Vandaag 100 jaar geleden, bezoek van koningin Elisabeth aan de Gentse armen en krijgsverminkten (Ons Land 14 mei 1921)

De koningin kwam in Gent aan via de Keizerpoort, vergezeld door graaf Philippe de Lannoy, grootmeester van het hof, commandant Delvaux, commandant van de koningin, en Ghislaine de Caraman Chimay, haar hofdame.

Provinciegouverneur André de Kerkhove de Denterghem en burgemeester Emile Braun verwelkomden het gezelschap en samen reden ze door overvolle straten met vele haltes om bloemen te overhandigen.

Ze bezocht de Brugse Poort (foto 1)

Toen ze aan de Prosper Claeysstraat kwamen (foto 2 en 3), werden ze daar verwelkomd door Marc Bartsoen, voorzitter van Bureel van Weldadigheid en Constant Heynderickx, voorzitter van de Commissie voor de Burgerlijke Godshuizen.

De koningin werd aangesproken in beide landstalen, maar zij sprak Nederlands met de bewoners van de huisjes. (Pierre Van Cleven, Gent in Beeld en foto’s uit mijn eigen archief en afkomstig van Ons Land 14 mei 1921)

Vandaag 100 jaar geleden, bezoek van koningin Elisabeth aan de Gentse armen en krijgsverminkten ( Ons Land 14 mei 1921)
Vandaag 100 jaar geleden, bezoek van koningin Elisabeth aan de Gentse armen en krijgsverminkten ( Ons Land 14 mei 1921)
Vandaag 100 jaar geleden, bezoek van koningin Elisabeth aan de Gentse armen en krijgsverminkten ( Ons Land 14 mei 1921)

Vandaag 100 jaar geleden, de Royal Club Nautique van Gent vierde op hemelvaartdag haar 50ste verjaring.

Het enthousiasme voor de roeisport vanwege het Gentse publiek was toen enorm.

De regatta in Terdonk die elk jaar op Hemelvaartsdag werd gehouden bracht schoon volk op de been: roeiers én supporters wandelen er rond in witte broek met strohoed en kersrode band.

De dames showden er hun nieuwste kleren…

De 50ste verjaardag op 5 mei in 1921 luisterrijk gevierd, onder voorzitterschap van graaf Maurice Lippens, door een grootse manifestatie in Terdonk (Kanaal Gent-Terneuzen), een banket in het chique Posthotel en vele andere activiteiten.

In 1955 organiseerde Club Gent haar laatste regatta op Terdonk.

De nieuwe ‘Watersportbaan’ aan de Neermeersen waar in hetzelfde jaar de Europese roeikampioenschappen plaats grijpen, zal de nieuwe thuishaven worden.

Niet alleen de regatta, maar ook het nieuwe ‘Club House’ van de ‘Royal Club Nautique de Gand’ werd er in 1961 ingehuldigd.(Diverse bronnen en Ons land 14 mei 1921)

Vandaag 100 jaar geleden, de Royal Club Nautique van Gent vierde op hemelvaartdag haar 50ste verjaring.

Een aanrader om te lezen, Geert Van Doorne over de aanpassingen van het Gravensteen: onder het mom van de gehandicapten is dat het begin van om heel het Gravenkasteel stillekensaan te verleuken.

Er zijn zo’n aantal zaken die gezwind vergeten worden.

Ten eerste: op de plaats waar men dat paviljoen wil bouwen, en waar die groenzone is, daar stonden huizen in de Geldmunt.

En die huizen zijn afgebroken nadat ze onteigend waren door de overheid, door de stad en de Belgische staat.

Om de muren van het kasteel zichtbaar te maken werd alles afgebroken.

Dus die eigenaars zijn op dat ogenblik eigenlijk onterfd, en in compensatie heeft men dan met al die onteigende eigenaars afgesloten dat er nooit op die grond iets zou mogen terug gebouwd worden.

Dat kan niet! Dat de overheid u uit uw eigendom jaagt, dat afbreekt tot in de funderingen, zonder compensatie, zonder planschade. Ja, er is betaald, maar de psychologische planschade was: hier gaat nooit meer iets veranderen.

Zo is de bedoeling om het Gravensteen te ontmantelen gemotiveerd, zo is dat goedgemaakt om het zo te zeggen. ‘We gaan hier een stukske oudheidkundig erfgoed zichtbaar maken voor het publiek: were loate zien!’

Want er waren twee initiatiefnemers: de Belgische staat en de stad Gent. En daar zie je ‘t verschil.

Het ministerie, dus de Belgische staat, de minister zei: We gaan daar zoveel miljoen tegengooien om die centrale gebouwen van ’t kasteel te restaureren. ‘Jomoar,’ zei burgemeester Émile Braun, ‘daar hebben wij niks aan.

De Genteneirs willen die muren zien!

Wij gaan geen miljoenen investeren in gebouwen die onzichtbaar zijn, die achter de huizen wegzitten! En, da moe wéeg.

Allemaal weg’

Dus na een pittige discussie heeft de Belgische staat dan toch ook geld vrijgemaakt om de huizen te onteigenen, en de belofte te doen: daar zal nooit meer gebouwd worden, nooit nie meer!

Ze hebben daar wel definitieve beloften gedaan.

En de stad heeft ook de omgeving van het Gravensteen verfraaid, want na de afbraak van die huizen zaagt gij niet anders dan binnenmuren, dan koterijen achteraan, en dat paste niet bij het beeld van het Gravenkasteel.

En dan heeft de stad door de conventie af te sluiten met de eigenaars van de aanpalende woningen en huizen, heeft de stad een soort van pseudogevels gezet voor die afbraakterreinen – aan het Veerleplein, aan de Geldmunt, Dutry, ook in de Rekelingenstraat en heel de omgeving eigenlijk.

Ze hebben dus eerst de kant van het Veerleplein gedaan, dan de kant van de Geldmunt, en dan de gebouwen aan de binnenkant.

Dat is de chronologie van de restauratie. Deels een reconstructie, moeten we wel toegeven, en er zijn een beetje excessen gedaan, bijvoorbeeld het verbreden van het watervlak tot aan de muren, dat is niet origineel want op de gravure van Sanderus ziet ge dat daar geen druppel water was

De huizen stonden tot tegen het Kasteel.

En als ge nu op het Veerleplein komt, dat iets enig, en de wijk Patershol, dat is onlosmakelijk verbonden met het kasteel.

Dat is het Gravenstadje, zoals men in de middeleeuwen schreef: ’s Gravenstede, het Castrum: dat was eigendom van de graaf van Vlaanderen.

Na de Eerste Wereldoorlog was de meest urgente prioriteit de woonstverschaffing. Men heeft dan met het Albertfonds noodwoningen voorzien voor de bevolking.

Men moest de haveninstallaties die door de Duitsers compleet vernield waren her-maken, volledig. Men had dus de dokken en de sluizen vol met gezonken schepen gelegd, zodanig dat er geen doorvaart meer was in het kanaal van Terneuzen.

In feite werd de politiek van Gent in de tweede helft van de XIXde eeuw en in de Belle Époque bepaald door de katoenbarons.

Dat waren liberalen. Men had een hele suite van liberale burgemeesters: Lippens, en dan baron Braun – dus de Brauns dat waren mannen van de UCO.

Na de eerste oorlog had Eedje Anseele geweldig veel invloed op koning Albert en op de publieke opinie.

Hij dacht dat hij de Gentse Lenin was. Hij ging overal op het Sint-Pietersplein en op andere plaatsen, op de Vrijdagmarkt – met die vuist vooruit, gelijk dat hij gestandbeeld staat aan de Zuid – en met zijn klak op zijne kop het werkvolk gaan toespreken en gaan toezingen – want hij vond dat het proletarische een belangrijkste rol speelde – en ook schreef hij de Vooruit vol met artikels over het feit dat wereldoorlog een sociale crisis was en geen politieke crisis.

Na de Eerste Wereldoorlog, dus in ’18, en in ’20, de jaren twintig, de dolle jaren twintig dat dat de periode moest zijn van de marxistische gelijkschakeling, de klassenstrijd in feite, de dictatuur van het proletariaat.

En dat was de prioriteit op dat ogenblik.En voor oude gebouwen te restaureren, wat men gedaan had voor de oorlog, was er geen interesse meer, geen geld meer.

Men wilde verbetering van de cités, van de beluiken, rioleringen in de straten want de mensen stierven aan tyfus, aan cholera door die slechte hygiënische omstandigheden. Men wilde beter medische zorg enzovoort.

Nee, het was gedaan met de monumentenzorg.

En al die figuren als Joseph De Waele, die daar een grote rol in gespeeld heeft, Armand Janssens die in het Patershol woonde, in de Drongenhofstraat …en wie had ge zo nog?

Alfons]Van Werveke en Auguste de Maere Limnander een grote invloed had, en Paul de Smet de Naeyer, en Émile Braun die ook een fervente voorstander was van de restauratie, Armand Heins, allemaal grote figuren, Auguste Wagener in de gemeenteraad, die hebben allemaal ulderen bek gehouden na de eerste oorlog en gezegd: goed, laat ze nu maar rioleringen leggen, laat ze nu maar de waterlopen saneren, de beluiken enzovoort.

En dan …dan was het inderdaad gedaan tot …tot het Jaar van het Bouwkundig Erfgoed, tot in 1975.

Zij volgen de trend die overal opgeld maakt. Ik heb dat gezien in Frankrijk ook, het kasteel Saumur en op andere plaatsen.

Men wil die dingen als een soort speelgoed gebruiken – het kasteel van Anger is ook zo toegetakeld – en ook profiteren van het massatoerisme dat in de jaren ’90 tot stand gekomen is. Ja, het is het toerisme zien als een geldkraan en iets om mee uit te pakken. ’t Is omdat ze niet capabel zijn om op een andere manier de stad Gent een plaats te geven, dat men het zo maar probeert.

Gent probeert het via een leuk toerisme, dat ook nog lucratief is.

En wat [‘stadsbouwmeester’ Peter] Vanden Abeele zegt is stemmingmakerij. Ik kan dat alleen maar zo noemen: stemmingmakerij, de mensen opjagen.

Op den duur gaan de mensen nog zeggen dat De Waele het kasteel helemaal vanuit de grond heeft opgebouwd als een attractie.Het is dus een dubbele agenda, een verborgen agenda, duidelijk. En dat is vloeken hé!Dat is dus …Joseph De Waele is zich aan het keren in zijn graf.

Die mens heeft oprecht zijn best gedaan om correct te tonen waar hij begon en waar de ruïne eindigde.Hetgeen dat hij kreeg: hij kreeg niet meer dan hetgeen dat overschoot, en daar moest hij het mee doen.

En De Waele heeft gezegd: kom, ik ga die grens voor eeuwig en altijd tonen.

Ge kunt die grens niet wegcijferen: het zit hard in de steen.Ik heb dus veel buitenlandse kastelen bezocht ook, en overal heb ik vastgesteld – in de periode dat ik beroepsactief was – dat de eigenaars van kastelen het nodig vonden om hun kastelen te ‘verleuken’.

Ik kan het niet anders dan met een Hollandse term benoemen.

Bijvoorbeeld in het Muiderslot benoorden Amsterdam hebben ze de verleuking ver doorgevoerd.

Het is een soort pretpark geworden, dat kasteel.

Dat is nochtans een kasteel uit de XIVde eeuw, gebouwd door de graven van Holland, en in dat opzicht heel goed te vergelijken met het Gravensteen in Gent.

Het is ook een beetje een symbool, het Muiderslot.

Het graafschap Holland herkent zich in dat slot zoals het graafschap Vlaanderen zich kan vereenzelvigen met het Gravenkasteel van Gent, vermits bijvoorbeeld het Gravensteen van Brugge niet meer bestaat, het kasteel van Wijnendale neogotisch verbouwd is, en Rijsel ook.

Daar staat nog een stukje – ik heb dat ook bezocht – het Palais Rihour, maar dat is later herbouwd in de Boergondische periode, in Franse witsteen.

Het is, het is niet te vergelijken met het Gravenkasteel.

Als ge dat wilt visualiseren – het belang van Vlaanderen, van het graafschap in de middeleeuwen – visualiseert ge dat toch het gemakkelijkst in dat kasteel.

Want dat staat op topniveau, Europees bekeken: de Europese feodaliteit heeft niet veel dat daarmee te vergelijken valt.

Het is een gruwel, ’t en trekt er nie op! Het maken van een gat in de muur van het kasteel: een gruwel. Dat is absurdissimum.

Ingaan tegen de bedoeling.

En dat is een aspect dat samenhangt met het feodale kasteel. Het feodale kasteel is vanuit zij karakter ontoegankelijk gemaakt.

Het is defensief gedacht: houd ze buiten, houd ze weg! De muren zijn er om brutalistisch gesloten te zijn.

Men verwart blijkbaar een feodale burcht met een renaissancekasteel aan de boorden van de Loire. Dat lacht, Azay-le-Rideau, Chambord: dat zit vol deuren, en over de gracht ligt dat vol met bruggen.

Aan het Gravenkasteel gaat ge geen bruggen leggen.

Ge zoudt kunnen aan de westkant, aan de kant van het Gewad tien bruggen leggen over de Lieve, om het kasteel toegankelijk te maken.

Maar dat doe je toch niet hé!

Het culturele leven en het culturele erfgoed moet – zegt de UNESCO – in het kader van de mensenrechten voor iedereen toegankelijk zijn.

Maar ze zeggen er wel uitdrukkelijk bij: niet ten koste van andere waarden.

We gaan terug naar 1985.

Van toegankelijkheid voor gehandicapten was er geen sprake.

Stilletjes aan is door sensibilisering de mentaliteit, de publieke mentaliteit bewerkt, zodanig dat men daar nu een punt van maakt, dat belangrijk vindt.

Maar, ik ben nu zelf ook gehandicapt, als ik in de stad loop of rijd met mijn rolstoel: ik kan nergens een winkel binnen, ik kan nergens een trottoir berijden, ik kan nergens de straat oversteken.

Ik kan niet naar het Gravenkasteel, totaal onmogelijk, ik er niet bij en geen enkele gehandicapte.

Men gaat daar zoveel miljoenen uitgeven zonder resultaat, dat het beoogde publiek er toch niet bij kan.

Geef gij dertig miljoen euro uit om het Gravenkasteel met zware ingrepen toegankelijk te maken voor rolstoelpatiënten: geen enkel rolstoel kan erbij.

Ik geef u op mijn woord dat ik in de Geldmunt het trottoir niet kan berijden met de rolstoel, of niet met een scooter, of niet met een mobylette, wat dan ook.

Het Gravensteen kan ik nooit bereiken, zelfs dat paviljoen niet.

Ze hebben een beslissing genomen, lichtzinnig, zonder het dossier te kennen, zonder een keer over na te denken.

Er is een verborgen agenda.

Men wil dat er nu doorduwen en realiseren, als een begin. Onder het mom van de gehandicapten is dat het begin van om heel het Gravenkasteel stillekensaan te verleuken.

En misschien de andere Historische Huizen van de stad ook, ’t Belfort, ’t Stadhuis, Lakenhal. Allemaal topmonumenten hé!(Geert Van Doorne, voormalig Directeur Monumentenzorg Gent en beheerder van het Gravensteen en S.O.S Gravensteen, 23/04/2021)

Vandaag is het ook 55 jaar geleden dat de Gentse kunstenaar Albert Servaes is overleden.

Albert Servaes werd in april 1883 geboren in Gent.

Servaes werkte aanvankelijk als handelsreiziger.

Hij volgde in de jaren 1901 en 1902 avondlessen aan de Academie voor Beeldende Kunst (Gent)In 1905 trok hij naar Sint-Martens-Latem waar hij zich in een houten keet vestigde.

In Latem leerde Servaes een aantal kunstenaars kennen zoals Gustave Van de Woestyne en George Minne.

Hun religieussymbolistisch oeuvre inspireerde Servaes, maar tegelijk ging hij op zoek naar een eigen beeldtaal die brak met het werk van deze eerste Latemse kunstenaarsgroep.

Een zeer donker kleurenpalet en een expressieve verftoets werden zijn handelsmerk.

Met zijn werk beïnvloedde Servaes onder meer kunstenaars zoals Constant Permeke en Albert Saverys.

De expressieve stijl die Servaes vanaf 1910 ontwikkelde, kwam tot een hoogtepunt in de reeksen die hij in de periode 1918-1922 maakte rond het Passieverhaal en de Kruisweg van Christus.

Ook al werd dit werk verworpen door de Rooms-Katholieke Kerk, het bevestigde zijn reputatie van moderne kunstenaar die religieuze thema’s herinterpreteert, net als tijdgenoten Emil Nolde in Duitsland en Georges Rouault in Frankrijk.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog, in 1917 gaf hij opdracht aan architect August Desmet om op de plaats van een 18de-eeuws boerderijtje een woonhuis en atelier te bouwen.

In het ontwerp inspireerde architect A. Desmet in samenspraak met Servaes zich op romaanse kloosterarchitectuur en de traditionele hoevebouw.

Het Torenhuis, naam van het pand draagt het jaaranker 1917, maar werd pas na het einde van de oorlog, in 1919, voltooid.

In 1982 verkocht Piet Servaes, zoon van de schilder het pand.

Na de verkoop van het huis werd de atelierwoning omgebouwd tot hotel.

Vanwege sympathieën die hij openlijk koesterde voor de Duitse cultuurpolitiek tijdens het nationaalsocialisme.

Uit angst voor juridische vervolging, verliet hij in 1944 ons land en vestigde zich in 1945 te Lüzern en verwierf hij in 1961 de Zwitserse nationaliteit

In 2005 was hij ook een van de kansmakers op de titel De Grootste Belg, maar haalde de uiteindelijke nominatielijst niet en strandde op nr. 71 van diegenen die net buiten de nominatielijst vielen.

Servaes is de overgrootvader van Valerie De Booser. (Diverse bronnen, Museum Dhondt-Dhaenens, De Post 30 april 1961 en Wikipedia)

Vandaag is het ook 55 jaar geleden dat de Gentse kunstenaar Albert Servaes is overleden
Vandaag is het ook 55 jaar geleden dat de Gentse kunstenaar Albert Servaes is overleden
Vandaag is het ook 55 jaar geleden dat de Gentse kunstenaar Albert Servaes is overleden
Vandaag is het ook 55 jaar geleden dat de Gentse kunstenaar Albert Servaes is overleden

Hotsy Totsy maakt reclame voor hamburger Le Patron van Quick

Beste vrienden, kennissen, klanten, kroegenlopers en anderen,


Net zoals vele andere (nacht)cafés zijn het zware tijden voor de Hotsy Totsy.

Sinds de heropening op 8 juni na de eerste coronagolf, teren wij – door de strenge maatregelen waaronder een verplicht sluitingsuur om 01u00 en later zelfs om 23u00 – op onze reserves.

Een gezonde reserve die weliswaar zienderogen slinkt.

Een heropening in één van de komende maanden zal hoogstwaarschijnlijk terug gepaard gaan met strenge voorwaarden.

Te strenge voorwaarden om rendabel te zijn, dus het einde van de miserie is nog niet in zicht.

Daarom zijn wij Happiness Brussels BV/QUICK dankbaar om ons een steuntje in de rug te geven door ons raam te gebruiken als reclamebord ter promotie van ‘Le Patron’, een hamburger bereid met biersaus.

Dank u wel Happiness Brussels BV/QUICK voor dit initiatief!

Lara en Bob

40 jaar geleden, portret van het Gentse anti-sterretje Caroline Vlerick (De Post 15 februari 1981)

40 jaar geleden, portret van het Gentse anti-sterretje Caroline Vlerick (De Post 15 februari 1981)
40 jaar geleden, portret van het Gentse anti-sterretje Caroline Vlerick (De Post 15 februari 1981)

De laatste film die in het zogenaamde ‘wonderjaar van de Vlaamse film’, het jaar 1980, werd geproduceerd, is Peter Simons’ Het einde van de reis. Van Simons, die als assistent-realisator van Roland Verhavert (o.m. bij de realisatie van Rolande met de bles en De Loteling) en als t.v.-regisseur van de Dienst Drama van de B.R.T. in tegenstelling met heel wat andere jonge cineasten de gelegenheid kreeg om filmervaring op te doen, werd in het vlak van de lange speelfilm heel wat verwacht.

De teleurstelling kwam des te harder aan. Het einde van de reis bleek in vergelijking met zijn t.v.-films als De zuiverste nacht, Mijn mooie bioscoop (beide van 1979) en De eerste sleutel (1980), alle drie naar interessante scenario’s van filmfreak Pierre Platteau, een miskleun.

De oorzaak van dit falen ligt zowel in de keuze van het scenario, een werkstuk van Willy van Sompel (enkele jaren geleden bekroond met de Prijs voor het beste filmscenario door het Ministerie van Nederlandse Cultuur), als in het onvermogen van de cineast om dat script in overtuigende filmtaal om te zetten.

De film is een psychologisch portret van een veertigjarige vrouw, Maria Levy (een soms theatrale Chris Lomme), die verlaten door haar echtgenoot (een eens te meer overtuigende Hugo van den Berghe) en haar achttienjarige dochter Lily, ook haar jongere dochter Valérie vreest te verliezen.

Het hoofdpersonage stort psychisch in elkaar wanneer aan het slot uiteindelijk ook Valérie besluit haar eigen weg te gaan. Maria’s ziekelijke hoop op de terugkeer van Lily uit Amerika en haar redeloze angst en bezorgdheid om Valérie vormen de thematiek van de film.

Het spreekt voor zich dat een dergelijk intimistisch portret vol familiale tafereeltjes en waarin elke dramatische actie tot een minimum herleid is, hoge eisen stelt aan een cineast. ‘Maria Levy’s uitzichtloze verlangen naar betere tijden, toen Lily nog bij haar was,’ zou, althans volgens Simons’ interpretatie van het scenario in de persmap, een metafoor zijn waarachter de wanhoop schuilt van de generatie van mei ’68. Of hoe een cineast zijn film een dubbele bodem toedicht.‘Weinig zag ik bij ons een scenario met zulk een gave tekstuur zulk een fascinerende sfeer, zulk een indringende karaktertekening, en dat met zulk een economie der middelen,’ luidt daarenboven zijn in gebrekkig Nederlands gestelde apologie voor het scenario.

Het bedenkelijke feit dat een terecht of ten onrechte bekroond scenario nu eenmaal gemakkelijker door de mazen van de filmcommissie, die de subsidiëringskoek – in casu 9.800.000 fr. – verdeelt, glipt, speelde misschien wel een grotere rol…

In vergelijking met Hellegat en De Proefkonijnen is Peter Simons’ film een stap terug op de weg naar een volwaardige filmproduktie. De film vertoont in wezen de zwakheden van zovele vroegere Vlaamse films: een weinig origineel scenario, losse toneelscènes met onnatuurlijke dialogen, technisch vakwerk dat te weinig sfeerscheppend werkt.

Enkel de spontane vertolking van Valérie door de debuterende veertienjarige Caroline Vlerick en de muziek (Alain Pierre), die Maria’s levensangst treffend suggereert, houden de film overeind.

Echt storend werken in deze door zijn langdradigheid irriterende produktie twee scènes waarin de cineast tot misplaatste filmische spielereien overgaat.

De slow motion-scène waarin Maria Levy in nachtjapon door de drukke winkelstraat met een brief van Lily Valérie achternazweeft, is gewoonweg potsierlijk.

Een gratuit filmisch intermezzo is ook de verwelkomingsscène op de pier te Oostende, waar Maria en Valérie de ferry-boot met Lily verwachten: een serie korte shots, vooral zwenkende luchtopnamen en een dubbeldruk (het gezicht van Maria op de over de zee scherende camera, die de boot nadert). Moeilijk te achterhalen is daarenboven de betekenis van de talrijke tussenshots van het Brusselse justitiepaleis, badend in een rode gloed.

Kortom, Het einde van een reis brengt vooral de beperktheden van een cineast aan het licht, die op grond van enkele behoorlijke t.v.-films wellicht werd overschat. (film bespreking door Wim de Poorter in 1991 en artikel uit de Post van 15 februari 1991)

40 jaar geleden, de Gentse schilder Jean Verame spuit de woestijn blauw (De Post 7 februari 1981)

40 jaar geleden, de Gentse schilder Jean Verame spuit de woestijn blauw (De Post 7 februari 1981)
40 jaar geleden, de Gentse schilder Jean Verame spuit de woestijn blauw (De Post 7 februari 1981)
40 jaar geleden, de Gentse schilder Jean Verame spuit de woestijn blauw (De Post 7 februari 1981)
40 jaar geleden, de Gentse schilder Jean Verame spuit de woestijn blauw (De Post 7 februari 1981)

Deze week: het Gentse jazzcafé Damberd vraagt faillissement aan.

Sinds 1750 is hier ononderbroken een café gevestigd onder de naam Damberd.

Dammen was toen een populair tijdverdrijf.

Het gebouw zelf dateert uit de 13de eeuw en heeft nog dienst gedaan als graanopslagplaats,

Het Damberd was voor 1978 een van de vele bourgeoiscafés.

Maar gezien de leeftijd van de bazin, die toen 77 jaar oud was besliste ze om de zaak te koop te stellen.

De ‘Zwitser’ Guido Bas, de ‘Hollander’ Willem Zuidhof en Francis Jorissen waren de oprichters van het huidige Jazzcafé.

Francis Jorissen zei deze week op zijn fb pagina het volgende: Het café opende zijn deuren op 3 februari 1978 om 20.00 uur en het was er vanaf de eerste dag over de koppen lopen. In die tijd was er immers niet veel ‘alternatief’ caféleven in Gent.

Ja, je had onder andere de Skoop (die naar wat ik mij toen heb laten vertellen die avond bijzonder leeg was).

Een pint kostte in het Damberd 17 frank. Voor de jongeren onder ons, iets meer dan 0,42 euro.

Je kon er ook een glas melk krijgen, dat kostte 10 frank, 25 cent.

Ik lees ook dat brouwerij Haacht, die eigenaar is van het pand hoopt nu vlug iemand te vinden die de traditie wil voortzetten.

Dat was indertijd wel even anders.

Toen we op zoek waren naar een goede locatie voor een jazzcafé in Gent (en waarvoor iedereen ons gek verklaarde – een jazzcafé in Gent, stel je voor – en voorspelde dat we het geen twee maand zouden volhouden, stootten we op het Damberd.

Het café stond al een tijdje leeg nadat de eigenares was overleden. Het gebouw was in handen van brouwerij Haacht maar het handelsfonds dan weer in handen van een, wat heet bedrijfsmakelaar, Agimmo.

De Brouwerij was absoluut niet happig om hun pand te verhuren aan drie hippies die er waarschijnlijk de ‘kostbare muurschilderingen’ gingen slopen en er een… ja, wat van gingen maken. Ze weigerden aanvankelijk.

Agimmo, geloofde wel in ons project. Doordat zij het handelsfonds in handen hadden kon de brouwerij het niet verhuren zonder dat het handelsfonds mee verkocht werd.Agimmo heeft het dan hard gespeeld.

Ze vertelden Haacht dat als ze het niet aan ons verhuurden, zij het handelsfonds de komende maanden ook niet zouden verkopen aan kandidaten die wel in de smaak vielen bij de brouwerij.

Uiteindelijk gooide de brouwerij dan de handdoek in de ring.

Zij wilden dan wel aan ons verhuren maar onder strenge voorwaarden.

Eén van die voorwaarden was dat we alle drank (koffie incluis) die we in het café verkochten verplicht bij hen moesten aankopen.Ook hun niet-te-drinken-cola.

Het heeft trouwens heel wat voeten in de aarde gehad voor we dat mochten vervangen door pepsi.

Die we uiteraard ook bij hen moesten afnemen.

Voor de eerste avond had de bieruitzetter de, natuurlijk op voorhand betaalde, drank binnengebracht.

Als ik het mij goed herinner 6 vaten, wat bakken andere bieren en wat water en frisdranken.

‘Tot volgende week’, zei hij bij zijn vertrek.De volgende dag mocht hij opnieuw komen leveren. Alle drank (behalve het water) was op. De zaterdag leverde hij 10 vaten, de maandag stond hij er weer. Dit keer met 25 vaten.

Paul Feyaerts ging in 1979 als barman aan de slag in het Damberd en enkele jaren later nam hij de zaak over.

Op 20 februari 2011 hield Feyaerts het voor bekeken en gaf de tapkraan door aan Ann Krüger, al twaalf jaar medevennoot van café Damberd.

Ann Krüger is de dochter van een Duitse beroepsmilitair.

Ze begon als barmeid in 1996, werd medevennoot in 1999 en is eigenaar sinds 2011.

Waarom de zaak juist failliet ging, wil uitbaatster Ann Krüger niet toelichten.Ze is naar eigen zeggen te geëmotioneerd op dit moment en zit samen met de curator om alle paperassen af te handelen. Brouwerij Haacht zoekt momenteel volop naar een nieuwe overnemer.

Sinds het nieuws bekend raakte, regent het in Gent reacties.

Onder meer Sofie Bracke, schepen van Economie, hoopt dat de zaak blijft voortbestaan. “Mijn hart breekt”, schrijft ze. “Uren heb ik gesleten in het Damberd, zowel op het grote terras met een fles rosé en de eerste lentezon op mijn gezicht als binnen genietend van de muziek. (…)

Als stadsbestuur (…) ondersteunen we waar mogelijk. Dat is iets waar ik letterlijk elke dag van het begin tot het einde mee bezig ben. En dan de krant openslaan en dit lezen.

Dju!”“Dit maakt me erg triest”, vult Gents filosoof Ignaas Devisch aan. “Als student maar ook daarna talloze mooie concerten meegemaakt, nachtelijke discussies gevoerd en geleerd om naar jazz te luisteren. Hopelijk wordt er een overnemer gevonden.” “Als er een overnemer komt ,hoop ik dat de naam, het interieur en de muziek blijft.

En de yoghurt in een flesje”, klinkt het op Twitter tot slot.(Diverse bronnen, Cedric Matthys, Het Nieuwsblad en Wikipedia)

Deze week: het Gentse jazzcafé Damberd vraagt faillissement aan.
Deze week: het Gentse jazzcafé Damberd vraagt faillissement aan.
Deze week: het Gentse jazzcafé Damberd vraagt faillissement aan.
Deze week: het Gentse jazzcafé Damberd vraagt faillissement aan.
Deze week: het Gentse jazzcafé Damberd vraagt faillissement aan.

Vandaag 30 jaar geleden, laatste voorstelling Jungleboek in het NTG in regie van Dirk Tanghe.

Jan de Vuyst (bewerking) en Lieven Coppieters (muziek) maakten deze klassieker van Nobelprijswinnaar Rudyard Kipling tot een succesvol muzikaal familiespektakel in regie van Dirk Tanghe.

De voorstelling speelde in het Tolhuis, een sportcomplex met een scène van 20 meter breed en een heus zwembad.

Mowgli werd vertolkt door Michael Pas, in de rest van de uitgebreide cast vinden we naast de toenmalige ensembleleden Roger Bolders, Chris Boni, Karen de Visscher, Eddy Spruyt, Chris Thys, Cyriel van Gent, Erik van Herreweghen, Nolle Versyp en Mark Willems ook de gastacteurs Brenda Bertin, Frank Hoelen en Karin Tanghe, en liefst 60 figuranten.

Jungleboek speelde gedurende twee seizoenen in totaal 120 voorstellingen en bracht bijna 64.000 toeschouwers op de been, wat deze voorstelling tot een van de grootste publiekssuccessen van het Gentse stadstheater maakte. (Diverse bronnen, Lustrumboek deel 4 Ntg en Ntg site)

Vandaag 30 jaar geleden, laatste voorstelling Jungleboek in het NTG in regie van Dirk Tanghe.

Ik werkte toen in het Ntg en alle medewerkers kregen toen een persoonlijk aandenken van deze voorstelling. De tekening is van de Vlaamse acteur Nolle Versyp.

Vandaag 30 jaar geleden, laatste voorstelling Jungleboek in het NTG in regie van Dirk Tanghe.