Thérèse Steinmetz: van Songfestivalpodium tot het schilderspenseel

Thérèse Steinmetz groeide op in een artistiek Amsterdams gezin; haar vader Jan Steinmetz was operazanger en haar moeder Henny Zwanenburgh pianiste.

Ze studeerde aan het Conservatorium van Amsterdam en volgde de toneelschool, wat de basis legde voor haar veelzijdige podiumcarrière.

Haar bekendheid groeide snel, resulterend in een eigen televisieprogramma in 1966 onder de titel Thérèse.

In 1967 vertegenwoordigde ze Nederland op het Eurovisiesongfestival in Wenen met ‘Ring-dinge-ding’, geschreven door Gerrit den Braber en John Woodhouse.

Het nummer eindigde op een gedeelde veertiende plaats met slechts twee punten, maar hetzelfde jaar stond ze wel op de planken in de musical Waterproef.

Bovendien behaalde ze met de single ‘Speel het spel’ een notering in de Nederlandse Top 40.

Haar internationale doorbraak volgde in 1970, toen zij het Gouden Hert won op het Cerbul de Aur-festival, het Intervisie Songfestival in het Roemeense Brașov.

Deze overwinning maakte haar mateloos populair in Oost-Europa en leidde tot een omvangrijke internationale tournee en talrijke televisieoptredens.

Desondanks bleef ze in Nederland actief: in 1971 schitterde ze in de musical ’n Maagd op je dak.

Tussen 1976 en 1982 toerde Steinmetz langs de theaters met haar cabaret- en chansonprogramma’s Opus 1, 2 en 3, producties die later door de NCRV op televisie werden uitgezonden.

Binnen deze omroep werkte ze intensief samen met Ted de Braak.

In 1981 deelde ze het podium met André van den Heuvel in ‘Alleen op maandag’, gevolgd door de theatertournee De Nacht van de Balkan in 1982.

Hierin trad ze op met het Roemeense folkloreorkest van Andreï Serban en dansgroep Nitsanim.

Haar buitenlandse optredens reikten zelfs tot het Caraïbisch gebied, Cuba en Midden-Amerika.

Vanaf de jaren tachtig legde Steinmetz zich met succes toe op het kunstschilderen.

Ze opende een eigen galerie en exposeerde haar figuratieve doeken regelmatig.

Haar muzikale passie doofde echter niet.

In 2015 startte ze een theatertournee met de Franse chansonnier Philippe Elan, met wie ze samen met Nico van der Linden het tweetalige album Amsterdam-Parijs, heen en weer uitbracht.

Begin 2020 bundelden Steinmetz en Elan opnieuw hun krachten voor het theaterprogramma Over Grenzen.

Op persoonlijk vlak kende haar leven zowel passie als ingrijpend verlies.

Steinmetz was getrouwd met tenorzanger Arjan Blanken, maar verliet hem in 1966 voor tekstschrijver en televisieproducent Gerrit den Braber, met wie ze samenbleef tot zijn overlijden in 1997.

Een jaar daarvoor, in 1996, overleed haar enige dochter Ellis op 39-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker.

Na het verlies van haar dochter en haar partner zocht Steinmetz rust aan de Côte d’Azur en vestigde zij zich in Cannes, waar ze bleef schilderen.

Inmiddels woont de 93-jarige Steinmetz in het Rosa Spier Huis in Laren, een befaamde woon- en werkgemeenschap voor kunstenaars en wetenschappers.

Daar richt zij zich vooral op haar schilderwerk en toont ze af en toe haar doeken tijdens exposities.

45 jaar geleden, hoe Nico Haak (geboren als Nicolaas Olivier Haak) zich fit houdt.

Nico Haak was niet altijd een bekende zanger.

Voordat hij doorbrak bij het grote publiek, had hij samen met zijn broer Dik een autospuiterij in Delfgauw, vlakbij Delft.

In december 1970 veranderde zijn leven toen hij werd opgemerkt door Martin Stoelinga, een manager van twee andere bandjes uit Delft.

Stoelinga raadde Haak aan om zelf liedjes te gaan schrijven. Haak nam dit advies ter harte en samen met zijn onderbuurman Polle Eduard, die toen speelde bij Tee Set en After Tea, bedacht hij een aantal nummers.

Door de contacten van Stoelinga kwam Haak in contact met Cor Aaftink en maakte hij een plaatje met de titel Ik zou zo graag in mijn leven (wel ’s wat willen beleven).

Op de B-kant van deze single staat het nummer De Vlieger dat geschreven werd door Haak en Han Grevelt en later bekend is door de vertolking van André Hazes.

Het plaatje werd gedraaid op enkele nationale radiozenders.

Haak begon met enkele optredens en er werd een bandje geformeerd met de naam De Paniekzaaiers, een project van Haak, Peter Koelewijn en Eduard.

De Paniekzaaiers bestond uit Jan en Aad Eland, Karel Schouten en Hennie Asman.

Het eerste televisieoptreden van Nico Haak en de Paniekzaaiers vond plaats in een show van Ted de Braak met het nummer Daar zie ik glazen staan.

De feestmuziek bleek aan te slaan en uiteindelijk brak Haak in 1973 definitief door met het lied Joekelille.

In 1974 werd het succes gecontinueerd met Honkie-Tonkie Pianissie en Sokkies Stoppen.

Nadat de samenwerking met Eduard was beëindigd, scoorde Haak in 1975 zijn grootste hit: Foxie Foxtrot.

Met dat lied werd onder de titel Schmidtchen Schleicher ook de Duitse markt veroverd.

Hij ontving op 24 maart 1977 een toonaangevende onderscheiding met de naam Goldene Labeltrofee voor de verkoop van meer dan 500.000 exemplaren in Duitsland.

Een doorbraak bij de oosterburen bleef verder uit, omdat Haak als grapje in de billen kneep van de presentatrice van het keurige muziekprogramma.

In 1978 werkte Haak weer samen met Eduard en scoorde hij zijn laatste grote hit: Is je moeder niet thuis.

Haak bleef gedurende de jaren tachtig een graag geziene gast in het schnabbelcircuit, maar wist zijn successen van de jaren zeventig niet meer te evenaren.

Hij had met zijn vrouw Jeanne drie kinderen, Nico jr, Kees en Eric (overleed als kind al).

Nico Haak is 51 jaar geworden en ligt begraven bij zijn zoon Eric in een familiegraf op de Algemene begraafplaats Jaffa in Delft.

Zijn zoon Kees treedt in de jaren 2010 op in hetzelfde genre en met dezelfde liedjes als zijn vader en ook met hetzelfde motto: Haak gevraagd, feest geslaagd (Diverse bronnen, Wikipedia en Joepie 16 oktober 1978).

Gisteren nog vandaag