



Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek






Het zou niet blijven bij deze beschuldiging.
Voormalige eerste minister Wilfried Martens noemde hem in zijn memoires “berucht om zijn drankverbruik, zijn voorkeur voor volslanke dames en zijn bevreemdende sympathie voor sterke leiders van totalitaire regimes”.
Leburton was inderdaad persoonlijk bevriend met president Mobutu Sese Seko van Zaïre: via journalist Pierre Davister ontving hij twintig miljoen Belgische Franken van het bevriend staatshoofd.
De 49ste kamer van de correctionele rechtbank van Brussel heeft in het ziekenfondsproces ex-premier en ex-voorzitter van de socialistische ziekenfondsen, Edmond Leburton, schuldig bevonden aan verduistering en valsheid in geschrifte.
Wel wordt de straf voor Leburton opgeschort.
De beklaagden van de andere landsbonden van ziekenfondsen gaan vrijuit
De regering onder leiding van Theo Lefèvre, met Edmond Leburton als minister van Sociale Voorzorg, zorgt met de wet van 9 augustus 1963 voor een ingrijpende hervorming van het stelsel van ziekte- en invaliditeitsverzekering, met als meest in het oogspringende maatregel de oprichting van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (Riziv).
In de nasleep van de hervorming werd de verzekering voor geneeskundige verzorging onder meer uitgebreid tot zelfstandigen, zij het enkel voor grote risico’s (1964), ambtenaren (1965), studenten in het hoger onderwijs (1969) en leden van de geestelijkheid en kloostergemeenschappen (1969).
Vanaf 1969 wordt de hele bevolking gedekt door een verruiming tot de ‘nog niet beschermde personen’.
Dat dit niet allemaal van een leien dakje liep, bewijst de grote artsenstaking onder leiding van dr. André Wynen in april 1964.
Deze hervorming zorgde niet voor een afname van het aantal primaire kassen.
Dat bleef op ongeveer vierduizend liggen, waaronder een 20-tal uitgesproken Vlaamsgezinde kassen, zoals West-Flandria Kortrijk, Ic Dien Mechelen, Vlamat enzovoort.
Daar komt pas een einde aan met de zogenaamde Wet Busquin van 6 augustus 1990 ‘betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen’.
Deze wet richt onder meer de Controledienst voor de Ziekenfondsen op en bepaalt voortaan minimumaantallen.
Tot 1990 werden primaire kassen als ziekenfonds beschouwd, vanaf 1990 wordt een verbond als ziekenfonds gezien.
De facto betekende dat de afschaffing van de primaire kassen en bleven er nog zo’n honderd ziekenfondsen over.
Vandaag zijn dat er nog 45, waarvan 20 in Vlaanderen, 19 in Wallonië en zes in Brussel.
Negentien ziekenfondsen zijn aangesloten bij de Christelijke Mutualiteiten, elf bij de Socialistische, zes bij de Liberale, vijf bij de Neutrale en vier bij de Onafhankelijke Ziekenfondsen. (Diverse bronnen en Wikipedia)

Tijdens zijn politieke loopbaan werd hij minister van Middenstand en Defensie.
Tussen 1966 en 1968 was hij premier.
Ook in 1978 was hij eventjes premier toen hij een overgangskabinet leidde.
Vanden Boeynants was bijna veertig jaar lang Kamerlid.
Ook in de Brusselse gemeenteraad zetelde hij decennialang.
Alleen bracht hij het nooit tot burgemeester van zijn stad.
In 1982 stond een gerechtelijk onderzoek naar fiscale fraude zijn benoeming in de weg.
In juni ’86 werd Vanden Boeynants door de correctionele rechtbank van Brussel veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf met uitstel en een boete van 620.000 F voor belastingfraude.
Bij de gemeenteraadsverkiezingen van oktober ’88 behaalde VDB in Brussel een grote verkiezingsoverwinning.
Hij werd door de meerderheid voorgesteld als kandidaat-burgemeester maar nam achteraf de beslissing om van het burgemeesterschap van Brussel af te zien.
Hij wou wachten “tot alle gerechtelijke moeilijkheden voorbij waren”.
Op 14 januari 1989 werd de gewezen premier door de bende Haemers-Lacroix ontvoerd.
Pas na betaling van een losgeld kwam hij op 13 februari weer vrij.
De politicus kwam in ’93 nog getuigen over die ontvoering tijdens het assisenproces rond de bende, terwijl Haemers zelf ondertussen zelfmoord had gepleegd.
Van zijn ontvoerders zit niemand vandaag nog in de cel.
Lacroix wordt in 2004 vrijgelaten.
Eerst gaat hij als leerkracht in het volwassenenonderwijs aan de slag.
Momenteel is hij leerkracht Engels en Nederlands in het secundair onderwijs.
Sinds zijn vrijlating is Lacroix, naar verluidt, nog geen seconde van de rechte weg afgeweken
Bajrami komt ook in 2004 vrij en wordt uitgeleverd aan Kosovo, waar hij nu als een vrij man rondloopt.(diverse bronnen, Stefan Grommen en Wikipedia)Begin 1995 trok VDB zich helemaal terug uit de politiek.(Diverse bronnen, Belga, De Standaard, Stefan Grommen en Wikipedia)

De Mey werkte tijdens de jaren 70 en 80 voor de BRT als journalist en verslaggever.
Zijn meest beroemde moment vond plaats toen hij bij de scheepsramp rond de Herald of Free Enterprise in 1987 voor de kust van Zeebrugge meteen ter plekke was en als enige journalist vanop het zinkende schip verslag uitbracht.
Tijdens de jaren 90 werkte hij mee aan het humaninterestprogramma Afrit 9.
De Mey had altijd al een interesse in nieuws bekeken vanuit de ogen van de gewone man.
Voorts was hij te zien in Familie Backeljau (1993), Buiten De Zone (1994) en Misstoestanden (2000).
In 1999 werd De Mey door de VRT ontslagen en hij ging met pensioen.
Men verweet hem onder meer dat hij te graag in beeld verscheen tijdens reportages.
Hij probeerde nog actief te blijven bij VTM en VT4 en als anoniem medewerker aan Jurgen Verstrepens radioprogramma “ZwartWit”. Verstrepen, die later naar het Vlaams Belang overstapte, bezorgde De Mey ook een plaats in deze partij.
Eerder was De Mey nog lid van de SP en de lokale Oostendse partij Demo. Tijdens de Federale Parlementsverkiezingen van 2007 haalde De Mey 3473 stemmen.
In 2014 stond hij als lijstduwer op de Vlaams Belang-lijst voor de Europese verkiezingen. Hij raakte niet verkozen.
In 2018 stond hij op de 5e plaats van het Vlaams Belang van Oostende bij de gemeenteraadsverkiezingen.
Hij raakte verkozen en ging effectief zetelen.




Het bewind onder Jan Piers werd gekenmerkt door volledige steun aan het massatoerisme en weinig begrip voor het architecturaal patrimonium van Oostende.
Onder zijn bewind werd 50% van de Belle Époque-woningen gesloopt, vandaar de Engelse bijnaam ‘The Butcher of the Belle Epoque’.
De afbraak van het stedelijk theater, na jaren van verwaarlozing, werd door velen betreurd.
In de plaats kwam een torengebouw, jarenlang verkozen tot lelijkste gebouw van de kust.
Tot het einde van zijn leven bleef Piers zijn beleid en de bouw van de ‘Appletise’-toren verdedigen: “In die villa’s van die Franstalige Brusselaars woonde er één gezin dat af en toe naar de kust kwam, nu verblijven er op dezelfde oppervlakte 20 families die geld spenderen …”
Jan Baptist Leo Piers (Oostende, 13 juni 1920 – aldaar, 9 oktober 1998), in de Oostende volksmond “De Lange Suisse” genoemd, was een Belgisch politicus voor de CVP en advocaat.
Jan Piers was de zoon van bankdirecteur Frans Piers en Eugenie Nierinck.
Hij trouwde met Marguerite Sap, dochter van minister en krantenuitgever Gustave Sap (1886-1940) en was daardoor een schoonbroer van de bekende Vlaamse ondernemers Albert De Smaele en André Vlerick (hoogleraar en CVP-minister).
De burgemeester van Zomergem Felix Lampaert jr. was eveneens zijn schoonbroer.
Deze was gehuwd met Marie-José Piers (1915-1957).
Piers deed middelbare studies in het Onze-Lieve-Vrouwcollege in Oostende en behaalde het diploma van doctor in de rechten aan de Katholieke Universiteit Leuven in 1945.
Van 1945 tot 1981 was hij ingeschreven als advocaat aan de Balie van Brugge.
Hij was ook nationaal bestuurslid van het NCMV Hij vervulde verschillende politieke mandaten.
In 1946 werd hij voor de CVP-provincieraadslid van West-Vlaanderen en bleef dit tot in 1949.
Hij werd in 1968 nogmaals verkozen maar verzaakte aan dit mandaat.
Vanaf 1947 was hij gemeenteraadslid van Oostende en bleef dit tot in 1980.
In 1953 werd hij schepen in een coalitie met de liberalen onder het burgemeesterschap van Adolphe Van Glabbeke.
Vanaf 1959 werd hij zelf burgemeester, aan het hoofd van een coalitie met de socialisten.
Van 1949 tot 1965 zetelde Piers voor het arrondissement Veurne-Diksmuide-Oostende in de Kamer van volksvertegenwoordigers.
Daarna zetelde hij van 1965 tot 1971 in de Senaat als rechtstreeks gekozen senator.
Hij was van 1966 tot 1968 eveneens minister-staatssecretaris voor Openbaar Ambt en Toerisme in de eerste regering geleid door Paul Vanden Boeynants.
Het was vooral in het mandaat van burgemeester dat hij opging en waar hij grote populariteit mee verwierf, in- en buiten Oostende.
Hij was een volkse en charmante man, die door zijn kwinkslagen en zijn vrolijk karakter overal onmiddellijk aanvaard werd.
Hij bestuurde intussen de stad met een stevige hand en zette zich in voor de verdere wederopbouw en ontwikkeling ervan.
Piers was beheerder in verschillende vennootschappen, meer bepaald in de Standaardgroep, Sabena, Bank van Brussel en Hypothecaire Kredietbank van Oostende.
Hij was co-voorzitter van de Koninklijke Touringclub en vicevoorzitter van Touring Wegenhulp.
Nadat hij aan het burgemeesterschap had vaarwel gezegd, was de leiding van deze organisaties zijn voornaamste activiteit.
Kleine anecdote: in de jaren ’70 van de vorige eeuw ging een meisjeklas van de Hendrik Conscienceschool op schoolreis naar Brussel, waar er o.m. een bezoek aan het Parlement op het programma stond. In de Kamer der Volksvertegenwoordigers zat burgemeester Jan Piers te slapen, en de onderwijzeres maakte haar leerlingen daarop attent.
Blijkbaar werd één en ander thuis doorverteld, want de goedmenende onderwijzeres mocht het enkele dagen later op het Stadhuis komen uitleggen!
In Oostende is naar hem het Jan Piersplein genoemd. (Diverse bronnen, Wikipedia en De Post 12 september 1980)









De regering bestond uit 27 ministers en 9 staatssecretarissen. De verdeling was: CVP (10), PS(7), PSC (6), PVV (5), PRL (4) en SP (4).


De Franse regering stuurde ongeveer 200 arbeiders naar de Wereldtentoonstelling van 1862 in Londen om de denkbeelden van de gematigde Britse coöperatiebeweging te promoten bij de Franse arbeiders. De Franse arbeiders waren allen lid van vriendengenootschappen, die echter dekmantels waren voor (in Frankrijk verboden) vakbonden. Tijdens de Wereldtentoonstelling werden contacten gelegd tussen de Fransen en Britse vakbondslieden. Franse arbeiders werden uitgenodigd voor een solidariteitsdemonstratie in juli 1863 in Londen voor de Poolse opstandelingen van de Januari opstand. Hieruit ontstond het idee om een internationale bijeenkomst voor arbeiders in Londen op 28 september 1864 te houden.De Internationale Arbeidersassociatie werd in 1864 opgericht door Britse en Franse vakbondslieden met Duitse, Poolse en Italiaanse ballingen die in Londen woonden. Ook België en Zwitserland stuurden ieder één afgevaardigde. Voor België was César De Paepe de afgevaardigde. De Britse vakbondslieden waren voornamelijk aanhangers van Robert Owen. De Franse afgevaardigden waren merendeel anarchistische en mutualistische aanhangers van Pierre-Joseph Proudhon. De Duitsers waren leden van de kleine organisatie van Karl Marx. Daarnaast was er ook een Duitse aanhanger van Ferdinand Lassalle. De aanwezige Italiaanse ballingen waren nationalistische aanhangers van Giuseppe Mazzini. Uit onvrede over het socialistische karakter van de organisatie namen de aanwezige Italianen afstand van de Internationale.In 1865 zou een congres worden georganiseerd in Brussel, maar de Belgische regering verbood het congres. In 1866 was er het eerste congres in Genève. De denkbeelden van Proudhon domineerden dit congres. Diens laatste boek De la capacité politique des classes ouvrières’ vormde de grootste inspiratiebron bij de discussies tijdens dit congres. Bij dit congres werden de statuten en beginselverklaring opgesteld door Marx aangenomen. De Algemene Raad van de Internationale werd gevestigd in Londen. De Algemene Raad had geen macht over de nationale lidorganisaties.Marx was bij dit congres niet aanwezig – alleen bij het congres in 1872 was Marx aanwezig. Bij het congres van 1866 kwamen de Franse proudhonisten met het voorstel om alleen loonarbeiders als lid toe te laten tot de Internationale Arbeidersassociatie. Dit zou onder andere betekenen dat Karl Marx uit de organisatie gezet zou worden. De meerderheid stemde tegen dit voorstel. Daarna kwamen de Franse afgevaardigden met het voorstel om het lidmaatschap van de Algemene Raad alleen toe te staan voor arbeiders. Ook dit voorstel werd afgewezen, zodat Marx in de Algemene Raad kon blijven.Bij het congres van 1867 in Lausanne werd vastgesteld dat de Internationale streefde om alle productiemiddelen te veranderen in collectieve eigendom. De overheid werd niet genoemd als beheerder van collectieve productiemiddelen, waardoor zowel de anarchisten als de staatssocialisten tevreden waren. De proudhonisten wilden de collectieve productiemiddelen verdelen onder de arbeiders om zo individueel te beheren, zodat ze konden leven van de voortbrengselen van hun eigen arbeid. De ruilbanken van Proudhon werden aangeraden als een goed middel voor de verwerkelijking van het socialisme. In 1867 werd met behulp van de contacten via Internationale een steunactie georganiseerd voor de bronssmeden van Parijs die het slachtoffer waren van een lock-out door de fabrikanten.Tijdens het Brusselse Congres in 1868 werd vastgelegd dat de Internationale streefde naar het collectieve eigendom van grond. Dit betekende niet per se nationalisatie van de grond, want de meeste afgevaardigden op het congres waren tegenstanders van landnationalisatie. De meerderheid bestond uit minarchistische proudhonisten, anarchisten, owenisten en aanhangers van Paeppe die pleiten voor het beheer en gebruiksrecht van de gezamenlijke grond door arbeiderscoöperaties. Michail Bakoenin maakte een resolutie waarin vastgelegd werd om grote algemene stakingen te organiseren via de Internationale in geval van een oorlog tussen Europese landen om oorlogen te stoppen. Het voorstel van Bakoenin werd aangenomen. Marx was tegen de resolutie en vond het idee utopisch. In 1868 spraken de Duitse aanhangers van Ferdinand Lassalle haar officiële steun uit aan de Internationale.Naar schatting waren er 1870 in totaal 250.000 mensen lid van organisaties gelieerd aan de Eerste Internationale.De afdelingen in Italië en Spanje stonden voornamelijk onder invloed van de denkbeelden van Bakoenin (collectief-anarchisme). De Franse afdelingen van de Internationale bestond voornamelijk uit anarchistische en minarchistische proudhonisten. In Zwitserland bestond de anarchistische Jurafederatie en de afdeling uit Genève die onder invloed stond van het marxisme. De Britse vakbondsleiders waren vaak afwezig bij de vergaderingen van de Algemene Raad van de Internationale, waardoor Marx steeds meer macht kon toe-eigenen.In 1869 werd het Nederlandsch Werklieden-Verbond opgericht als afdeling van de Internationale Arbeiders-Associatie. De in 1860 in België door onder anderen César De Paepe opgerichte Brusselse vereniging Association du Peuple groeide uit tot de Belgische afdeling. De Belgische afdeling kende een grote groei vanaf 1869, na stakingen in de streek van de Borinage. Op een bepaald moment telde de afdeling 70.000 leden.De Britse vakbondsleiders namen afstand van de Internationale omdat ze het niet eens waren met de steun aan de Parijse Commune. Marx organiseerde een conferentie in Londen waar de anarchisten niet voor uitgenodigd waren. De aanwezige Fransen waren allemaal blanquisten die zich voor het eerst met de Internationale verbonden. Op de conferentie van 1871 wist Marx de steun te verkrijgen van de blanquisten om politieke actie verplicht te stellen. De aanhangers van Bakoenin waren tegen het verplicht stellen van politieke actie, want zij vonden dat iedere afdeling vrij en zelfstandig hierover moest beslissen. Met politieke actie bedoelden de marxisten het meedoen aan verkiezingen en zitting nemen in het parlement. Dit punt werd bij de beperkte conferentie van 1871 in Londen ingevoerd. De Jurafederatie was woedend omdat ze niet uitgenodigd waren. Eigenlijk kon alleen een congres zulke besluiten maken, maar Marx probeerde via een conferentie zijn wil op te leggen.Tussen 2 en 7 september 1872 werd het congres van Den Haag van de Internationale gehouden. Marx was voor het eerst aanwezig bij een congres van de Internationale. Bakoenin kon niet aanwezig zijn, omdat hij niet door Frankrijk en Duitsland kon reizen waar de politie hem zocht. Bij het congres van Den Haag waren de anarchistische Italianen afwezig omdat zij geen vertrouwen meer hadden in de Internationale door het gedrag van de Algemene Raad. Er waren drie Amerikaanse afgevaardigden die niet-bestaande groeperingen vertegenwoordigden.Marx had deze groeperingen bijgevoegd om meer steun bij de stemmingen te krijgen. Ook de Algemene Raad had afzonderlijke afgevaardigden gestuurd en hen stemrecht gegeven. Rond Bakoenin stonden de antiautoritaire groeperingen die de macht van de Algemene Raad wilden verminderen, met daarbij de Spanjaarden, Belgen en de afgevaardigden van de Jurafederatie als gangmakers. De Algemene Raad wilde het recht krijgen om lid organisaties te schorsen. De Britten, Belgen, Nederlanders en een groot deel van de Franse afgevaardigden (proudhonisten) wilden de macht van de Algemene Raad sterk verminderen. Door dat de Italianen niet aanwezig waren kreeg Marx de meerderheid. De leden van het antiautoritaire kamp verlieten woedend het congres.Door het weglopen van veel mensen vond Marx zich nu tegenover een meerderheid van blanquisten en Britse vakbondslieden. Marx wilde de locatie van de Algemene Raad naar New York verplaatsen, zodat de blanquisten en Britten daar geen invloed uit konden oefenen. Slechts met drie stemmen meerderheid werd het besluit van verplaatsing aangenomen. Dit was de doodssteek voor de Internationale, omdat de sterkte van de organisatie in Europa lag. De blanquisten en Britse vakbondsvertegenwoordigers liepen woedend weg. Marx schreef in een persoonlijke brief hierover: “In elk geval is voorkomen, dat de Internationale in handen van idioten valt.”Het marxistische overblijfsel van de Internationale organiseerde geen congressen na 1872 en werd opgeheven in 1876.De anarchisten en de andere antiautoritairen organiseerden een congres in Saint-Imier waar Zwitserse, Italiaanse, Spaanse en Franse afdelingen aanwezig waren. De besluiten van het congres van Den Haag werden nietig verklaard. Er werd contact gelegd met de Nederlanders en Belgen. De Belgische afdeling verklaarde de besluiten aangenomen op het Haagse congres ongeldig, omdat de besluiten het gevolg waren van een kunstmatige meerderheid gemaakt door de Algemene Raad. In 1877 werd het laatste congres van de antiautoritaire Internationale gehouden in het Belgische Verviers. Hierna viel de antiautoritaire Internationale uit elkaar. (Diverse bronnen en Wikipedia)






