15 jaar geleden waren we te gast bij Gérard Brion en zijn unieke recreatiepark Le Petit-Paris in Vaïssac.

Genesteld in een exotische tuin te midden van de prachtige landschappen van de regio Tarn-et-Garonne, is dit park een miniatuurreproductie van Parijs op een schaal van 1:130.

Het is het levenswerk van maker Gérard Brion: een sfeervolle tuin vol miniatuurreconstructies van de Franse hoofdstad en bekende nationale monumenten, verrijkt met Franse buxushagen, het Musée du Petit-Louvre en een magische poppenshow over Moulin Rouge.

Het begon allemaal toen Gérard amper 12 jaar oud was en zijn eerste schetsen op papier zette.

Twee jaar later, op zijn 14e, startte hij met de daadwerkelijke bouw van zijn miniatuurstad.

Na circa 18.000 uur zeer hard werken in de tuin van zijn ouders stelde hij het park na 14 jaar bouwen in 2002 officieel open voor het publiek.

Wat het project extra bijzonder maakt, is zijn creatieve materiaalgebruik: de Eiffeltoren van 2,50 meter hoog, de Sacré-Cœur, de Arc de Triomphe en zelfs de Seine werden allemaal opgebouwd met keien, lege babyvoedingspotjes, soepblikken en soortgelijke rotzooi. (zoals u kunt zien op foto 2)

Dit ware precisiewerk nodigt u uit om de historische wijken van Parijs aan uw voeten te ontdekken, alsof u er vanuit een helikopter op 150 meter hoogte overheen vliegt.

Van de Tuilerieën tot het Trocadéro, van de Notre-Dame tot Montmartre wandelt u tussen de gebouwen en geniet u van de vergezichten via vele panoramische uitzichtpunten, vergezeld door een betoverende muzikale sfeer, het zachte kabbelen van fonteinen en het gefluister van de natuur.

Ook ’s avonds en in de schemering is een bezoek betoverend.

Dan gaan de vele lichtjes aan, van de Belle Époque-lantaarnpalen langs de lanen tot de fonkelende Eiffeltoren.

Een avondbezoek is een echte aanrader in de zomer wanneer het overdag te warm is; in augustus is het park elke dinsdag-, woensdag- en donderdagavond om 21:00 uur open.

Tijdens de feestdagen transformeert het park in een winterwonderland met feestelijke slingers, waarbij u van 15 december tot en met 10 januari elk weekend en elke avond van 17:00 tot 19:00 uur van de verlichting kunt genieten.

Naast de stadsmaquette herbergt de attractie Petit-Louvre een privécollectie reproducties van de mooiste schilderijen uit het beroemde museum.

Hier ontdekt u meesterwerken van Leonardo da Vinci, Watteau, Boucher, Ingres en Rafaël, eigenhandig geschilderd door Gérard Brion, die naast modelbouwer ook al van kinds af aan een getalenteerd tekenaar is.

In een bioscoopgedeelte wordt u meegenomen door de ongelooflijke geschiedenis van het park met de film Het avontuur van Petit-Paris.

Ook kunt u hier het ambitieuze uitbreidingsproject bekijken: een cruciale stap waarin Parijs op een vijf keer zo grote schaal nagebouwd zal worden.

Wat zou Parijs bovendien zijn zonder de Musée du Petit-Louvre ?

In de Petit-Moulin Rouge komt de magie van de Music Hall tot leven via een geluid- en lichtshow met miniatuurautomaten.

Deze poppenshow betovert jong en oud, van de beroemde Franse Cancan tot het Crazy Horse en Holiday on Ice.

De attractie is een technisch meesterwerk waarin een complex systeem van programmeurs en micromotoren talloze geklede poppen beweegt, perfect gesynchroniseerd met de belichting en de beroemde Cancan-muziek.

Ten slotte nodigt het park u uit in het gedeelte Petite-France, waar u de mooiste monumenten van heel Frankrijk herontdekt.

U bewondert er gedetailleerde maquettes van iconische bouwwerken zoals de Dom van Straatsburg, de vestingstad Carcassonne en de kastelen van de Loirevallei, met het indrukwekkende Kasteel van Chambord als absoluut hoogtepunt.

Deze specifieke maquettes werden oorspronkelijk gebouwd voor het park Mini-France in Brignoles, dat opende in 1988.

Nadat dat park failliet ging, kocht Gérard Brion de overgebleven modellen op om ze van de ondergang te redden, waarna hij ze eigenhandig restaureerde en een tweede leven gaf in Vaïssac.

Op zijn terrein van bijna 3 hectare mag Gérard Brion tijdens de zomermaanden maar liefst 15.000 bezoekers begroeten.

Wilt u Le Petit-Paris bezoeken? Een ticket kost 7 euro voor volwassenen en 5 euro voor kinderen tot 18 jaar, en kan eenvoudig online besteld worden via de website van het park.

Het park is tijdens de zomermaanden dagelijks geopend, en oh ja: ziet u Gérard Brion lopen, gelieve hem dan aan te spreken als meneer de burgemeester van Petit-Paris!

Gisteren nog vandaag

55 jaar geleden, op bezoek bij het Attractiepark Madurodam in Den Haag.

Madurodam werd bedacht door Bep Boon-van der Starp, die zich liet inspireren door het Britse miniatuurstadje Bekonscot Model Village, dat in 1929 in Beaconsfield werd gesticht.

Als lid van de Raad van Bijstand van de Stichting Nederlands Studenten Sanatorium, een organisatie die Nederlandse studenten met tuberculose in staat stelde een kuur te ondergaan en te studeren, zocht Bep Boon-van der Starp naar een manier om blijvend inkomsten voor de stichting te verwerven.

Door een miniatuurstadje te laten bouwen, hoopte hij dat doel te bereiken.

Zijn naam leeft in het park tot op de dag van vandaag voort in het fictieve dorpje Starpenheuvel.

Het park werd genoemd naar George Maduro, een Curaçaose student die zich tijdens de meidagen van 1940 als cavalerieofficier onderscheidde in de slag om de residentie, en in februari 1945 overleed in concentratiekamp Dachau.

Zijn ouders schonken het beginkapitaal voor het project, dat door de familie Maduro wordt beschouwd als een monument voor hun enige zoon.

Gisteren nog vandaag

Sinds 1993 is in Madurodam een schaalmodel van het uit 1895 daterende geboortehuis van Maduro op Curaçao te zien.

Naast de maquette van het huis is een plaquette bevestigd met de tekst dat Nederland in Maduro zijn oorlogshelden uit de strijd van 1940-1945 eert.

De inkomsten van Madurodam gaan naar goede doelen via de Stichting Madurodam Steunfonds.

Het Steunfonds verleent financiële steun aan algemeen nut beogende instellingen die zich met hun activiteiten richten op jongeren of duurzame projecten ten behoeve van jongeren.

Voorbeelden van lopende projecten zijn onder andere het Jeugdsportfonds, het KNCV Tuberculosefonds en het Cruyff Court Laakkwartier in Den Haag.

Het oorspronkelijke stedenbouwkundige ontwerp is van de Groningse architect Siebe Jan Bouma, destijds directeur van het Zuiderzeemuseum.

In het midden van de jaren tachtig werd een nieuwe wijk ontworpen door de architect Carel Weeber.

Begin jaren negentig werd het grondgebied van Madurodam uitgebreid en kon de nieuwe wijk worden aangelegd, waardoor er meer ruimte kwam voor grote objecten zoals Schiphol en de Rotterdamse haven.

Het vernieuwde Madurodam werd op 15 mei 1996 heropend door toenmalig koningin Beatrix.

In 2003 werd het model van de Luchthaven Schiphol vernieuwd en vergroot, tot dan toe het grootste gebouwde object in de geschiedenis van het park.

In de loop der jaren is de miniatuurstad steeds verder vernieuwd.

Gisteren nog vandaag

Zo is er een nieuwe themazone bijgekomen met moderne en bekende Rotterdamse gebouwen, evenals een authentieke wijk die een breed beeld geeft van het Nederlandse straatbeeld.

In de zomer van 2025 opende daarnaast een attractie die bezoekers meeneemt in de kracht van de wind.

Naast deze geschiedenis kent Madurodam tal van bijzondere weetjes die het park extra uniek maken.

Het hele stadje is gebouwd op een exacte schaal van 1 op 25.

Prinses Beatrix werd bij de opening in 1952 de allereerste burgemeester van Madurodam.

Pas toen zij in 1980 koningin werd, legde ze die functie neer en werd ze beschermvrouwe.

Tegenwoordig kiest een jeugdgemeenteraad elk jaar een nieuwe scholier als burgemeester.

Ook de natuur in het park is bijzonder.

Er staan zo’n 4.000 tot 5.000 echte bomen in het park, waaronder eiken, iepen en beuken.

Door intensief snoeien en speciale bemesting worden het volwaardige miniatuurbomen die nooit groter worden dan een meter, en sommige van deze boompjes staan er zelfs al sinds de opening in 1952.

Om de vrolijke en levendige sfeer van de stad te bewaken, ontbreken een ziekenhuis en een begraafplaats bewust in het park.

Alle miniaturen en bewegende vervoermiddelen worden tot op de millimeter nauwkeurig gemaakt in het eigen atelier van het park, waar vakmensen continu schaven aan de kleinste verhalen van Nederland.

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Precies 240 jaar geleden, op 8 augustus 1786, werd de hoogste bergtop van Europa voor het eerst bedwongen.

Wat vandaag de dag als een eenvoudige aardrijkskundige feitelijkheid geldt, namelijk dat de Mont Blanc in de Alpen 4810 meter hoog is, was eeuwenlang een schier onoverkoombare uitdaging.

De ontzagwekkende berg, waarvan ongeveer een derde met sneeuw en ijs is bedekt, oefende een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op avonturiers.

Toch werd tot ver in de achttiende eeuw algemeen aangenomen dat de mens deze machtige top nooit zou kunnen bereiken.

Destijds noemde men de regio rond de berg zelfs het ‘Vervloekte Dal’ (Vallée Maudite), uit angst voor draken, demonen en de verraderlijke gletsjers.

Het was de jonge Zwitserse natuurkundige Horace-Bénédict de Saussure die de uitdaging besloot aan te gaan.

Hij was pas twintig jaar oud toen hij in 1760 Chamonix bezocht en zijn passie voor de Mont Blanc ontwaakte.

De Saussure gold later als een van de grondleggers van de moderne alpinismewetenschap.

Wat begon als een jeugdige ambitie, groeide uit tot een levenslange missie.

Hij loofde zelfs een flinke beloning uit voor degene die een begaanbare route naar de top kon vinden. Jarenlang verkende hij het terrein en ondernam hij talloze pogingen, maar zelfs in 1778 bleef hij ervan overtuigd dat de klim onmogelijk was.

Ondertussen waagden ook anderen hun kans.

In 1784 werd een hoogte van 4331 meter bereikt, en een jaar later moest De Saussure opnieuw onverrichter zake terugkeren.

En zoals dat vaker gaat, was het uiteindelijk een gedreven avonturier die de doorslag gaf: Jacques Balmat, een lokale jager en kristalzoeker uit het dal.

Gedreven door roem en de hoop op goud sloot hij zich in 1786 onverwachts aan bij drie ervaren klimmers.

Toen zijn tochtgenoten door zware tegenslagen besloten op te geven, zette Balmat alleen door.

Hij kwam tot op een paar honderd meter van de top voordat een zware avondstorm hem dwong om terug te keren en noodgedwongen op de gletsjer te overnachten.

Balmat wist nu dat het haalbaar was, maar hij had een getuige én medische expertise nodig voor de extreme hoogte.

Die vond hij in Michel-Gabriel Paccard, een dorpsdokter uit Chamonix die zelf ook al meerdere pogingen had ondernomen en geboeid was door hoogteziekte en drukmetingen.

Samen trokken ze eropuit en op 8 augustus 1786 stonden beide mannen eindelijk op de top van de Mont Blanc.

Het dagboek van dokter Paccard vermeldde er sober over dat ze om 18.23 uur aankwamen en om 18.57 uur weer vertrokken.

Ze stonden precies vierendertig minuten op het hoogste punt.

In het dal kende de vreugde geen grenzen toen het nieuws bekend werd.

De Saussure, de grote inspirator en financier van de expedities, wilde niets liever dan de prestatie aan de zijde van Balmat herhalen.

Pas op 3 augustus van het daaropvolgende jaar zag hij die droom in vervulling gaan, waarbij hij uitgebreide wetenschappelijke experimenten op de top uitvoerde.

Balmat bleef zijn leven lang geobsedeerd door de bergen en de gedachte dat er goud te vinden was.

Op tweeënzeventigjarige leeftijd kwam hij tijdens zo’n zoektocht om het leven in de Val de Sixt; zijn lichaam werd nooit teruggevonden.

Vandaag de dag worden zowel Jacques Balmat als De Saussure geëerd als de pioniers van de Mont Blanc, onder meer met een monument in Chamonix.

Ook vrouwen lieten niet lang op zich wachten.

De allereerste vrouw op de top was de lokale dienstmeid Marie Paradis op 14 juli 1808.

Ze werd door gidsen de berg op geholpen en bereikte de top in vrij slechte fysieke conditie.

Dertig jaar later, op 3 september 1838, volbracht de Franse adellijke sportvrouw Henriette d’Angeville als eerste vrouw op eigen kracht en met een minutieus voorbereide expeditie de zware klim, waarmee ze de bijnaam de Mont Blanc-bruid verwierf.

Leuk om te weten is dat de Mont Blanc tegenwoordig nog steeds een reus van formaat is, al schommelt zijn precieze hoogte door de veranderende ijskap op de top.

Daarnaast bevindt zich diep onder deze berg de beroemde Mont Blanctunnel, die Frankrijk en Italië sinds 1965 met elkaar verbindt.

Van weelderig gokpaleis tot exclusief luxehotel: de rijke geschiedenis van het Kursaal in Blankenberge

Het verhaal van het Kursaal in Blankenberge begon in 1859 als een gecombineerd project dat later werd omgevormd tot een echt luxehotel.

Het gebouw werd opgetrokken in een opvallende neomoorse stijl en was meteen een schot in de roos.

Het was veel meer dan alleen een plek om te gokken; het fungeerde als het absolute centrum van het Blankenbergse entertainment.

De benedenverdieping had een open galerij die direct uitgaf op de zeedijk. Binnenin vonden de gasten verschillende speelzalen, een concertzaal, een balzaal en twee restaurants.

Uniek voor die tijd was dat het gebouw vanaf het begin ook al een logeeraccommodatie met maar liefst 120 kamers had.

In 1884 veranderde de functie van het gebouw ingrijpend. Het stadsbestuur van Blankenberge wilde namelijk een eigen, groter stedelijk casino bouwen om de toeristenstroom nog beter op te vangen.

Hierdoor verloor het oorspronkelijke Kursaal zijn functie als dé centrale speelhal van de stad.

Het complex werd in 1884 volledig omgebouwd tot een exclusief luxehotel onder de naam Hotel du Kursaal.

Na de Eerste Wereldoorlog onderging het pand opnieuw een gedaanteverwisseling en werd het omgedoopt tot Résidence Bristol.

Toen het gebouw in 1884 de deuren opende als Hotel du Kursaal, behoorde het direct tot de absolute top van de hotels aan de Belgische kust.

Het trok een zeer elitair publiek aan dat in de zomermaanden wekenlang aan de kust verbleef.

Rond de eeuwwisseling, toen het hotel op het toppunt van zijn roem was, hanteerde het etablissement prijzen die volledig waren afgestemd op de gegoede burgerij en adel.

Een kamer had in die periode een vanafprijs van 4 tot 5 Belgische frank per nacht. Voor de meest luxueuze kamers of suites met uitzicht op zee liep dat bedrag op tot 10 à 15 frank per nacht, wat in die tijd een aanzienlijk kapitaal was.

Voor de maaltijden werd er destijds vaak gewerkt met vaste tarieven, aangezien veel gasten op basis van volpension verbleven. Een ontbijt kostte destijds ongeveer 1,50 frank.

Voor het middagmaal, de Table d’Hôte genoemd, betaalde men destijds rond de 4 frank.

Het uitgebreide avonddiner, dat vaak uit verschillende gangen bestond en waarbij de gasten in avondkledij verschenen, kostte doorgaans 5 frank per persoon, exclusief de wijnen.

Wie liever à la carte dineerde in het prestigieuze restaurant van het hotel, betaalde uiteraard nog hogere prijzen, afhankelijk van de gekozen exclusieve ingrediënten en de geïmporteerde Franse wijnen uit de kelders van het hotel.

Als we kijken naar de latere periode, na de Eerste Wereldoorlog, toen het hotel inmiddels was omgedoopt tot Hotel Bristol, waren de prijzen door de inflatie en de veranderde economie natuurlijk sterk gestegen.

In de jaren twintig en dertig betaalde men al snel tussen de 35 en 60 frank voor een overnachting, afhankelijk van het seizoen en de luxe van de kamer.

Om een goed beeld te krijgen van de verhoudingen, is het interessant om deze hotelprijzen te vergelijken met het dagloon van een arbeider of bediende in diezelfde periodes.

Rond de eeuwwisseling, tijdens de Belle Époque, verdiende een gemiddelde arbeider in België ongeveer 2,50 tot 3 frank per dag voor een werkdag die vaak tien tot twaalf uur duurde.

Geschoolde arbeiders, zoals een ervaren textielarbeider of een mijnwerker, konden uiterst tot 4 frank per dag verdienen, terwijl ongeschoolde arbeiders en vrouwen vaak niet meer dan 1,50 tot 2 frank per dag ontvingen.

Een gewone overnachting in Hotel du Kursaal van 4 tot 5 frank kostte dus al snel bijna twee volledige daglonen voor een gewone arbeider.

Een uitgebreid avonddiner van 5 frank was voor hen onbetaalbaar, aangezien dit meer was dan wat ze op een hele dag verdienden.

Bedienden en lagere ambtenaren, zoals klerken of onderwijzers, zaten in een iets betere positie, al was hun inkomen naar huidige maatstaven nog steeds heel bescheiden.

Zij werden meestal per maand betaald en verdienden rond de eeuwwisseling tussen de 100 en 150 frank per maand.

Als we dat omrekenen naar een dagtarief, komt dat neer op ongeveer 4 tot 6 frank per werkdag.

Hoewel hun inkomen dus iets hoger lag dan dat van een fabrieksarbeider, was een verblijf in een luxehotel aan de zeedijk ook voor de gemiddelde bediende een onbereikbare luxe.

Eén enkele nacht in een zeezichtsuite van 15 frank slokte immers al snel tien procent van hun volledige maandloon op.

In de periode na de Eerste Wereldoorlog, tijdens de jaren twintig en dertig, waren de lonen door de enorme inflatie en de invoering van de achturige werkdag nominatief sterk gestegen, maar dat gold ook voor de levenskosten.

Een arbeider verdiende in de jaren dertig gemiddeld zo’n 35 tot 50 frank per dag.

Een bediende met een gemiddelde loopbaan mocht in die tijd rekenen op een maandloon van zowat 1500 tot 2000 frank, wat neerkwam op ongeveer 60 tot 80 frank per werkdag.

Omdat een kamer in het vernieuwde Hotel Bristol in die tijd tussen de 35 en 60 frank per nacht kostte, bleef de verhouding min of meer gelijk.

Een overnachting in het hotel kostte nog steeds een volledig dagloon van een arbeider tot zelfs een dagloon van een bediende.

Het toerisme aan de zeedijk bleef hierdoor tot aan de Tweede Wereldoorlog een privilege dat hoofdzakelijk was voorbehouden aan de rijke burgerij en de industriële elite.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog liep de hele zeedijk van Blankenberge zware schade op, omdat de Duitse bezetters de gebouwen daar nagenoeg volledig ontmantelden voor de aanleg van de Atlantikwall.

Dit leidde uiteindelijk ook tot het einde van de gloriedagen van veel oude belle-époquehotels.

In de jaren na de oorlog veranderde het toerisme aan de kust drastisch.

Het elitaire publiek trok weg en de oude, beschadigde luxehotels en villa’s maakten in de jaren 1950 en 1960 in hoog tempo plaats voor de moderne appartementsgebouwen die we vandaag de dag nog op de zeedijk zien.

De zeilende droom van Antwerpen: van vestinggracht naar moderne jachthaven.

De jachthaven in het Willemdok op het Eilandje en de faciliteiten op de Linkeroever vormen vandaag de dag het kloppend hart van de Antwerpse watersport, maar de weg naar deze recreatieve invulling is lang geweest.

Hoewel de watersport in de stad al decennialang een levendige traditie kent, bleef de roep om een volwaardige jachthaven lange tijd onbeantwoord.

Al in de jaren dertig was de behoefte aan een centrale locatie voor zeilers en roeiers groot.

In de zomer van 1936 schreef het weekblad ABC een vurig pleidooi voor de aanleg van een nieuwe haven.

Met de opkomst van de vrijetijdsbeleving na de eerste sociale hervormingen zagen de drie genoemde clubs, de Royal Yacht Club van België (R.Y.C.B.), de Société Royale Nautique Anversoise (S.R.N.A.) en de Vlaamse Vereniging voor Watersport (V.V.W.), in dat ze het heft in eigen handen moesten nemen.

Zij schakelden de jonge architect Hugo van Kuyck in om een concreet plan uit te werken voor de vestinggrachten bij het Noordkasteel.

Zijn visie was vooruitstrevend: een haven die via een sluis met de Schelde verbonden zou zijn, compleet met clubhuizen en een wandelpad dat de zeilsport toegankelijk zou maken voor het publiek.

Hugo van Kuyck (1902-1975) was zelf een gedreven zeiler die met zijn eigen schip een groot deel van de noordelijke wateren had bevaren, wat hem de nodige praktische expertise gaf voor het ontwerp.

Als getalenteerd architect en stedenbouwkundige drukte hij een belangrijke stempel op de naoorlogse opbouw van België.

Zo speelde hij een cruciale rol bij de wederopbouw van de Belgische kuststeden en was hij medeverantwoordelijk voor het masterplan van de luchthaven van Brussel.

Zijn veelzijdige carrière combineerde technische precisie met een modernistische vormentaal, en zijn betrokkenheid bij de Antwerpse havenplannen toont zijn vroege visie op de integratie van waterrecreatie in de stedelijke ruimte.

Hoewel dit plan destijds breed werd gedragen, bleef het helaas bij een droom.

De economische onzekerheid van de jaren dertig en de dreigende schaduw van de Tweede Wereldoorlog verhinderden elke investering in recreatieve infrastructuur.

Bovendien bleven de dokken in de stadskern tot ver na de oorlog strikt voorbehouden aan de commerciële scheepvaart en zware industrie.

Het Noordkasteel, een strategisch militaire locatie, leende zich na 1945 uiteindelijk steeds minder voor recreatieve ambities door de uitdijende haveninfrastructuur en de aanleg van grote verkeersaders.

Pas rond het jaar 2000, toen de havenactiviteiten definitief naar het noorden verschoven, kwam er ruimte voor de transformatie van het Eilandje.

Wat in 1936 begon als een vrome wens van gepassioneerde watersporters, vond decennia later alsnog zijn beslag.

De droom om van Antwerpen een echte havenstad voor watersporters te maken, werd werkelijkheid met de opening van de jachthaven in het Willemdok, ondersteund door de decennialange ervaring van de jachthaven op de Linkeroever.

Waar de plannen van Van Kuyck destijds strandden op de realiteit van hun tijd, vormen zij wel de historische getuigenis van een stad die altijd al de ambitie had om de Schelde te verzoenen met haar bewoners.

Het is bovendien opmerkelijk dat deze drie verenigingen, de Royal Yacht Club van België (R.Y.C.B.), de Société Royale Nautique Anversoise (S.R.N.A.) en de Vlaamse Vereniging voor Watersport (V.V.W.), vandaag de dag nog steeds bestaan en zeer actief zijn.

Ze zijn in de loop der decennia geëvolueerd van besloten verenigingen naar moderne sportclubs die een breed publiek aanspreken, wat onderstreept hoe diep de watersport verankerd is in de Antwerpse identiteit.

Vandaag 45 jaar geleden: eerste aflevering van de Knokke Cup op BRT 1 en Nederland 2

Zou het ooit nog eens worden zoals vroeger, met een tierende Lou van Rees en een woedende Willem O. Duys?

Kregen we na jaren weer een echt rel-festival terug met keiharde, door en door gemene Belgen- en Hollander-grappen?

Of werd het Knokke-festival ook dit jaar weer een zouteloos liedjesgedoe waarin iedereen lief was voor iedereen?

Ach, had de oude heer Gustaaf Nellens nog maar geleefd.

Ivo Niehe was de kapitein van de ploeg en samen met Lori Spee, Suzanne Michaels en Wim Hogenkamp probeerde hij het Nederlandse team naar een goede prestatie te leiden.

Ivo Niehe was toen kapitein van de ploeg.

Lori Spee blonk dit jaar uit met haar zang.

Als kind zong Lori al opvallend hoog en goedbedoelde kennissen brachten haar en Ruud Jacobs (broer van Pim Jacobs, zwager van Rita Reys en ex-vriend van Liselore Gerritsen) bij elkaar.

Lori bleek over een schitterende stem te beschikken en mocht een heuse langspeelplaat volzingen met als titel “Behind those eyes”.

Lori schreef al haar teksten zelf en dat was in het hitgevoelige wereldje geen voordeel, want onzichtbare krachten wonnen meestal.

Maar misschien werden we eindelijk wakker en hoorden we dat Lori heel mooie liedjes schreef.

Suzanne Michaels leek het sprookje van ieder schoolmeisje te beleven: zo van de klas naar de platenstudio.

Haar eerste single werd eind 1979 een succes: “It should be Christmas every day”. In één keer werd dat plaatje opgenomen, omdat Suzanne het lied in één keer hemels zuiver zong.

In de platenindustrie hadden ze nog nooit eerder zoiets meegemaakt.

In 1981 zong ze onder meer “It’s you” en “Love me tender”.

Het werden geen dikke hits, maar ze had net haar diploma gehaald aan het begin van haar zesde jaar atheneum.

Eerst een diploma, vond haar moeder, en zo gebeurde het.

Maar wie weet lag straks heel België plat aan haar voeten.

Wim Hogenkamp, helaas ook al overleden in 1989, was het derde lid van de Holland-equipe, en hij werd door een klein aantal liefhebbers op handen gedragen.

Wim schreef ooit het liedje “De mallemolen” voor Heddy Lester, die er tijdens het Eurovisie Songfestival slechts weinig punten mee behaalde.

Aangespoord door dit “succes” stortte Wim Hogenkamp zich als uitvoerend artiest op zijn eigen werk.

Er werd een langspeelplaat gemaakt met de titel “Heel gewoon”, waarvoor hij een Edison ontving.

Toen droeg hij eenmaal de Louis Davids-ring om de ringvinger; de zanger zat helemaal gebeiteld.

Niets kon hem een tweede langspeelplaat meer in de weg staan en die kwam er dan ook, met als titel “Punt uit”.

Zoiets deed je vermoeden dat het de laatste plaat van Wim was.

Maar nee, volgens de biografie van de platenmaatschappij was de nabije toekomst voor Wim van groot belang: hij was met zoveel dingen tegelijk bezig dat het hem vaak moeilijk viel zijn gedachten op één activiteit te concentreren.

Plannen voor de toekomst waren er in ieder geval genoeg.

Nederland wist de Knokke Cup in 1981 niet te winnen.

De hoofdprijs ging dat jaar naar het Vlaamse team met Sofie (Sofie Verbruggen).

Ze vertegenwoordigde dat jaar ons land samen met haar collega-artiesten Johan Verminnen en actrice en zangeres Liliane Dorekens.

Liliane Dorekens, geboren op 29 oktober 1950 te Antwerpen, studeerde in 1972 af aan de Studio Herman Teirlinck als onderdeel van de allereerste lichting van de opleiding kleinkunst.

Ze deed dit samen met onder andere Connie Neefs en Luc Appermont.

Haar bekendste rollen zijn Melanie in de populaire komische serie Slisse & Cesar en Micheline Hoefkens (de vriendin van Rita) in de soap Familie.

Ze had daarnaast gastrollen in onder andere Thuis.

Ze speelde mee in grote producties zoals de musicals Je Anne (Koninklijk Ballet van Vlaanderen) en Fiddler on the Roof.

Recent vierde ze nog haar 55-jarige vriendschap met Connie Neefs in de muzikale theatervoorstelling Vrienden voor het leven.

De oorspronkelijke, grote zangwedstrijd De Knokke Cup (voorheen bekend als het Songfestival van Knokke of de Europabeker voor Zangvoordracht) liep jaarlijks van 1959 tot en met 1973.

In de jaren 80 werd er in het Casino van Knokke nog vijf keer een kleinschaligere versie onder de naam ‘Knokke Cup’ georganiseerd.

De allerlaatste editie van deze reeks vond plaats in 1986.

Als chef d’équipe (kapitein van de ploeg) deed Lou van Rees vanaf 1959 voor Nederland maar liefst 15 keer mee aan het befaamde Knokkefestival.

Regelmatig mondde dit uit in een relletje, maar volgens Van Rees was dat altijd weer goed voor de publiciteit.

Nederland won onder zijn leiding in 1964 met Willeke Alberti, Shirley, Trea Dobbs, Ilonka Biluska en Rita Hovink en in 1965 met Greetje Kauffeld, Liesbeth List, Conny van Bergen, Suzie en Jan Arntz.

Willem O. Duys schreef in diverse muziekbladen en werd wegens zijn grote vakkennis uitgenodigd om een optreden van Johnnie Ray voor de AVRO aan te kondigen.

Zo maakte hij op 1 juli 1959 zijn debuut als televisiepresentator en volgden er meer opdrachten.

In die tijd liet hij zich Willem ‘O’ Duys noemen.

Het was trouwens Willem Duys die Nederland in 1975 liet kennismaken met een nieuw fenomeen, namelijk Lee Towers.

Gustave (Gustaaf) Nellens (1907–1971) was een visionaire Belgische kunstverzamelaar en de legendarische directeur van het Casino Knokke.

Onder zijn leiding groeide de kustgemeente uit tot een internationale ontmoetingsplaats voor de absolute wereldtop uit de kunst- en muziekwereld.

Hij haalde iconen zoals Frank Sinatra, Edith Piaf, Jacques Brel en Nat King Cole naar het podium.

In 1952 bestelde hij de destijds grootste kristallen kroonluchter ter wereld (7 ton zwaar) voor de grote feestzaal.

Hij onderhield nauwe vriendschappen met meesters zoals Pablo Picasso, Salvador Dalí en Max Ernst, die er allemaal exposeerden.

Zijn meest permanente nalatenschap in het casino is de opdracht aan de surrealistische schilder René Magritte.

In 1953 realiseerde Magritte er de monumentale, 71 meter lange 360°-muurschildering Het betoverde rijk (Le Domaine Enchanté) in de zaal die vandaag de dag de Magrittezaal heet.

Na zijn onverwachte overlijden in 1971 werd het artistieke roer overgenomen door zijn zonen Jacques en Roger Nellens.

Zij zetten de familietraditie voort door onder andere popart-icoon Keith Haring naar Knokke te halen.

Ter nagedachtenis aan Gustave werd in 1974 het iconische stenen beeld Eva van Eugène Dodeigne in Knokke ingehuldigd.

De familie Nellens droeg de concessie van het casino in de jaren 90 van de vorige eeuw over aan de Franse casinogroep Partouche.

Hiermee kwam een einde aan de rechtstreekse creatieve en familiale leiding.

De Belgische gokgroep Napoleon Games nam de exploitatie in 2013 over. Het casino draagt vandaag de dag ook de naam Napoleon Casino Knokke.

Het gebouw zelf is eigendom van de gemeente Knokke-Heist.

De gemeente heeft recent grote plannen goedgekeurd voor een volledige vernieuwing en uitbreiding van de site.

Aan de renovatie van het casino hangt een stevig prijskaartje van 95 miljoen euro.

De bedoeling is dat de werken klaar zijn tegen 2032.

Vandaag, precies 93 jaar geleden, werd een icoon aan de Belgische kust officieel geopend.

Op 9 juli 1933 werd de nieuwe pier van Blankenberge ingehuldigd, een gebeurtenis die destijds werd gemarkeerd met de uitgave van een speciale postkaart.

Deze pier, een ontwerp met art-deco-invloeden van Jules Soete, verving de oorspronkelijke gietijzeren constructie uit 1894 die tijdens de Eerste Wereldoorlog door de Duitse bezetter werd vernield.

De nieuwe, betonnen pier strekte zich 350 meter uit in de Noordzee en werd al snel het symbool van de stad en een trekpleister voor toeristen.

Bij de opening was de pier niet alleen een wandelhoofd.

De eerste vier jaar bood het onderdak aan het pretpark ‘Luna Staar’, wat zorgde voor extra vertier boven de golven.

Het was een plaats van plezier en ontspanning, een moderne constructie die het optimisme van het interbellum uitstraalde.

Door de jaren heen heeft de pier heel wat meegemaakt en de constante invloed van de zee heeft zijn sporen nagelaten.

Recentelijk onderging de wandelweg dan ook een grondige renovatie, met als doel deze te herstellen naar het oorspronkelijke uitzicht van 1933.

Vandaag kunt u op deze plaats lekker eten met een pracht van een uitzicht.

Hoewel het geen officieel museum is, beschikt het gebouw wel over een exporuimte.

Hier worden regelmatig tijdelijke tentoonstellingen of evenementen georganiseerd.

De ruimtes worden ook veelvuldig verhuurd voor privéfeesten, bedrijfsevenementen en speciale proeverijavonden.

Ongeveer 87 jaar geleden ging mijn overgrootmoeder (Martha Van Hende) een dagje naar de zee, Blankenberge.

Van sociaal vakantieoord naar modern viersterrencomplex: de geschiedenis en toekomst van Duinse Polders in Blankenberge

Het vakantiecentrum Duinse Polders, gelegen aan de Albert Ruzettelaan op de grens van Blankenberge en Zeebrugge, is al tientallen jaren een vaste waarde voor toeristen op amper 200 meter van het strand.

De traditie van deze plek gaat ver terug. Oorspronkelijk lag dit gebied op het grondgebied van de oude gemeente Uitkerke, totdat de grenzen in 1901 werden herzien en het definitief bij Blankenberge ging horen.

Al vroeg in de twintigste eeuw werd de omgeving ontsloten door de aanleg van de stoomtramlijn, de voorloper van de huidige kusttram.

De eerste fases van het huidige gebouwencomplex werden opgetrokken in 1956, inmiddels zeventig jaar geleden.

In de decennia na de Tweede Wereldoorlog speelde de locatie een grote rol in het opkomende sociale toerisme in België.

Het centrum werd decennialang uitgebaat in samenwerking met de Christelijke Mutualiteiten en Intersoc.

Het was de plek waar in al die jaren duizenden gezinnen, groepen en jongeren hun eerste vakanties aan zee beleefden.

De eetcultuur in die beginjaren was legendarisch grootschalig.

Omdat er dagelijks honderden hongerige monden tegelijk gevoed moesten worden, begon het keukenpersoneel vaak al om acht uur in de ochtend met het voorbakken van de frieten om alles tegen de middag op tafel te krijgen.

Het centrum stond bekend om zijn strakke logistieke planning en de typische, onbezorgde vakantiesfeer.

Vandaag de dag trekt het complex nog altijd veel families, senioren en groepen aan. Een leuk weetje is dat het vakantiecentrum beschikt over een eigen, direct voor de deur gelegen halte van de Kusttram.

Bezoekers kunnen hun auto op het domein achterlaten en direct op de tram stappen om de rest van de Belgische kustlijn te ontdekken.

Daarnaast is het domein al sinds het najaar van 1989 de vaste thuisbasis voor de ELK, de Europese Landsbond voor Cactus- en Vetplantenliefhebbers.

Jaarlijks komen verzamelaars uit heel Europa hier samen voor een van de grootste ruil- en verkoopbeurzen op dit gebied.

Het centrum ligt bovendien geklemd tussen het strand en de Uitkerkse Polder, een eeuwenoud weidelandschap van circa 1400 hectare dat is uitgegroeid tot een van de belangrijkste vogelreservaten en grootste natuurgebieden van Vlaanderen.

De huidige gebouwen zijn inmiddels sterk verouderd en moeilijk duurzaam te renoveren.

Omdat de noden veranderen en mensen tegenwoordig veel meer comfort verwachten, broedt eigenaar Corsendonk Hotels op ambitieuze plannen.

Er is een vergunning aangevraagd om het bekende vakantiecentrum, dat het uitzicht van Blankenberge tientallen jaren heeft bepaald, grotendeels te slopen en te vervangen door een modern nieuwbouwproject.

De plannen voorzien in de bouw van een gloednieuw viersterrenhotel met 165 kamers, een grote wellness van meer dan 1.000 vierkante meter die ook toegankelijk zal zijn voor niet-hotelgasten, en 91 vakantieappartementen op dezelfde site.

Het totale project wordt opgetrokken in verschillende volumes. Naast het hotel en de appartementen omvat het ontwerp twee restaurants, een ondergrondse parking en een groene, rustgevende omgeving.

Het project zal in verschillende fases worden uitgevoerd.

In de eerste fase worden de 91 vakantieappartementen gebouwd, waarna in de latere fase het viersterrenhotel en de wellness volgen.

Na het openbaar onderzoek zullen de steden Brugge en Blankenberge, samen met de provincie West-Vlaanderen, beslissen over de toekenning van de vergunning.

Als de nodige vergunningen worden goedgekeurd, start de sloop van de oude gebouwen al eind dit jaar.

In 2028 begint dan de bouw van de vakantieappartementen, met het oog op een volledige oplevering in 2031.

Doordat er in fases wordt gewerkt, kan het vakantiecentrum tijdens de werkzaamheden gewoon openblijven en kan al het personeel aan het werk blijven.

Gisteren nog vandaag

De Haan is een van de meest charmante en unieke badplaatsen aan de Belgische kust, gelegen in de provincie West-Vlaanderen.

Wat de gemeente onmiddellijk onderscheidt van vrijwel alle andere steden langs de kustlijn, is het ontbreken van de typische aaneengesloten muur van hoge appartementsgebouwen langs het strand.

In de plaats daarvan word je verwelkomd door sierlijke en historische architectuur in de zogenaamde Belle Epoquestijl.

Dit is vooral zichtbaar in de beschermde villawijk de Concessie, die aan het begin van de twintigste eeuw slim werd ingeplant in het golvende duinenlandschap.

Gisteren nog vandaag

De naam van deze wijk verwijst letterlijk naar de erfpacht of concessie die in 1889 door de Belgische staat, onder impuls van koning Leopold II, voor negentig jaar werd toegekend aan particuliere investeerders.

Om het onherbergzame duingebied te ontwikkelen tot een luxueuze badplaats, stelde men erg strenge bouwvoorschriften op onder leiding van de Duitse stedenbouwkundige Hermann-Josef Stübben.

De nieuw aan te leggen wegen moesten het kronkelende, natuurlijke reliëf van de duinen volgen en er mochten uitsluitend vrijstaande villa’s met grote omliggende tuinen gebouwd worden.

Toen deze oorspronkelijke concessie-overeenkomst na negentig jaar in 1979 ten einde liep, werd de erfpacht niet wettelijk verlengd. Grote bouwpromotoren zagen onmiddellijk hun kans schoon om de percelen op te kopen en de kustlijn ook hier vol te bouwen met hoge appartementsblokken.

Enkele authentieke gebouwen, waaronder Hotel Beau Rivage, gingen aanvankelijk zelfs tegen de vlakte om plaats te maken voor moderne flatgebouwen zoals residentie Mayfair.

Deze plotselinge afbraak leidde echter tot een storm van protest en een grootschalige petitie van zowel inwoners als toeristen, die massaal eisten dat het unieke karakter van De Haan bewaard zou blijven.

Als reactie hierop koos de overheid er niet voor om het oude erfpachtcontract zomaar te verlengen, maar greep ze in via de wetgeving rond monumentenzorg en stedenbouw.

Gisteren nog vandaag

In 1981 werd het centrale deel van de wijk, samen met enkele belangrijke historische gebouwen, geklasseerd als beschermd dorpsgezicht.

Enkele jaren later werden er via een Bijzonder Plan van Aanleg ook zeer strenge bouwvoorschriften vastgelegd om te garanderen dat de bestaande verhoudingen tussen de huizen en de natuur gerespecteerd bleven, waarna de volledige vroegere concessie in 1995 definitief als erfgoed werd beschermd.

Het oorspronkelijke juridische contract liep dus af, maar de stedenbouwkundige visie werd dankzij burgerprotest permanent verankerd in nieuwe beschermingsstatuten.

Het resultaat is een groen, uitgestrekt en rustig straatbeeld vol charmante witte villa’s, kenmerkend door hun rode daken, torentjes en sierlijke houten balkons.

Naast dit architecturale erfgoed trekt De Haan ook enorm veel natuurliefhebbers aan, met name dankzij de uitgestrekte Duinbossen en het opvallend lange, rustige zandstrand.

Gisteren nog vandaag

Het meest beroemde feit over De Haan is ongetwijfeld het tijdelijke verblijf van Albert Einstein.

In het voorjaar van 1933, vlak nadat hij nazi-Duitsland was ontvlucht, woonde de wereldberoemde natuurkundige maar liefst zes maanden lang in de Villa Savoyarde.

Hij wandelde er dagelijks door de duinen en ontving er talloze prominente wetenschappers, kunstenaars en hoogwaardigheidsbekleders voordat hij met zijn vrouw definitief naar de Verenigde Staten vertrok.

Een ander opvallend monument en geliefd weetje is het historische tramstationnetje uit 1902.

Dit sierlijke gebouwtje, met zijn typische vakwerk, is in zijn authentieke glorie bewaard gebleven en fungeert nog steeds als een van de mooiste en meest gefotografeerde haltes van de hele Kusttram.

Tot slot is het bijzonder om te weten dat het vele groen in De Haan absoluut geen toeval is; de uitgebreide bossen werden destijds heel bewust aangeplant om het opwaaiende zand tegen te houden en te voorkomen dat het het dorp zou overspoelen.

Dit doordachte plan geeft de badplaats tot op de dag van vandaag haar unieke, bosrijke en schilderachtige karakter.

Giteren nog vandaag

De geschiedenis van Ter Duinen in Nieuwpoort: over zorg, devotie en abdijstenen

Wanneer we spreken over Ter Duinen in de context van Nieuwpoort, komen we uit bij een boeiende geschiedenis die nauw verweven is met de heropbouw en de zorgsector aan de Belgische kust.

Hoewel de naam Ter Duinen historisch gezien vooral herinneringen oproept aan de middeleeuwse Duinenabdij van Koksijde, heeft Nieuwpoort zijn eigen specifieke plekken gekregen die deze naam met trots dragen.

De belangrijkste moderne betekenis van Ter Duinen in Nieuwpoort is het bekende zorg- en herstelverblijf van de Christelijke Mutualiteit, gelegen aan de Louisweg.

Gisteren nog vandaag

De geschiedenis van deze specifieke locatie begon in de vroege jaren tachtig van de twintigste eeuw.

In februari 1983 startten de bouwwerken voor wat destijds werd opgezet als een modern revalidatiecentrum en vakantiedomein.

Het doel was om een toegankelijke vakantieplek te creëren voor senioren, chronisch zieken en mensen die moesten herstellen na een ziekenhuisopname.

Door de jaren heen evolueerde het complex tot een volledig aangepast centrum, dat vandaag de dag een cruciale rol speelt in het zorgtoerisme aan de kust.

Het centrum kreeg een officieel toegankelijkheidslabel en biedt al decennia een tijdelijk onderkomen waar professionele zorg en ontspanning hand in hand gaan.

Gisteren nog vandaag

Naast dit moderne zorgverblijf is er in de lokale Nieuwpoortse geschiedenis ook een sterke religieuze en volkskundige link met de naam, in de vorm van de Onze-Lieve-Vrouw-ter-Duinenkapel.

Deze kapel, die vaak kortweg de Duinenkapel wordt genoemd, groeide in de loop van de twintigste eeuw uit tot een belangrijk lokaal Mariaoord.

Gisteren nog vandaag

Vooral tijdens de moeilijke jaren van de Tweede Wereldoorlog vond de Nieuwpoortse bevolking hier een plek van samenkomst en troost.

In 1958 kende de kapel een triest dieptepunt toen het oorspronkelijke Mariabeeld werd vernield, maar nog in datzelfde jaar werd een nieuw beeld ingewijd door pastoor Pieter Declercq.

Gisteren nog vandaag

De kapel bleef een ontmoetingsplaats voor de lokale gemeenschap, en in de jaren negentig werd het interieur nog verrijkt met bas-reliëfs van de bekende volkskundige en keramist Bert Bijnens, die lokale sagen en legendes in de kunstwerken verwerkte.

Een bijzonder en minder bekend historisch weetje over deze Duinenkapel is dat de oorsprong van de devotie op deze plek teruggaat tot een opmerkelijke vondst in de negentiende eeuw.

Volgens de lokale overlevering werd er in 1890 door spelende kinderen een oud houten Mariabeeldje gevonden, half begraven in het zand van de Nieuwpoortse duinen.

De vondst werd destijds door de vissersgemeenschap beschouwd als een hemels teken van bescherming tegen de gevaren van de zee.

Om het beeldje te eren en te beschermen, werd er aanvankelijk een heel eenvoudige houten schuilplaats gebouwd, die later werd vervangen door de meer permanente bakstenen kapel.

Dit verklaart waarom de kapel, hoewel geografisch losstaand van de oude abdij, toch de naam ter Duinen kreeg en door de jaren heen vooral door zeemansfamilies werd bezocht om een behouden vaart af te smeken.

Er is ook een historisch-materieel verband tussen Nieuwpoort en de oorspronkelijke middeleeuwse Duinenabdij van Koksijde.

Toen die reusachtige abdij na de beeldenstorm en de godsdienstoorlogen aan het einde van de zestiende eeuw in verval raakte, werden de restanten een geliefde bron van bouwmateriaal voor de wijde omgeving.

De stad Nieuwpoort bleek een trouwe afnemer van deze historische stenen, de zogenaamde abdijmoeffen.

Zelfs rond het jaar 1800 kocht het stadsbestuur van Nieuwpoort nog grote partijen van deze oude stenen op om ze te verwerken in de herstelling en versteviging van de lokale sluizen.

Zo zit er letterlijk een stukje van het oude Ter Duinen ingemetseld in de maritieme geschiedenis en de waterwerken van Nieuwpoort.

Gisteren nog vandaag

Van Stübben tot Samyn: de evolutie van het kloppend hart van Knokke-Zoute

De ontwikkeling van Het Zoute nam een hoge vlucht in het begin van de twintigste eeuw, grotendeels gestuurd door de in 1908 opgerichte Compagnie

De ontwikkeling van Het Zoute werd grotendeels gestuurd door de ontwerpen van de befaamde Duitse stedenbouwkundige Hermann Josef Stübben.

Zowel het Albertplein, in de volksmond vaak de Albertplaats of Place m’as-tu-vu genoemd, als de Elisabethlaan behoren tot de kern van dit ambitieuze stedenbouwkundige project dat vanaf 1909 werd gerealiseerd.

De Elisabethlaan vormde al snel een belangrijke oost-westverbinding en een centrale verkeersas voor de luxueuze uitbreiding van de kustgemeente Knokke.

Langs en rond deze laan verrezen statige hotels, exclusieve appartementen en villa’s in de voor de streek typerende Anglo-Normandische cottagestijl.

Een illuster stukje geschiedenis speelde zich af aan het einde van de Elisabethlaan in 1954, toen wereldberoemde schrijvers als Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir en Bertolt Brecht in alle stilte logeerden in het toenmalige Linkshotel tijdens een poging om Oost- en West-Europese intellectuelen samen te brengen midden in de Koude Oorlog.

Vlakbij groeide het iconische hotel La Réserve uit tot een luxueuze trekpleister voor internationale sterren.

Het mondaine karakter van deze as vond zijn absolute hoogtepunt op het nabijgelegen Albertplein.

Dit plein werd eveneens in 1909 aangelegd en groeide vooral in de jaren vijftig uit tot dé plek waar de internationale beau monde zich verzamelde.

Grote sterren zoals Frank Sinatra, Edith Piaf, Charles Aznavour en Jacques Brel dronken er een aperitief, gadegeslagen door het flanerende publiek.

Aan het plein opende in 1923 ook het befaamde Hotel Memlinc, ontworpen door architect Jozef Viérin, dat met zijn jazzconcerten en theedansen de roaring twenties aan de kust extra kleur gaf.

Op het kruispunt bij het plein werd in de jaren zestig bovendien het opvallende bronzen beeld De Poëet van de Frans-Russische kunstenaar Ossip Zadkine geplaatst, waarvoor later een definitieve plek werd gevonden.

Hoewel het plein in de decennia daarna wat van zijn oorspronkelijke grandeur verloor, onderging het recent een spectaculaire transformatie.

In 2023 werd een vernieuwd Albertplein onthuld, gekenmerkt door een gigantisch dambordpatroon van zwarte en witte tegels.

Een bijzonder detail is dat in de zwarte tegels duizenden oude munten zijn verwerkt die door inwoners en bezoekers werden geschonken.

De absolute blikvanger van het vernieuwde plein is een innovatieve glazen koepel, ontworpen door ingenieur-architect Philippe Samyn.

Dit architecturale hoogstandje zonder interne steunpilaren vormt vandaag het nieuwe kloppende hart van de badplaats en verbindt de rijke geschiedenis van de plek naadloos met de eenentwintigste eeuw.

Postkaart van Knokke-Zoute (1968)

Gisteren nog vandaag

Zomerse nostalgie uit Monaco, de heropleving van Stéphanie’s badpakkencollectie.

Was u nog niet aan vakantie toe, maar droomde u wel volop van witte stranden en wuivende palmen?

Dan kon u heerlijk wegdromen bij de exotische badpakkencollectie van prinses Stéphanie.

De prinses van Monaco vond het in 1986 namelijk een prachtig idee om samen met haar compagnon Alix de la Comble een eigen exclusieve kledinglijn te lanceren.

Achter de schermen had hun merk Pool Position een zeer persoonlijke geschiedenis.

De twee vrouwen hadden elkaar enkele jaren eerder leren kennen toen Stéphanie in 1983 een stage volgde bij het beroemde modehuis Christian Dior onder leiding van hoofdontwerper Marc Bohan.

Vanuit hun gedeelde passie besloten ze de handen ineen te slaan en Pool Position officieel als hun eigen label te presenteren, met een sterke focus op kwalitatief hoogstaande zwemkleding.

Ze creëerden strandkleding en badpakken die zowel sportief als elegant waren, wat een opvallend frisse en jonge collectie opleverde.

De presentatie van hun allereerste badpakkenlijn werd meteen een groot mondiaal media-evenement.

Ze hielden een succesvolle modeshow in de Sporting Club in Monaco, waar onder meer prins Rainier, prinses Caroline en prins Albert op de eerste rij zaten om de kersverse eigenaressen te steunen.

Hoewel zwart ook in de zomer van 1986 de modekleur bij uitstek bleef en Stéphanie daarom koos voor veel zwarte ontwerpen met opvallende witte accenten en grafische motieven, was er aan kleur geen gebrek.

De collectie bevatte eveneens vrolijke tinten zoals felroze, geel, blauw en klassiek rood.

De modellen waren mooi in balans, sportief maar tegelijkertijd uiterst vrouwelijk.

Zo hadden veel badpakken een hoge uitsnijding en waren ze voorzien van trendy details zoals ruitpatronen, strepen en logo’s.

Het oorspronkelijke merk Pool Position verdween na de succesvolle beginjaren uiteindelijk weer van het modetoneel.

Prinses Stéphanie richtte zich nadien op andere projecten, waaronder het uitbrengen van een eigen parfum, een muzikale carrière en het beheren van enkele kledingzaken in Monaco.

Toch is de naam vandaag de dag zeker niet vergeten, want het merk is momenteel bezig aan een opvallende comeback.

Pauline Ducruet, de dochter van prinses Stéphanie, heeft namelijk besloten om de modegerfenis van haar moeder nieuw leven in te blazen.

In mei 2025 bracht zij via haar eigen label Alter Designs al een eerste eerbetoon uit met een capsulecollectie onder de naam Alter x Pool Position.

Deze badpakkenlijn was qua stijl volledig geïnspireerd op de sfeer en de ontwerpen uit de jaren tachtig.

Die samenwerking kreeg heel recent nog een vervolg, want in maart 2026 kondigde Pauline aan dat ze het merk Pool Position weer volledig gaat herlanceren, precies veertig jaar na de oorspronkelijke oprichting.

De eerste badpakkencollectie van het vernieuwde label staat gepland voor juni 2026.

Hiermee keert de vertrouwde Monegaskische strandkleding weer helemaal terug, met ontwerpen die ook daadwerkelijk lokaal in Monaco worden geproduceerd

Prinses Stéphanie van Monaco (juni 1981)