
50 jaar geleden, reclame voor TV Palcolar van het merk Telefunken

Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek


Het verhaal van Quality Street begint in 1890 in het Engelse Halifax, waar John Mackintosh en zijn vrouw een snoepwinkel openden.
Ze hadden een uniek product ontwikkeld: een mix van harde toffee en zachte karamel, gemaakt van eenvoudige, lokale ingrediënten.
De snoepjes waren zo populair dat ze in 1898 ’s werelds allereerste toffeefabriek openden.
Het succes kende echter een flinke tegenslag toen deze fabriek negen jaar later, in 1909, volledig afbrandde.
Het echtpaar liet zich niet ontmoedigen, kocht een oude tapijtfabriek en bouwde deze om tot een nieuwe, succesvolle productielocatie.
Na de dood van John nam zijn zoon Harold het bedrijf over. Harold had grotere ambities en wilde de snoepjes ook nationaal en internationaal verkopen.
In 1936 lanceerde hij de snoepmix daarom onder een nieuwe, pakkende naam: Quality Street.
Die naam was slim geleend van een populair toneelstuk van J.M. Barrie, de schrijver van Peter Pan. De snoepjes – een mix van verschillende chocolaatjes, toffees en fruitvullingen – werden verkocht in de iconische, kleurrijke verpakking.
Het merk kreeg al snel een nostalgische en feestelijke uitstraling en wordt tot op de dag van vandaag sterk geassocieerd met Kerstmis en speciale gelegenheden.
Tegenwoordig maakt Quality Street deel uit van het Zwitserse voedingsconcern Nestlé





Dolly Davis, geboren als Julienne Alexandrine David stond bekend om haar rollen in films als Le Chauffeur de Mademoiselle en werd geprezen om haar gratie en charme door de filmpers van die tijd.
Tijdens haar carrière werd ze meermaals geportretteerd in schilderijen door kunstenares Jacqueline Marval.
Jacqueline Marval (1866–1932) was een spilfiguur in de Parijse kunstwereld rond 1900.
Als Franse kunstschilderes, graficus en beeldhouwster was ze een van de vrouwelijke pioniers van de avant-garde.
Ze werd geboren als Marie-Joséphine Vallet in Quaix-en-Chartreuse.
Haar vroege leven kende een tragische start: na het verlies van haar kind verliet ze haar echtgenoot en trok ze naar Parijs om een nieuw leven op te bouwen.
Om in haar levensonderhoud te voorzien, begon ze daar als ‘giletière’ (een maakster van vesten).
Al snel ontwikkelde ze echter haar artistieke talent en nam ze het pseudoniem Jacqueline Marval aan, een samentrekking van haar voor- en achternaam.
In Parijs bouwde ze een leven op in het hart van de kunstscene, waar ze bevriend raakte met prominente kunstenaars als Henri Matisse, Albert Marquet en haar levensgezel Jules Flandrin.
Haar doorbraak kwam in 1901, toen ze voor het eerst exposeerde op de Salon des Indépendants.
De invloedrijke kunsthandelaar Ambroise Vollard was direct onder de indruk en kocht maar liefst tien van haar schilderijen, waaronder het geruchtmakende naakte zelfportret “Odalisque au guépard”.
Marval bleef de kunstwereld opschudden.
Haar schilderij “Les Odalisques” (1902-1903) zorgde voor opschudding op de Salon van 1903.
Niet alleen was het avant-gardistisch, maar het onderwerp – een bordeelscène geschilderd door een vrouw waarin ze bovendien zichzelf meermaals afbeeldde – was zeer gedurfd voor die tijd.
Haar werk kenmerkt zich door een levendig kleurgebruik en een heel persoonlijke lijnvoering.
Ze schilderde uiteenlopende onderwerpen, van portretten en bloemstillevens tot het moderne strandleven in Biarritz en interpretaties van ballet.
In 1913 ontving ze de prestigieuze opdracht om de foyer van het nieuwe Théâtre des Champs-Élysées te decoreren, waarvoor ze panelen creëerde rond het ballet Daphnis et Chloé.
Marval werd bewonderd door tijdgenoten als Guillaume Apollinaire en stond bekend om haar flamboyante persoonlijkheid, wat haar de bijnaam ‘fee van de belle époque’ opleverde.
Tijdens haar leven werd haar werk veelvuldig getoond in heel Europa en de Verenigde Staten, onder meer op de beroemde Armory Show in New York (1913) en de Biënnale van Venetië.
Na haar dood in 1932 raakte ze wat in de vergetelheid, maar recentelijk is er weer volop aandacht voor haar belangrijke rol als vrouwelijke pionier in de moderne kunst.







