
Gisteren nog vandaag
Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag
In de vroege ochtend van een augustusdag in 1936 trok een gezelschap eropuit voor een tocht door de Vlaamse Ardennen, de heuvelachtige streek in het zuiden van Oost-Vlaanderen tussen Oudenaarde, Ronse en Geraardsbergen.
De hemel hing nog vol nevel en zware wolken, al piepte er af en toe een schuchtere zonnestraal doorheen.
Terwijl de reisgenoten de auto een laatste controle gaven en speurend naar boven keken om het weer in te schatten, lagen de wegenkaart en de verrekijker al vertrekkensklaar.
De motor sloeg aan, er werd nog even gezwaaid naar de thuisblijvers en het gezelschap zette zich in beweging.
Ze reden Geraardsbergen uit via de steenweg naar Oudenaarde en passeerden meteen de oude molen op de linkerhelling, een vertrouwd baken dat bekendstond als de Buitenmolen of de molen van de Oudenaardse poort.
De route liep verder door Deftinge, een aloude dorpskern die vroeger onder de baronie van Boelare viel en er die ochtend heerlijk fris bij lag in het vroege ochtendlicht.
Op de uitgestrekte kouters langs de weg was de oogst al volop bezig.
Het graan stond in schoven te drogen op de rogge- en tarwevelden, terwijl de haveraren nog zachtjes wiegden in de bries, mooi afgewisseld met lappen aardappelen en bieten.
In het landelijke Parike raakten ze aan de praat met een landbouwer die zijn oogst aan het binnenhalen was.
De man bleef er nuchter onder en stelde dat ze eigenlijk niet mochten klagen.
Het graan had wel te lijden gehad onder de aanhoudende regen, maar elders in het land was het veel erger gesteld.
Zo had het Meetjesland eind juni immers nog af te rekenen gekregen met verwoestende wervelwinden.
Even verderop rees de stenen windmolen van Parike op boven de heuvelrug, omringd door pas gemaaid koren.
De reizigers wisselden een paar woorden met de molenaar en legden het idyllische tafereel vast op foto.
Daarna ging de tocht voort richting Nederbrakel.
Het heuvelland vouwde zich steeds breder voor hen open, met goudgele akkers op de voorgrond en donkere boskammen aan de einder.
Aan hun linkerhand lag Everbeek, een Vlaams dorp dat toen nog bij Henegouwen hoorde en waar de toppen van de heuvels de taalgrens markeerden.
Langs de veldwegen rezen statige beuken en olmen op, met her en der een kapelletje en een gietijzeren kruisbeeld onder het bladerdak van oude bomen.
Nederbrakel zelf was toen al een bedrijvige gemeente in de Zwalmvallei, met ruim vijfduizend inwoners en een parochiekerk met een opvallend robuuste, vierkante toren.
Aangekomen in Elst hielden ze halt tegenover de kerk om te informeren naar de juiste weg naar Sint-Maria-Horebeke.
Voorbij het katholieke dorpscentrum, langs de weg naar Nederzwalm, bereikten ze de protestantse Geuzenhoek.
Ze maakten er kennis met dominee Germersaad, die hen met zichtbaar plezier rondleidde langs zowel de oude als de nieuwe kerk.
In het oudste gebedshuis viel hun oog op het portret van meester Karel Blommaert, die tien jaar eerder was overleden.
Hij was een rechtstreekse afstammeling van Jacob Blommaert, de geuzenleider die in 1572 Oudenaarde wist in te nemen.
Na diens vlucht en arrestatie hadden zijn volgelingen een toevlucht gezocht in de omliggende wouden, om uiteindelijk wortel te schieten in Sint-Maria-Horebeke.
De hechte gemeenschap telde in die jaren zo’n honderdvijfenzestig zielen en hield er zelfs een eigen schooltje op na.
Boven het portaal van de nieuwe bakstenen kerk prijkte een gebeeldhouwde open bijbel.
Als geboortedorp van volksschrijver Abraham Hans vormde Sint-Maria-Horebeke de enige overgebleven protestantse enclave van die aard in Vlaanderen, waar katholieken en hervormden in alle sereniteit naast elkaar leefden.
Waar de vrouwen er vroeger nog massaal handschoenen naaiden of kant klosten, was die typische huisnijverheid tegen die tijd vrijwel helemaal uitgedoofd.
Na het hartelijke afscheid van de dominee doorkruiste het gezelschap opnieuw het rijke boerenland.
Overal heerste bedrijvigheid. De kleine keuterboeren maaiden het koren nog met de pik, terwijl de grotere hofsteden al gebruikmaakten van maaimachines en hoog opgetaste wagens vol goudgeel graan naar de schuren zagen dokkeren.
Door het spel van licht en schaduw leken de maaiers en binders wel weggelopen uit een schilderij.
Vervolgens hielden de pelgrims halt in Edelare bij het bekende bedevaartsoord Onze-Lieve-Vrouw van Kerselare, waar vooral in de meimaand duizenden andere pelgrims toestroomden.
Vanaf de heuvel rond de kapel met haar spitse toren genoten ze van een weids panorama.
Ze zagen Mater met zijn karakteristieke witte kerktoren, Etikhove dieper in het dal en Schorisse, de bakermat van Omer Wattez. Aan de verre horizon lagen de wijdvertakte bossen van Vloesberg en Brakel.
Wat later reden ze Oudenaarde binnen, genesteld langs de Schelde.
Boven de rode pannen en leistenen daken torenden de massieve Sint-Walburgatoren en het fijn bewerkte gotische stadhuis uit, terwijl iets verderop in een bocht van de stroom de befaamde Onze-Lieve-Vrouwekerk van Pamele lag.
Over de omliggende meersen en velden waaiden de heldere beiaardklanken hen tegemoet, net zoals dichter Gentil Antheunis, die uit Oudenaarde afkomstig was, het ooit zo treffend had bezongen.
Het deed hen mijmeren over het roemrijke verleden van de oude laken- en tapijtstad, die in de veertiende eeuw al versterkt was en wier wevers tot aan het Franse hof faam genoten.
In het historische gasthuis van Johanna van Constantinopel en de schepenzaal van het stadhuis vormden de bewaarde wandtapijten en historische doeken nog altijd het tastbare bewijs van die glorietijd.
Na een korte groet aan de Scheldestad zette het reisgezelschap koers richting Avelgem om vandaar de oversteek naar de Kluisberg te wagen.
De weg kronkelde langs witgekalkte hoeves, waarvan verschillende strodaken nog bewaard waren gebleven.
De donkere heuvelkam van de Kluisberg rees intussen steeds forser op aan de einder.
Ze dwarsten de kronkelende Schelde en reden door het dichtbebouwde Avelgem met zijn scherpe torenspits, de plek waar Stijn Streuvels destijds in de bakkerij zijn eerste verhalen schreef.
Het nabijgelegen Ruien lag er tegen de heuvelflank bijzonder schilderachtig bij onder de almaar warmer wordende namiddagzon.
Over een steile, mulle zandweg bereikten ze uiteindelijk de top van de Kluisberg, waar tal van cafés, afspanningen en pensions gemoedelijk zij aan zij stonden.
Daar deden ze een minder prettige ontdekking: in de vroege ochtenddrukte was hun zorgvuldig klaargemaakte proviand gewoon thuis blijven liggen.
Er zat dan ook niets anders op dan aan te schuiven voor een stevige boterham met boerenkaas en een dampende tas koffie.
Tussendoor krabbelden ze snel wat prentbriefkaarten voor het thuisfront, waarna ze opnieuw naar buiten trokken.
Inmiddels had de zon de wolken verdreven en lag het panorama er schitterend bij. Vanaf het hoogste punt, ruim honderddertig meter boven de zeespiegel, keken ze tientallen kilometers ver.
De kerktorens van Avelgem, Kwaremont en Etikhove staken helder af tegen het glooiende reliëf.
In de diepte schitterde het lint van de steenweg naar Ronse en in de verte tekenden zich de West-Vlaamse vlas- en tabaksvelden af.
Aan de zuidelijke flank strekten de Henegouwse dorpen Orroir, Amougies en Rozenaken zich uit.
Het bleek een geliefde trekpleister waar wandelaars en gezinnen kwamen herademen in de zuivere boslucht, te midden van verspreid liggende villa’s en buitenverblijven in het groen.
De reizigers haalden nog verschillende keren hun fototoestel boven om de weidsheid van de Schelde-, Ronne- en Zwalmvallei te vereeuwigen.
Hoewel ze maar wat graag nog even waren gebleven om ook de oude uitkijktoren op de top te beklimmen, tikte de tijd door en dwong de naderende avond hen om hun weg weer te vervolgen.

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag
Dit drama speelde zich af eind september 1936 in Gent.
Twee jonge studenten waren op hun mansardekamer op de bovenste verdieping van het pand aan de Coupure bezig met het mengen en testen van chemische stoffen.
Tijdens hun experimenten ging het grondig mis en volgde er een zware ontploffing.
De kracht van de explosie blies de ruiten van het zolderraam eruit en richtte aanzienlijke schade aan in de kamer.
Een van de twee studenten kwam hierbij om het leven, terwijl de ander zwaargewond raakte.
Het voorval haalde destijds de nationale pers en werd onder meer met deze foto verslagen in het weekblad De Stad op 2 oktober 1936.






Gisteren nog vandaag
Vlak bij Gent ligt het kasteel van Laarne, een van de best bewaarde waterburchten van ons land en een waar historisch pronkstuk.
De wortels van deze bijzondere plek gaan terug tot het begin van de dertiende eeuw, toen Beatrix van Massemen werd vermeld als vrouwe van Laarne.
Haar zoon, Giselbrecht van Zottegem, was een avontuurlijke ridder die als huurling vocht voor de Engelse koning Jan zonder Land en deelnam aan de vijfde kruistocht in Egypte.
Rond 1228 liet hij vermoedelijk het hof van Laarne aanleggen, de voorloper van de huidige burcht.
De geschiedenis van het kasteel verliep niet zonder slag of stoot.
In 1362 werd het officieel als kasteel vermeld in een overeenkomst waarbij de graaf van Vlaanderen het slot mocht gebruiken in oorlogstijd.
Toen Gent twintig jaar later in opstand kwam, werd het kasteel belegerd en ingenomen.
De brandsporen van die dramatische dag op 22 september 1382 zijn vandaag nog altijd zichtbaar.
Onder de Bourgondische hertogen verloor de burcht uiteindelijk haar militaire functie, omdat de middeleeuwse muren niet bestand waren tegen modern geschut.
Het slot transformeerde daardoor in een vorstelijk buitenverblijf.
De twintigste eeuw bracht nieuwe woelige tijden. Graaf Robert-Jean de Ribaucourt wilde het kasteel restaureren om er te wonen, maar het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en het overlijden van zijn zoon doorkruisten die plannen.
Het kasteel raakte in verval en werd tijdelijk een toevluchtsoord voor kunstenaars zoals Jef Crick.
Nadat het in 1943 als monument werd beschermd, schonk de graaf de vervallen burcht in 1953 aan de Koninklijke Vereniging der Historische Woonsteden van België.
Dankzij een grootschalige restauratie onder leiding van ridder Joseph de Ghellinck d’Elseghem kon het slot in 1967 de deuren openen voor het publiek, compleet met een prachtige zeventiende-eeuwse inrichting en een Europees vermaarde zilvercollectie.
Wie het domein bezoekt, wandelt over een vaste brug over de slotgracht en loopt onder de oude toegangspoort door, waar de kettinggaten van de vroegere ophaalbrug nog herkenbaar zijn.
Op het rechthoekige binnenplein, omringd door historische gebouwen en overschaduwd door vier eeuwenoude linden, voel je meteen het verleden tot leven komen.
Blikvangers zijn de robuuste ronde torens en de imposante dertiende-eeuwse slottoren.
Dankzij latere restauraties vanaf 1987 ontving het kasteel in 1996 zelfs de prestigieuze Europa Nostra Prijs.
Tel daar de mysterieuze legende van de Witte Dame bij op, en je hebt een magische plek die het feodale leven van het middeleeuwse Vlaanderen op unieke wijze bewaart.



Gisteren nog vandaag
Hijo de la Luna (Spaans voor “Kind van de Maan”) is een van de meest dramatische en poëtische ballades uit de Spaanse popgeschiedenis.
Het nummer werd geschreven door José María Cano voor de legendarische Spaanse popgroep Mecano en is terug te vinden op het album Entre el cielo y el suelo, dat in Spanje werd uitgebracht op 16 juni 1986.
Met zijn betoverende walsritme en theatrale orkestratie groeide het nummer al snel uit tot een gigantische internationale hit in Spanje, Latijns-Amerika en grote delen van Europa.
Dankzij het succes van de single Hijo de la Luna, uitgebracht op 25 juli 1987 in hun thuisland en in Frankrijk in 1988, werd de single bij ons uitgebracht in de winter van 1989.
De single bereikte bij ons de achttiende plaats in de Ultratop 50.
Om die plaats te bereiken, moesten ze wachten op een tweede poging in augustus 1990.
Dit dankzij Nederland, waar de single pas in juni 1990 de hitparade bereikte, om dan in juli uiteindelijk de derde plaats te bereiken in de Nederlandse Top 40.
Wat het nummer zo bijzonder maakt, is de duistere tekst die is opgebouwd als een klassiek volksverhaal.
De tekst van het nummer is enigszins geïnspireerd op de Romancero gitano van de dichter Federico García Lorca, die tijdens de Spaanse Burgeroorlog (1936) in Granada werd vermoord.
De universele dichter, die in de nacht van 18 op 19 augustus 1936 door de handen van falangisten om het leven kwam, schreef deze dichtbundel, geïnspireerd door de Andalusische volksziel en, meer in het bijzonder, door de wereld, de gebruiken en de symbolen die rond de zigeunergemeenschap draaien: de liefde, de jaloezie, de wraak, de maan…
Uit deze liefde voor de zigeunercultuur en uit deze thema’s over liefde, tragedie en dood ontstond zijn toneelstuk Bodas de sangre (geïnspireerd op Romeo en Julia).
Dit stuk werd in 1981 verfilmd door de regisseur Carlos Saura uit Aragón, en ook in 1963 door Francisco Rovira Beleta in Los Tarantos, met de dansers Antonio Gades en de bekende (zigeuner)danseres Carmen Amaya.
Het nummer vertelt het tragische sprookje van een zigeunervrouw die tot de volle maan bidt om een echtgenoot.
De maan verhoort haar wens, maar eist een duistere prijs: het eerste kind dat ze zal baren.
Wanneer de baby wordt geboren met een spierwitte huid en grijze ogen, vermoedt de vader overspel.
Hij steekt zijn vrouw dood en laat het kind alleen achter op een bergtop.
De maan ontfermt zich uiteindelijk over het kind, en elke keer als de baby huilt, verandert de maan in een sikkel om hem als een wiegje te wiegen.
We moeten rekening houden met de strenge wetten van de zigeunergemeenschap, die botsen met de hedendaagse ideeën over gendergelijkheid.
Toch moeten we de tekst analyseren vanuit het perspectief van die tijd en de betekenis ervan begrijpen.
De vrouw werd beschouwd als de matriarch, de schenker van het leven.
De maan, in de klassieke oudheid vertegenwoordigd door Diana, was de godin van de jagenden en behield haar maagdelijkheid.
Ze kon destijds dus geen kind baren.
Daarom heeft ze een andere vrouw nodig om haar er een te bezorgen. In de tragedie van Lorca zien we nog een voorbeeld van een vrouw die geen kinderen kan baren: Yerma.
In november 2002 blies de Belgisch-Spaanse zangeres Belle Perez deze klassieker nieuw leven in, waarvoor ze de krachten bundelde met de heren van de Belgische acapellagroep Voice Male.
Als dochter van Spaanse ouders paste de iconische ballade haar als een gegoten jas.
Waar het origineel van Mecano rust op een mystieke synthpop-sfeer met de heldere, gereserveerde stem van zangeres Ana Torroja, koos Perez samen met Voice Male voor een warmere, meer akoestische en vocaal gelaagde benadering.
Met haar krachtige stem, de harmonieuze begeleiding van de heren en subtiele flamenco-invloeden wisten ze het nummer een eigentijdse energie te geven.
De samenwerking werd een groot succes in Vlaanderen: de single piekte op de 8e plaats in de Ultratop 50 en klom zelfs op naar de 4e plek in de BRT Top 30.

Belle Perez in de P Magazine van 30 augustus 2001


Federico García Lorca werd in 1898 geboren in het Spaanse dorpje Fuente Vaqueros, dicht bij Granada.
Al op jonge leeftijd bleek zijn grote creativiteit, die zich aanvankelijk vooral uitte in zijn passie voor muziek en piano.
Toen hij in 1919 naar Madrid verhuisde om te gaan wonen in de beroemde studentenresidentie, kwam hij terecht in het bruisende hart van de Spaanse avant-garde.
Daar sloot hij hechte vriendschappen met kunstenaars als de schilder Salvador Dalí en de filmmaker Luis Buñuel. Buñuel, die later uitgroeide tot een van de meest baanbrekende en spraakmakende surrealistische regisseurs uit de filmgeschiedenis, deelde in die tijd een intense artistieke en intellectuele band met Lorca.
Hoewel hun artistieke visies later soms schuurden, beïnvloedden de ideeën van Buñuel over droomsymboliek en de scherpe maatschappijkritiek Lorca’s eigen zoektocht naar vernieuwing binnen de literaire wereld.
Deze inspirerende omgeving vormde de basis voor zijn doorbraak als een van de belangrijkste stemmen van de ‘Generación del 27’.
Deze Generación del 27 was een invloedrijke groep Spaanse dichters en kunstenaars die rond 1927 opkwam, het jaar waarin zij de driehonderdste sterfdag van de barokdichter Luis de Góngora eerden.
De beweging kenmerkte zich door een vernieuwende zoektocht naar een balans tussen de traditionele Spaanse volkspoëzie en de avant-gardistische stromingen van die tijd, zoals het surrealisme en het symbolisme.
In zijn literaire werk bracht Lorca de aloude volkstradities en folklore van zijn geliefde Andalusië samen met vernieuwende, moderne vormen.
Zijn dichtbundel ‘Romancero gitano’ uit 1928 maakte hem op slag beroemd.
Daarin vlocht hij hartstocht, verlangen, de maan en het noodlot naadloos aan elkaar. Een reis naar de Verenigde Staten inspireerde hem later tot het schrijven van ‘Poeta en Nueva York’, een veel duisterder werk waarin hij de kille mechanisering en het kapitalisme van de grote stad aan de kaak stelde.
Lorca was echter niet alleen dichter, maar ook een gedreven vernieuwer van het Spaanse theater.
Met zijn reizende toneelgezelschap ‘La Barraca’ trok hij langs dorpen op het platteland om klassieke Spaanse stukken toegankelijk te maken voor het gewone volk.
Later schreef hij zelf beroemde toneelstukken zoals ‘Bloedbruiloft’, ‘Yerma’ en ‘Het huis van Bernarda Alba’.
In deze drama’s stonden thema’s als maatschappelijke onderdrukking, onbeantwoorde liefde en de beklemmende rol van de vrouw centraal.

Het leven van Lorca eindigde tragisch op veel te jonge leeftijd.
Aan het begin van de Spaanse Burgeroorlog in 1936 werd hij in Granada gearresteerd door aanhangers van generaal Franco.
Vanwege zijn maatschappijkritische geest, zijn progressieve sympathieën en zijn openlijke homoseksualiteit werd hij als een gevaar voor het regime gezien.
Op achtendertigjarige leeftijd werd hij neergeschoten bij Víznar. Veel historici en biografen gaan uit van de nacht van 17 op 18 augustus of de vroege ochtend van 18 augustus 1936.
In andere bronnen en officiële documenten wordt vaak 19 augustus genoemd als de datum waarop zijn dood werd aangenomen.
Hoewel zijn werk tijdens de daaropvolgende dictatuur lang werd verboden, leeft zijn stem voort als een universeel symbool voor artistieke vrijheid.
Ter gelegenheid van de negentigjarige herdenking van zijn overlijden in 2026 worden in Spanje, en met name in Granada, diverse grootschalige culturele herdenkingen georganiseerd.
Een van de hoogtepunten is het stadsbrede artistieke project ‘Réquiem por Lorca’, waarin poëzie, muziek en voorstellingen samenkomen op historische locaties zoals de kathedraal van Granada en het Alhambra.
Daarnaast bewaart Spanje talloze fysieke sporen van de dichter.
In Granada zijn zijn geboortehuis ‘Museo Casa Natal’ in Fuente Vaqueros en zijn zomerhuis ‘Huerta de San Vicente’ ingericht als museum met originele meubels en manuscripten.
Het ‘Centro Federico García Lorca’ in het stadscentrum fungeert als modern archief en expositieruimte.
Ook in het straatbeeld is hij aanwezig, onder meer met een bronzen standbeeld op de Plaza de Santa Ana in Madrid en een ontspannen zitbeeld in Granada, terwijl het stiltepark tussen Víznar en Alfacar de plek markeert nabij waar hij in 1936 het leven liet.


Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag
Wat vandaag de dag als een eenvoudige aardrijkskundige feitelijkheid geldt, namelijk dat de Mont Blanc in de Alpen 4810 meter hoog is, was eeuwenlang een schier onoverkoombare uitdaging.
De ontzagwekkende berg, waarvan ongeveer een derde met sneeuw en ijs is bedekt, oefende een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op avonturiers.
Toch werd tot ver in de achttiende eeuw algemeen aangenomen dat de mens deze machtige top nooit zou kunnen bereiken.
Destijds noemde men de regio rond de berg zelfs het ‘Vervloekte Dal’ (Vallée Maudite), uit angst voor draken, demonen en de verraderlijke gletsjers.
Het was de jonge Zwitserse natuurkundige Horace-Bénédict de Saussure die de uitdaging besloot aan te gaan.
Hij was pas twintig jaar oud toen hij in 1760 Chamonix bezocht en zijn passie voor de Mont Blanc ontwaakte.
De Saussure gold later als een van de grondleggers van de moderne alpinismewetenschap.
Wat begon als een jeugdige ambitie, groeide uit tot een levenslange missie.
Hij loofde zelfs een flinke beloning uit voor degene die een begaanbare route naar de top kon vinden. Jarenlang verkende hij het terrein en ondernam hij talloze pogingen, maar zelfs in 1778 bleef hij ervan overtuigd dat de klim onmogelijk was.
Ondertussen waagden ook anderen hun kans.
In 1784 werd een hoogte van 4331 meter bereikt, en een jaar later moest De Saussure opnieuw onverrichter zake terugkeren.
En zoals dat vaker gaat, was het uiteindelijk een gedreven avonturier die de doorslag gaf: Jacques Balmat, een lokale jager en kristalzoeker uit het dal.
Gedreven door roem en de hoop op goud sloot hij zich in 1786 onverwachts aan bij drie ervaren klimmers.
Toen zijn tochtgenoten door zware tegenslagen besloten op te geven, zette Balmat alleen door.
Hij kwam tot op een paar honderd meter van de top voordat een zware avondstorm hem dwong om terug te keren en noodgedwongen op de gletsjer te overnachten.
Balmat wist nu dat het haalbaar was, maar hij had een getuige én medische expertise nodig voor de extreme hoogte.
Die vond hij in Michel-Gabriel Paccard, een dorpsdokter uit Chamonix die zelf ook al meerdere pogingen had ondernomen en geboeid was door hoogteziekte en drukmetingen.
Samen trokken ze eropuit en op 8 augustus 1786 stonden beide mannen eindelijk op de top van de Mont Blanc.
Het dagboek van dokter Paccard vermeldde er sober over dat ze om 18.23 uur aankwamen en om 18.57 uur weer vertrokken.
Ze stonden precies vierendertig minuten op het hoogste punt.
In het dal kende de vreugde geen grenzen toen het nieuws bekend werd.
De Saussure, de grote inspirator en financier van de expedities, wilde niets liever dan de prestatie aan de zijde van Balmat herhalen.
Pas op 3 augustus van het daaropvolgende jaar zag hij die droom in vervulling gaan, waarbij hij uitgebreide wetenschappelijke experimenten op de top uitvoerde.
Balmat bleef zijn leven lang geobsedeerd door de bergen en de gedachte dat er goud te vinden was.
Op tweeënzeventigjarige leeftijd kwam hij tijdens zo’n zoektocht om het leven in de Val de Sixt; zijn lichaam werd nooit teruggevonden.
Vandaag de dag worden zowel Jacques Balmat als De Saussure geëerd als de pioniers van de Mont Blanc, onder meer met een monument in Chamonix.
Ook vrouwen lieten niet lang op zich wachten.
De allereerste vrouw op de top was de lokale dienstmeid Marie Paradis op 14 juli 1808.
Ze werd door gidsen de berg op geholpen en bereikte de top in vrij slechte fysieke conditie.
Dertig jaar later, op 3 september 1838, volbracht de Franse adellijke sportvrouw Henriette d’Angeville als eerste vrouw op eigen kracht en met een minutieus voorbereide expeditie de zware klim, waarmee ze de bijnaam de Mont Blanc-bruid verwierf.
Leuk om te weten is dat de Mont Blanc tegenwoordig nog steeds een reus van formaat is, al schommelt zijn precieze hoogte door de veranderende ijskap op de top.
Daarnaast bevindt zich diep onder deze berg de beroemde Mont Blanctunnel, die Frankrijk en Italië sinds 1965 met elkaar verbindt.

Harry Haag James was een van de invloedrijkste en meest virtuoze trompettisten uit het swing- en bigbandtijdperk.
Dit jaar is het precies 110 jaar geleden dat hij werd geboren. Opgegroeid in het circus als zoon van een kapelmeester en een trapeze-artieste, stond hij als kind al op het podium.
Bij reizende gezelschappen zoals het Mighty Haag Circus en het Christy Brothers Circus begon zijn carrière op een heel bijzondere manier: als vierjarige werkte hij er als slangenmens onder de artiestennaam ‘the Human Eel’ (de Menselijke Aal), en als zevenjarige viel hij al in als drummer van de circusband.
Toen hij door een medische ingreep moest stoppen met acrobatiek, leerde hij onder de uiterst strenge leiding van zijn vader trompet spelen.
Dat bleek zijn ware roeping.
Op twaalfjarige leeftijd leidde hij in het circus al de tweede band van de show.
Dit zware circusleven gaf hem niet alleen een ijzersterke longinhoud en een feilloze techniek op de trompet, maar vormde ook de basis voor zijn unieke podiumuitstraling.
James speelde niet zomaar muziek; hij wist hoe hij een zaal moest inpalmen.
Met zijn rijke, uitgesproken vibrato, explosieve hoge noten en een doordringende, warme toon trok hij direct alle aandacht naar zich toe.
Hij combineerde een weergaloze virtuositeit met flair, dramatische dynamiek en een glamoureuze podiumaanwezigheid die het publiek betoverde.
Zijn stijl was niet ingetogen of schroomvallig, maar groots, meeslepend en gemaakt voor het vermaak van massa’s.
Zijn echte doorbraak kwam in 1936, toen hij toetrad tot het beroemde orkest van Benny Goodman.
Met zijn krachtige geluid en podiumuitstraling werd hij al snel een van de absolute blikvangers van het swingtijdperk.
In datzelfde jaar trouwde hij met de jazzzangeres Louise Tobin. Het huwelijk eindigde in 1943
In 1939 besloot James voor zichzelf te beginnen en richtte hij zijn eigen bigband op.
Dat bleek een gouden greep, want in datzelfde jaar ontdekte hij een nog onbekende 23-jarige zanger genaamd Frank Sinatra.
Samen namen ze nummers op als ‘All or Nothing at All’, wat een paar jaar later uitgroeide tot een gigantische hit.
Hoewel hij de swing toen niet volledig achter zich liet, werd zijn stijl geleidelijk commerciëler.
Virtuoze hoogstandjes als ‘Ciribiribin’ en ‘The Flight Of The Bumble Bee’ hielden hem nog een hele poos populair, en zijn technische vaardigheid dwong steevast respect af.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog beleefde Harry James zijn absolute commerciële hoogtepunt.
Met romantische en meeslepende krakers als ‘You Made Me Love You’ en ‘Sleepy Lagoon’ groeide zijn orkest uit tot de populairste band van Amerika.
Zijn status als superster werd nog verder versterkt door zijn privéleven en glamour.
In 1943 trouwde hij met Hollywood-icoon en pin-up Betty Grable, waarmee ze een van de beroemdste celebritykoppels van hun tijd vormden.
Ze hadden elkaar ontmoet tijdens de opnames van de muzikale film ‘Springtime in the Rockies’ (1942).
Het paar was een absolute publieksfavoriet en een geliefd onderwerp in de roddelbladen.
Onder de Amerikaanse soldaten tijdens de Tweede Wereldoorlog ontstond zelfs de bekende slogan: “I want a girl just like the girl that married Harry James”.
Samen kregen ze twee dochters, Victoria en Jessica.
Het huwelijk bleef uiteindelijk 22 jaar duren, maar was verre van een sprookje achter de schermen.
Het stel deelde grote passies buiten de muziek en film om; zo waren ze allebei verknocht aan paardenraces.
Ze bezaten hun eigen ranch in Calabasas en een stal met succesvolle volbloedracepaarden die diverse grote races wonnen.
Achter de schermen kampten ze echter allebei met overmatig alcoholgebruik, gokverslavingen en wederzijdse ontrouw.
In 1965 kwam er definitief een einde aan hun huwelijk met een echtscheiding, al bleven ze tot Betty’s overlijden in 1973 op vriendschappelijke voet met elkaar omgaan.
Twee jaar na zijn scheiding van Betty Grable stapte James op 27 december 1967 in Reno opnieuw in het huwelijksbootje.
Zijn derde vrouw was de 27-jarige Joan Boyd, een voormalige showgirl uit het bruisende nachtleven van Las Vegas, waar James in die tijd een graag geziene performer was.
Het leeftijdsverschil van maar liefst 24 jaar (James was destijds 51) en de opvallende verschijning van zijn minirok dragende bruid trokken veel aandacht in de pers.
Samen kregen ze één kind (een zoon, Michael), wat het totale aantal kinderen van James op vijf bracht.
Dit derde huwelijk bleek echter van zeer korte duur en hield geen stand: na ruim twee jaar vroeg Joan in maart 1970 de echtscheiding aan op grond van onoverkoombare verschillen.
Na de breuk met Joan Boyd bleef James ongehuwd tot aan zijn overlijden.

James was regelmatig te zien in muzikale Hollywoodfilms en vulde moeiteloos de grootste zalen.
Toch brokkelde zijn enorme populariteit na de oorlog langzaam af.
In de jaren vóór augustus 1961 was hij wat naar de achtergrond geraakt en dreigde hij te worden gezien als een van de vele ‘vergeten mannen van de jazz’.
Als kostwinner maakte hij zich daar waarschijnlijk geen zorgen om, want financieel zat hij er warmpjes bij.
Maar als gedreven musicus kon hij de tijd niet vergeten waarin hij zalen vol publiek in vervoering bracht met zijn feilloos swingende blaaswerk, met name in de tweede helft van de jaren dertig.
James besefte dit terdege en wilde zich er niet bij neerleggen.
Hij greep in en stapte over naar de nieuwe platenfirma MGM.
Met zijn album ‘Harry James And His New Swingin’ Band’, uitgebracht in 1959 en bij ons verkrijgbaar in 1960, liet hij zien dat hij zijn muzikale koers grondig verlegde.
Het album werd destijds door velen zelfs beschouwd als een van de beste bigband-albums van die periode.
Zijn ‘New Swingin’ Band’ zat ontegenzeggelijk sterk in elkaar. Alle elf nummers lieten de kwaliteit van het album horen: ‘Shiny Stockings’, ‘How Deep Is The Ocean’, ‘Slats’, ‘Blues Like’, ‘Cotton Tail’, ‘To Close For Comfort’, ‘Kingsize Blues’, ‘M-Squad Theme’, ‘Deep Purple’, ‘Walkin” en ‘Get Off The Stand’.
Het was pure swing, nauw verwant aan de stijl van Count Basie.
Het nummer ‘Get Off The Stand’ verdiende speciale aandacht. Ernie Wilkins, de vaste arrangeur van de band, schreef dit stuk op uitdrukkelijk verzoek van James.
Het begon met het voltallige orkest, waarna diverse solisten en secties achtereenvolgens werden gelanceerd om vervolgens stil te vallen, waarna uiteindelijk alleen de ritmesectie overbleef om het nummer af te sluiten.
Met deze indrukwekkende eerste MGM-langspeler liet Harry James zien dat zijn nieuwe band ruimschoots in staat was om hem definitief te bevrijden van het etiket ‘vergeten man van de jazz’.
Ook de opvolger ‘Harry James… Het album ‘Today!’ uit 1961 was meer dan goed.
Critici en pers merkten op dat Harry James met dit album de strijksectie en vocalisten achterwege liet om een rauwere, modernere bigband-sound neer te zetten.
De arrangementen (onder andere van Ernie Wilkins en Neal Hefti) leunden zwaar op de stuwende, bluesy swingstijl van Count Basie.
Recensenten benadrukken dat hij in deze periode zijn eerdere commerciële ‘schmaltz’ inruilde voor geloofwaardige en vlijmscherpe jazzsolo’s.
Zijn trompetspel was daarin krachtig en loepzuiver, wat onder meer te horen was op klassiekers als ‘Undecided’, ‘Satin Doll’, ‘King Porter Stomp’ en ‘Take the ‘A’ Train’.
Door over te schakelen op deze meer op jazz en strakke swing gerichte stijl bewees hij opnieuw zijn artistieke kracht en bleef hij tot kort voor zijn overlijden in 1983 vol passie optreden.
Toen bij James in 1983 kanker werd geconstateerd (maligne lymfoom), bleef hij doorspelen; zijn laatste concert gaf hij op 26 juni 1983, kort voor zijn overlijden.
In hetzelfde jaar werd hij opgenomen in de Georgia Music Hall of Fame.
Het orkest met de naam van Harry James is nog steeds actief en wordt geleid door de trompettist Fred Radke.
De inmiddels tachtigjarige trompettist staat al sinds 1989 onafgebroken aan het roer van deze legendarische bigband.
Hij nam destijds de leiding over na het overlijden van zijn mentor en oorspronkelijke bandleider Harry James in 1983.
Tijdens de optredens brengt het orkest nog altijd de originele arrangementen en de kenmerkende swing-sound uit het gouden bigband-tijdperk.
Radke neemt daarbij zelf de iconische trompetsolo’s van Harry James voor zijn rekening.
Ze treden nog regelmatig live op in theaters en concertzalen, voornamelijk binnen de Verenigde Staten.
In november 2026 keert Fred Radke bovendien terug als artist in residence bij het Hillsdale College in Michigan, een jaarlijkse traditie waarbij hij masterclasses geeft en concerten dirigeert.
