



Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek




Haar zoon was toen vier jaar geworden en mag dus vandaag 64 kaarsjes uitblazen.
Aubry kende haar eerste grote succes bij haar debuut als actrice in de bekroonde film Manon (1949) van Henri-Georges Clouzot.
Ze werd op de cover geplaatst van het tijdschrift Life (26 juni 1950).
Ze hield er een contract aan over bij 20th Century Fox.
In The Black Rose (1950) speelde Aubry samen met Tyrone Power en Orson Welles, en in Barbe-Bleue (1951) speelde zij de rol van de laatste vrouw van Blauwbaard (gespeeld door Hans Albers in het Duits en Pierre Brasseur in de Franse versie).
In 1956 trouwde ze in de moskee van Parijs met Si Brahim el Glaoui, zoon van Thami El Glaoui, pacha van Marrakech, en was niet langer meer actrice.
Na de geboorte van hun zoon, Mehdi El Glaoui vestigde ze zich in Frankrijk en werd romanschrijfster en auteur van kinderboeken.
Sommige van haar werken werden herwerkt tot tv-series.
Ze bewerkte ook zelf een paar van haar boeken voor televisie, zoals de kinderboekenserie met de pony Poly en de jongens Vincent en Pascal in de hoofdrol.
Vooral ook Belle et Sébastien, waarin de rol van Pascal werd gespeeld door haar zoon Mehdi. Belle et Sébastien, werd een feuilleton in 39 episodes, (1965-1970), uitgezonden op de Franse tv, en ook op de Nederlandse tv (1968-1972).
In 2013 werd het boek verfilmd door Nicolas Vanier.
Deze verfilming kwam er pas na de dood van Aubry, omdat zij er zich steeds tegen had verzet.
Aubry overleed twee weken voor haar 82e verjaardag aan longkanker.(Diverse bronnen, Wikipedia en De Post van 12 juni 1960)



Jean-Claude Brialy werd geboren in Aumale, een stad in Algerije.
Zijn vader was een hoge legerofficier die daar op het ogenblik van zijn geboorte was gekazerneerd.
In Algerije werd zijn vader verscheidene keren overgeplaatst.
In 1943 kwam de familie terecht in Frankrijk, eerst in Marseille en daarna in Angers.
Hij en zijn broer Jacques kregen een zeer strenge opvoeding.
Hij voelde zich enkel gelukkig als hij zijn vakanties mocht doorbrengen bij zijn grootouders die dicht bij Angers woonden en als hij zijn fantasie de vrije loop kon geven.
Zijn vader werd echter opnieuw overgeplaatst, naar Duitsland.
Daarna vestigde de familie zich uiteindelijk in Straatsburg. Ondertussen was Brialy bezeten geraakt door de wereld van het spektakel en door de film.
Daarom haalde hij slechts na veel moeite zijn ‘baccalauréat’.
Hij volgde toneellessen wat niet naar de zin was van zijn vader die droomde van een militaire carrière voor zijn zoon.
Hij kreeg de eerste prijs voor toneel aan het conservatorium en hij werd als acteur geëngageerd aan het ‘centre d’art dramatique de l’Est’.
Tijdens zijn legerdienst werkte hij op de afdeling programmatie van de filmdienst. Dit liet hem toe verder de wereld van de film te verkennen.
Eind 1954 trok hij naar Parijs waar hij leefde van allerlei klusjes vermits zijn ouders weigerden hem geld toe te stoppen.
Hij kwam er in contact met de redactieleden van Cahiers du cinéma.
Zo kreeg hij de kans te spelen in de korte film Le Coup du berger van Jacques Rivette.
Hij deed regie-ervaring op bij Jean Renoir als stagiair regieassistent voor French Cancan.
Hij bemachtigde rollen in enkele andere korte films van onder meer Godard, Truffaut en Rohmer, allen toekomstige voormannen van de opkomende Nouvelle Vague, en in langspeelfilms zoals Un amour de poche (Pierre Kast, 1957) en Le Triporteur (Jack Pinoteau, 1957).
Zijn vertolkingen in de komedie L’Ami de la famille (Jack Pinoteau, 1957) en in het drama Christine (Pierre Gaspard-Huit, 1958) waren zijn eerste belangrijke rollen in films die ook uitgroeiden tot een commercieel succes.
Het waren echter vooral Le Beau Serge en Les Cousins (Claude Chabrol, 1958) die hem (en de Nouvelle Vague) bekend maakten.
Zijn naambekendheid werd zo groot dat hij tussen 1957 en 1987, zijn topperiode, in ongeveer honderddertig films speelde.
In de eerste plaats bleef hij samenwerken met de Nouvelle Vaguecineasten: met Chabrol in de tragikomedie Les Godelureaux (1961) en in de misdaadfilm Inspecteur Lavardin (1985), met Godard in de komedie Une femme est une femme (1961), met Truffaut in het drama La mariée était en noir (1968), met Rohmer in de zedenstudie Le Genou de Claire (1970) of met Agnès Varda in de tragikomedie Cléo de 5 à 7 (1962).
Hij was daarnaast te zien in verscheidene films van meer lichtvoetige regisseurs als Edouard Molinaro, Roger Vadim, Philippe de Broca en Claude Lelouch.
Bij André Téchiné en Claude Miller bewees hij dan weer meermaals dat hij niet enkel in staat was elegante en leuke rollen te vertolken maar dat hij ook serieuze en duistere rollen aankon.
Zo verwachtte het publiek hem bijvoorbeeld niet meteen als de ernstige procureur in het historisch drama Le Juge et l’Assassin (Bertrand Tavernier, 1976) maar zijn prestatie leverde hem wel een Césarnominatie op.
Hetzelfde gold voor zijn vertolking van de alcoholverslaafde en biseksuele dirigent die het niet meer ziet zitten in het drama Les Innocents (1987) van Téchiné.
Voor die prestatie werd Brialy wel beloond met een César.
Van meet af aan werd hij ook gevraagd door buitenlandse cineasten (voornamelijk Italianen, onder meer Mauro Bolognini en Alberto Lattuada).
Later deden ook Luis Buñuel, Ettore Scola, Costa-Gavras en Roberto Benigni een beroep op hem.
In de jaren negentig kreeg hij het wat moeilijker om geschikte rollen te vinden.
Zijn geraffineerde acteerstijl kwam het best tot zijn recht in de historische films La reine Margot (Patrice Chéreau, 1994) en Beaumarchais, l’insolent (Edouard Molinaro, 1995). Vermeldenswaardig in de jaren 2000 was vooral zijn rol in de komedie C’est le bouquet! (Jeanne Labrune, 2001).
De innemende Brialy was de vriend van heel wat collega’s uit de filmwereld en van talrijke kunstenaars.
Hij was een algemeen erkend en heel populair figuur.
In Parijs was hij de eigenaar van een door de beau monde uit binnen- en buitenland gefrequenteerd nachtrestaurant.
Hij woonde in Parijs ook heel trouw de begrafenisplechtigheden bij van heel wat beroemdheden.
Dit leverde hem de bijnaam ‘la Mère Lachaise’ op.
In 2007 overleed Jean-Claude Brialy in Monthyon op 74-jarige leeftijd aan kanker.
Hij ligt begraven op het cimetière de Montmartre. (Diverse bronnen en Wikipedia)







Ze was erfgename van het Remington fortuin en hij was een gescheiden man en vader van een dochter Georgette.
Volgens sommige was hij een bigamist, omdat de scheiding met zijn eerste vrouw Helma, gebeurde volgens het Mexicaanse rechtstelsel en in die tijd niet van toepassing zou zijn in Amerika.
Nu de feiten, het jonge koppel vluchten naar Europa en via Antwerpen belandde ze in Parijs.
De grootmoeder en haar broer Douglas konden er niet mee lachen en diende klacht in.
Gezien in die periode een persoon, maar volwassen was op de leeftijd van eenentwintig jaar. Kon het Franse gerecht niet anders dan in te gaan op de eis en Benedict Gample terug naar Amerika te sturen.
In Amerika kon het publiek genieten van rechtszaken, het uiteindelijk onterven van Benedict Gample en daarna trouwde het koppel toch met elkaar en verhuisde ze naar Zwitserland.
Kregen samen twee kinderen om dan uiteindelijk toch tot besef komen dat ze niet echt bij elkaar paste of zoals de pers toen omschreef, omdat het geld op was.
De scheiding in 1964 was terug wereldnieuws, omdat zowel zijn eerste vrouw en Benedict Gample samenwerkte tegen Andrei Porumbeanu.
Zo kwamen we te weten dat Andrei Porumbeanu niet meer was dan een gigolo die verschillende relaties had met rijke dames.
Het feit dat hij ook een geheime relatie zou hebben gehad tijdens het huwelijk met Benedict Gample.
Was niet in het voordeel van Andrei Porumbeanu.
Na de scheiding ging Andrei Porumbean gewoon verder met zijn leven en woonde nog enkele jaren samen bij een andere rijke dame.
Uiteindelijk eindigde hij als een alcoholist en stierf in 1988 aan longkanker.
Hij ligt begraven op het militair kerkhof van Arlington Cemetery


In 1995 roept Rome Jacques Gaillot op het matje.
Het verdict valt: «Vanaf morgen vrijdag 13 januari om 12 uur bent u niet langer bisschop van Evreux».
Jacques Gaillot wordt bisschop van Partenia, een bisdom op de hoogvlakte van Setif (in Algerije), in de streek waar hij zijn militaire dienstplicht vervulde.
Het bisdom verdween in de 5e eeuw van de kaart, maar is nu tot een symbool geworden voor allen die het gevoel hebben dat ze niet bestaan en meetellen, zowel in de Kerk als in de samenleving.
De beslissing van Rome veroorzaakte zowel in als buiten Frankrijk een golf van onbegrip.
Zowel christenen als niet-christenen ervaarden deze beslissing als een pijnlijke onrechtvaardigheid.
Als hij het bisschopshuis in Evreux verlaat gaat hij een jaar lang wonen in het beruchte kraakpand in de Rue du Dragon in Parijs, tussen de families zonder papieren.
Hij maakt deel uit van verenigingen die de rechten verdedigen van mensen die geen papieren hebben of slecht gehuisvest zijn en wordt zo de bisschop van de armen.
Dikwijls doet men een beroep op hem buiten Frankrijk voor de verdediging van politieke gevangenen en van de mensenrechten.
In 1995 verschijnt zijn boek “Je prends la liberté”. Het boek krijgt ook een Nederlandse vertaling met als titel “Ik ben zo vrij…” en dit bij uitgeverij Averbode / Gooi en Sticht.
In 1996 gaat de website Partenia van start.
Heel vlug komt deze website vanuit Zürich op gang en ontwikkelt zich in zeven talen met een forum, dagboeknotities en reflecties bij de actualiteit.
De communauteit van de Spiritijnen in Parijs heet Jacques Gaillot welkom.
In mei 2005, naar aanleiding van het Jubeljaar, neemt de voorzitter van de bisschoppenconferentie een initiatief en nodigt hem uit naar Lyon voor een oecumenische ontmoeting met de bisschoppen.
Hij richt een brief tot hem die openbaar gemaakt zal worden: Het is belangrijk dat de katholieken, en wellicht nog breder, de publieke opinie op de hoogte is van het feit dat de communio die ons als broeders met elkaar verbindt, reëel is, ook als ze op een aparte manier beleefd wordt.
Hij beëindigt zijn brief met de precisering: «Je blijft wel degelijk onze broeder in het episcopaat».
In 2003 verschijnt « Un catéchisme au goût de liberté », met de medewerking van Alice Gombault en Pierre de Locht
.Na ruim 20 jaar is de Franse bisschop Jacques Gaillot opnieuw welkom in het Vaticaan.
Paus Franciscus nam zelf het initiatief voor de ontmoeting. (diverse bronnen en Wikipedia)

















Voor deze grote retrospectief van Salvador Dalí over de overdracht van voorwerpen in een wel of niet schaalverandering.
De bezoeker kreeg een installatie te zien van tientallen gerechten, worstjes en een theelepel op een andere schaal dan in de werkelijkheid.
Zo was de lepel 38 meter lang en goed voor een gewicht van 1600 kg.
Dali gaf de opdracht aan Kim Hamisky om dit kunstwerk te maken.
Gedurende meer dan zes weken hebben een twintigtal arbeiders metalen platen gesneden en gelast om dit kunstwerk samen te stellen.
De Theelepel kreeg een plaats in de hall, naast een rots die begroeid is met regenschermen.
De Theelepel en de rots kregen ook nog een andere functie.
Een pompsysteem pompte water uit de lepel en spoot die dan eens per uur over de rots.
Zo waren de beide kunstwerken verbonden als een soort fontein. (Tentoonstelling 18 december tot en met 14 april 1980, Diverse bronnen en De Post van 30 december 1979)




Farah Diba werd in 1938 geboren in de stad Tabriz (Iraans Azerbeidzjan).
Als kind ging ze naar de Italiaanse school en daarna naar de Jeanne d’Arc-school in Teheran, waar ze onder andere vloeiend Frans leerde spreken.
Na haar examen vertrok ze naar Parijs voor een studie architectuur.
In Frankrijk leerde ze de sjah kennen toen ze met een groepje studenten uit haar eigen land werd uitverkoren om de sjah te ontmoeten, die voor een werkbezoek in Frankrijk was.
De sjah, net gescheiden van Soraya, was in die tijd op zoek naar een nieuwe vrouw.
Tijdens de zomer van 1959 werd ze uitgenodigd door prinses Shahnaz, de dochter van de sjah uit diens eerste huwelijk.
Ook de sjah kwam die middag ‘toevallig’ langs, en zo ontstond er een zorgvuldig georkestreerde relatie tussen Farah en de sjah.
Terug in Frankrijk voor haar studies kreeg de wereld te horen dat de sjah haar op 14 oktober 1959 ten huwelijk vroeg.
Vanaf dan was de pers in Parijs overal aanwezig om haar doen en laten te volgen.
Zoals ook een opera bezoek in Parijs en dit om de opera Carmen van Georges Bizet te zien.
Op 21 december van datzelfde jaar werd het huwelijk voltrokken.
Farah Diba kreeg vier kinderen met de sjah: twee zoons (Reza en Ali Reza) en twee dochters (Farahnaz en Leila).
Toen de sjah in 1979 vanwege de Iraanse revolutie zich genoodzaakt zag het land te verlaten, gingen Farah Diba en zijn kinderen met hem mee.
Farah bleef de afgezette sjah trouw tot zijn dood in Caïro in 1980.
Na de dood van de sjah gaf de Egyptische president Sadat de keizerin en haar kinderen toestemming in een paleis in Caïro te verblijven.
Na de moord op Sadat in oktober 1981 verliet ze Egypte.
De Amerikaanse president Ronald Reagan liet Farah weten dat ze welkom was in Amerika.
In eerste instantie vestigde Farah zich in Williamstown (Massachusetts).
Later kocht ze een huis in Greenwich (Connecticut).
Na de dood van haar dochter Leila in 2001 kocht ze een kleiner huis in Potomac (Maryland), nabij Washington D.C., om zo dichter bij haar zoon en kleinkinderen te zijn.
De voormalige keizerin verdeelt haar tijd sindsdien tussen Washington, New York, Parijs en Caïro.
In 2003 bracht ze een boek uit over haar herinneringen aan Perzië en haar ballingschap.
Op 10 juni 2001 overleed haar dochter Leila aan een overdosis slaapmiddelen.
Op 4 januari 2011 pleegde een van haar zoons, Ali Reza, zelfmoord.(Diverse bronnen en Wikipedia)








