Vandaag, 95 jaar geleden, een spoorwegramp te Lichtervelde

Op dinsdag 25 augustus 1931 ontspoorde sneltrein 453 rond 9.35 uur op zo’n driehonderd meter van het station van Lichtervelde. De trein was om 7.43 uur vertrokken uit Antwerpen-Centraal met als eindbestemming Adinkerke-De Panne.

Bij de ramp kwam de stoker ter plaatse om het leven. Een reiziger liep zware verwondingen op en overleed later die middag, terwijl zo’n vijfenveertig reizigers licht- tot zwaargewond raakten.

Dat er niet nog meer dodelijke slachtoffers vielen, was uitsluitend te danken aan het feit dat de wagons van het nieuwste type waren en volledig uit staal bestonden.

Enkele uren na het ongeluk bood de rampplek een troosteloze aanblik. De locomotief en de tender lagen gekanteld midden op het spoor en de vijf wagons staken links en rechts schuin in de grond. Zware spoorstaven waren als ijzerdraadjes verbogen en het wachthuisje van de overweg lag als een kaartenhuisje in gruis.

Spoorwegwachter Emma Slagaert vertelde dat ze haar cabine net had verlaten toen de trein eraan kwam. Na een scherp geluid volgde een oorverdovende knal en luid gegil.

Ze reageerde alert door zich snel in een gracht naast het spoor te werpen. Hoewel ze onder het steengruis en de telefoondraden bedolven raakte, bleef ze als door een wonder ongedeerd.

De 35-jarige stoker Jan Ceuterickx uit Antwerpen werd onder de kolen vandaan gehaald.

Hij bleek te zijn overleden door het kokende water uit de stoomketel.

De machinist overleefde het ongeluk zonder kleerscheuren, omdat hij zich stevig had vastgeklemd aan de stuurhendel van zijn machine.

Een 79-jarige reiziger uit Deurne, Petrus Hendrickx, liep een ernstige schedelbreuk op. Hij overleed ’s middags in het Heilig Hartziekenhuis in Roeselare, waar hij naartoe was gebracht voor verzorging.

De overige gewonden kwamen er vanaf met lichte breuken, kneuzingen of snijwonden door rondvliegende glasscherven.

Het parket van Brugge en verschillende deskundigen kwamen ter plaatse voor onderzoek. Daar ontdekten ze dat de snelheidsmeter van de locomotief, die de snelheid registreert, opvallend genoeg verdwenen was. De machinist, Karel Horent, werd hierover verhoord, maar kon geen verklaring geven.

Hij werd daarop aangehouden op verdenking van rijden met overmatige snelheid.

De rijkswachtbrigade van Torhout zette een speciale ordedienst in om de duizenden nieuwsgierigen op afstand te houden. De spoorwegramp veroorzaakte immers grote opschudding in het hele land.

De verslaggeving van het drama werd onder meer opgetekend door journalist Gustaaf Haché, die schreef onder het pseudoniem Staf Hapke.

Hij kwam reeds een paar uur na de feiten ter plaatse om de situatie met eigen ogen vast te leggen. Uit bijkomende getuigenissen bleek ook dat zich in de voorlaatste wagon een complete schoolkolonie bevond.

Deze wagon werd door de klap weggeslingerd en vernielde daarbij het houten spoorwachtershuisje. Dankzij het feit dat de Belgische spoorwegen kort tevoren waren overgeschakeld op volstalen rijtuigen voor hun internationale en nationale sneltreinen, bleven de inzittenden van de schoolkolonie gespaard van een nog groter bloedbad.

Vandaag, 95 jaar geleden, vond de 12de IJzerbedevaart plaats

De twaalfde IJzerbedevaart vond plaats op drieëntwintig augustus 1931 in Diksmuide.

Een jaar na de plechtige inwijding van de eerste IJzertoren in 1930 kwamen opnieuw tienduizenden Vlaamse pelgrims, veteranen en sympathisanten samen aan de oevers van de IJzer.

Deze jaarlijkse bijeenkomst stond in het teken van de herdenking van de Vlaamse soldaten die waren gesneuveld tijdens de Eerste Wereldoorlog.

De editie van 1931 versterkte de rol van het IJzermonument als centraal symbool voor het Vlaams-nationale bewustzijn en de Vlaamse cultuureisen.

Gedragen door de bekende leuzen ‘Alles voor Vlaanderen’, ‘Vlaanderen voor Christus’ en ‘Nooit meer Oorlog’, verbond het evenement de roep om Vlaamse ontvoogding met pacificatiedrang en christelijke waarden.

De bijeenkomst kenmerkte zich door toespraken, gezangen en vlaggenhuldes, en verankerde de IJzerbedevaart definitief als een van de meest bepalende massamanifestaties van het interbellum in Vlaanderen.

Het absolute hoogtepunt van deze twaalfde bedevaart was de onthulling van het imposante monumentale standbeeld ter ere van de Vlaamse soldaat Renaat De Rudder.

Dit imposante werk werd geplaatst als een van de hoekpijlers aan de voet van de IJzertoren en was het eerste van een reeks monumentale hoekbeelden die het Vlaamse IJzerleed moesten symboliseren.

Het standbeeld werd ontworpen door de Vlaamsgezinde beeldhouwer Karel Aubroeck.

Aubroeck, geboren in Temse in 1894, was een expressionistisch kunstenaar en oud-frontsoldaat die bekendstond om zijn monumentale constructivistische stijl en het gebruik van robuuste materialen.

Voor het beeld van De Rudder maakte hij gebruik van een vernieuwende en technisch uitdagende techniek waarbij een mozaïek van keien en gietbeton werd gecombineerd. Aubroecks gestileerde vormgeving gaf het figuur een krachtige expressie.

De Rudder werd afgebeeld met geboeide handen die ondanks de ketenen vlugschriften omklemden en naar boven reikten, als verbeelding van het idee dat het ideaal stijgt boven de lichamelijke geknevelijkheid.

Het beeld bracht een eerbetoon aan Renaat De Rudder, een jonge oorlogsvrijwilliger uit Oostakker die studeerde aan het Sint-Vincentiuscollege in Eeklo.

Aan het front sloot De Rudder zich aan bij de Vlaamsgezinde Frontbeweging, richtte hij het frontblad ‘De IJzerkerels’ op en verspreidde hij Vlaamsgezinde vlugschriften.

In december 1917 kwam hij op twintigjarige leeftijd om het leven na een incident tijdens een verkenningstocht in niemandsland.

Na de oorlog groeide hij uit tot een van de grote IJzersymbolen en werd zijn nagedachtenis een symbool voor het strijdbare Vlaams-nationalisme.

Precies 240 jaar geleden, op 8 augustus 1786, werd de hoogste bergtop van Europa voor het eerst bedwongen.

Wat vandaag de dag als een eenvoudige aardrijkskundige feitelijkheid geldt, namelijk dat de Mont Blanc in de Alpen 4810 meter hoog is, was eeuwenlang een schier onoverkoombare uitdaging.

De ontzagwekkende berg, waarvan ongeveer een derde met sneeuw en ijs is bedekt, oefende een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op avonturiers.

Toch werd tot ver in de achttiende eeuw algemeen aangenomen dat de mens deze machtige top nooit zou kunnen bereiken.

Destijds noemde men de regio rond de berg zelfs het ‘Vervloekte Dal’ (Vallée Maudite), uit angst voor draken, demonen en de verraderlijke gletsjers.

Het was de jonge Zwitserse natuurkundige Horace-Bénédict de Saussure die de uitdaging besloot aan te gaan.

Hij was pas twintig jaar oud toen hij in 1760 Chamonix bezocht en zijn passie voor de Mont Blanc ontwaakte.

De Saussure gold later als een van de grondleggers van de moderne alpinismewetenschap.

Wat begon als een jeugdige ambitie, groeide uit tot een levenslange missie.

Hij loofde zelfs een flinke beloning uit voor degene die een begaanbare route naar de top kon vinden. Jarenlang verkende hij het terrein en ondernam hij talloze pogingen, maar zelfs in 1778 bleef hij ervan overtuigd dat de klim onmogelijk was.

Ondertussen waagden ook anderen hun kans.

In 1784 werd een hoogte van 4331 meter bereikt, en een jaar later moest De Saussure opnieuw onverrichter zake terugkeren.

En zoals dat vaker gaat, was het uiteindelijk een gedreven avonturier die de doorslag gaf: Jacques Balmat, een lokale jager en kristalzoeker uit het dal.

Gedreven door roem en de hoop op goud sloot hij zich in 1786 onverwachts aan bij drie ervaren klimmers.

Toen zijn tochtgenoten door zware tegenslagen besloten op te geven, zette Balmat alleen door.

Hij kwam tot op een paar honderd meter van de top voordat een zware avondstorm hem dwong om terug te keren en noodgedwongen op de gletsjer te overnachten.

Balmat wist nu dat het haalbaar was, maar hij had een getuige én medische expertise nodig voor de extreme hoogte.

Die vond hij in Michel-Gabriel Paccard, een dorpsdokter uit Chamonix die zelf ook al meerdere pogingen had ondernomen en geboeid was door hoogteziekte en drukmetingen.

Samen trokken ze eropuit en op 8 augustus 1786 stonden beide mannen eindelijk op de top van de Mont Blanc.

Het dagboek van dokter Paccard vermeldde er sober over dat ze om 18.23 uur aankwamen en om 18.57 uur weer vertrokken.

Ze stonden precies vierendertig minuten op het hoogste punt.

In het dal kende de vreugde geen grenzen toen het nieuws bekend werd.

De Saussure, de grote inspirator en financier van de expedities, wilde niets liever dan de prestatie aan de zijde van Balmat herhalen.

Pas op 3 augustus van het daaropvolgende jaar zag hij die droom in vervulling gaan, waarbij hij uitgebreide wetenschappelijke experimenten op de top uitvoerde.

Balmat bleef zijn leven lang geobsedeerd door de bergen en de gedachte dat er goud te vinden was.

Op tweeënzeventigjarige leeftijd kwam hij tijdens zo’n zoektocht om het leven in de Val de Sixt; zijn lichaam werd nooit teruggevonden.

Vandaag de dag worden zowel Jacques Balmat als De Saussure geëerd als de pioniers van de Mont Blanc, onder meer met een monument in Chamonix.

Ook vrouwen lieten niet lang op zich wachten.

De allereerste vrouw op de top was de lokale dienstmeid Marie Paradis op 14 juli 1808.

Ze werd door gidsen de berg op geholpen en bereikte de top in vrij slechte fysieke conditie.

Dertig jaar later, op 3 september 1838, volbracht de Franse adellijke sportvrouw Henriette d’Angeville als eerste vrouw op eigen kracht en met een minutieus voorbereide expeditie de zware klim, waarmee ze de bijnaam de Mont Blanc-bruid verwierf.

Leuk om te weten is dat de Mont Blanc tegenwoordig nog steeds een reus van formaat is, al schommelt zijn precieze hoogte door de veranderende ijskap op de top.

Daarnaast bevindt zich diep onder deze berg de beroemde Mont Blanctunnel, die Frankrijk en Italië sinds 1965 met elkaar verbindt.

Vandaag, 95 jaar geleden, vond de aankomst van de Ronde van Frankrijk plaats in Parijs.

De 25e editie van de Ronde van Frankrijk, verreden in de zomer van 1931, staat bekend als een van de meest slopende en heroïsche edities uit de vroege geschiedenis van de wielersport.

Met een totale afstand van maar liefst 5091 kilometer, verdeeld over 24 etappes, was deze editie een ware uitputtingsslag, waarbij de renners tegen de klok en elkaar streden op loodzware wegen.

Dit enorme aantal kilometers staat in schril contrast met de moderne wielersport.

Waar de renners in 1931 nog 5091 kilometer moesten overbruggen, is de huidige Ronde van Frankrijk, de editie van 2026, een totale afstand van 3320,7 kilometer.

Destijds was het bovendien het tweede jaar dat de Tour met nationale ploegen reed in plaats van individuele sponsors, wat zorgde voor een felle strijd tussen de grote wielerbuurlanden Frankrijk, België en Italië.

In 1931 stonden er slechts 6 officiële nationale ploegen aan de start, aangevuld met een grote groep individuele renners.

De vier grote wielerlanden Frankrijk, België, Italië en Duitsland stuurden elk een ploeg van 8 renners. Daarnaast was er een gecombineerd team van Australië en Zwitserland met elk 4 renners, en nam Spanje deel met slechts 1 enkele renner.

Nederland schitterde in die tijd door afwezigheid en had geen nationale ploeg aan de start.

In deze beginperiode van de Tour met landenploegen was het wegwielrennen in Nederland nog lang niet zo populair of professioneel ontwikkeld als in de omringende landen.

De sportieve focus lag in Nederland destijds vooral op het baanwielrennen, waar wel grote successen werden geboekt.

Het zou nog tot 1936 duren voordat er voor het eerst een Nederlandse afvaardiging aan de start van de Tour verscheen, destijds met renners als Albert van Schendel en Theo Middelkamp, die toen direct de allereerste Nederlandse etappezege wisten op te eisen.

Dit alles bracht het deelnemersveld van 1931 op 41 ploegrenners, die werden vergezeld door 40 onafhankelijke renners, de zogenaamde touriste-routiers, wat zorgde voor een bescheiden peloton van 81 renners in totaal.

Hoe anders is dat in de editie van 2026, waar 23 professionele merkenteams aan de start verschijnen met elk 8 renners, wat resulteert in een gigantisch en strak georganiseerd peloton van 184 renners.

In het begin van de ronde domineerden de sprinters in de vlakke ritten, maar het spektakel begon pas echt toen de bergen opdoemden.

Een gedenkwaardig moment vond plaats in de tweede etappe, toen de Oostenrijkse individuele renner Max Bulla geschiedenis schreef.

Hoewel de individuele renners tien minuten later waren gestart dan de nationale ploegen, slaagde Bulla erin om iedereen in te halen en de etappe te winnen.

Hierdoor pakte hij als enige onafhankelijke renner ooit in de geschiedenis de gele trui.

Het klassement kreeg zijn definitieve vorm in de loodzware Pyreneeën.

Tijdens de negende etappe van Pau naar Luchon ontbond de Franse renner Antonin Magne zijn duivels.

Hij viel aan op de flanken van de legendarische Tourmalet, nam de leiding in de wedstrijd en veroverde de gele trui. Magne, die bekendstond om zijn tactische inzicht en methodische manier van rijden, werd gesteund door een ijzersterke Franse ploeg met onder anderen Charles Pélissier.

Na deze slopende ritten was er voor de renners van de luxe van moderne hotels absoluut geen sprake.

Hoewel ze na een etappe ergens moesten slapen, was de realiteit uiterst sober.

De ploegen huurden meestal eenvoudige kamers in goedkope lokale herbergen of kleine familiehotels langs de route.

Omdat er vaak niet genoeg bedden waren, moesten renners de kamers en soms zelfs de bedden met elkaar delen.

Na een rit van driehonderd kilometer kropen twee renners dan samen in een krap bed.

Ook de hygiëne liet te wensen over, want kamers met eigen warm stromend water waren er amper.

Renners moesten zich vaak behelpen met een teil koud water op de binnenplaats of een gedeelde kraan op de gang. Van een echt sportdieet was evenmin sprake; men at gewoon de zware kost die de lokale herberg serveerde.

Niet alleen het comfort, maar ook het prijzengeld was van een heel andere orde dan vandaag de dag. In 1931 bedroeg de eerste prijs voor de eindwinnaar van het algemeen klassement 25.000 Franse frank, uit een totale prijzenpot van 650.000 Franse frank.

Gecorrigeerd naar de huidige koopkracht was die hoofdprijs toen ongeveer 15.000 tot 20.000 euro waard.

Dit staat in schril contrast met de editie van 2026, waarin de totale prijzenpot ruim 2,3 miljoen euro bedraagt en de uiteindelijke winnaar maar liefst 500.000 euro mee naar huis neemt.

In de Alpen en tijdens de latere vlakke ritten werd de Franse leider constant bestookt door zijn naaste belagers.

Vooral de Belg Jef Demuysere en de Italiaan Antonio Pesenti gaven zich niet zomaar gewonnen.

Demuysere bleef aanvallen opzetten en won meerdere zware ritten, maar Magne gaf geen krimp.

In de voorlaatste etappe, die over de gevreesde kasseien in het noorden van Frankrijk voerde, probeerden de Belgen een beslissende slag te slaan.

Magne wist echter stand te houden door constant aan het wiel van Demuysere te blijven kleven.

Uiteindelijk eindigde de loodzware koers op 26 juli 1931 in het legendarische Prinsenpark, oftewel het Parc des Princes in Parijs.

In die tijd stroomde de wielerbaan van dit stadion traditiegetrouw bomvol met tienduizenden enthousiaste toeschouwers om de helden van de weg na weken van afzien te huldigen.

Na alle kilometers over onverharde wegen en kasseien konden de renners nog een paar laatste rondjes over de houten piste rijden voor het oog van de massa.

Het was in deze historische ambiance dat Antonin Magne als grote triomfator werd binnengehaald, met een voorsprong van bijna dertien minuten op Demuysere en ruim tweeëntwintig minuten op Pesenti.

Het betekende de eerste van zijn twee Tourzeges en een groot feest voor het Franse publiek.

De Belgen grepen met Demuysere, Gaston Rebry en Maurice De Waele weliswaar net naast de individuele hoofdprijs, maar zij namen wel de troostprijs mee naar huis door het ploegenklassement op hun naam te schrijven

Het Steen in Elewijt, ook bekend als het Rubenskasteel, kent een rijke geschiedenis die nauw verbonden is met de landschappen rondom Mechelen en de latere levensjaren van de beroemde barokschilder Peter Paul Rubens.

De oorsprong van het domein gaat ver terug tot de middeleeuwen.

Al in de elfde of twaalfde eeuw stond op deze strategische plek een houten of stenen burcht, die diende als een versterkte grensmoerasburcht om de regio te beschermen.

In de loop van de veertiende eeuw werd dit complex herbouwd tot een stevige burcht van zandsteen, waaraan het kasteel zijn naam Het Steen dankt. Het deed in die tijd ook dienst als gevangenis en garnizoenspost.

De meest glansrijke periode voor het kasteel brak aan in mei 1635. Peter Paul Rubens, destijds een gevierd diplomaat en schilder op leeftijd, kocht het zwaar vervallen middeleeuwse slot en de omliggende gronden voor een bedrag van 14.000 guldens.

Hij was kort daarvoor getrouwd met zijn jonge tweede vrouw, Hélène Fourment, en zocht een rustig buitenverblijf buiten Antwerpen om te ontsnappen aan de stadsdrukte en zijn opspelende jicht.

Rubens droeg bij de aankoop van het kasteel al een indrukwekkende internationale carrière met zich mee, want hij was veel meer dan alleen een begenadigd kunstenaar.

Als meertalige, erudiete en charmante verschijning groeide hij uit tot een van de belangrijkste diplomaten van zijn tijd.

De aartshertogen Albrecht en Isabella van de Spaanse Nederlanden merkten zijn talenten op en zetten hem in voor delicate internationale missies.

Zijn schildersatelier diende vaak als de perfecte dekmantel; terwijl hij vorsten en edellieden portretteerde, voerde hij ondertussen discrete politieke gesprekken.

Zijn diplomatieke meesterstukken vonden plaats tussen 1627 en 1630, toen hij een sleutelrol speelde in het tot stand brengen van vrede tussen Spanje en Engeland.

Hij reisde hiervoor naar de hoven in Madrid en Londen, waar hij diepe indruk maakte op zowel de Spaanse koning Filips de Vierde als de Engelse koning Karel de Eerste.

Als dank voor zijn succesvolle bemiddeling sloegen beide koningen hem tot ridder, een uitzonderlijke eer voor een kunstenaar.

Ondanks zijn successen raakte Rubens in de vroege jaren dertig vermoeid door de complexe intriges aan het hof, waarna hij besloot zich grotendeels uit de actieve diplomatie terug te trekken en zich te richten op zijn gezinsleven en de schilderkunst.

Rubens liet het kasteel ingrijpend verbouwen in de stijl van de Vlaamse renaissancestructuur.

Hij voegde onder andere de karakteristieke trapgevels toe en liet de ramen vergroten om meer licht binnen te laten.

Hoewel de zware zandstenen muren aan de basis behouden bleven, transformeerde het complex van een grimmige middeleeuwse burcht naar een elegant ogend herenhuis op het platteland.

De omgeving van Elewijt inspireerde Rubens enorm tijdens zijn laatste levensjaren.

In deze periode schilderde hij minder religieuze of mythologische taferelen en richtte hij zich volop op de natuur.

Beroemde meesterwerken zoals Herfstlandschap met uitzicht op Het Steen en De runderenwal weerspiegelen direct de weidse weilanden, bossen en sfeer rondom zijn buitenverblijf.

Nadat Rubens in 1626 zijn eerste vrouw Isabella Brant had verloren, hertrouwde de inmiddels 53-jarige kunstenaar in december 1630 met de pas 16-jarige Hélène Fourment.

Hélène werd geboren in Antwerpen op 11 april 1614 als de jongste dochter van de welgestelde tapijten- en zijdehandelaar Daniël Fourment en Clara de Stot.

Haar legendarische schoonheid betoverde de ouder wordende schilder volledig, en ze werd al snel zijn ultieme muze.

Rubens vereeuwigde haar weelderige gedaante in talloze beroemde schilderijen, zoals Het pelsken, Hélène Fourment met haar kinderen en de monumentale Tuin van de liefde.

Samen kregen ze vijf kinderen, van wie de jongste werd geboren na het overlijden van de schilder.

Na de dood van Rubens in 1640 bleef Hélène Fourment nog enige tijd op het kasteel wonen.

Ze weigerde uit respect voor zijn nalatenschap een aantal zeer persoonlijke en intieme naaktschilderingen die hij van haar had gemaakt te verkopen, al werden sommige later alsnog verspreid.

Enkele jaren later hertrouwde ze met de diplomaat Jan Baptist van Broechoven, met wie ze nog vijf kinderen kreeg.

Ze speelde hierdoor een prominente rol in de Antwerpse en Brusselse hoogste kringen tot aan haar overlijden in Brussel op 15 juli 1673.

In de eeuwen daarna wisselde het domein herhaaldelijk van eigenaar.

Tijdens de achttiende eeuw onderging het interieur aanpassingen in de classicistische stijl en in de negentiende eeuw volgde een ingrijpende neogotische restauratie, die het kasteel zijn huidige uiterlijk gaf met behoud van de herkenbare renaissancetrekken die Rubens had achtergelaten.

Het kasteel en de omliggende gronden kwamen in de 20e eeuw onder druk te staan door verstedelijking en de verkoop van gronden.

Dit leidde tot bezorgdheid over het behoud van het historische domein.

In juli 1936 publiceerde het weekblad “De Stad” een paginagroot artikel, met diverse foto’s die het kasteel en de omgeving in beeld brachten.

De tekst uitte felle kritiek op het feit dat een dergelijk nationaal erfgoed aan de hoogstbiedende werd verkocht, en verwees naar de verkoop van andere historische panden die voor het land verloren gingen.

De bezorgdheid betrof ook de integriteit van het domein, dat “niet verkaveld, of nog ten dele verkocht mag worden”.

De actie in “De Stad” was een voorloper van de strijd voor het behoud van cultureel erfgoed en getuigt van de groeiende publieke bewustwording van de waarde van het Rubenskasteel.

Ondanks de oproep werd het kasteel uiteindelijk toch verkocht aan private kopers.

Pas in 2019 werd het kasteel aangekocht door Toerisme Vlaanderen, met als doel het monumentale erfgoed en de omliggende natuur te herstellen en open te stellen voor het publiek.

Hoewel ook vandaag het kasteel nog een sprookjesachtig monument is, omringd door een park van 26 hectare, is het kasteel op dit moment niet open voor het publiek.

Want een restauratie drong zich op en de Vlaamse regering doet daarvoor een beroep op Herita, een gespecialiseerde erfgoedorganisatie die al een resem kastelen en andere erfgoedlocaties in Vlaanderen beheert.

De bedoeling is dat het kasteeldomein tegen 2029 in ere is hersteld.

De buitenkant en de rentmeesterwoning worden gerestaureerd, en de orangerie krijgt een nieuwe functie als onthaal, waar bezoekers het verhaal van Rubens kunnen ontdekken

Foto van een Nijlpaard in de poelen van de Kongo rivier en foto’s en postkaarten van mijn oude bomma.

Vanaf deze week neem ik jullie mee naar het prachtige Congo, het land waar mijn overgrootmoeder, de grootmoeder van mijn stiefvader, samen met haar toenmalige Amerikaanse echtgenoot, enkele jaren heeft gewoond.

Wij, haar achterkleinkinderen, noemden haar “oude bomma”. Via oude foto’s en ansichtkaarten van mijn “oude bomma” en haar man ontdekken we dit fascinerende land.

De Congo-rivier is de waterrijkste rivier van Afrika en, na de Nijl, de langste.

De rivier, die deel uitmaakt van het Congobekken, stroomt door het op één na grootste regenwoud ter wereld en vormt een belangrijke scheepvaartverbinding voor Centraal-Afrika.

In de foto zien we een nijlpaard in de wateren van de Congo. De foto is afkomstig uit het tijdschrift “De Stad” van 25 januari 1935.

Geschiedenis van onze oude, afgedankte instellingen, zoals de Berg van Barmhartigheid in Kortrijk.

In de 16e eeuw ontstonden in Italië de zogenaamde “Bergen van Barmhartigheid”. Deze liefdadigheidsinstellingen boden een oplossing voor de woekerrentes die arme mensen moesten betalen aan pandjeshuizen. Het idee was simpel: mensen konden tegen een lage rente geld lenen, met een waardevol voorwerp als onderpand.

Ook Gent kreeg in 1618 zijn eigen Berg van Barmhartigheid, enkele jaren vóór die in Kortrijk. Al in de 14e eeuw bestond er in Gent een vergelijkbare instelling, het “Dondersteen”, een soort pandjeshuis. Wenceslas Cobergher, een sleutelfiguur in de oprichting van dergelijke instellingen, kocht het Dondersteen in 1620 en liet het slopen.

Op de locatie in de Abrahamstraat, voorheen bekend als de Ser Symoenstraate, verrees een nieuw gebouw in de stijl van een Italiaans palazzo. De straat, vernoemd naar een verdwenen gevelbeeld van de aartsvader Abraham, is een oud tracé dat parallel loopt met de Burgstraat, van het Prinsenhof naar de Bonifantenstraat. Het nieuwe complex bestond uit drie delen: een conciërgewoning, het huis van de intendant, en het pandhuis zelf. De gevel domineert tot op de dag van vandaag het straatbeeld. In 1930 sloot de Gentse Berg van Barmhartigheid de deuren.

In Kortrijk werd de Berg van Barmhartigheid in 1627 opgericht door Wenceslas Cobergher, die ook de Berg in Brussel ontwierp. De bouw, in een conservatieve, gotische stijl, startte in 1629 en de instelling opende officieel in 1630.

Als openbare kredietinstelling bood de Berg de mogelijkheid om anoniem geld te lenen tegen een lage rente. Lenen gebeurde op basis van onderpand, zoals juwelen, boeken, kunstvoorwerpen of zilverwerk.

Pagadoren, of indragers, fungeerden als tussenpersonen tussen de Berg en de beleners. Ze brachten de eigendommen naar de Berg en haalden ze later weer op, waardoor de identiteit van de belener anoniem bleef.

Voor deze dienst betaalden de beleners een extra vergoeding. Oorspronkelijk werden pagadoren door de stad aangesteld, maar door misbruik kwam hier in de 18e eeuw verandering in. Voortaan werden ze beëdigd en aangesteld door de Bergen zelf. Het merendeel van de pagadoren was vrouwelijk, zo ook in Kortrijk.

De vier draaitrommels van de Kortrijkse Berg staan bij velen bekend als “vondelingenschuiven”, maar dit is een hardnekkige stadslegende.

Twee van de trommels hebben een uitsparing, maar deze dienden om discreet een pand te deponeren, niet om baby’s achter te laten. De trommels waren in feite draaideuren die toegang gaven tot het bureau waar men geld kon lenen.

De Berg van Barmhartigheid in Kortrijk sloot in 1922 door een gebrek aan kapitaal.

De Brusselse vestiging is de enige die vandaag de dag nog steeds bestaat in België.

Na de sluiting deed het gebouw in Kortrijk dienst als Rijksarchief.

Tijdens een bombardement op 21 juli 1944 werd het gebouw zwaar beschadigd, maar de kelders bleven gespaard. In 1960 werd het herbouwd en in 1964 nam het Rijksarchief er opnieuw zijn intrek.

Sinds 2009 is het als Rijksarchief en huis archivaris met stedelijke diensten aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed.

In 2018 werd het complex verkocht aan Konvert Service.

Samen met aanpalende panden in de Onze-Lieve-Vrouwestraat en de Handboogstraat werd het omgebouwd tot het luxehotel “Cobergher Hotel”, een eerbetoon aan de bouwmeester.

Het Rijksarchief blijft wel aanwezig, met een huurcontract tot 2031.

(De Stad 25 januari 1934, diverse bronnen, Inventaris Vlaanderen erfgoed, Gent Geprent en Wikipedia)

Deze week, 90 jaar geleden, de Franse film Sapho te zien in de Vlaamse bioscoop.

Sapho uit 1934 werd geregisseerd door Léonce Perret en de hoofdrollen werden gespeeld door Mary Marquet als Fanny Legrand (Sapho), Jean-Max als Jean Gaussin en Marcelle Praince als Divonne.

Het verhaal is gebaseerd op de roman Sapho van Alphonse Daudet uit 1884 en gaat over Fanny Legrand, een courtisane die bekend staat onder de naam Sapho.

Ze wordt verliefd op de jonge Jean Gaussin, maar hun relatie wordt geteisterd door Sapho’s verleden en de sociale conventies van die tijd.

Uiteindelijk offert Sapho haar eigen geluk op om Jean een kans te geven op een betere toekomst.

Sommige critici prezen het acteerwerk van Mary Marquet, anderen vonden de film te melodramatisch en gedateerd.

Het verhaal van Sapho is meerdere keren verfilmd en dit zowel in Frankrijk als in de Verenigde Staten.

De bekendste versie is wellicht de Amerikaanse stomme film uit 1917 met Pauline Frederick in de hoofdrol (De Stad 25 januari 1935, diverse bronnen en Wikipedia)

90 jaar geleden, te gast in het Kasteel van Boelare.

Het kasteel is gelegen in een groene omgeving aan een bocht van de Dender, ten noordoosten van het vroegere dorpje Nederboelare, dat nu deel uitmaakt van Geraardsbergen in Oost-Vlaanderen.

De eerste vermelding van een heer van Boelare dateert van eind 11e eeuw, met Etienne van Boelare als eerste bekende naam.

Het kasteel was toen waarschijnlijk een versterkte burcht. De Baronie van Boelare was een van de vijf grote baronieën van het Land van Aalst en omvatte twaalf dorpen.

De familie Van Boelare was de eerste bekende familie die het kasteel bewoonde en de titel van baron droeg. Ze waren een rijke en machtige familie in het Land van Aalst.

Door de eeuwen heen is het kasteel in handen geweest van verschillende adellijke families, waaronder de families De Ghellinck en Vilain XIIII.

Het kasteel is omgracht en wordt omgeven door een uitgestrekt park met een deels gekasseide populierendreef.

Na de brand in 1724 werd het kasteel grondig gerenoveerd.

De witsteen kruisramen werden uitgenomen, boven de ramen werden korfbogen gemetst, de ramen verlaagd en de onderdorpels werden vernieuwd in blauwe hardsteen.

Binnen werden de plafonds vernieuwd en opgeplakt, de schouwen werden vervangen door Lodewijk XV schouwen uit marmer, de wanden en plafond werden bepleisterd in dezelfde Lodewijk XV-stijl.

De arduinen deuringang in Lodewijk XVI-stijl werd ook geplaatst en zo kreeg het kasteel het uitzicht dat we nu kennen.

Op het domein bevindt zich ook een neogotische kapel, gebouwd in de 19e eeuw.

In 2007 werd er een vervangingsnieuwbouw gerealiseerd op het domein voor het rust- en verzorgingstehuis.

Het doet dan ook dienst als rust- en verzorgingstehuis en biedt plaats aan 56 residenten, waaronder 37 in het RVT en 10 in kortverblijf.

Het kasteel is niet open voor publiek, behalve voor gelegenheden zoals Open Monumentendag.

Het park is wel toegankelijk voor wandelaars.