Van der Lubbe werd geboren in 1909 in Leiden, als zoon van een metselaar.
Hij verloor zijn vader op jonge leeftijd en moest al vroeg gaan werken om zijn moeder en broers te ondersteunen.
Hij raakte betrokken bij de socialistische beweging en werd lid van de Communistische Partij van Nederland.
Hij nam deel aan stakingen en demonstraties en raakte gewond bij een confrontatie met de politie.
Hij verloor ook zijn linkeroog bij een ongeluk op het werk.
In 1931 reisde hij naar Duitsland, waar hij getuige was van de opkomst van het nazisme en de vervolging van de communisten en andere tegenstanders.
Hij sloot zich aan bij verschillende antifascistische groepen en nam deel aan illegale acties.
Hij werd meerdere keren gearresteerd en mishandeld door de nazi’s.
Hij raakte gefrustreerd door het gebrek aan effectieve weerstand tegen Hitler en besloot om een individuele daad van protest te plegen.
Op 27 februari 1933 sloop hij het Rijksdaggebouw binnen en stak verschillende gordijnen in brand.
Hij werd snel overmeesterd door de bewakers en bekende zijn daad.
Hij beweerde dat hij alleen had gehandeld, uit haat tegen het nazisme.
De nazi’s grepen echter de kans om een groot complot te fabriceren en beschuldigden de communisten, de sociaaldemocraten en andere tegenstanders van betrokkenheid bij de brand.
Ze gebruikten de brand als voorwendsel om een noodtoestand af te kondigen en duizenden mensen te arresteren, te martelen en te doden.
Van der Lubbe werd berecht voor hoogverraad, samen met vier andere verdachten: Ernst Torgler, een Duitse communistische leider, en drie Bulgaarse communisten: Georgi Dimitrov, Vasil Tanev en Blagoi Popov.
Het proces was een schijnvertoning, waarbij de nazi’s probeerden om Van der Lubbe als een marionet van de communisten af te schilderen, terwijl de andere verdachten hun onschuld volhielden en zich fel verdedigden.
Dimitrov maakte vooral indruk met zijn moedige weerwoord tegen Hitler, die persoonlijk het proces bijwoonde.
De rechtbank sprak uiteindelijk alle verdachten vrij, behalve Van der Lubbe, die schuldig werd bevonden en ter dood werd veroordeeld.
Hij werd onthoofd op 10 januari 1934, ondanks internationale protesten en verzoeken om gratie.
De doodstraf voor Marinus van der Lubbe leidde tot een opmerkelijke actie van de VARA op die dag.
De omroep liet drie minuten lang niets horen op de radio, als een stil protest tegen het vonnis.
De regering was woedend en nam wraak door de VARA een dag lang van de ether te halen.
Zijn lichaam werd gecremeerd en zijn as werd verstrooid boven de Noordzee.
Na zijn dood bleef Van der Lubbe een controversiële figuur.
Sommigen beschouwden hem als een martelaar voor de antifascistische zaak, anderen als een dwaas of een verrader die de nazi’s hielp om aan de macht te komen.
In 1967 werd hij postuum gerehabiliteerd door een West-Duitse rechtbank, die oordeelde dat zijn executie onrechtmatig was geweest.
In 2008 werd hij ook officieel vrijgesproken van alle beschuldigingen door een Duitse federale rechtbank, op grond van een wet die alle nazioorlogsmisdaden nietig verklaarde.

