Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Gerhard Höllerich zag op 25 januari 1943 het levenslicht met één grote droom: popartiest worden.
Amper achttien was hij toen hij zijn eerste muzikale stappen zette bij The Honky Tonks. Zijn diepzwarte haren en zijn grote bewondering voor Roy Orbison leverden hem al snel zijn bekende artiestennaam op: Roy Black.
Twee jaar later stampte hij zijn eigen band Roy Black and his Cannons uit de grond, wat leidde tot een ontmoeting met producer Hans Bertram.
De start in 1964 verliep niet meteen van een leien dakje, want zijn eerste singles ‘Sweet Baby mein’ en ‘Darling my Love’ kregen nauwelijks aandacht.
Maar met zijn derde poging, ‘Du bist nicht allein’, schoot hij pal in de roos.
Het was het begin van een waanzinnige succesperiode: tot 1969 belandden al zijn singles in de top 10, en maar liefst zes ervan stootten door naar nummer één.
Tussendoor dook hij ook regelmatig op in populaire bioscoopfilms.
In 1971 scoorde hij een enorme internationale voltreffer met het aanstekelijke duet ‘Schön ist es auf der Welt zu sein’, aan de zijde van de toen tienjarige Noorse Anita Hegerland (die van 1987 tot en met 1991 getrouwd was met Mike Oldfield; samen kregen ze twee kinderen).
Daarna keerde het tij. De hits bleven uit en Roy belandde in een diep dal, waarbij vooral zijn privéproblemen en een aanslepende strijd tegen alcohol en pillen de pers haalden.
Toch gaf hij niet op. In 1985 maakte hij een knappe comeback met het nummer ‘Mona’, en vanaf 1989 sloot het publiek hem opnieuw massaal in de armen dankzij zijn rol in de kijkcijferhit Ein Schloß am Wörthersee.
Het herwonnen geluk bleek helaas van korte duur. Op 9 oktober 1991 sloeg het noodlot toe: Roy overleed plots aan een hartinfarct, nauwelijks een maand na de geboorte van zijn dochtertje Nathalie.
Zijn bewogen levensverhaal inspireerde nadien verschillende boeken en leidde tot de film ‘Du bist nicht allein, Die Roy Black Story’, waarin niemand minder dan Christoph Waltz in de huid van de zanger kroop.
Voor mij persoonlijk blijft ‘Du bist nicht allein’ een van de absolute hoogtepunten uit de Duitse popgeschiedenis. Kunnen jullie mij daarin volgen?
Jan Puimège werd ontdekt in een uitzending van het BRT-programma Ontdek de ster in 1975, in de Koningin Elisabethzaal te Antwerpen, waarbij een vriend hem had ingeschreven.
In 1976 won hij de Grote Prijs Will Ferdy.
Puimèges liedjes hadden een zachte, poëtische inslag en werden met heldere articulatie gezongen.
Soms bevatten ze ook milde maatschappijkritiek.
Na amper zeven jaar carrière overleed hij op 22 mei 1982, op 26-jarige leeftijd, onverwacht aan een hartaanval toen hij in bad zat, vlak voordat zijn derde album op de markt kwam.
Diverse collega’s organiseerden een postume hulde aan Puimège op het album Jan Puimège (1983).
Onder anderen Wim De Craene, Will Ferdy, Zjef Vanuytsel en Ed Kooyman brachten op het album enkele van Puimèges nieuwe liedjes ten gehore die hijzelf nooit meer had kunnen opnemen.
Er is ook een prijs vernoemd naar de zanger: de Prijs Jan Puimège, die door onder meer Mira en De Nihilisten gewonnen is.
In de gemeente Wommelgem bij Antwerpen bracht Jan Puimège een groot deel van zijn jeugd door.
Hier werd als aandenken aan de zanger een culturele kring opgericht onder de naam Kulturele Kring Jan Puimège.
Folkmuzikant en -zanger Dirk Van Esbroeck was een neef van Puimège.
Doordat Meat Loaf zijn stem kwijt was door een combinatie van drugs, oververmoeidheid en een intensieve tournee, duurde het tot september 1981 voordat zijn tweede studioalbum Dead Ringer verscheen.
Net als bij het debuutalbum Bat out of Hell uit 1977 zijn alle nummers van het album geschreven door Jim Steinman.
Het album werd geproduceerd door Meat Loaf en Stephan Galfas, samen met Jimmy Iovine en Jim Steinman, met uitzondering van drie nummers.
Ondanks de bewuste poging om het album te voorzien van hetzelfde succesvolle recept als het debuut, viel het resultaat artistiek gezien tegen, en dat lag vooral aan de stem van Meat Loaf.
Als je eerst naar Bat out of Hell luistert en daarna naar Dead Ringer, dan lijkt het wel of je naar een compleet andere zanger zit te luisteren.
Van dit album kwamen vier singles uit: ‘Dead Ringer For Love’ (waaraan zangeres Cher haar muzikale medewerking verleende, hoewel zij vreemd genoeg niet op de hoes van de single vermeld stond), ‘I’m Gonna Love Her For Both Of Us’, ‘Read ‘Em And Weep’ en ‘Peel Out’.
Voor de videoclip van ‘Dead Ringer For Love’, waarin Meat Loaf samen met Cher te zien is, werd de regie verzorgd door Allan F. Nicholls.
Bij de release werd het album gemengd tot teleurstellend ontvangen door critici, die vonden dat het de ongekende genialiteit en de kenmerkende productie van Todd Rundgren miste die het debuutalbum zo sterk maakten.
Commercieel deed het album het in Groot-Brittannië uitstekend, waar het de eerste plaats in de hitlijsten bereikte, maar in de rest van Europa en Noord-Amerika waren zowel de singles als het album grotendeels een commerciële flop.
Jim Steinman bekende jaren later dat hij ook niet tevreden was over het album, en dit kwam opnieuw vooral door de vocale beperkingen en de stemproblemen van Meat Loaf destijds.
Het zou dan ook jaren duren voor een nieuwe samenwerking tussen beide heren, tot we in 1993 eindelijk een waardig vervolg kregen op Bat out of Hell, dat dan ook toepasselijk de titel Bat out of Hell 2 meekreeg.
Eind september 1981 was Rob Davis allang geen tieneridool meer. Jaren eerder vormde hij samen met zanger Les Gray het vertrouwde uithangbord van Mud, een band die zowel bij ons in Vlaanderen als in Nederland over de koppen liep.
Dagelijks kreeg Rob zakken vol liefdesbrieven en rustig over straat lopen zat er destijds echt niet meer in.
Die gigantische roem bleef echter niet duren. De hits droogden op, het aantal optredens slonk en ook binnen de groep begon het te wringen.
De vanzelfsprekende chemie tussen Les Gray en drummer Dave Mount verdween.
Les trok het schrijven van singles en covers steeds meer naar zich toe, vaak met B-kantjes die maar weinig voorstelden.
Daardoor groeiden Rob en Les stilaan uit elkaar, tot ze eigenlijk gewoon zaten te wachten op het definitieve einde van de groep.
Na hun laatste hit begonnen Rob Davis en bassist Ray Stiles zich stilaan los te wrikken.
Ze zagen het niet meer zitten en hun muzikale voorkeur verschoof naar oudere soulgroepen en opkomende Amerikaanse westcoastbands zoals The Doobie Brothers en Eagles.
Achteraf bekeken werd Mud toen al een heel andere richting uitgeduwd, zonder dat ze het zelf goed en wel beseften.
Toch bleven ze nog enige tijd samen optreden. Er liepen namelijk nog buitenlandse aanbiedingen binnen, al voelde dat vaak als overleven op korte termijn en gebeurde het lang niet altijd met volle goesting.
In 1978 viel dan toch het doek. Het allerlaatste optreden vond plaats in een afgelegen dorpje.
Muzikaal ging het nog wel, maar de sfeer zat helemaal onder het vriespunt en het plezier was definitief weg. Iedereen voelde dat het verhaal geschreven was.
Dave Mount was kort voor dat einde al opgestapt, waarna Rob een tijdje de kost verdiende met studiowerk en het geven van gitaarles.
Ondertussen stampte Les Gray met verse muzikanten een vernieuwde versie van Mud uit de grond.
De vriendschap bleef wel overeind: Rob hielp Les af en toe nog in de studio, al zag hij hem minder vaak, en hij hield ook geregeld contact met Dave, die op dat moment zonder werk zat.
In 1980 belandde Rob bij de Britse doo-wop- en rock-‘n-rollformatie Darts.
Eerst viel hij even in voor de vertrekkende gitarist George Currie, om wat later een vast bandlid te worden.
Hij zou er zo’n twee jaar blijven, tot in 1982.
Zijn uitstraling was intussen een pak nuchterder dan tijdens de wilde Mud-jaren. Grote hits scoorde Darts in die periode amper, maar aan optredens was er geen gebrek: van intieme clubs en kleine zalen tot verre buitenlandse reizen naar Thailand, Korea en Japan.
Bij Mud was het succes vroeger vooral beperkt gebleven tot Engeland, Duitsland en de Benelux.
Rob vond het achteraf gezien best jammer dat ze met Mud nooit die kleinere, directe concerten hadden gespeeld, maar bij Darts kon dat gelukkig wel.
Een echt idool wilde hij sowieso nooit zijn. De muziek primeerde altijd. Die uitzinnige adoratie van vroeger hoefde voor hem niet eens en had hij ook nooit gevraagd.
Op zijn tijd bij Mud keek hij intussen met een heel nuchtere blik terug.
Bij Darts zat hij weer helemaal op zijn plek: omringd door jongere muzikanten, een goedgevulde agenda en elk optreden dat aanvoelde als een echt feestje.
Eind september 1981 liet hij dan ook weten dat hij voorlopig bij Darts bleef. Hij amuseerde zich rot, net zoals de rest van de bende.
De groep had werk en dat was voor hem het allerbelangrijkste.
Hij prees zich gelukkig dat hij opnieuw deel uitmaakte van een band die hem op handen droeg en respecteerde.
Na zijn periode bij Darts gooide Rob Davis het over een heel andere boeg en legde hij zich volledig toe op het schrijven van pop- en dancehits en het studiowerk achter de knoppen.
Dat bleek een schot in de roos: samen met Cathy Dennis pende hij later gigantische wereldhits neer voor Kylie Minogue, waaronder Can’t Get You Out of My Head en Come Into My World.
Ook de andere Mud-leden kenden elk hun eigen verhaal.
Les Gray blies Mud in de jaren tachtig nieuw leven in met een verjongde bezetting.
Zeker in Vlaanderen, Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk was hij een graag geziene gast op nostalgiefestivals en dook hij geregeld op in televisieprogramma’s.
Hij overleed op 21 februari 2004 in een Portugees ziekenhuis aan de gevolgen van keelkanker en een daaropvolgende hartaanval.
Bassist Ray Stiles sloot zich vanaf de jaren tachtig aan bij The Hollies en bleef in de groep tot 20 augustus 2026. Toen de twee kernleden, gitarist Tony Hicks (80) en drummer Bobby Elliott (84), besloten om met pensioen te gaan
Samen met twee nieuwe bandleden treedt hij met de andere muzikanten nog altijd geregeld op onder de naam Mud.
Vier jaar geleden stonden ze trouwens nog gewoon bij ons op het podium in Oudenaarde.
Met drummer Dave Mount liep het helaas heel wat minder goed af. Hij trok zich volledig terug uit de muziekwereld en overleed op 2 december 2006 in het ziekenhuis, na een zelfmoordpoging.
De Mirano in Brussel is een legendarische plek die een rijke geschiedenis ademt.
Het begon allemaal in 1934, toen het pand aan de Leuvensesteenweg in Sint-Joost-ten-Node de deuren opende als bioscoop Ciné Mirano.
Na jarenlang dienst te hebben gedaan als filmzaal sloot de bioscoop eind jaren zeventig, waarna het gebouw in 1981 werd omgevormd tot de discotheek Mirano Continental.
De officiële opening van de Mirano Continental vond plaats op donderdag 19 maart 1981.
De club was van meet af aan bedoeld als de Brusselse tegenhanger van de beroemde New Yorkse Studio 54 en het Parijse Le Palace.
Deze eerste avond werd bijgewoond door tal van prominenten, waaronder de Franse presentator Thierry Ardisson als een van de eregasten.
Niemand minder dan de extravagante Grace Jones verzorgde een optreden en arriveerde op spectaculaire wijze in een witte limousine.
Zij bleef een graag geziene gast in de club, want op 4 oktober 1981 bracht ze een tweede bezoek aan de Mirano na haar optreden in de Ancienne Belgique.
De Mirano werd al snel de plek waar de internationale jetset en mode-elite elkaar ontmoetten.
Grote namen uit de modewereld, waaronder de bekende Antwerpse Zes, gebruikten de club als podium voor hun avant-gardistische shows.
In de hoogtijdagen was het een smeltkroes van kunstenaars, modellen en muzikanten, wat de club een aura van exclusiviteit en creativiteit gaf.
Een van de meest unieke technische snufjes is de draaiende dansvloer.
Dit overblijfsel uit het cinematijdperk werd behouden en gemoderniseerd, waardoor het nog steeds een van de centrale attracties van de zaal is.
Ook de majestueuze entree in de vorm van een trechter en het interieur vol goud- en zwartaccenten dragen bij aan de theatrale sfeer die zo typerend is voor deze locatie.
Tegenwoordig bestaat de Mirano nog steeds, al heeft het een bewogen periode achter de rug.
Na een sluiting in 2017 onderging het gebouw een grondige renovatie, waarbij geprobeerd is om de pracht en praal van de jaren dertig weer terug te brengen.
Sinds de heropening in 2019 functioneert de Mirano niet alleen als discotheek op vrijdag- en zaterdagavond met een focus op electro- en urbanmuziek, maar doet het ook dienst als polyvalente evenementenlocatie en cultureel centrum.
Het wordt nu geëxploiteerd door de groep Art Blanc en is nog steeds een van de meest beeldbepalende plekken in het Brusselse nachtleven voor zowel clubavonden als bedrijfsfeesten en artistieke presentaties.
De Franse acteur Jean Marais, geboren als Jean Alfred Villain-Marais en door intimi liefkozend Jeannot genoemd, kende een bewogen weg naar de top.
Zijn kinderjaren waren verre van eenvoudig.
Toen hij werd geboren, weigerde zijn moeder hem te zien, omdat haar dochtertje pas enkele dagen daarvoor was overleden.
Toen zijn vader terugkeerde uit het leger was Jean vijf jaar oud, maar niet veel later bracht zijn moeder de drie kinderen onder bij hun grootmoeder, waar ze zonder vader opgroeiden.
Al van jongs af aan droomde Jean van het acteurschap, ondanks het gebrek aan steun van zijn familie en twee afwijzingen door de toneelschool.
Nadat hij van school werd gestuurd omdat hij verkleed als meisje zijn vrienden vermaakte en met een leraar flirtte, ging hij aan de slag als assistent van een fotograaf.
Zo kon hij acteerlessen bekostigen bij de grote regisseur Charles Dullin.
Om rond te komen nam hij vermoeiende figurantenrolletjes aan voor tien frank per dag, maar hij was zielsgelukkig om eindelijk in de theaterwereld te staan.
In het begin viel hij vooral op door zijn aantrekkelijke uiterlijk en innemende persoonlijkheid, maar al snel ontwikkelde hij zich tot een veelzijdig en gerespecteerd acteur.
Zijn levenslange passie voor schilderen leverde hem zijn eerste filmkans op: regisseur Marcel L’Herbier kocht in 1933 een van Jeans doeken en gaf hem meteen een paar kleine filmrollen.
Het echte keerpunt kwam toen hij op zijn vierentwintigste de dichter en cineast Jean Cocteau ontmoette.
Cocteau lanceerde Marais’ carrière met rollen in onder meer ‘Oedipe-Roi’ en ‘Les Chevaliers de La Table Ronde’.
De ontmoeting voelde voor Marais als een wedergeboorte. Cocteau werd een vaderfiguur, mentor en levenspartner, en de twee bleven onafscheidelijk tot Cocteaus dood, vijfentwintig jaar later.
Samen boekten ze enorme successen, zoals met de film ‘L’Éternel retour’ en klassiekers als ‘La belle et la bête’ uit 1946, waarin Marais op meesterlijke wijze zowel het beest als de prins vertolkte, en ‘Orphée’ uit 1949.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef hij optreden in het bezette Parijs, maar na de bevrijding in 1944 meldde hij zich bij de Tweede Franse Pantserdivisie.
Als vrachtwagenchauffeur bracht hij brandstof en munitie naar het front, een moedige inzet die hem het Croix de guerre opleverde.
Na de oorlog groeide Marais uit tot een internationaal tieneridool en een icoon van de Franse cinema en het theater.
Hij schitterde in romantische drama’s, komedies en vooral spannende mantel-en-degenfilms.
In de jaren zestig boekte hij opnieuw enorm veel succes in de populaire Fantômas-reeks, waarin hij zowel de geheimzinnige schurk met het blauwe masker speelde als journalist Fandor, tegenover komiek Louis de Funès.
Ook op muzikaal vlak liet de veelzijdige artiest van zich horen.
Zo bracht hij in 1988 op het label Franceval het nummer On oublie tout, on oublie rien uit.
De tekst werd geschreven door Gilbert Sinoué en François Valéry, die tevens de muziek componeerde.
Het nummer is een weemoedige bespiegeling over nostalgie, de vergankelijkheid van de tijd en de manier waarop herinneringen en muziek verbonden blijven met iemands levensverhaal.
De tekst beschrijft hoe men door de jaren heen bepaalde details uit het verleden lijkt te vergeten, maar dat de diepere emoties, de gezichten van vrienden, de liefdes en de mooie momenten onuitwisbaar in het geheugen bewaard blijven.
Marais bracht het nummer destijds onder de aandacht via optredens in Franse televisieprogramma’s, waaronder het populaire La Classe.
Voor zijn indrukwekkende oeuvre ontving hij in 1993 een ere-César en in 1996 het Franse Legioen van Eer.
Datzelfde jaar speelde hij zijn laatste filmrol in ‘Io ballo da sola’ van Bernardo Bertolucci.
De veelzijdige kunstenaar Jean Marais overleed op 8 november 1998 in Cannes aan een hartaanval en liet een rijke erfenis aan film, theater, schilderkunst en beeldhouwwerken na.
Veertig jaar geleden kozen Everything but the Girl met hun derde album ‘Baby, The Stars Shine Bright’ en de knappe single ‘Come on Home’ voor een rustiger koers.
Tijdens de persvoorstelling van het album praatten ze nuchter over de aandacht die ze kregen.
Ze lachten dan ook hartelijk om het idee dat ze ooit op één zouden belanden en gaven meteen toe dat ze het op de hitparade nooit van Madonna zouden winnen.
Muzikaal sloegen ze met hun nieuwe album een heel andere weg in dan de sobere, jazzy indie van hun debuut ‘Eden’ of het maatschappijkritische ‘Love Not Money’.
Ze gingen voluit voor weidse, filmische ballades met een stevige fifties- en sixties-orkestratie: een weelderige strijkerssectie en een knipoog naar Dusty Springfield.
Dat strookte totaal niet met de synthetische sound die de hitlijsten in 1986 domineerde.
Het album bleef destijds dan ook een beetje onder de radar hangen, en recensenten liepen er niet bepaald wild van.
Pas jaren later kwam de kentering: de gewaagde productie en de ironische teksten, zoals in ‘Sugar Finney’, kregen alsnog de lof die ze verdienden. Vandaag geldt ook ‘Cross My Heart’ terecht als een echte klassieker van het duo.
Kort daarvoor waren ze in 1986 voor het eerst naar Amerika getrokken.
Veel potten hadden ze daar niet gebroken, maar ze voelden dat ze stilaan hun eigen stek in de muziekwereld vonden.
Ze wilden vooral op hun eigen tempo groeien; overweldigend succes hoefde er voor hen niet van vandaag op morgen te zijn.
Ben maakte tijdens de persvoorstelling een subtiele verwijzing naar Sade.
Hij zag hoe zij ten onder ging aan de loodzware druk die een plotse doorbraak op een privéleven legt. Het duo voelde geen greintje afgunst, alleen medelijden.
Rond 1985-1986 was de gekte rond Sade Adu en haar band amper nog bij te benen.
Na het triomfantelijke debuut ‘Diamond Life’ in 1984 schoot ook de opvolger ‘Promise’ eind 1985 recht naar de internationale toppen.
Die wereldroem eiste een zware tol: platenbazen zaten haar op de nek, tabloids en paparazzi gunden haar geen seconde rust, met kwalijke roddels over een relatiebreuk en psychische inzinkingen tot gevolg.
De slopende tournees, de niet-aflatende promotie en het totale gebrek aan privacy putten haar emotioneel en fysiek uit.
Sade trok aan de noodrem en verdween uit de schijnwerpers. Fans moesten tot 1988 wachten op ‘Stronger Than Pride’.
Die dolgedraaide showbizz lieten Ben en Tracey met plezier aan zich voorbijgaan.
Zij nestelden zich liever met hun tweetjes in een kalm hoekje van Londen.
Wilde feestjes en recepties waren aan hen niet besteed; een discotheek of nachtclub hadden ze naar eigen zeggen zelfs nog nooit van dichtbij gezien.
Zelfs in dat rustige leventje liep het niet altijd van een leien dakje.
Omdat ze vierentwintig uur per dag op elkaars lip zaten, maakten ze aan de lopende band ruzie en kibbelden ze over elk klein detail.
Om de vrede te bewaren stelden ze hun werkwijze bij.
Vroeger schreven ze nummers nog zij aan zij; voortaan deed ieder zijn eigen ding: Tracey de teksten, Ben de muziek.
Dat zorgde meteen voor veel minder wrevel.
De echte romantiek vonden ze terug in de studio.
Daar was de vonk ooit overgeslagen, toen ze allebei met een koptelefoon op stonden te zingen en elkaar recht in de ogen keken.
Die herinnering riepen ze bij elke opnamesessie weer op, en dat hoor je tot op vandaag in de zachte, zwoele sfeer van hun songs.
Ben Watt en Tracey Thorn waren niet alleen een muzikaal duo, maar ook een koppel.
Ze leerden elkaar in 1981 kennen aan de Universiteit van Hull. Al snel volgde een relatie die tot op de dag van vandaag standhoudt: ze kregen drie kinderen en stapten in 2009 in het huwelijk.
Ook muzikaal bleef hun verhaal in beweging.
In 2023 verscheen het goed ontvangen comebackalbum Fuse, hun eerste plaat in bijna vierentwintig jaar.
Na een pauze van vijfentwintig jaar keerden ze in 2025 bovendien terug op het podium.
Ze kozen opnieuw voor intimiteit: als kleinschalig akoestisch-elektronisch duo, aangekondigd onder hun eigen namen Ben Watt en Tracey Thorn, en bewust zonder festivalweides of arena’s.
In augustus 2026 volgde nog een nieuwe remix van ‘Run A Red Light’, een teken dat hun artistieke koers springlevend is.
Hun bandnaam Everything But The Girl komt van een slogan van meubelzaak Turner’s in Hull: for your bedroom needs, we sell everything but the girl.
Toen ze elkaar ontmoetten, waren zowel Thorn als Watt al solo onder contract bij Cherry Red: Thorn als lid van Marine Girls, een favoriet van Kurt Cobain, en Watt met zijn debuut North Marine Drive.
Hun eerste gezamenlijke plaat was een samba-achtige cover van Cole Porter’s ‘Night and Day’.
In 1992 werd een Amerikaanse tournee van Everything But The Girl afgelast toen Watt bijna stierf aan een zeldzame auto-immuunziekte; hij schreef daar later het boek Patient over.
Tracey zong ondertussen op Massive Attack’s ‘Protection’.
De grote doorbraak kwam met Todd Terry’s remix van ‘Missing’, die in 1995–1996 wereldwijd een hit werd en nummer 2 haalde in de Amerikaanse Billboard Hot 100.
In Nederland bereikte de Todd Terry Club Mix in september 1995 de derde plaats in de Top 40; de single stond zeventien weken genoteerd.
Nadat het nummer in oktober 1995 uit de lijst verdween, kwam het door het Europese succes opnieuw in de belangstelling.
In maart 1996 keerde het terug in de Top 40, met een 24e plaats als piek.
In Vlaanderen speelde zich hetzelfde af: in 1995 haalde de single de twaalfde plaats in de Ultratop 50, in 1996 de tiende.
Alles bij elkaar bracht het duo elf studioalbums uit.
In het Verenigd Koninkrijk behaalden ze acht gouden en twee platina-albums; het album Amplified Heart wordt vaak als hun bestverkochte album genoemd, en alleen al in het VK en de VS zijn er honderdduizenden tot meer dan een miljoen exemplaren verkocht.
De single ‘Missing’ werd in het VK driedubbel platina.
In 1984 ontmoette de toen 47-jarige Bill Wyman, bassist van The Rolling Stones, de dertienjarige Mandy Smith tijdens de BPI Awards.
In zijn autobiografie Stone Alone (1990) schreef hij later de woorden die hem altijd zijn blijven achtervolgen: ze nam hem de adem weg en ze was volgens hem een vrouw op haar dertiende.
Dat was geen verspreking, maar de kern van het probleem: een volwassen man die een kind tot vrouw verklaart om zijn eigen gedrag het aanzien van een romance te geven.
De relatie bleef jarenlang strikt geheim. Terwijl Mandy gewoon naar school ging, betaalde Wyman volgens latere getuigenissen een privéschool dicht bij zijn appartement.
In het uitgaansleven noemde hij haar Cynthia, zodat journalisten haar werkelijke leeftijd niet zouden ontdekken.
Mensen in zijn omgeving dachten dat ze begin twintig was.
Toen een van hen op een verjaardagsfeest ontdekte dat ze pas vijftien was en al ruim twee jaar met hem omging, verdween het gezelschap snel. Niemand stapte destijds naar de politie.
Binnen de band werd de situatie genormaliseerd.
Wyman behandelde het als een privékwestie met een kind. De andere bandleden profiteerden van dezelfde losbandige rockscene, keken de andere kant op of spraken hem er pas op aan toen het verschil in leeftijd zelfs binnen de rock-’n-roll niet meer weg te lachen viel.
In het Verenigd Koninkrijk ligt de wettelijke grens voor seksuele meerderjarigheid op zestien jaar.
Tot die leeftijd is seksueel contact met een volwassene strafbaar, ongeacht of ouders daarmee instemmen.
Het verhaal kwam pas in de openbaarheid nadat Mandy zestien was geworden, in de zomer van 1986.
Dat was precies het moment waarop het Nederlandse blad Veronica schreef over Bills blues, een geheim dagboek en mogelijke stappen van justitie.
Tot een rechtszaak kwam het destijds niet, omdat Mandy en haar moeder weigerden mee te werken aan het onderzoek.
Jaren later verklaarde Wyman dat hij na het uitbreken van het Jimmy Savile-schandaal zelf naar de politie en het Openbaar Ministerie was gestapt, waar hem werd verteld dat er geen zaak tegen hem lag.
Het latere huwelijk in juni 1989, toen Mandy net achttien was, wiste het verleden niet uit; het diende vooral om de relatie maatschappelijk aanvaardbaarder te maken.
Volgens haar eigen verklaringen begon het seksuele contact op haar veertiende, alsof dat het verhaal enigszins fatsoenlijk moest houden.
De eerste ontmoeting vond echter plaats toen ze dertien was, en dat leeftijdsverschil veranderde niets aan de verantwoordelijkheid van de volwassene.
De media in 1986 volgden een bekend patroon: het jonge meisje werd neergezet als een vroegrijp feestbeest, de moeder kreeg de schuld van medeplichtigheid en de rockster werd afgeschilderd als het slachtoffer van zijn eigen verliefdheid.
Wyman had al tientallen jaren de reputatie van de zwijgzame Stone, die een obsessie had voor piepjonge meisjes.
Hij hield lijsten bij met honderden en later zelfs duizenden namen, en pikte rond het podium bewust de jongste meisjes uit het publiek.
Tijdgenoten omschreven Mandy destijds als uitzonderlijk jong, wat de situatie meteen strafbaar maakte.
Dit gedrag stond overigens niet los van de toenmalige bandcultuur.
Binnen de Stones leek het idee te heersen dat zeer jonge meisjes bij het rocksterrendom hoorden, een thema dat zelfs in hun muziek terugkwam.
In Stray Cat Blues uit 1968 zong Mick Jagger al dat hij wist dat het meisje pas vijftien was en hij haar legitimatiebewijs niet hoefde te zien.
Tijdens liveoptredens verlaagde hij die leeftijd soms gekscherend naar dertien.
Het was geen geheim, maar een tekst die op het podium stoer werd gebracht.
Toch vormde Wyman een uitzondering door het systeem te veranderen in een jarenlange, verborgen relatie met een minderjarige.
De overige groepsleden kun je niet zomaar met hem vergelijken.
Drummer Charlie Watts gold als de absolute tegenpool: hij bleef decennialang trouw aan zijn vrouw Shirley en distantieerde zich van de groupiecultuur.
Keith Richards kende een turbulente reputatie, maar zijn langdurige relaties waren met volwassen vrouwen.
Oprichter Brian Jones was vroeg en intensief seksueel actief in een losbandige tijd, maar bouwde geen geheim dossier op met schoolgeld en schuilnamen.
Mick Jaggers vaste relaties betroffen eveneens volwassen vrouwen, al beweerde actrice Rae Dawn Chong later dat zij in 1977 als vijftienjarige het bed deelde met de toen 33-jarige zanger zonder dat hij naar haar leeftijd vroeg.
Dat bleef echter een eenmalige verklaring achteraf, geen openlijke trots zoals Wymans uitspraak over een dertienjarige vrouw.
Toen Mandy’s verhaal openbaar werd, sprak de groep Wyman hierop aan.
Jagger zou volgens ingewijden met walging hebben gereageerd, mede omdat zijn eigen dochters ouder waren dan Mandy.
Die afkeer liet zien dat de band vond dat Wyman een duidelijke grens had overschreden, al bleef het eerdere wegkijken een kwalijke rol spelen.
Rond haar zeventiende verjaardag kreeg Mandy dankzij haar connecties via Bill een kans in de muziekindustrie.
Ze tekende bij PWL, het productiehuis van de hitmakers Stock, Aitken en Waterman, die eerder succes hadden met Bananarama en Mel & Kim.
Haar debuutsingle ‘I Just Can’t Wait’ verscheen in 1987.
Het nummer behaalde een bescheiden succes in het Verenigd Koninkrijk, terwijl het in Nederland en Vlaanderen bleef steken in de Tipparade.
De singles ‘Positive Reaction’ en ‘Boys and Girls’ deden weinig, en hoewel ‘Victim of Pleasure’ het iets beter deed, brak ze nooit echt door.
Na een matig ontvangen cover van ‘Don’t You Want Me’ van The Human League in 1989, die alleen in Italië een hitje werd, eindigde haar muzikale loopbaan.
Wat overbleef, was aanhoudende persaandacht voor haar privéleven.
Op 2 juni 1989 trouwde de achttienjarige Mandy op een landgoed in Suffolk met de inmiddels 52-jarige Bill Wyman.
De ophef draaide destijds vooral om Wymans publieke uitspraken dat de relatie al zes jaar eerder was begonnen.
Mandy droeg een trouwjurk ter waarde van zo’n 18.000 euro en Bills zoon Stephen trad op als getuige.
Mandy gaf later aan dat ze van tevoren eigenlijk al wist dat het niets zou worden, en ze vertrok al enkele weken na de bruiloft.
Kinderen kwamen er dan ook niet.
In mei 1991 volgde een korte, onbetwiste echtscheidingsprocedure die binnen driekwart minuut was afgerond bij de rechtbank, uitgesproken op grond van overspel door Wyman.
Zij was toen negentien en hij drieënvijftig.
De definitieve financiële afwikkeling liet op zich wachten tot 24 november 1992.
Volgens de officiële verklaring van de advocaten kreeg Mandy een woning in Noord-Londen inclusief inboedel, getaxeerd op circa 290.000 euro, zo’n 150.000 euro aan contanten, een vergoeding tot ongeveer 115.000 euro voor gemaakte onkosten en nog eens 115.000 euro voor de juridische kosten.
Nederlandse kranten, zoals het Leidsch Dagblad, berekenden de totale waarde van de schikking op maximaal 670.000 euro.
Mandy zelf relativeerde dat bedrag later nuchter: na aftrek van het huis en de advocatenkosten bleef er omgerekend zo’n 60.000 euro over, wat vervolgens grotendeels naar de belasting ging.
Als het haar om het geld te doen was geweest, zo stelde ze, was ze wel bij hem gebleven.
De familiegeschiedenis kreeg vervolgens nog een bizarre wending: Mandy’s moeder Patsy raakte verloofd met Bills zoon Stephen.
In 1993 trouwde de dertigjarige Stephen met de 46-jarige Patsy, al liep ook dit huwelijk na korte tijd stuk.
In datzelfde jaar bracht de 23-jarige Mandy haar succesvolle autobiografie It’s All Over Now uit en trouwde ze met de Belgische profvoetballer Pat Van Den Hauwe.
Twee jaar later zette ze hem de deur uit, naar eigen zeggen vanwege ziekelijke jaloezie.
In 2001 kreeg ze met model Ian Mosby een zoon, Max Harrison.
Terugblikkend vertelde Mandy dat ze vanaf haar veertiende de anticonceptiepil slikte en dat haar lichamelijke gezondheid daardoor zwaar te lijden had.
In 2010 pleitte ze er publiekelijk voor om de wettelijke meerderjarigheidsgrens in Groot-Brittannië te verhogen van zestien naar achttien jaar, met de boodschap dat je op die leeftijd nog een kind bent en je die verloren jeugd nooit meer terugkrijgt.
Tegenwoordig leidt Mandy een teruggetrokken leven, heeft zij steun gevonden in het rooms-katholieke geloof en schreef ze enige tijd voor een katholiek lifestylemagazine.
Bill Wyman en zijn relatie met Mandy Smith (Veronica, week 38 van 1986)
Jaki Graham werd op 15 september 1956 geboren in Birmingham en groeide uit tot een van de meest herkenbare en succesvolle Britse soul- en r&b-zangeressen van de jaren tachtig.
Ze is sinds 1976 getrouwd met haar jeugdliefde Tony Ormsby, en samen kregen ze een dochter en een zoon.
Hoewel ze op school elk jaar meedeed aan de zangwedstrijd, groeide ze niet op met muziek en had ze er nooit bij stilgestaan dat ze er ooit haar beroep van zou kunnen maken.
Ze had dan ook geen formele zangopleiding gehad en dat vond ze toen jammer.
Toch begon haar muzikale reis al als tiener bij gospelkoren en lokale bands, waaronder de funkformatie Ferrari, waar haar krachtige en warme stemgeluid al snel opviel.
Toen ze de schoolbanken verliet, sloot ze zich aan bij een bandje.
Niet veel later tekende ze een contract bij een platenlabel, al was dat in eerste instantie niet voor solowerk, maar vooral om backing vocals in te zingen voor anderen.
Al dat studiowerk vormde dan ook een waardevolle leerschool.
Ze was op de meest uiteenlopende platen te horen, en ook al bleef ze op de hoes meestal anoniem, achter de schermen bouwde ze gestaag aan haar reputatie.
Via deze weg kwam ze ook in contact met de mannen van UB40. Die jongens kwamen namelijk eveneens uit Birmingham en waren gewoon goede vrienden van haar geworden.
Ze leerde van hen veel over het vak en het maken van muziek.
In het begin, voordat haar dochter Natalie in 1981 werd geboren, kon ze maar niet besluiten om haar vaste kantoorbaan op te geven.
Haar schema was dan ook slopend: overdag werkte ze op kantoor, om vijf uur ’s middags werd ze opgehaald voor een optreden, om vier uur ’s nachts kwam ze thuis en om zeven uur stond ze weer op om naar haar werk te gaan.
Uiteindelijk gaf ze in 1983 haar baan als secretaresse definitief op voor een muzikale carrière, want toen haar dochter er eenmaal was, ging dat loodzware ritme dan ook niet meer samen.
Zingen, een kantoorbaan en een kind bleek te veel van het goede en ze moest dan ook een keuze maken.
Later, in 1993, werd het gezin nog uitgebreid met de geboorte van haar zoon Ryan.
Onder leiding van producer Derek Bramble vond ze in 1983 haar eigen kenmerkende mix van energieke pop, dansbare disco en eigentijdse Britfunk.
Grote successen leverde dat niet meteen op, want haar eerste twee singles, ‘Heaven Knows’ en ‘Once More with Feeling’, flopten.
Leerzaam was het wel, en het zorgde voor een stevig fundament.
Haar echte doorbraak voor het grote publiek kwam pas in mei 1985.
Graham vestigde haar naam eerst met een reeks sterke duetten met de Amerikaanse soulzanger David Grant, waaronder de singles ‘Could It Be I’m Falling in Love’ en ‘Mated’, die beide hoog eindigden in de Britse en Europese hitlijsten.
Ook solo bewees ze haar talent met nummers als ‘Round and Around’ en ‘Set Me Free’, waarmee ze een vaste waarde werd op de radio en in discotheken.
Ondanks al die successen voelde ze zich toen helemaal niet als een ster.
Ze voelde zichzelf helemaal niet beroemd en zag zichzelf vooral als een gewoon meisje dat af en toe leuke jongens ontmoette om mee op te treden.
Ze kon er dan ook maar moeilijk aan wennen dat mensen haar ineens als iemand belangrijks zagen.
Ze genoot met volle teugen van de enthousiaste reacties van haar publiek, al schreef ze dat succes toen vooral toe aan puur geluk.
Ze had nooit bewust naar de schijnwerpers gezocht en bleef gewoon haar nuchtere zelf.
Want in de allereerste plaats bleef ze altijd moeder. Haar dochter Natalie, over wie ze destijds al veel sprak in interviews, ging zo vaak mogelijk mee naar optredens.
Zodra Jaki de deur uitging voor een optreden, vroeg Natalie steevast of ze mee mocht.
Had het meisje vrij van school, dan nam ze haar met veel plezier mee.
Tijdens een van die tripjes had Natalie zich van top tot teen mogen opmaken, waardoor de jonge meid er bij nader inzien meer als een popster uitzag dan haar nuchtere moeder.
Die hechte band is er altijd gebleven; inmiddels werken moeder en dochter nauw samen en treedt Natalie op als haar manager.
In het najaar van 1986 verscheen haar tweede studioalbum, ‘Breaking Away’, dat in het Verenigd Koninkrijk meteen aansloeg en werd bekroond met een zilveren plaat.
De titelsong, opnieuw geproduceerd door Bramble, groeide meteen uit tot een van haar grootste handelsmerken.
Het nummer combineerde een strakke jaren-tachtig-productie met pakkende synthesizers en een opzwepende baslijn, maar het waren vooral Grahams warme soulstem en moeiteloze uithalen die de dansplaat diepgang en oprechtheid gaven.
Met een veertiende plaats in de Britse hitlijst in augustus 1986 vestigde Graham bovendien een bijzonder record in het Guinness Book of Records, als eerste zwarte zangeres uit het Verenigd Koninkrijk die zes opeenvolgende top-twintig hits wist te scoren.
De tekst over het doorbreken van routines en het loskomen uit beperkingen sprak dan ook een breed publiek aan.
Op het Europese vasteland kende de single een wisselend onthaal.
Waar ‘Breaking Away’ in Vlaanderen de hitparade misliep, was het nummer in Nederland goed voor een bescheiden tweeëntwintigste plaats in de Top 40, met een zevenenveertigste positie voor het album in de Album Top 100.
In Aziatische landen werd het nummer daarentegen onverwacht een gigantische megahit.
Ze droomde toen van een lange, duurzame loopbaan en spiegelde zich aan grootheden als Diana Ross en Gladys Knight.
Voor hun stijl, souplesse en vakmanschap had ze diepe bewondering: na al die jaren klonken ze nog altijd vlekkeloos.
Tegelijkertijd realiseerde ze zich dat zo’n stemconditie niet vanzelf kwam en dat een blijvende carrière vroeg om een ijzeren discipline en dagelijkse oefening.
Haar muzikale loopbaan kreeg in de jaren negentig een krachtige impuls toen haar vertolking van Chaka Khans ‘Ain’t Nobody’ naar de top van de Amerikaanse dance-hitlijst schoot.
De single leverde haar in 1994 gouden platen op in de Verenigde Staten, Australië en Japan.
Haar gelijktijdig verschenen album ‘Real Life’ ontketende met name in Japan een ware rage, waar in minder dan een maand tijd ruim 800.000 exemplaren over de toonbank vlogen.
In de jaren daarna bleef ze onvermoeibaar optreden en experimenteren met genres als jazz en hedendaagse soul, terwijl ze op festivals trouw bleef aan haar klassiekers uit de jaren tachtig.
Daarnaast maakte ze indruk in de reizende Motown-musical Dancing in the Streets, deelde ze haar muziekliefde als radiopresentatrice bij de BBC en toerde ze jarenlang als vaste gastzangeres met Michael McDonald, de legendarische stem van The Doobie Brothers, die haar publiekelijk prees als een van de beste vocalisten ter wereld.
In haar eigen regio werd haar invloed eveneens groots gevierd met een eredoctoraat en een bronzen ster op de Walk of Stars in Birmingham.
Met haar aanstekelijke enthousiasme en krachtige stemgeluid heeft Jaki Graham een blijvende en gerespecteerde stempel gedrukt op de Britse soul- en popgeschiedenis.
De inmiddels 70-jarige zangeres is nog altijd actief in de muziekindustrie.
Samen met Clark Datchler, de 62-jarige voorman van Johnny Hates Jazz bekend van klassiekers als ‘Shattered Dreams’, ‘Turn Back the Clock’ en ‘I Don’t Want to Be a Hero’, bracht ze op 21 augustus 2026 de single ‘Soul Believer’ uit.
Bij de groep, waar ook vast bandlid en producer Mike Nocito nog deel van uitmaakt, viel onlangs een grote leegte: toetsenist en medeoprichter Calvin Hayes overleed in juli 2026 op 63-jarige leeftijd.
Voor Datchler heeft Nederland bovendien een heel vertrouwd tintje.
In 1990 trouwde hij met presentatrice Simone Walraven, met wie de vonk ooit oversloeg op de set van Countdown.
Walraven, die deze maand zestig kaarsjes uitblies, koestert nog altijd dierbare herinneringen aan die beginjaren.
Ook na de echtscheiding in 2009 bleef het contact hecht en vriendschappelijk.
Momenteel leidt ze luisteraars door de avondspits op NPO Radio 5: met De Avondstart brengt ze bij Omroep MAX van maandag tot en met donderdag tussen 18:00 en 20:00 uur een rijke collectie pop, soul, funk en country.
Wegens dit aanhoudende succes kondigde de omroep aan dat Simone vanaf januari 2027 een prominente middagshow krijgt, te beluisteren tussen 15:00 en 18:00 uur.
Hans Bouwens kwam ter wereld als enig kind van een Nederlandse moeder en een Italiaanse soldaat in het Duitse bezettingsleger.
Toen zijn vader tegen het einde van de oorlog sneuvelde, ontfermden zijn grootouders zich over hem in Wormerveer, in de Zaanstreek.
Hans moest al vroeg de handen uit de mouwen steken.
Nadat hij op zijn veertiende de schoolbanken vaarwel had gezegd, werkte hij onder meer als kaartjesknipper in de plaatselijke cinema van Krommenie, als leerling-lithograaf, dokwerker in de haven en arbeider in een limonadefabriek.
In 1967 waagde hij zijn kans als zanger bij de Zaanse groep Soul Invention.
De bezetting bestond destijds uit Hans Bouwens zelf op zang en gitaar, George Thé op gitaar, Jan Hop aan de drums, Jacques Greuter op orgel, Henk Kramer op saxofoon en Theo Vermast aan de bas.
Omdat een snelle doorbraak uitbleef, besloten ze amper een jaar later van koers te veranderen en gingen ze voortaan als de George Baker Selection door het leven.
Zowel in interviews als in zijn biografie hield Bouwens altijd vol dat de inspiratie kwam van een goedkope pulproman of stationspocket die hij eind jaren zestig had gelezen.
Het hoofdpersonage heette George Baker. Die naam klonk internationaal, zakelijk en krachtig, wat perfect paste bij de Engelstalige pop en soul die hij wilde maken.
Het bewuste boekje zelf behoorde vermoedelijk tot een van de duizenden anonieme kantoornovelles uit die tijd, waardoor de exacte titel met de noorderzon is verdwenen.
De bezetting van de groep bleef in de jaren daarna evolueren. Rond 1969 werd bassist Theo Vermast vervangen door Jan Visser.
In 1971 maakte Visser op zijn beurt plaats voor Cor Veerman, die in 1974 werd opgevolgd door Martin Schoen.
Datzelfde jaar kreeg de band versterking van zangeres Lida Bond, wiens plaats in 1982 werd ingenomen door de Vlaamse zangeres Nelleke Brzoskowski.
Het nummer Little Green Bag groeide uit tot een van de meest tijdloze en herkenbare klassiekers uit de Nederlandse popgeschiedenis.
Met zijn aanstekelijke baslijn en soulvolle ritme veroverde het nummer bij de release in 1969 meteen de hitlijsten, om decennia later dankzij Hollywood nog eens een iconische status te verwerven.
Hans Bouwens schreef het nummer samen met multi-instrumentalist Jan Visser.
Oorspronkelijk luidde de titel Little Greenback, een rechtstreekse knipoog naar het Amerikaanse dollarbiljet en de fascinatie voor geld.
Bij het drukken van de singlehoes liep het echter mis: de platenfirma noteerde de titel per abuis als Little Green Bag. Baker liet het er niet om liggen en paste de titel officieel aan.
Die administratieve flater gaf het nummer prompt een zweem van mysterie, want generaties luisteraars dachten jarenlang dat de tekst over een groen zakje marihuana ging.
Muzikaal drijft het nummer op een onweerstaanbare basriff van Jan Visser, die vanaf de allereerste tel de toon zet voor een energieke cocktail van rhythm-and-blues, soul en nederpop.
De doorleefde zang van Baker, aangevuld met opzwepende percussie en koperblazers, zorgde voor een internationale sound die ongezien fris klonk voor een debuutsingle uit de Zaanstreek.
Na de release in het najaar van 1969 schoot het nummer pijlsnel omhoog.
In Nederland belandde de single vlot in de top tien, en ook bij ons in Vlaanderen en de rest van Europa werd het een schot in de roos.
De echte verrassing volgde in 1970, toen het nummer zelfs doorbrak in de Verenigde Staten en naar de zestiende plaats klom in de vermaarde Billboard Hot 100, een huzarenstukje voor een debuterende Nederlandse formatie.
Dat succes leverde Bouwens en Visser in 1970 de prestigieuze Zilveren Harp van stichting Conamus op, en op 2 juli van datzelfde jaar mocht de voltallige groep een gouden plaat in ontvangst nemen.
Na de jaren zeventig leek het nummer stilaan een mooie herinnering te worden, tot cineast Quentin Tarantino het in 1992 van onder het stof haalde.
Hij koos Little Green Bag als openingstrack voor zijn regiedebuut Reservoir Dogs.
De openingsscène, waarin een stel gangsters met zwarte maatpakken en zonnebrillen in slow motion over straat kuiert op de tonen van die baslijn, groeide op slag uit tot een van de beroemdste filmscènes ooit.
De film bezorgde het nummer een tweede jeugd. Het werd opnieuw op single uitgebracht, bestormde opnieuw de Europese hitlijsten en werd ontdekt door een hele jonge garde muziekliefhebbers.
Sindsdien bleef het succes nazinderen, waardoor het nummer wereldwijd bleef opduiken in reclamespotjes, televisieseries en verzamelplaten.
In 1975 scoorde hij met Una Paloma Blanca een gigantische hit, waarvan er wereldwijd negen miljoen over de toonbank gingen.
Hoewel hij als een van de weinige Nederlandse artiesten wist door te breken in de Verenigde Staten, kreeg hij vanuit de pers bakken kritiek over zich heen.
Recensenten deden zijn muziek af als prullaria. Hij begreep hun mening wel, maar was vooral tevreden dat het grote publiek er gelukkig heel anders over dacht.
Als bezieler en boegbeeld van de groep die zijn naam droeg, hield hij de touwtjes dan ook strak in handen.
Hij hakte alle knopen door, schreef de nummers en produceerde alle albums.
Hij zwaaide de plak als een volleerde verlichte despoot.
Zolang het succes bleef duren, kraaide daar geen haan naar en legde de rest van de band zich neer bij zijn autoritaire aanpak.
Bovendien vormde hij samen met Jacques Greuter het enige overblijfsel van de oorspronkelijke bezetting.
Over succes en muziek had hij een heel eigen kijk. Hij zag zichzelf destijds allerminst als een virtuoos of muggenzifter, en net dat noemde hij zijn grootste troef.
Van spitstechnologie of notenleer had hij geen kaas gegeten.
Volgens hem was die overdaad aan kennis voor veel muzikanten net een valkuil: ze begonnen te ver te zoeken, maakten vooral muziek voor zichzelf en verloren zo de voeling met het brede publiek.
Wanneer hij de studio instapte, zat het nummer al van a tot z in zijn hoofd.
Er werd doorgewerkt tot het voor hem helemaal goed zat.
Van dat eindeloze gefriemel aan de knoppen moest hij niets weten, omdat een plaat daar maar artificieel van ging klinken.
Ook naar zijn groepsleden toe stelde hij geen onmogelijke eisen.
Het waren geen wonderkinderen of uitzonderlijke talenten, maar dat had hij net liever niet, want zulke genieën vond hij maar riskant binnen een groep.
Zijn muzikanten speelden puur op het gevoel en voelden de sfeer perfect aan.
Ook bij het schrijven van nieuwe muziek bleef hij trouw aan zijn beproefde recept.
Zoiets liet zich niet plannen; ideeën kwamen op de meest onverwachte ogenblikken dan ook naar boven.
Soms liep hij dagenlang rond met een melodie in zijn hoofd zonder ook maar één noot neer te pennen.
Pas als hij het nummer vanbuiten kende, trommelde hij de band op om de studio in te duiken.
Hij vond het achteraf gezien alleen jammer dat er destijds te weinig tijd overbleef om aan de teksten te schaven.
Hij had graag echte verhalen verteld over zijn eigen verleden: de armoede, de miserie en zijn jeugdjaren tussen de fabrieksarbeiders.
In de decennia die volgden, bleef zijn stempel op de muziekwereld bijzonder groot en volgde de erkenning voor zijn volledige oeuvre.
In 1985 stampte hij een nieuwe bezetting van de George Baker Selection uit de grond, die vier jaar later definitief stopte.
Zijn levenswerk werd in 2011 bekroond met de TrosKompas Oeuvre Award.
Alles samen bracht hij achtentwintig albums en negenenvijftig singles uit, behaalde hij vijftig gouden en platina platen, schreef hij zeshonderd nummers en gingen er zowat vijfentwintig miljoen exemplaren over de toonbank.
Zijn laatste album, Seventy, kwam uit in 2014.
Op privévlak stapte hij in 1986 in het huwelijksbootje met Blanche Remeeus.
Uit zijn twee huwelijken kwamen in totaal zeven kinderen voort, en hij zag ook zeven kleinkinderen opgroeien.
Met de jaren doken er wel fysieke kwaaltjes op.
Sinds een coronabesmetting in het voorjaar van 2022 sleepte hij de kwalijke gevolgen van het virus met zich mee.
Vooral zijn gehoor ging er flink op achteruit, wat het zuiver zingen bijzonder lastig maakte.
Door die gehoorproblemen moest hij eind 2023 noodgedwongen zijn theatertournee stopzetten, simpelweg omdat hij de juiste toon niet meer kon aanslaan.
Hij gaf destijds aan dat hij het hooguit een halfuurtje kon uitzingen.
Ondanks die mindere periodes bleef de intussen 81-jarige Baker niet bij de pakken neerzitten; hij bleef verknocht aan de muziekwereld en staat af en toe nog op de planken.
50 jaar geleden, reclame voor het album River Song van George Baker Selection (september – oktober 1976)
In de boot met George Baker (Joepie 19 september 1976)
George Baker, ik word kotsmisselijk van al die vedettenkapriolen (Joepie 26 september 19976)
Images werd halverwege de jaren tachtig opgericht in Toulouse en bestond uit zanger, bassist Jean-Louis Pujade en synthesizerspeler Frédéric Locci.
Mario Ramsamy, oorspronkelijk afkomstig van het eiland Mauritius, bracht een herkenbare zangstijl mee die perfect aansloot bij de opkomende synthpop van dat decennium.
Met hun aanstekelijke mix van melodieuze pop en elektronische dansritmes wist het trio al snel de aandacht te trekken van een breed publiek.
Hun grote doorbraak kwam in 1986 met de release van ‘Les démons de minuit’.
De melodie en het arrangement werden gecomponeerd door Christophe Després en Jean-Louis Pujade, terwijl de tekst werd geschreven door Richard Seff, die ook verantwoordelijk was voor de productie.
Het nummer groeide uit tot een ongekende zomerhit in Frankrijk en domineerde wekenlang de hoogste regionen van de officiële hitlijsten.
De combinatie van een meeslepende baslijn, weelderige synthesizers en het dramatische thema van nachtelijke verleidingen en slapeloze verlangens sloeg enorm aan.
Inhoudelijk draait het lied om de eenzaamheid en verleidingen die toeslaan wanneer de klok middernacht slaat en de nacht de gedachten overneemt.
Ook de bijbehorende videoclip zorgde bij het verschijnen in 1986 voor de nodige ophef.
De video werd opgenomen in Toulouse, in de historische kerk Saint-Pierre des Chartreux.
Het visuele verhaal borduurt direct voort op het thema van nachtelijke verleidingen en volgt een priester die worstelt met zijn geloften terwijl hij ten prooi valt aan vleselijke verleidingen en innerlijke demonen.
Deze provocerende beelden leidden in 1987 zelfs tot een officiële veroordeling door de Franse katholieke kerk wegens het gebrek aan respect voor het geloof.
Hoewel een specifieke regisseur in officiële credits zelden met naam wordt genoemd, stond de artistieke leiding onder supervisie van Richard Seff, en het lichte schandaalsfeertje rond de clip droeg alleen maar bij aan de nieuwsgierigheid en de enorme populariteit van het nummer.
Een opvallend detail rond het ontstaan van het nummer is de rol van Christophe Després.
Hij was een van de oorspronkelijke drijvende krachten achter de compositie, maar verliet het project al snel na de opname om samen met zangeres Sabine Paturel en later met Pacifique aan nieuwe muzikale avonturen te werken.
Desondanks werd Les démons de minuit een blijvend monument in de Franse popgeschiedenis.
Het nummer stond meer dan dertig weken genoteerd in de Franse Top 50, waarvan maar liefst dertien weken onafgebroken op de eerste plaats.
Ook buiten Frankrijk kende het nummer succes, al waren de verschillen in de Lage Landen opmerkelijk.
In september bereikte het nummer in de Nationale Belgische Top 50 de eerste plaats, wat vooral te danken was aan de enorme populariteit in Wallonië.
In Vlaanderen bleef het succes iets bescheidener en bereikte de single de vierentwintigste plaats in de BRT Top 30.
In Nederland sloeg de Franstalige synthpophit nauwelijks aan en wist het nummer zelfs de Tipparade niet te bereiken.
Na dit gigantische succes bracht de band Images nog verschillende andere populaire singles uit, waaronder ‘Corps à corps’ en ‘Ma maîtresse’, waarmee ze bewezen dat ze geen eendagsvlieg waren.
Aan het einde van de jaren negentig sloeg de groep de handen ineen met Émile Wandelmer, de voormalige frontman van Gold, een andere populaire band uit Toulouse.
Onder de naam Émile et Images beleefden ze een opmerkelijke comeback en brachten ze nostalgische verzamelalbums uit die opnieuw voor volle zalen en platina verkoopcijfers zorgden.
Tot op de dag van vandaag geldt (Les démons de minuit( als een absolute klassieker op Franstalige dansvloeren en retrofeesten.
Met meer dan driehonderd miljoen verkochte platen wereldwijd, verdeeld over zo’n tachtig albums, geldt hij zonder twijfel als een van de succesvolste artiesten aller tijden.
Hij staat zelfs in het Guinness Book of World Records als de bestverkopende Latijns-Amerikaanse artiest in de geschiedenis, en wist hits te scoren in meer dan veertien verschillende talen, waaronder het Frans, Italiaans, Engels en zelfs Japans.
Toch hadden zijn verjaardagen er heel anders kunnen uitzien, want feestvieren was vroeger niet altijd vanzelfsprekend.
Als jonge twintiger leek Julio namelijk voorbestemd voor een glorieuze sportcarrière.
Hij stond als talentvolle doelman onder de lat bij de jeugdopleiding van Real Madrid en droomde van een professionele voetbalcarrière, terwijl hij tegelijkertijd rechten studeerde.
Op de vooravond van zijn twintigste verjaardag sloeg het noodlot echter keihard toe.
Door een zwaar auto-ongeluk belandde hij in het ziekenhuis. Zijn onderlichaam raakte verlamd en artsen vreesden dat hij nooit meer op eigen benen zou staan.
Tijdens zijn langdurige revalidatie gaf hij niet op en trainde hij onvermoeibaar door. Om de beweeglijkheid in zijn vingers en handen te verbeteren, gaf een verpleger hem een gitaar cadeau.
Het bleek een wonderlijke speling van het lot: aan het ziekenhuisbed ontdekte Julio zijn passie voor poëzie en muziek, en leerde hij zichzelf akkoorden spelen.
De voetbalschoenen verdwenen definitief in de kast en de muziek nam zijn leven over. In 1968 won hij het prestigieuze Benidorm International Song Festival met ‘La Vida Sigue Igual’, een zelfgeschreven nummer over zijn eigen strijd en herstel.
Slechts twee jaar later, in 1970, vertegenwoordigde hij Spanje op het Eurovisiesongfestival in Amsterdam met het lied ‘Gwendolyne’, waar hij een verdienstelijke vierde plek behaalde.
Zijn echte Europese doorbraak volgde in 1972 met het weemoedige ‘Un Canto A Galicia’, een ode aan de streek waar zijn vader vandaan kwam.
De jaren die volgden markeerden het begin van een internationale zegetocht van ruim 45 jaar.
In 1975 verscheen het prachtige ‘Abrazame’, geschreven door Rafael Ferro en Julio zelf.
Het nummer verscheen destijds op de B-kant van de single ‘Quiero’, en beide nummers vonden hun thuis op het album El Amor.
Voor veel fans behoort de kwetsbare en warme melodie van ‘Abrazame’ nog altijd tot de mooiste parels uit zijn omvangrijke repertoire.
Later veroverde hij ook Amerika stormenderhand met duetpartners als Willie Nelson met ‘To All the Girls I’ve Loved Before’ en Diana Ross.
Bovendien gaf hij het muzikale talent door aan de volgende generatie, met zoons Julio Jr. en superster Enrique Iglesias.
Zijn laatste studioalbum, México & Amigos, verscheen in 2017.
Bij de lancering liet de zanger weten dat dit definitief zijn afscheid van de studio betekende.
Tegenwoordig geniet de jarige zanger in relatieve rust van zijn welverdiende pensioen op zijn riante landgoederen in Punta Cana in de Dominicaanse Republiek en in Florida, al blijft zijn legendarische stem over de hele wereld voortklinken.
In november 1969 kreeg de Friese scheepskapitein Jan de Vries in Apeldoorn bezoek van de landelijke krant Het Vrije Volk.
De aanleiding was opmerkelijk: hij liet zijn zestienjarige dochter Doetie, ook bekend als Doetje, halfnaakt optreden en volledig naakt mocht wat hem betreft ook.
Boven het artikel stond toen de titel: ‘Doetje mixt muziek en seks tot show’.
Verslaggever Theo Koopman tekende met verbazing het verhaal op van een vader die er alles aan deed om zijn dochter als de zangeres Edith Queen te lanceren.
De Vries vond dat je in de showbusiness niet kinderachtig moest zijn, al eiste hij wel dat zaaleigenaren en televisieproducenten financieel over de brug kwamen voor een naaktoptreden.
Hij toonde de journalist daarbij foto’s die hij zelf van het halfnaakte meisje had gemaakt.
De uiteindelijke doorbraak van Doetje kwam er echter niet door haar vader, maar dankzij haar jongere zus Alie, ook wel Aaltje genoemd.
Vanaf 1971 vormden de zussen diverse formaties.
Ze begonnen als The Swanson Sisters, traden vervolgens op als De Karina’s en The Lady Pop’s, en maakten deel uit van de countryband Colt 45.
Hoewel grote successen tien jaar lang uitbleven en ze in de marges van de muziekwereld bleven hangen, gaven ze de moed nooit op.
Het tij keerde definitief met hun terugkeer naar het Friese Uitwellingerga en een grondige gedaanteverwisseling.
Alie nam de artiestennaam Alice May aan, Doetje werd Caren Wood, en samen doopten ze zich om tot Maywood.
Een leuk weetje over die groepsnaam is dat Alice en Caren de naam simpelweg prikten uit een Zweedse telefoongids, puur omdat het lekker internationaal en makkelijk in het gehoor klonk.
Die internationale uitstraling wierp al snel vruchten af.
Maywood scoorde een reeks grote hits, bracht platen uit in meer dan vijftig landen en toerde door landen als Japan, Zuid-Korea, Indonesië en zelfs de voormalige Sovjet-Unie.
Begin jaren tachtig sloeg het duo genadeloos toe met wereldhits als ‘Late at Night’ en ‘Rio’, een ode aan de gelijknamige Braziliaanse stad.
Beide composities kwamen volledig uit de pen van Alice May.
Voor de kenmerkende, aanstekelijke productie tekende Pim Koopman, voormalig drummer van Kayak.
In september 1981 ging het Maywood voor de wind.
De charmante zusjes Alice en Caren, die naar Friesland waren verhuisd, brachten die maand een nieuw album uit waarvan ze hoopten dat het de deuren naar internationaal succes definitief zou openen.
De vooruitzichten waren uitstekend, want zowel in Europa als in de Verenigde Staten was er grote interesse voor het duo.
Tijdens een kort werkbezoek aan Zweden in de voorgaande maand hadden ze bovendien al een gouden plaat in ontvangst mogen nemen, wat zorgde voor een vliegende start van het nieuwe seizoen.
Wie in die periode naar het automatische antwoordapparaat van Maywood luisterde, hoorde de stem van hun zaakwaarnemer Aad Oud, die bellers verzocht contact op te nemen voor informatie over deze succesvolle formatie.
Hij had dan ook alle reden om trots te zijn. Binnen een jaar tijd hadden Alice en Caren zich met sterke, zelfgeschreven nummers naar de absolute top van Nederland gewerkt.
Het leek een bliksemsnelle doorbraak, maar daaraan waren vijftien jaar van hard werken, bloed, zweet en tranen voorafgegaan.
Op de vraag hoe lang ze het nog hadden volgehouden om tegen gesloten deuren aan te lopen, gaf Alice aan dat ze vermoedelijk nog wel een tijdje waren doorgegaan.
Na zoveel jaren keek men immers niet meer op een jaartje meer of minder, en beide zussen waren altijd vastberaden geweest om door te zetten tot het zou lukken.
Hun vader speelde eveneens een belangrijke rol in de uitbouw van hun loopbaan.
Hij stimuleerde hen volop, al waren Caren en Alice uit zichzelf al enorm ambitieus en hadden ze nooit iets anders gewild.
Vader hielp waar mogelijk door hen voornamelijk naar optredens te rijden en waar nodig advies te geven. Intussen werd het project Maywood echter zeer professioneel en zakelijk aangestuurd.
Alice hield ervan om precies te weten wat er speelde, ook al werkten er zeer bekwame mensen aan hun carrière.
Voor de korte termijn lag de focus op optredens in eigen land, vooral in discotheken, waarbij de telefoon roodgloeiend stond zodra ze een hit in de Top 40 hadden.
Voor de langere termijn richtten ze hun blik nadrukkelijk op het buitenland.
Er liepen onderhandelingen met partijen in Amerika om hun platen daar uit te brengen, een proces dat veel tijd en inzicht vergde.
Waar iemand als Herman Brood zijn eigen pad had gekozen, verwachtte Maywood in een ander circuit terecht te komen.
Een eerder aanbod om al naar Amerika te gaan hadden ze afgeslagen, omdat Alice het zinloos vond om daar op te treden zolang er nog geen plaat op de markt was gebracht.
De verwachtingen rond de nieuwe lp waren destijds hooggespannen.
Alice besefte dat het publiek rekende op vakmanschap en dat het album kritischer zou worden beoordeeld dan het debuut.
Daardoor hadden ze ook zelf onder hogere druk gewerkt en de lat aanzienlijk hoger gelegd; een nummer dat een jaar eerder nog als goed werd beschouwd, zou de selectie nu niet meer hebben gehaald.
Die strenge blik had alles te maken met de wens om internationaal door te breken en over de grenzen heen te denken.
Het album werd opgenomen met een sterk muzikantencollectief, waaronder gerenommeerde namen als Ton Scherpenzeel en Rein van den Broek.
Het resultaat was een strakke, commerciële sound. Terwijl producer Pim Koopman ervan overtuigd was dat de plaat meerdere hits bevatte, hield Alice zelf liever nog even een slag om de arm.
Ondanks de grote toewijding waren de zussen niet van plan om het behaalde succes zomaar op te geven om huismoeder te worden; daarvoor hadden ze niet vijftien jaar lang gezwoegd.
Tegelijkertijd zorgden ze voor voldoende ontspanning, want het was niet de bedoeling om overwerkt te raken in deze drukke tijden.
Alice waakte ervoor dat de muziek een gezonde passie bleef.
De recente ervaringen in Zweden hadden hen bovendien al laten proeven van internationale faam.
Alice omschreef het als een adembenemende belevenis die al hun verwachtingen overtrof.
Dat mensen in de meest exclusieve discotheken hun nummers woord voor woord meezongen, maakte diepe indruk.
Na jarenlang in stilte te hebben gedroomd van de stap van Sneek naar het wereldtoneel, was Alice vastbesloten om met volle teugen te genieten van alles wat zou lukken
Daarna volgde onder meer Mano, een typisch verhaallied over een Mexicaans aandoende gitarist met sombrero en een onbeantwoorde liefde die na een emotioneel afscheid niets meer van zich laat horen.
Helaas liep het tussen de zussen zelf op relationeel vlak eveneens mis. Aan het einde van de jaren tachtig begon het succes te tanen.
Hun deelname aan het Eurovisiesongfestival in 1990 met het nummer ‘Ik wil alles met je delen’ eindigde op een teleurstellende vijftiende plaats.
Tijdens het optreden werkte het geluid tegen: een microfoon stond niet open, waardoor de kenmerkende bastrompet nauwelijks te horen was, terwijl Toto Cutugno dat jaar met de overwinning ging lopen.
Het songfestival luidde het einde van Maywood in.
De zussen raakten verwikkeld in een bittere strijd en wisselden achttien jaar lang geen woord meer met elkaar.
Die ruzie draaide deels om geld, maar was vooral een optelsom van zakelijke, artistieke en persoonlijke spanningen.
Doordat Alice alle liedjes schreef en componeerde, ontving zij aanzienlijk meer auteursrechten en inkomsten dan Caren, die vooral als het gezicht en de leadzangeres op de voorgrond trad.
Deze scheve verdeling leidde tot grote frustraties, zeker toen de gouden jaren voorbij waren en de inkomsten terugliepen.
Alice hield de touwtjes strak in handen, terwijl Caren zich tekortgedaan en ondergewaardeerd voelde.
Het dieptepunt volgde in 1999, toen Alice een rechtszaak aanspande tegen haar zus over het exclusieve gebruiksrecht van de naam Maywood, een zaak die Alice won.
In 2013 leek het wonder alsnog te gebeuren: op uitnodiging van Gerard Joling stonden ze tijdens een reünie in de Ziggo Dome weer samen op het podium.
Ze vielen elkaar geëmotioneerd in de armen en spraken af om opnieuw te gaan optreden, maar achter de schermen liep het al snel weer stuk op contracten, vergoedingen en controle, waardoor de vete weer in alle hevigheid oplaaide.
In augustus 2020 dook op de Facebookpagina Fans van Maywood plotseling een artikel uit de jaren zeventig op met een naaktfoto van een minderjarige Caren.
Alice reageerde in weekblad Story geschokt en verklaarde dat het een onschuldige fanpagina betrof met lieve berichten, maar dat deze foto van haar zus, die destijds vermoedelijk pas veertien of vijftien jaar oud was, daar absoluut niet thuishoorde.
Ze zocht direct contact met de plaatser om het beeldmateriaal te laten verwijderen.
Beide zussen zaten destijds op één lijn over de kwestie en Alice sprak haar opluchting uit voor Caren dat de opname verdwenen was.
Hoewel fans even hoopten op een toenadering, bleef een verzoening uit.
Ondanks het feit dat ze amper drie kilometer bij elkaar vandaan wonen, is er tot op de dag van vandaag geen enkel contact meer tussen de twee.
Mijn favoriet van Maywood en de vele internationale gezichten van Give Me Back My Love
Give Me Back My Love uit het najaar van 1980 is zonder twijfel mijn persoonlijke favoriet van het Nederlandse zussenduo Maywood.
Het nummer werd zoals gewoonlijk geschreven door Alice May (Alie de Vries), die vrijwel het hele repertoire van het duo op haar naam zette, met een herkenbare productie en arrangement van Pim Koopman.
Inhoudelijk draait het nummer om puur liefdesverdriet en het gevoel van leegte na een relatiebreuk.
De zangeres voelt zich na het vertrek van haar geliefde emotioneel leeg en vraagt vertwijfeld om haar liefde, energie en levensvreugde terug.
Het nummer bleef ook bij andere artiesten niet onopgemerkt en leidde tot heel wat uiteenlopende covers.
Al snel na het origineel volgden internationale bewerkingen: zo bracht de Duitse zangeres Marianne Rosenberg in 1981 haar Duitstalige versie Hab’ ich dich verloren uit, en waagde Miami Sound Machine zich in 1982 aan een Spaanse vertaling onder de titel Devuélveme el amor.
Jaren later, in 1995, nam ook Demis Roussos het nummer op, terwijl Songfestivalwinnares Linda Martin er in 2018 een hedendaagse versie van maakte en het geheel voorzag van een stevige beat.
Daarnaast was Maywood immens geliefd in Zuid-Afrika, waar eveneens verschillende opvallende covers verschenen.
Kurt Darren en Patricia Lewis namen een eigen Engelstalige versie op, terwijl de groep Back 2 Basics het nummer vertaalde naar het Afrikaans als ‘Gee Jy Net Jou Hart’.
Tot slot brachten Viva Ora en Andy Jonas een mooie, ingetogen versie van het nummer, waarin de kracht van de tijdloze melodie van Alice May prachtig overeind blijft.
Het leven na Maywood: solopogingen, nieuwe liedjes en vervlogen roem
Beide zussen hebben na de breuk van Maywood geprobeerd om muzikaal actief te blijven, al verliep dat voor ieder op een heel eigen manier en behaalde geen van beiden meer het gigantische succes van weleer.
Caren Wood deed in de jaren negentig een poging om als soloartieste een doorstart te maken.
Ze bracht enkele singles uit, waaronder liedjes als ‘Once More’ en ‘My Love’, maar die wisten de hitparades nauwelijks te bereiken.
Naast haar solosingles ging ze destijds ook een muzikale samenwerking aan met het orkest van Frank Valdor en trad ze op in kleine zalen en bij evenementen.
Uiteindelijk trok ze zich grotendeels terug uit de schijnwerpers en het hectische artiestenleven om een meer teruggetrokken bestaan te leiden.
Alice May bleef hardnekkig vasthouden aan haar muzikale carrière en trad na het winnen van de rechtszaak in 1999 zelfs op als Maywood met een andere zangeres aan haar zijde, al sloeg die formule niet echt aan bij het grote publiek.
Als soloartieste bracht ook zij losse nummers uit.
Wat het schrijven voor anderen betreft, heeft Alice zeker geprobeerd haar talent als songwriter en componist te gelde te maken.
Ze schreef en produceerde in de jaren tachtig en negentig materiaal voor diverse Nederlandse en buitenlandse acts, met name in het schlager- en popgenre.
Een bekend voorbeeld uit de hoogtijdagen was haar werk voor de Friese zangeres Lori Spee, en later componeerde ze onder meer voor artiesten uit het Duitstalige circuit en jong talent dat ze zelf probeerde te begeleiden.
Desondanks blijft het fenomeen Maywood haar grootste prestatie, aangezien geen enkele compositie voor derden de wereldwijde impact van ‘Late at Night’ of ‘Rio’ evenaart.
Gwen Guthrie werd op 14 juli 1950 geboren in Okemah, Oklahoma, en groeide op in Newark, New Jersey.
Ze begon haar muzikale pad in gospelkoren en studeerde klassieke piano. Voordat ze als soloartiest doorbrak, bouwde ze een enorme reputatie op als veelgevraagd achtergrondzangeres en getalenteerd songwriter.
Zo zong ze mee op opnames van grootheden als Aretha Franklin, Roberta Flack, Stevie Wonder en Madonna.
Daarnaast schreef ze mee aan nummers voor onder meer Ben E. King en Sister Sledge, en werkte ze in de legendarische Compass Point Studios in Nassau nauw samen met het befaamde ritmetandem Sly & Robbie en dj-pionier Larry Levan.
In het New Yorkse clubcircuit en de undergroundscene van de befaamde club Paradise Garage groeide ze uit tot een absolute publiekslieveling.
Haar grootste commerciële succes behaalde Guthrie in de nazomer van 1986 met de dansvloerkraker ‘Ain’t Nothin’ Goin’ On But the Rent’, afkomstig van haar vierde studioalbum Good to Go Lover.
Ze schreef en produceerde het nummer helemaal zelf. Het nummer groeide uit tot een wereldwijde hit en bereikte onder meer de hoogste positie in de Amerikaanse Billboard R&B- en Dance Club-hitlijsten, evenals top 5-noteringen in onder andere het Verenigd Koninkrijk.
In Nederland was het nummer goed voor een negenentwintigste plaats in de Top 40. Bij ons in Vlaanderen bereikte het nummer de zesentwintigste plaats in de BRT Top 30.
Inhoudelijk draait het nummer om vrouwelijke financiële zelfstandigheid en duidelijke grenzen in de liefde. Guthrie stelt onomwonden dat liefde en romantische praatjes mooi zijn, maar dat een partner wel financieel op eigen benen moet kunnen staan en moet bijdragen aan de vaste lasten.
Destijds vonden sommige critici de tekst wat materialistisch, maar door velen werd het juist omarmd als een vroeg feministisch empowerment-anthem waarin de vrouw de touwtjes in handen neemt.
Rondom de single zijn diverse opvallende weetjes te vinden:
De slagzin ‘No romance without finance’ werd een wereldwijd gevleugelde uitspraak in de popcultuur en werd later onder meer geparafraseerd door Eddie Murphy in zijn befaamde comedyshow Raw.
Guthrie verwerkte muzikale knipoogjes naar andere nummers in haar compositie.
De frase ‘Ain’t nothing goin’ on now, but the rent’ leent ze van James Browns klassieker ‘Get on the Good Foot’ uit 1972, en ze citeert de openingszin van Billy Prestons ‘Nothing from Nothing’ uit 1974.
Ook de melodie in het stuk ‘You got to have a J-O-B if you want to be with me’ was in 1977 al te horen op ‘Dr. Love’ van First Choice.
De vocale uithaal ‘What can you do for me?’ uit het nummer werd in 1991 gesampled door de Britse dance-act ‘Utah Saints’ voor hun gelijknamige top 10-hit.
Daarnaast werd de hit van Gwen Guthrie geciteerd in onder meer “Bills, Bills, Bills” van Destiny’s Child en “No Diggity” van Blackstreet, en bracht Foxy Brown een cover uit met de titel “JOB”.
Tragisch genoeg overleed ze veel te vroeg op 48-jarige leeftijd, op 3 februari 1999, aan de gevolgen van baarmoederhalskanker.