.

Zo zei hij in een interview: Voor mij is de Schelde eerder een bovenaardse dan geografische stroom geworden. Ze is voor mij uitgegroeid tot een slagader, een symbool van ebbe en vloed.

Vanaf 1938 schreef hij ook verzen voor Dietsche Warande en Belfort en publiceerde ook in het meer personalistische tijdschrift Vormen.

Zijn latere werk werd door zijn ervaringen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog soberder en somberder.

Hij haalde veel inspiratie bij de figuren van Reinaert de Vos en Tijl Uilenspiegel, die hij beschouwde als uitdrukkingen van de Vlaamse vrijheidsgeest.(Diverse bronnen, Wikipedia en de Post van 8 oktober 1972)