

Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek


De Boetprocessie van Veurne is een van de meest authentieke en ingetogen religieuze tradities in Vlaanderen.
Al sinds de zeventiende eeuw trekt deze historische omgang elke laatste zondag van juli door de straten van de West-Vlaamse boetestad, gedragen door een diepgeworteld gevoel van boetedoening en volksdevotie.
De oorsprong van de traditie ligt in het jaar 1637, toen de regio geteisterd werd door oorlogsgeweld en de pest.
In die donkere periode richtte Jacobijn Jacob Clou de Sodaliteit van de Gekruiste Zaligmaker op.
Deze broederschap stelde zich tot doel het lijden van Christus te herdenken en openlijk boete te doen om onheil af te wenden.
Sinds 1646 is de processie een vast gegeven in Veurne.
Wat de Boetprocessie zo indrukwekkend maakt, is het sobere en anonieme karakter.
De honderden boetelingen die deelnemen, lopen onherkenbaar mee, gehuld in sobere, bruine pijpen met een kap over het hoofd.
Velen van hen lopen blootsvoets en dragen zware, houten kruisen op de schouders als teken van persoonlijk offer en inkeer.
Hun identiteit blijft geheim, wat de focus volledig verlegt naar de innerlijke beleving en de boodschap van de processie.
De rijke geschiedenis van het evenement kent vele gedenkwaardige edities, zoals die van zondag 26 juli 1931.
Hoewel de processie die dag onder minder gunstige weersomstandigheden plaatsvond, lieten de deelnemers zich niet afschrikken.
Niettegenstaande de doorregende straten gingen vele kruisdragers op sandalen of blootsvoets in de optocht mee.
Tussen de groepen viel destijds de oude Pontius Pilatus op, die elk jaar trouw op zijn post was om zijn rol te vervullen.
Een ander aangrijpend moment was de val van Christus onder het kruis, een tafereel dat een diepe indruk van volkskunst achterliet bij het aanwezige publiek.
Die specifieke editie trok bovendien koninklijke belangstelling, zij het in alle discretie.
Ongemerkt voor de vele toeschouwers volgden aartshertog Otto van Oostenrijk en diens moeder keizerin Zita de rondgang van de Boetprocessie, leunend vanuit het balkon van een plaatselijk klooster.
Zita van Bourbon-Parma was de laatste keizerin van Oostenrijk en koningin van Hongarije.
Sinds de afzetting van haar echtgenoot keizer Karel I in 1918 en diens vroege overlijden in 1922 leefde zij met haar gezin in ballingschap.
Vanaf het overlijden van haar man droeg zij uit rouw uitsluitend nog zwarte kleding.
In 1929 kreeg de keizerlijke familie toestemming om zich in België te vestigen, waar zij warm werden onthaald door de Belgische koninklijke familie.
Ze vonden een veilig onderkomen in het kasteel De Ham in Steenokkerzeel, waar ze gedurende de jaren dertig woonden en van waaruit ze tijdens de zomermaanden regelmatig de Belgische kust bezochten voor hun vakanties.
Toen nazi-Duitsland in mei 1940 België binnenviel, liep de uitgesproken anti-nazistische familie echter opnieuw groot gevaar.
Ze moesten halsoverkop vluchten via Frankrijk en Spanje naar Portugal, om uiteindelijk de oversteek te maken naar het Amerikaanse continent.
Na de Tweede Wereldoorlog keerde keizerin Zita terug naar Europa, waar ze haar laatste levensjaren doorbracht in het Johannes-Stift in het Zwitserse Zizers.
Ze overleed daar op 14 maart 1989 op 96-jarige leeftijd, waarna haar lichaam werd overgebracht naar Wenen om te worden bijgezet in de Keizerlijke Crypte.
De oudste zoon, aartshertog Otto van Habsburg, was de voormalige kroonprins.
In juli 1931 was hij een jonge achttienjarige die in België studeerde aan de Katholieke Universiteit Leuven, waar hij in 1935 zijn doctoraat in de sociale en politieke wetenschappen zou behalen.
Voor het keizerlijke gezin, dat diep religieus was en sterke banden had met katholieke tradities, vormde de ingetogen en historische Boetprocessie in het nabijgelegen Veurne een passend moment van bezinning tijdens hun verblijf in Vlaanderen.
Otto van Habsburg zou later uitgroeien tot een van de meest invloedrijke Europese figuren van zijn tijd.
Tijdens de jaren 30 verzette hij zich fel tegen de Anschluss van Oostenrijk bij nazi-Duitsland.
Adolf Hitler liet hem hierom bij verstek ter dood veroordelen.
Otto vluchtte naar de Verenigde Staten, waar hij president Roosevelt waarschuwde voor het naziregime en hielp bij het redden van talloze Joodse vluchtelingen.
Pas in 1961 deed hij officieel afstand van zijn aanspraken op de Oostenrijkse troon om weer als staatsburger naar zijn vaderland te mogen reizen.
In 2007 droeg hij het hoofdschap van het Huis Habsburg over aan zijn oudste zoon, Karl van Habsburg.
Vanaf 1979 tot 1999 was hij voor de Beierse partij CSU lid van het Europees Parlement. Hij zette zich decennialang in voor de Europese integratie en de uitbreiding van de Europese Unie naar voormalige Oostbloklanden.
Tevens diende hij jarenlang als president van de Internationale Paneuropese Unie, een van de oudste Europese eenwordingsbewegingen.
Na zijn overlijden in 2011 in het Duitse Pöcking werd zijn lichaam met traditionele keizerlijke pracht en praal bijgezet in de Keizerlijke Crypte in Wenen, terwijl zijn hart volgens oud familieritueel werd begraven in de Abdij van Pannonhalma in Hongarije.
Het evenement bestaat in de basis uit twee grote delen. In de voormiddag trekken de groepen in historische klederdracht rond om bijbelse taferelen uit te beelden, met een sterke nadruk op het Oude en Nieuwe Testament en het lijdensverhaal van Jezus.
Na de middag volgt de eigenlijke Boetprocessie, waarin de anonieme kruisdragers de hoofdrol spelen, begeleid door het monotone en indringende geluid van trommels.
Ondanks de modernisering van de samenleving blijft de Boetprocessie van Veurne een levend monument.
Het evenement trekt jaarlijks duizenden bezoekers en staat sinds 2009 officieel erkend als immaterieel cultureel erfgoed in Vlaanderen.
Het is een zeldzaam bewaard gebleven uiting van barokke boetevroomheid die generatie op generatie wordt doorgegeven.
Vandaag, op zondag 26 juli 2026, trekt deze eeuwenoude en diepgaande traditie opnieuw door het historische centrum van de stad.
Exact 95 jaar na de legendarische en doorregende editie waarbij de keizerlijke familie stilletjes toekeek, zullen de anonieme boetelingen en de zware houten kruisen weerom het straatbeeld bepalen om deze unieke uiting van volksgeloof levend te houden.

De 25e editie van de Ronde van Frankrijk, verreden in de zomer van 1931, staat bekend als een van de meest slopende en heroïsche edities uit de vroege geschiedenis van de wielersport.
Met een totale afstand van maar liefst 5091 kilometer, verdeeld over 24 etappes, was deze editie een ware uitputtingsslag, waarbij de renners tegen de klok en elkaar streden op loodzware wegen.
Dit enorme aantal kilometers staat in schril contrast met de moderne wielersport.
Waar de renners in 1931 nog 5091 kilometer moesten overbruggen, is de huidige Ronde van Frankrijk, de editie van 2026, een totale afstand van 3320,7 kilometer.
Destijds was het bovendien het tweede jaar dat de Tour met nationale ploegen reed in plaats van individuele sponsors, wat zorgde voor een felle strijd tussen de grote wielerbuurlanden Frankrijk, België en Italië.
In 1931 stonden er slechts 6 officiële nationale ploegen aan de start, aangevuld met een grote groep individuele renners.
De vier grote wielerlanden Frankrijk, België, Italië en Duitsland stuurden elk een ploeg van 8 renners. Daarnaast was er een gecombineerd team van Australië en Zwitserland met elk 4 renners, en nam Spanje deel met slechts 1 enkele renner.
Nederland schitterde in die tijd door afwezigheid en had geen nationale ploeg aan de start.
In deze beginperiode van de Tour met landenploegen was het wegwielrennen in Nederland nog lang niet zo populair of professioneel ontwikkeld als in de omringende landen.
De sportieve focus lag in Nederland destijds vooral op het baanwielrennen, waar wel grote successen werden geboekt.
Het zou nog tot 1936 duren voordat er voor het eerst een Nederlandse afvaardiging aan de start van de Tour verscheen, destijds met renners als Albert van Schendel en Theo Middelkamp, die toen direct de allereerste Nederlandse etappezege wisten op te eisen.
Dit alles bracht het deelnemersveld van 1931 op 41 ploegrenners, die werden vergezeld door 40 onafhankelijke renners, de zogenaamde touriste-routiers, wat zorgde voor een bescheiden peloton van 81 renners in totaal.
Hoe anders is dat in de editie van 2026, waar 23 professionele merkenteams aan de start verschijnen met elk 8 renners, wat resulteert in een gigantisch en strak georganiseerd peloton van 184 renners.
In het begin van de ronde domineerden de sprinters in de vlakke ritten, maar het spektakel begon pas echt toen de bergen opdoemden.
Een gedenkwaardig moment vond plaats in de tweede etappe, toen de Oostenrijkse individuele renner Max Bulla geschiedenis schreef.
Hoewel de individuele renners tien minuten later waren gestart dan de nationale ploegen, slaagde Bulla erin om iedereen in te halen en de etappe te winnen.
Hierdoor pakte hij als enige onafhankelijke renner ooit in de geschiedenis de gele trui.
Het klassement kreeg zijn definitieve vorm in de loodzware Pyreneeën.
Tijdens de negende etappe van Pau naar Luchon ontbond de Franse renner Antonin Magne zijn duivels.
Hij viel aan op de flanken van de legendarische Tourmalet, nam de leiding in de wedstrijd en veroverde de gele trui. Magne, die bekendstond om zijn tactische inzicht en methodische manier van rijden, werd gesteund door een ijzersterke Franse ploeg met onder anderen Charles Pélissier.
Na deze slopende ritten was er voor de renners van de luxe van moderne hotels absoluut geen sprake.
Hoewel ze na een etappe ergens moesten slapen, was de realiteit uiterst sober.
De ploegen huurden meestal eenvoudige kamers in goedkope lokale herbergen of kleine familiehotels langs de route.
Omdat er vaak niet genoeg bedden waren, moesten renners de kamers en soms zelfs de bedden met elkaar delen.
Na een rit van driehonderd kilometer kropen twee renners dan samen in een krap bed.
Ook de hygiëne liet te wensen over, want kamers met eigen warm stromend water waren er amper.
Renners moesten zich vaak behelpen met een teil koud water op de binnenplaats of een gedeelde kraan op de gang. Van een echt sportdieet was evenmin sprake; men at gewoon de zware kost die de lokale herberg serveerde.

Niet alleen het comfort, maar ook het prijzengeld was van een heel andere orde dan vandaag de dag. In 1931 bedroeg de eerste prijs voor de eindwinnaar van het algemeen klassement 25.000 Franse frank, uit een totale prijzenpot van 650.000 Franse frank.
Gecorrigeerd naar de huidige koopkracht was die hoofdprijs toen ongeveer 15.000 tot 20.000 euro waard.
Dit staat in schril contrast met de editie van 2026, waarin de totale prijzenpot ruim 2,3 miljoen euro bedraagt en de uiteindelijke winnaar maar liefst 500.000 euro mee naar huis neemt.
In de Alpen en tijdens de latere vlakke ritten werd de Franse leider constant bestookt door zijn naaste belagers.
Vooral de Belg Jef Demuysere en de Italiaan Antonio Pesenti gaven zich niet zomaar gewonnen.
Demuysere bleef aanvallen opzetten en won meerdere zware ritten, maar Magne gaf geen krimp.
In de voorlaatste etappe, die over de gevreesde kasseien in het noorden van Frankrijk voerde, probeerden de Belgen een beslissende slag te slaan.
Magne wist echter stand te houden door constant aan het wiel van Demuysere te blijven kleven.

Uiteindelijk eindigde de loodzware koers op 26 juli 1931 in het legendarische Prinsenpark, oftewel het Parc des Princes in Parijs.
In die tijd stroomde de wielerbaan van dit stadion traditiegetrouw bomvol met tienduizenden enthousiaste toeschouwers om de helden van de weg na weken van afzien te huldigen.
Na alle kilometers over onverharde wegen en kasseien konden de renners nog een paar laatste rondjes over de houten piste rijden voor het oog van de massa.
Het was in deze historische ambiance dat Antonin Magne als grote triomfator werd binnengehaald, met een voorsprong van bijna dertien minuten op Demuysere en ruim tweeëntwintig minuten op Pesenti.
Het betekende de eerste van zijn twee Tourzeges en een groot feest voor het Franse publiek.
De Belgen grepen met Demuysere, Gaston Rebry en Maurice De Waele weliswaar net naast de individuele hoofdprijs, maar zij namen wel de troostprijs mee naar huis door het ploegenklassement op hun naam te schrijven

