90 jaar geleden, een wandeling door het Begijnhof in Kortrijk

Negentig jaar geleden, nam het Vlaamse tijdschrift ABC zijn lezers mee op een wandeling door het Begijnhof van Kortrijk.

Dit prachtig bewaard middeleeuws stadsdeel, gesticht in 1238 door Johanna van Constantinopel, beslaat 0,7 hectare en combineert de unieke structuren van een plein- en straatbegijnhof.

Strategisch gelegen tussen het grafelijk kasteel, de stadswallen en het Sint-Maartenkerkhof, en dicht bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk en de Sint-Maartenskerk, heeft het Begijnhof door de eeuwen heen diverse verwoestingen ondergaan, met name door Franse troepen in 1302 (tijdens de Guldensporenslag), in 1382 (na de Slag bij Westrozebeke) en in 1684.

De 41 huisjes die het hof sieren, dateren uit de 17e eeuw. Een opvallend gebouw is het huis van de grootjuffrouw, herkenbaar aan zijn dubbele trapgevel uit 1649.

De merkwaardige traptoren is een overblijfsel van de voormalige Sint-Annazaal, gebouwd in 1682.

De oorspronkelijke gotische kapel, opgericht in 1464, werd in de 18e eeuw verbouwd.

In de 19e eeuw leidde Clementia Hiers meer dan vijftig jaar lang het Begijnhof. Tijdens haar periode werd het standbeeld van Johanna van Constantinopel, vervaardigd door Valère Dupont, geplaatst.

Het huis van de grootjuffrouw diende tot de zomer van 2008 als Begijnhofmuseum. In juli 2014 opende een belevingscentrum zijn deuren in de gerestaureerde Sint-Annazaal, en in 2015 werd een authentiek kijkwoning ingericht op nummer 41, naast de hoofdingang.

Het Begijnhof van Kortrijk was ook de thuisbasis van Marcella Pattyn (1920-2013), het laatste begijntje ter wereld.

Zij kwam in januari 1941 binnen in het begijnhof van Sint-Amandsberg, en verhuisde eind oktober 1960 naar het hof van Kortrijk.

De laatste jaren van haar leven verbleef ze in een Kortrijks verzorgingstehuis, waar ze op 14 april 2013 overleed.

Een jaar voor haar dood werd ze geëerd met een standbeeld in het Begijnhof.

Sinds 2 december 1998 behoort het Begijnhof van Kortrijk tot het cultureel en natuurlijk werelderfgoed van UNESCO, als deel van de groepsinschrijving van Vlaamse begijnhoven.

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Vandaag, 90 jaar geleden, op 7 april 1935, overleed in Antwerpen de invloedrijke syndicalist en politicus Piet Somers.

Somers, uit een arbeidersgezin, begon als kleermakersleerling, maar vond zijn draai in het letterzetten.

In het toenmalige broeinest van syndicale actie in Antwerpen, sloot hij zich aan bij de socialistische beweging.

Samen met Jan Chapelle en Hendrik De Man richtte hij de Socialistische Jonge Wacht (SJW) op, om havenarbeiders, metaalbewerkers en diamantbewerkers te verenigen.

Hun strijd: algemeen stemrecht, stakingsrecht, en betere arbeidsvoorwaarden.

Zijn inzet bij de Kruiskensbond en zijn rol als bemiddelaar binnen de Syndikale Kommissie (SK) onderstrepen zijn toewijding.

Na zijn legerdienst werd Somers vakbondsleider bij Bell Telephone, maar zijn acties leidden tot ontslag.

Vervolgens werd hij secretaris van de Fabrieksarbeidersbond en pleitte hij voor een sterke, gewestelijke vakbond.

Van 1908 tot 1920 stond hij aan het roer van de Federatie van Vakbonden van Antwerpen, waar hij de eenheid wist te smeden vlak voor de Eerste Wereldoorlog.

Na de oorlog, met de winst van de BWP, verwierf Somers nog meer invloed.

Hij werd gemeenteraadslid en later schepen, en zat kort in de senaat.

Bij zijn overlijden werd hij alom erkend als een onmisbare organisator en propagandist voor de socialistische vakbeweging (ABC 21 april 1935)