Steve Jobs, de geadopteerde zoon van een Syrische immigrant en een Amerikaanse vrouw, groeide uit tot een van de invloedrijkste figuren in de moderne technologie.
Samen met Steve Wozniak richtte hij Apple op in de garage van zijn ouders.
Terwijl Wozniak de techneut was, blonk Jobs uit als de visionaire verkoper die hun creaties aan de wereld kon presenteren.
Hun eerste grote succes, de Apple II, was een van de eerste personal computers die technologie toegankelijk maakte voor de gewone man.
De echte revolutie volgde in 1984 met de Macintosh, die met zijn grafische interface en de muis de standaard zette voor hoe we computers vandaag de dag nog steeds gebruiken.
Na in 1985 uit Apple te zijn gezet, bewees Jobs zijn veerkracht.
Hij kocht Pixar dat hij uitbouwde tot een revolutionaire
animatiestudio, en richtte het computerbedrijf NeXT op.
In 1997 keerde hij terug als CEO bij een zwaar noodlijdend Apple en zorgde hij voor een spectaculaire ommekeer.
Onder zijn leiding lanceerde Apple een reeks iconische producten die hele industrieën op hun kop zetten.
De iPod en iTunes veranderden de muziekwereld, de iPhone definieerde de moderne smartphone en de iPad creëerde de tabletmarkt.
De kern van Jobs’ succes was niet dat hij de technologie zelf uitvond, maar dat hij een uniek instinct had om die technologie te vertalen naar prachtig ontworpen, gebruiksvriendelijke producten die consumenten fantastisch vonden.
Na een lange strijd tegen kanker overleed hij in 2011

