Vandaag, 95 jaar geleden, een spoorwegramp te Lichtervelde

Op dinsdag 25 augustus 1931 ontspoorde sneltrein 453 rond 9.35 uur op zo’n driehonderd meter van het station van Lichtervelde. De trein was om 7.43 uur vertrokken uit Antwerpen-Centraal met als eindbestemming Adinkerke-De Panne.

Bij de ramp kwam de stoker ter plaatse om het leven. Een reiziger liep zware verwondingen op en overleed later die middag, terwijl zo’n vijfenveertig reizigers licht- tot zwaargewond raakten.

Dat er niet nog meer dodelijke slachtoffers vielen, was uitsluitend te danken aan het feit dat de wagons van het nieuwste type waren en volledig uit staal bestonden.

Enkele uren na het ongeluk bood de rampplek een troosteloze aanblik. De locomotief en de tender lagen gekanteld midden op het spoor en de vijf wagons staken links en rechts schuin in de grond. Zware spoorstaven waren als ijzerdraadjes verbogen en het wachthuisje van de overweg lag als een kaartenhuisje in gruis.

Spoorwegwachter Emma Slagaert vertelde dat ze haar cabine net had verlaten toen de trein eraan kwam. Na een scherp geluid volgde een oorverdovende knal en luid gegil.

Ze reageerde alert door zich snel in een gracht naast het spoor te werpen. Hoewel ze onder het steengruis en de telefoondraden bedolven raakte, bleef ze als door een wonder ongedeerd.

De 35-jarige stoker Jan Ceuterickx uit Antwerpen werd onder de kolen vandaan gehaald.

Hij bleek te zijn overleden door het kokende water uit de stoomketel.

De machinist overleefde het ongeluk zonder kleerscheuren, omdat hij zich stevig had vastgeklemd aan de stuurhendel van zijn machine.

Een 79-jarige reiziger uit Deurne, Petrus Hendrickx, liep een ernstige schedelbreuk op. Hij overleed ’s middags in het Heilig Hartziekenhuis in Roeselare, waar hij naartoe was gebracht voor verzorging.

De overige gewonden kwamen er vanaf met lichte breuken, kneuzingen of snijwonden door rondvliegende glasscherven.

Het parket van Brugge en verschillende deskundigen kwamen ter plaatse voor onderzoek. Daar ontdekten ze dat de snelheidsmeter van de locomotief, die de snelheid registreert, opvallend genoeg verdwenen was. De machinist, Karel Horent, werd hierover verhoord, maar kon geen verklaring geven.

Hij werd daarop aangehouden op verdenking van rijden met overmatige snelheid.

De rijkswachtbrigade van Torhout zette een speciale ordedienst in om de duizenden nieuwsgierigen op afstand te houden. De spoorwegramp veroorzaakte immers grote opschudding in het hele land.

De verslaggeving van het drama werd onder meer opgetekend door journalist Gustaaf Haché, die schreef onder het pseudoniem Staf Hapke.

Hij kwam reeds een paar uur na de feiten ter plaatse om de situatie met eigen ogen vast te leggen. Uit bijkomende getuigenissen bleek ook dat zich in de voorlaatste wagon een complete schoolkolonie bevond.

Deze wagon werd door de klap weggeslingerd en vernielde daarbij het houten spoorwachtershuisje. Dankzij het feit dat de Belgische spoorwegen kort tevoren waren overgeschakeld op volstalen rijtuigen voor hun internationale en nationale sneltreinen, bleven de inzittenden van de schoolkolonie gespaard van een nog groter bloedbad.

Vandaag, 95 jaar geleden, vond de 12de IJzerbedevaart plaats

De twaalfde IJzerbedevaart vond plaats op drieëntwintig augustus 1931 in Diksmuide.

Een jaar na de plechtige inwijding van de eerste IJzertoren in 1930 kwamen opnieuw tienduizenden Vlaamse pelgrims, veteranen en sympathisanten samen aan de oevers van de IJzer.

Deze jaarlijkse bijeenkomst stond in het teken van de herdenking van de Vlaamse soldaten die waren gesneuveld tijdens de Eerste Wereldoorlog.

De editie van 1931 versterkte de rol van het IJzermonument als centraal symbool voor het Vlaams-nationale bewustzijn en de Vlaamse cultuureisen.

Gedragen door de bekende leuzen ‘Alles voor Vlaanderen’, ‘Vlaanderen voor Christus’ en ‘Nooit meer Oorlog’, verbond het evenement de roep om Vlaamse ontvoogding met pacificatiedrang en christelijke waarden.

De bijeenkomst kenmerkte zich door toespraken, gezangen en vlaggenhuldes, en verankerde de IJzerbedevaart definitief als een van de meest bepalende massamanifestaties van het interbellum in Vlaanderen.

Het absolute hoogtepunt van deze twaalfde bedevaart was de onthulling van het imposante monumentale standbeeld ter ere van de Vlaamse soldaat Renaat De Rudder.

Dit imposante werk werd geplaatst als een van de hoekpijlers aan de voet van de IJzertoren en was het eerste van een reeks monumentale hoekbeelden die het Vlaamse IJzerleed moesten symboliseren.

Het standbeeld werd ontworpen door de Vlaamsgezinde beeldhouwer Karel Aubroeck.

Aubroeck, geboren in Temse in 1894, was een expressionistisch kunstenaar en oud-frontsoldaat die bekendstond om zijn monumentale constructivistische stijl en het gebruik van robuuste materialen.

Voor het beeld van De Rudder maakte hij gebruik van een vernieuwende en technisch uitdagende techniek waarbij een mozaïek van keien en gietbeton werd gecombineerd. Aubroecks gestileerde vormgeving gaf het figuur een krachtige expressie.

De Rudder werd afgebeeld met geboeide handen die ondanks de ketenen vlugschriften omklemden en naar boven reikten, als verbeelding van het idee dat het ideaal stijgt boven de lichamelijke geknevelijkheid.

Het beeld bracht een eerbetoon aan Renaat De Rudder, een jonge oorlogsvrijwilliger uit Oostakker die studeerde aan het Sint-Vincentiuscollege in Eeklo.

Aan het front sloot De Rudder zich aan bij de Vlaamsgezinde Frontbeweging, richtte hij het frontblad ‘De IJzerkerels’ op en verspreidde hij Vlaamsgezinde vlugschriften.

In december 1917 kwam hij op twintigjarige leeftijd om het leven na een incident tijdens een verkenningstocht in niemandsland.

Na de oorlog groeide hij uit tot een van de grote IJzersymbolen en werd zijn nagedachtenis een symbool voor het strijdbare Vlaams-nationalisme.

Precies 240 jaar geleden, op 8 augustus 1786, werd de hoogste bergtop van Europa voor het eerst bedwongen.

Wat vandaag de dag als een eenvoudige aardrijkskundige feitelijkheid geldt, namelijk dat de Mont Blanc in de Alpen 4810 meter hoog is, was eeuwenlang een schier onoverkoombare uitdaging.

De ontzagwekkende berg, waarvan ongeveer een derde met sneeuw en ijs is bedekt, oefende een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op avonturiers.

Toch werd tot ver in de achttiende eeuw algemeen aangenomen dat de mens deze machtige top nooit zou kunnen bereiken.

Destijds noemde men de regio rond de berg zelfs het ‘Vervloekte Dal’ (Vallée Maudite), uit angst voor draken, demonen en de verraderlijke gletsjers.

Het was de jonge Zwitserse natuurkundige Horace-Bénédict de Saussure die de uitdaging besloot aan te gaan.

Hij was pas twintig jaar oud toen hij in 1760 Chamonix bezocht en zijn passie voor de Mont Blanc ontwaakte.

De Saussure gold later als een van de grondleggers van de moderne alpinismewetenschap.

Wat begon als een jeugdige ambitie, groeide uit tot een levenslange missie.

Hij loofde zelfs een flinke beloning uit voor degene die een begaanbare route naar de top kon vinden. Jarenlang verkende hij het terrein en ondernam hij talloze pogingen, maar zelfs in 1778 bleef hij ervan overtuigd dat de klim onmogelijk was.

Ondertussen waagden ook anderen hun kans.

In 1784 werd een hoogte van 4331 meter bereikt, en een jaar later moest De Saussure opnieuw onverrichter zake terugkeren.

En zoals dat vaker gaat, was het uiteindelijk een gedreven avonturier die de doorslag gaf: Jacques Balmat, een lokale jager en kristalzoeker uit het dal.

Gedreven door roem en de hoop op goud sloot hij zich in 1786 onverwachts aan bij drie ervaren klimmers.

Toen zijn tochtgenoten door zware tegenslagen besloten op te geven, zette Balmat alleen door.

Hij kwam tot op een paar honderd meter van de top voordat een zware avondstorm hem dwong om terug te keren en noodgedwongen op de gletsjer te overnachten.

Balmat wist nu dat het haalbaar was, maar hij had een getuige én medische expertise nodig voor de extreme hoogte.

Die vond hij in Michel-Gabriel Paccard, een dorpsdokter uit Chamonix die zelf ook al meerdere pogingen had ondernomen en geboeid was door hoogteziekte en drukmetingen.

Samen trokken ze eropuit en op 8 augustus 1786 stonden beide mannen eindelijk op de top van de Mont Blanc.

Het dagboek van dokter Paccard vermeldde er sober over dat ze om 18.23 uur aankwamen en om 18.57 uur weer vertrokken.

Ze stonden precies vierendertig minuten op het hoogste punt.

In het dal kende de vreugde geen grenzen toen het nieuws bekend werd.

De Saussure, de grote inspirator en financier van de expedities, wilde niets liever dan de prestatie aan de zijde van Balmat herhalen.

Pas op 3 augustus van het daaropvolgende jaar zag hij die droom in vervulling gaan, waarbij hij uitgebreide wetenschappelijke experimenten op de top uitvoerde.

Balmat bleef zijn leven lang geobsedeerd door de bergen en de gedachte dat er goud te vinden was.

Op tweeënzeventigjarige leeftijd kwam hij tijdens zo’n zoektocht om het leven in de Val de Sixt; zijn lichaam werd nooit teruggevonden.

Vandaag de dag worden zowel Jacques Balmat als De Saussure geëerd als de pioniers van de Mont Blanc, onder meer met een monument in Chamonix.

Ook vrouwen lieten niet lang op zich wachten.

De allereerste vrouw op de top was de lokale dienstmeid Marie Paradis op 14 juli 1808.

Ze werd door gidsen de berg op geholpen en bereikte de top in vrij slechte fysieke conditie.

Dertig jaar later, op 3 september 1838, volbracht de Franse adellijke sportvrouw Henriette d’Angeville als eerste vrouw op eigen kracht en met een minutieus voorbereide expeditie de zware klim, waarmee ze de bijnaam de Mont Blanc-bruid verwierf.

Leuk om te weten is dat de Mont Blanc tegenwoordig nog steeds een reus van formaat is, al schommelt zijn precieze hoogte door de veranderende ijskap op de top.

Daarnaast bevindt zich diep onder deze berg de beroemde Mont Blanctunnel, die Frankrijk en Italië sinds 1965 met elkaar verbindt.