Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
De Tweede Wereldoorlog geeft het leven van de jonge Schiltz een beslissende wending.
Als diepgelovige tiener is hij lid van de Nationaalsocialistische Jeugd Vlaanderen. Na de bevrijding wordt hij hiervoor enige tijd opgesloten.
In 1955 trouwde hij met zijn achternicht Garda Schiltz. In 1959 verkozen in de gemeenteraad van Antwerpen als onafhankelijke op de CVP lijst. Vanaf 1965 was hij lid van de Volksunie.
Hij was één van de vaders van de federale staat en vervulde na het Egmontpact van 1977 sleutelfuncties in veel regeringen.
In 1982 schreef hij een boek met als titel Macht en onmacht van de Vlaamse Beweging. Hugo Schiltz was in 1989, vice eerste minister en minister van begroting. In 1995 werd hij benoemd tot Minister van Staat, en werd alzo lid van de Kroonraad. Hij bleef politiek actief als schepen van Financiën, Economie en Toerisme in Antwerpen tot het jaar 2000.
In 2001 bij de splitsing van de Volksunie, sloot hij zich – evenals onder andere Bert Anciaux, Lionel Vandenberghe en Nelly Maes – aan bij Spirit.
Na zijn schepen ambt werd hij opnieuw actief in de advocatuur.
Eerst bij Ernst & Young en Peeters Advocaten, daarna richtte hij Laurius-Schiltz-Verschroeven ADVC op, samen met Guido Verschroeven, voormalig hoofd van de juridische dienst van Boelwerf.
Hij was ook lid van de raden van bestuur van de Argenta Groep. Schiltz was vanaf 2002 ook voorzitter van de Vlaamse Opera en erevoorzitter van het Flanders Fashion Instituut (FFI) in Antwerpen.
Schiltz overleed uiteindelijk op 78-jarige leeftijd aan de gevolgen van leukemie in het Universitair Ziekenhuis van Antwerpen in Edegem.
Op 22 augustus 2006 vond de begrafenis van Schiltz plaats in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in Antwerpen.
Testamentair had Schiltz aangegeven geen staatsbegrafenis te willen vanwege zijn Vlaams-nationalistische levenswandel, dit hoewel hij daar als Minister van Staat recht op had.
Schiltz werd in een witte kist de kathedraal binnengedragen.
Op vraag van de familie waren er geen vlaggen in de kathedraal aanwezig.
De sobere uitvaartmis werd massaal bezocht, door veel Vlamingen, politici en ook Nederlandse Groot-Nederlanders en EVA-partners, in totaal zo’n 1200 personen. De aansluitende uitvaart vond in besloten familiekring plaats. Schiltz kreeg zijn laatste rustplaats op het Schoonselhof.
Zijn zoon, Willem-Frederik Schiltz is Vlaams parlementslid en districtsraadslid in Antwerpen namens de Open VLD.(Diverse bronnen, biografie Hugo’s heilige vuur van Paul Huybrechts, Wikipedia en Foto’s uit De Post van 15 december 1989)
Hugo Schiltz in de Post van 15 december 1989Hugo Schiltz in de Post van 15 december 1989
Er kwamen 30000 boeren opdagen in Brussel. Ze betoogde vooral omdat in de zomer van 1959 door de droogte, toen al en daardoor de opbrengst slecht was;
Verlies aan inkomsten zou toen meer dan 6 miljard Belgische frank bedragen.
Ze eiste dan ook een schadeloosstelling en een prijsverhoging voor hun producten.
Toen al klaagde de boeren aan dat het prijsverschil wat ze, maar krijgen voor hun producten en de prijs wat de consument moet betalen er een groot verschil was.
In 1966 stapte Spaak definitief uit de politiek, waarna hij in 1969 zijn memoires publiceerde.
Ook sprak hij zich uit als een voorstander van het federalisme en betuigde hij openlijk zijn steun aan de Francofone partij FDF.
In juli 1972 werd hij tijdens een vakantie aan de Azoren onwel, waarna hij terug naar België gerepatrieerd werd.
Kort na zijn terugkomst in België overleed hij in zijn huis in Eigenbrakel.
In de stripreeks Nero werd hij samen met Camille Huysmans gecast in de rol van opstandelingen in het De Hoed van Geeraard de Duivel (1950).
Het tweetal wil in strook 233 dat de Indische vorst aftreedt. Dit is een parodie op het verzet van de socialisten tegen de terugkeer van Leopold III tijdens de koningskwestie.
In 2005 eindigde hij op nr. 40 in de Vlaamse verkiezing voor De Grootste Belg. In de Franstalige verkiezing eindigde hij op nr. 11.
Er is een vleugel in het gebouw van het Europees Parlement te Brussel naar hem genoemd.Evenals een hogeschool: Haute École de la Communauté Française Paul-Henri Spaak.
Er zijn straten naar hem genoemd in Brussel, Elsene, Hoboken-Antwerpen,Bocholt, Dortmund, München, Überherrn, Almere, Herten, Maastricht, Utrecht, Vlaardingen, Zevenaar, Sint-Gillis en Sint-Lambrechts-Woluwe. (diverse bronnen, Wikipedia en Foto herfst 1949)
Toen hij als links intellectueel de volgende uitspraak deed op 30 januari 2002 in de Volkskrant: Pim Fortuyn is definitief de Mussolini, de Duce, van de eenentwintigste eeuw geworden en men zal op zoek moeten naar een betrouwbaar onderduikadres.
Bij de vorige Duce duurde het drieëntwintig jaar vóór hij ondersteboven werd opgehangen aan een benzinepomp aan de Zwitserse grens.
Door de moord op Fortuyn enkele maanden later kreeg die zin een wrange nasmaak, waarbij Blokker werd verweten meegeholpen te hebben aan de demonisering van Fortuyn. (Diverse bronnen en Wikipedia)
Hoewel de abortuskwestie al in de jaren 1970 op de parlementaire en publieke agenda staat, moet men toch nog jaren wachten vooraleer de abortuswet Lallemand-Michielsens gestemd raakt. Een van de penhoudsters en naamgever van de wet is PVV-politicia Lucienne Herman-Michielsens. In 1978 werd haar eerste voorstel tot depenalisering van medisch begeleide abortus in het parlement verworpen. Nadien kwam er echter een kentering in de publieke opinie. Na jaren parlementair werk en strijd, samen met de Waalse socialist Roger Lallemand, werd in april 1990, ondanks het verzet van koning Boudewijn bij wisselmeerderheid de abortuswet goedgekeurd. Daardoor werd abortus onder bepaalde voorwaarden legaal in België. Lucienne Herman-Michielsens was, vooral in feministische en vrijzinnige middens, een zeer bejubelde vrouw. Nochtans leed ze tijdens het abortusdebat al zwaar onder de gevolgen van diabetes. Ze besliste in 1991 niet meer op te komen bij de verkiezingen en trok zich met haar echtgenoot terug in Knokke-Heist. Ze overleed in Gent op 22 januari 1995.(diverse bronnen en Wikipedia, Jean-Jacques Amy )
De Franse regering stuurde ongeveer 200 arbeiders naar de Wereldtentoonstelling van 1862 in Londen om de denkbeelden van de gematigde Britse coöperatiebeweging te promoten bij de Franse arbeiders. De Franse arbeiders waren allen lid van vriendengenootschappen, die echter dekmantels waren voor (in Frankrijk verboden) vakbonden. Tijdens de Wereldtentoonstelling werden contacten gelegd tussen de Fransen en Britse vakbondslieden. Franse arbeiders werden uitgenodigd voor een solidariteitsdemonstratie in juli 1863 in Londen voor de Poolse opstandelingen van de Januari opstand. Hieruit ontstond het idee om een internationale bijeenkomst voor arbeiders in Londen op 28 september 1864 te houden.De Internationale Arbeidersassociatie werd in 1864 opgericht door Britse en Franse vakbondslieden met Duitse, Poolse en Italiaanse ballingen die in Londen woonden. Ook België en Zwitserland stuurden ieder één afgevaardigde. Voor België was César De Paepe de afgevaardigde. De Britse vakbondslieden waren voornamelijk aanhangers van Robert Owen. De Franse afgevaardigden waren merendeel anarchistische en mutualistische aanhangers van Pierre-Joseph Proudhon. De Duitsers waren leden van de kleine organisatie van Karl Marx. Daarnaast was er ook een Duitse aanhanger van Ferdinand Lassalle. De aanwezige Italiaanse ballingen waren nationalistische aanhangers van Giuseppe Mazzini. Uit onvrede over het socialistische karakter van de organisatie namen de aanwezige Italianen afstand van de Internationale.In 1865 zou een congres worden georganiseerd in Brussel, maar de Belgische regering verbood het congres. In 1866 was er het eerste congres in Genève. De denkbeelden van Proudhon domineerden dit congres. Diens laatste boek De la capacité politique des classes ouvrières’ vormde de grootste inspiratiebron bij de discussies tijdens dit congres. Bij dit congres werden de statuten en beginselverklaring opgesteld door Marx aangenomen. De Algemene Raad van de Internationale werd gevestigd in Londen. De Algemene Raad had geen macht over de nationale lidorganisaties.Marx was bij dit congres niet aanwezig – alleen bij het congres in 1872 was Marx aanwezig. Bij het congres van 1866 kwamen de Franse proudhonisten met het voorstel om alleen loonarbeiders als lid toe te laten tot de Internationale Arbeidersassociatie. Dit zou onder andere betekenen dat Karl Marx uit de organisatie gezet zou worden. De meerderheid stemde tegen dit voorstel. Daarna kwamen de Franse afgevaardigden met het voorstel om het lidmaatschap van de Algemene Raad alleen toe te staan voor arbeiders. Ook dit voorstel werd afgewezen, zodat Marx in de Algemene Raad kon blijven.Bij het congres van 1867 in Lausanne werd vastgesteld dat de Internationale streefde om alle productiemiddelen te veranderen in collectieve eigendom. De overheid werd niet genoemd als beheerder van collectieve productiemiddelen, waardoor zowel de anarchisten als de staatssocialisten tevreden waren. De proudhonisten wilden de collectieve productiemiddelen verdelen onder de arbeiders om zo individueel te beheren, zodat ze konden leven van de voortbrengselen van hun eigen arbeid. De ruilbanken van Proudhon werden aangeraden als een goed middel voor de verwerkelijking van het socialisme. In 1867 werd met behulp van de contacten via Internationale een steunactie georganiseerd voor de bronssmeden van Parijs die het slachtoffer waren van een lock-out door de fabrikanten.Tijdens het Brusselse Congres in 1868 werd vastgelegd dat de Internationale streefde naar het collectieve eigendom van grond. Dit betekende niet per se nationalisatie van de grond, want de meeste afgevaardigden op het congres waren tegenstanders van landnationalisatie. De meerderheid bestond uit minarchistische proudhonisten, anarchisten, owenisten en aanhangers van Paeppe die pleiten voor het beheer en gebruiksrecht van de gezamenlijke grond door arbeiderscoöperaties. Michail Bakoenin maakte een resolutie waarin vastgelegd werd om grote algemene stakingen te organiseren via de Internationale in geval van een oorlog tussen Europese landen om oorlogen te stoppen. Het voorstel van Bakoenin werd aangenomen. Marx was tegen de resolutie en vond het idee utopisch. In 1868 spraken de Duitse aanhangers van Ferdinand Lassalle haar officiële steun uit aan de Internationale.Naar schatting waren er 1870 in totaal 250.000 mensen lid van organisaties gelieerd aan de Eerste Internationale.De afdelingen in Italië en Spanje stonden voornamelijk onder invloed van de denkbeelden van Bakoenin (collectief-anarchisme). De Franse afdelingen van de Internationale bestond voornamelijk uit anarchistische en minarchistische proudhonisten. In Zwitserland bestond de anarchistische Jurafederatie en de afdeling uit Genève die onder invloed stond van het marxisme. De Britse vakbondsleiders waren vaak afwezig bij de vergaderingen van de Algemene Raad van de Internationale, waardoor Marx steeds meer macht kon toe-eigenen.In 1869 werd het Nederlandsch Werklieden-Verbond opgericht als afdeling van de Internationale Arbeiders-Associatie. De in 1860 in België door onder anderen César De Paepe opgerichte Brusselse vereniging Association du Peuple groeide uit tot de Belgische afdeling. De Belgische afdeling kende een grote groei vanaf 1869, na stakingen in de streek van de Borinage. Op een bepaald moment telde de afdeling 70.000 leden.De Britse vakbondsleiders namen afstand van de Internationale omdat ze het niet eens waren met de steun aan de Parijse Commune. Marx organiseerde een conferentie in Londen waar de anarchisten niet voor uitgenodigd waren. De aanwezige Fransen waren allemaal blanquisten die zich voor het eerst met de Internationale verbonden. Op de conferentie van 1871 wist Marx de steun te verkrijgen van de blanquisten om politieke actie verplicht te stellen. De aanhangers van Bakoenin waren tegen het verplicht stellen van politieke actie, want zij vonden dat iedere afdeling vrij en zelfstandig hierover moest beslissen. Met politieke actie bedoelden de marxisten het meedoen aan verkiezingen en zitting nemen in het parlement. Dit punt werd bij de beperkte conferentie van 1871 in Londen ingevoerd. De Jurafederatie was woedend omdat ze niet uitgenodigd waren. Eigenlijk kon alleen een congres zulke besluiten maken, maar Marx probeerde via een conferentie zijn wil op te leggen.Tussen 2 en 7 september 1872 werd het congres van Den Haag van de Internationale gehouden. Marx was voor het eerst aanwezig bij een congres van de Internationale. Bakoenin kon niet aanwezig zijn, omdat hij niet door Frankrijk en Duitsland kon reizen waar de politie hem zocht. Bij het congres van Den Haag waren de anarchistische Italianen afwezig omdat zij geen vertrouwen meer hadden in de Internationale door het gedrag van de Algemene Raad. Er waren drie Amerikaanse afgevaardigden die niet-bestaande groeperingen vertegenwoordigden.Marx had deze groeperingen bijgevoegd om meer steun bij de stemmingen te krijgen. Ook de Algemene Raad had afzonderlijke afgevaardigden gestuurd en hen stemrecht gegeven. Rond Bakoenin stonden de antiautoritaire groeperingen die de macht van de Algemene Raad wilden verminderen, met daarbij de Spanjaarden, Belgen en de afgevaardigden van de Jurafederatie als gangmakers. De Algemene Raad wilde het recht krijgen om lid organisaties te schorsen. De Britten, Belgen, Nederlanders en een groot deel van de Franse afgevaardigden (proudhonisten) wilden de macht van de Algemene Raad sterk verminderen. Door dat de Italianen niet aanwezig waren kreeg Marx de meerderheid. De leden van het antiautoritaire kamp verlieten woedend het congres.Door het weglopen van veel mensen vond Marx zich nu tegenover een meerderheid van blanquisten en Britse vakbondslieden. Marx wilde de locatie van de Algemene Raad naar New York verplaatsen, zodat de blanquisten en Britten daar geen invloed uit konden oefenen. Slechts met drie stemmen meerderheid werd het besluit van verplaatsing aangenomen. Dit was de doodssteek voor de Internationale, omdat de sterkte van de organisatie in Europa lag. De blanquisten en Britse vakbondsvertegenwoordigers liepen woedend weg. Marx schreef in een persoonlijke brief hierover: “In elk geval is voorkomen, dat de Internationale in handen van idioten valt.”Het marxistische overblijfsel van de Internationale organiseerde geen congressen na 1872 en werd opgeheven in 1876.De anarchisten en de andere antiautoritairen organiseerden een congres in Saint-Imier waar Zwitserse, Italiaanse, Spaanse en Franse afdelingen aanwezig waren. De besluiten van het congres van Den Haag werden nietig verklaard. Er werd contact gelegd met de Nederlanders en Belgen. De Belgische afdeling verklaarde de besluiten aangenomen op het Haagse congres ongeldig, omdat de besluiten het gevolg waren van een kunstmatige meerderheid gemaakt door de Algemene Raad. In 1877 werd het laatste congres van de antiautoritaire Internationale gehouden in het Belgische Verviers. Hierna viel de antiautoritaire Internationale uit elkaar. (Diverse bronnen en Wikipedia)
Op de foto ziet u Camille Huysmans, de Fransman Guy Mallet en Drees uit Nederland
Na hun veroordeling kregen de collaborateurs ook nog eens bijkomende ‘burgerlijke’ maatregelen opgelegd, waaronder de ontneming van het actieve en passieve stemrecht, ontzegging tot beroepen in de ambtelijke sfeer, in de rechterlijke macht en media alsook uitsluiting van het recht op sociale zekerheidsuitkeringen (kinderbijslag, pensioenen…) en sociale woningen. Deze vervallenverklaring van burgerlijke, politieke en sociale rechten noemde men epuratie (= zuivering).Een jaar na de bevrijding, op 19 september 1945 vaardigde de Regering-Van Acker II, zonder tussenkomst van het parlement, de besluitwet betreffende de epuratie inzake burgertrouw uit. Voortaan konden ook personen die niet schuldig werden bevonden aan een overtreding van de strafwet toch nog een zware sanctie worden opgelegd.Volgens toenmalig minister van Justitie Marcel Grégoire ging het om een “veiligheidsmaatregel van burgerlijke aard” t.a.v. personen die ten gevolge van de te algemene en onduidelijke strafwet werden vrijgesproken maar “wier onvaderlandse gedraging aan het openbaar geweten aanstoot heeft gegeven en derhalve uit de politieke gemeenschap, die zij ontrouw zijn geweest, te worden geweerd.” In praktijk ging het vooral om familieleden (echtgenoten, broers en zusters, ouders van de veroordeelde) waarbij een klacht tot politieke collaboratie had geleid tot seponering of buitenvervolgingstelling.Om te protesteren tegen de vaak schrijnende gevolgen van de repressie en epuratie zoals broodroof, schulden (ten gevolge schadevergoedingen en boetes) en socio-culturele uitsluiting (soms ook ten nadele van de kinderen van de incivieken) betoogden op 20 september 1959 in Antwerpen zo’n 20.000 Vlamingen voor amnestie. De manifestatie werd georganiseerd door het ‘Comité voor Gemeenschappelijke Amnestie-actie’ (o.l.v. oud-fronter Adiel Debeuckelaere) in samenwerking met het ‘Vlaams Jeugdcomité’ dat toen geleid werd door de nog jonge Wilfried Martens. Aan de betoging namen heel wat prominente CVP-politici mee zoals Louis Kiebooms (tijdens de oorlog politiek gevangene en later oprichter van het Vlaams- en verzoeningsgezinde ‘Verbond van het Vlaams Verzet’), Karel Van Cauwelaert de Wyels, August De Boodt, Jan Verroken, Leo Lindemans, Jozef Posson, Josse Mertens de Wilmars en toenmalig enig Volksunie-kamerlid Frans Van der Elst. In tegenstelling tot Nederland, Frankrijk (1953) en Spanje, werd in België geen amnestie verleend.Teneinde een veroordeling door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens te vermijden voerde minister van Justitie Piet Vermeylen tijdens de Regering Lefèvre-Spaak met de wet van 30 juni 1961 betreffende de epuratie inzake burgertrouw, de zgn. wet-Vermeylen in, een in allerijl bedacht soort collectieve gratie of eerherstel. Door het afschaffen van het artikel 123 sexies van het Strafwetboek (dat collaboratie bestrafte met ontzetting uit de politieke en burgerrechten) werden veroordeelden tot minder dan drie jaar gevangenisstraf automatisch in al hun rechten hersteld. Veroordeelden van drie tot 10 jaar werden in hun rechten hersteld indien ze een verzoekschrift indienden bij de Minister van Justitie én een ereverklaring aflegden de wetten van het Belgische volk getrouw te zullen naleven. Bij veroordeelden tot langer dan 10 jaar was een (langdurige en complexe) procedure voor de rechtbank nodig. De wet gaf geen passief en actief stemrecht terug aan veroordeelden die tot meer dan vijf jaar gevangenisstraf werden veroordeeld. Een klein aantal personen weigerde om principiële redenen gebruik te maken van de mogelijkheden van deze wet.(Diverse bronnen en Wikipedia)
60 jaar geleden, massale betoging voor Amnestie in Antwerpen
Maurice De Wilde werd geboren in de Moriaanstraat te Gent, als zoon van een spoorwegarbeider.
Toen hij zeven was verhuisde het gezin naar Mechelen.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog liep hij atheneum en studeerde Germaanse talen.
Hij werd onderwijzer, maar droomde ervan journalist te worden bij de openbare radio-omroep, het N.I.R. De radiozender nodigde hem in 1948 uit voor een korte stage. Daarna werkte De Wilde een tijd voor het persagentschap Belga, keerde terug naar de radio en was vervolgens zes jaar actief als vertaler voor het Ministerie van Economische Zaken.
Nadat hij nog een licentiaatsdiploma sociale wetenschappen behaald had begon hij in 1953 bij de pas opgerichte Vlaamse openbare televisieomroep.
Toen reeds, in 1949, kreeg De Wilde het aan de stok met toenmalige administrateur-directeur-generaal Jan Boon.
De Wilde zou zich in “grove, beledigende” termen hebben uitgelaten over het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Volgens Boon had De Wilde gezegd dat “alle weerstanders smeerlappen zijn”, wat De Wilde verbeterde: “Sommige weerstanders zijn smeerlappen.” Alhoewel De Wilde altijd een grote afkeer en haat voor nazi’s en collaborateurs had, zag hij ook altijd wel de keerzijde van de medaille.
Ook later in zijn reeksen over de collaboratie stak hij minder van leer tegen de kleine collaborateurs dan tegen de grote namen.
De Wilde was meteen een van de eerste journalisten die voor het prille televisiejournaal werden aangenomen. Van 1953 tot 1956 was hij nieuwslezer, maar hierna begon hij een groot aantal reportages ter plaatse (door hem “enquêtes” genoemd) te verzorgen.
Van 1963 tot 1968 doceerde De Wilde perswetenschappen aan het toenmalige Hoger Rijksinstituut voor Toneel en Cultuurspreiding (HRITCS) te Brussel, onder meer aan Philippe Van Meerbeeck, die in 1979 zijn documentalist zou worden.
Midden jaren 60 nam De Wilde een groot aantal “enquêtes” op over sociaal-economische problemen in België. Hij werd berucht vanwege zijn voor die tijd bijzonder scherpe en kritische interviews. Met zijn grondige dossierkennis en hardnekkige interviewstijl was hij een buitenbeentje in de Vlaamse televisie-journalistiek.
De Wilde zette zich in om “de waarheid” te weten te komen en bleef vaak doorvragen als hij niet meteen een antwoord kreeg. Het bezorgde hem veel moeilijkheden, zowel met de overheid als met de hiërarchie van de BRT. Hij kreeg het vaak aan de stok met directeur-generaal Paul Vandenbussche.
Zo werd zijn uitzending Mijnalarm (1966) rond de mijnwerkersstakingen en de sluiting van de mijn van Zwartberg in Limburg eerst verboden en ten slotte gecensureerd uitgezonden. De leiding van de BRTN struikelde over de vrijmoedige uitlating van een mijnwerker en vooral over het feit dat De Wilde de socialistische vicepremier Antoon Spinoy twee keer dezelfde vraag had gesteld omdat Spinoy hierop geen antwoord had gegeven.
Een nieuwe rel ontstond naar aanleiding van De Wildes reportage rond de havens: Geen mammoets voor Antwerpen (1967), soms ook Geen mammoets in de haven genoemd. Tijdens zijn verslag merkte hij op dat minister van Openbare Werken Jos De Saeger zijn ambtenaren verboden had aan de reportage mee te werken en daarnaast ook zelf weigerde voor de camera’s te verschijnen.
De BRTN liet De Wilde hierop zeven jaar lang de eindredactie verzorgen en haalde hem zo jarenlang van het scherm.
Dure elektriciteit leidde tot een proces met CVP-politicus Geeraard Van Den Daele over het eigendomsrecht van televisie-interviews, een geding dat uiteindelijk zou leiden tot een gezaghebbende uitspraak van het Hof van Cassatie in het voordeel van De Wilde en de BRT.
Op de BRT kon hij geen promotie maken en mocht enkel minder grote reportages verzorgen. Hoewel hij zich daardoor erg ongelukkig voelde, wees hij in 1968 een verkiesbare plaats op de VU-Kamerlijst af, omdat hij liever journalist bleef. Dat hij ooit de overstap naar de politiek overwogen heeft, had vooral te maken met het feit dat hij op dat moment tot journalistiek laagwaardig routinewerk op de redactie gedwongen werd.
n de woorden van de voormalige directeur Informatie Karel Hemmerechts: Maurice wilde een soort Balzac van de televisiejournalistiek worden.
Zijn onthullende enquêtes uit de jaren 60 waren de langste die de Vlaamse televisie tot dan toe gebracht had. De meeste daarvan pasten in een cyclus die de veelzeggende titel “Anatomie van België” droeg. De Wilde heeft die cyclus nooit kunnen afmaken.
Tijdens de jaren zeventig werd de gedreven onderzoeksjournalist op de nieuwsredactie geplaatst en leek hij professioneel afgebrand. Veel van zijn reportages waren gecensureerd of leidden tot processen of conflicten met de overheid of de BRT-top, terwijl hij tegelijkertijd prijzen won voor zijn journalistiek werk.
Men liet hem dan maar rapportages in het buitenland verzorgen. Tijdens de staatsgreep van Augusto Pinochet in Chili (1973) was De Wilde ter plaatse en kreeg toegang tot het sportstadion waar de eerste weken na de coup politieke tegenstanders werden vastgehouden. Hij wierp toen enkele politieke gevangenen sigaretten toe, veel meer kon hij niet voor hen betekenen. Wat hem vooral choqueerde was het feit dat de gevangenen in bedwang werden gehouden met Belgische FAL-geweren. Dit leidde ertoe dat hij een jaar later de reportage “De één zijn dood, de andere zijn brood” (1974) draaide rond de Belgische wapenindustrie.
In 1974 mocht hij van de BRT samen met onder meer de geschiedkundige Etienne Verhoeyen documentairereeksen voorbereiden rond de Belgische collaboratie in de Tweede Wereldoorlog.
In totaal werkte hij 20 jaar aan 60 afleveringen rond het thema. Het project zou zijn levenswerk worden, van 1982 tot 1991 werden de documentaires uitgezonden. De Wilde spitte eerst heel wat dossiers en archieven door om informatie te verzamelen.
In 1982 presenteerde De Wilde zijn eerste uitzending over Belgiës collaboratieverleden tijdens de Tweede Wereldoorlog: De Nieuwe Orde. Ook de reeksen die volgden, De Verdachten, De Collaboratie, Het Verzet, De Oostfronters en De Tijd der Vergelding deden heel wat stof opwaaien.
De Wilde interviewde voor deze reeksen 300 getuigen en voerde meestal lange voorbereidende gesprekken met hen. Maurice De Wilde kon zich soms erg boos maken als de geïnterviewde moeite had om uitspraken voor de camera te herhalen. Enkele van de meest spraakmakende figuren die geïnterviewd werden: Maurice Naessens, Jef van de Wiele en Léon Degrelle.
Zijn reeksen over de Tweede Wereldoorlog maakten veel indruk door de opmerkelijke documentatie en het taboe-doorbrekende karakter van de onderwerpen. Er volgde heel wat protest en kritiek vanuit Vlaams-nationalistische en katholieke hoek: de pers (Gazet van Antwerpen, De Standaard, ’t Pallieterke,…), de politiek (ex-CVP-voorzitter Robert Houben) en op 28 april reageerde zelfs koning Leopold III zeer geïrriteerd op de dringende vraag van De Wilde om ‘te spreken’.[bron?]. De gewezen koning was niet opgezet met de wijze waarop De Wilde zijn rol in de collaboratie had blootgelegd en besloot verder het zwijgen te bewaren in deze gevoelige kwestie.
Ondanks de kritiek op De Wilde als “journalist die blijft vragen tot hij hoort wat hij wil horen” en het linkse etiket dat hem werd opgekleefd, was De Wilde in zijn reportages altijd even kritisch tegenover de socialistische partij als ten opzichte van anderen. Bovendien heeft men hem nooit op een fout in zijn dossiers kunnen betrappen. Hij verdedigde zijn interviewstijl weleens met de woorden: “Ik geloof nooit dat mensen spontaan de waarheid vertellen.”
De veelbesproken reportages waren hoe dan ook belangrijk in historisch opzicht en speelden een grote rol in de erkenning van mondelinge geschiedenis in Vlaanderen.
Hij ontving er nogal wat prijzen voor en zelfs een eredoctoraat van de Vrije Universiteit Brussel (VUB).
De heisa rond zijn werk eiste veel van De Wildes gezondheid.
In 1983 kreeg hij een hartaanval en in 1986 werd bij hem kanker vastgesteld.
In 1988 had hij zijn pensioengerechtigde leeftijd bereikt, maar bleef desondanks nog werken tot 1991.
Toen werd hij definitief met pensioen gestuurd.
Zijn laatste reeks rond de collaboratie, “De Repressie” (1991), deed opnieuw stof opwaaien.
De BRTN verbood zelfs de eerste aflevering omdat De Wilde zich volgens haar te zeer had vastgebeten op de wandaden van het Belgisch verzet.
Ook andere mensen verweten hem dat hij te fel van leer trok tegen sommige weerstanders en een nauwelijks verholen pleidooi voor amnestie voor collaborateurs hield.
Toen deze laatste afleveringen afgerond waren had De Wilde nog steeds niet het gevoel klaar te zijn met zijn onderzoek naar de collaboratie.
Hij betreurde het altijd dat hij nooit reportages had kunnen maken rond de bevrijding van Tongeren, Cyriel Verschaeve, Irma Laplasse, Leo Vindevogel en Modest van Assche.
Ook de economische collaboratie heeft hij nooit mogen onderzoeken.
Maurice De Wilde is wellicht één van de meest onderscheiden journalisten die België gekend heeft. Hij ontving meer dan tien prijzen voor zijn televisiewerk, ook van Franstalige zijde. Hij mocht – vrij uniek voor een journalist – een eredoctoraat in ontvangst nemen aan de Vrije Universiteit Brussel.
Die grote waardering was zonder twijfel de erkenning van inzet en talent, maar ook een gevolg van de grote ruchtbaarheid die zijn reportages kregen, soms zelfs nog voor ze uitgezonden werden.
In 1982 ontving hij de Geuzenprijs en werd hij gehuldigd omwille van zijn niet-aflatende inspanningen om de waarheid kenbaar te maken, spijts alle druk en tegenkantingen.
In 1992 was hij de eerste laureaat van de Gentse Prijs voor de Democratie.
Twee van zijn programma’s werden bekroond met de HA! van Humo: De Nieuwe Orde (in 1982) en De Tijd der Vergelding (in 1988).
De Wilde was de schoonvader van Bert De Graeve, oud-gedelegeerd bestuurder van de VRT en Ceo van het Bekaert (staal)-concern.
Zijn bijnaam was “de pitbull van de Vlaamse televisie”. Andere koosnaampjes die men hem in de loop der jaren gaf waren “de inquisiteur”, “de substituut van krijgsheer-auditeur ten velde” en “de hertog van Alva van de BRTN”.
Een van De Wildes medewerkers, Filip Van Meerbeeck, vertelde ooit volgende anekdote: “Als Maurice De Wilde iemand wilde interviewen, dan gaf hij niet gauw op. Legendarisch is de brief die een Antwerpse collaborateur destijds naar de BRT stuurde. ‘Hij wilde niet weggaan. Ik heb hem als ne vuilen hond van mijnen hof moeten stampen.’, schreef de man. Om u maar te zeggen hoe volhardend Maurice was.”
Een andere anekdote betrof De Wildes interview met voormalig VNV-kopstuk Bert Peleman. Om goede opnames te krijgen, besloot De Wilde om het gezicht van zijn gesprekspartner met een spot te belichten. Urenlang vuurde hij zijn vragen af op Peleman. Na afloop kreeg de BRT een schadeclaim van Peleman in de bus omdat het felle licht hem “dagenlang verblind en verbrand zou hebben.”
In 1998 overleed hij op 74-jarige leeftijd aan kanker. (diverse bronnen en Wikipedia)
20 jaar geleden, Olivier Deleuze en toen staatssecretaris voor Ecolo (maart 1990)20 jaar geleden, Olivier Deleuze en toen staatssecretaris voor Ecolo (maart 1990)20 jaar geleden, Olivier Deleuze en toen staatssecretaris voor Ecolo (maart 1990)20 jaar geleden, Olivier Deleuze en toen staatssecretaris voor Ecolo (maart 1990)20 jaar geleden, Olivier Deleuze en toen staatssecretaris voor Ecolo (maart 1990)