90 jaar geleden: een reisverslag door de Vlaamse Ardennen door verslaggever A. De Clercq in het tijdschrift De Stad van 2 oktober 1936

In de vroege ochtend van een augustusdag in 1936 trok een gezelschap eropuit voor een tocht door de Vlaamse Ardennen, de heuvelachtige streek in het zuiden van Oost-Vlaanderen tussen Oudenaarde, Ronse en Geraardsbergen.

De hemel hing nog vol nevel en zware wolken, al piepte er af en toe een schuchtere zonnestraal doorheen.

Terwijl de reisgenoten de auto een laatste controle gaven en speurend naar boven keken om het weer in te schatten, lagen de wegenkaart en de verrekijker al vertrekkensklaar.

De motor sloeg aan, er werd nog even gezwaaid naar de thuisblijvers en het gezelschap zette zich in beweging.

Ze reden Geraardsbergen uit via de steenweg naar Oudenaarde en passeerden meteen de oude molen op de linkerhelling, een vertrouwd baken dat bekendstond als de Buitenmolen of de molen van de Oudenaardse poort.

De route liep verder door Deftinge, een aloude dorpskern die vroeger onder de baronie van Boelare viel en er die ochtend heerlijk fris bij lag in het vroege ochtendlicht.

Op de uitgestrekte kouters langs de weg was de oogst al volop bezig.

Het graan stond in schoven te drogen op de rogge- en tarwevelden, terwijl de haveraren nog zachtjes wiegden in de bries, mooi afgewisseld met lappen aardappelen en bieten.

In het landelijke Parike raakten ze aan de praat met een landbouwer die zijn oogst aan het binnenhalen was.

De man bleef er nuchter onder en stelde dat ze eigenlijk niet mochten klagen.

Het graan had wel te lijden gehad onder de aanhoudende regen, maar elders in het land was het veel erger gesteld.

Zo had het Meetjesland eind juni immers nog af te rekenen gekregen met verwoestende wervelwinden.

Even verderop rees de stenen windmolen van Parike op boven de heuvelrug, omringd door pas gemaaid koren.

De reizigers wisselden een paar woorden met de molenaar en legden het idyllische tafereel vast op foto.

Daarna ging de tocht voort richting Nederbrakel.

Het heuvelland vouwde zich steeds breder voor hen open, met goudgele akkers op de voorgrond en donkere boskammen aan de einder.

Aan hun linkerhand lag Everbeek, een Vlaams dorp dat toen nog bij Henegouwen hoorde en waar de toppen van de heuvels de taalgrens markeerden.

Langs de veldwegen rezen statige beuken en olmen op, met her en der een kapelletje en een gietijzeren kruisbeeld onder het bladerdak van oude bomen.

Nederbrakel zelf was toen al een bedrijvige gemeente in de Zwalmvallei, met ruim vijfduizend inwoners en een parochiekerk met een opvallend robuuste, vierkante toren.

Aangekomen in Elst hielden ze halt tegenover de kerk om te informeren naar de juiste weg naar Sint-Maria-Horebeke.

Voorbij het katholieke dorpscentrum, langs de weg naar Nederzwalm, bereikten ze de protestantse Geuzenhoek.

Ze maakten er kennis met dominee Germersaad, die hen met zichtbaar plezier rondleidde langs zowel de oude als de nieuwe kerk.

In het oudste gebedshuis viel hun oog op het portret van meester Karel Blommaert, die tien jaar eerder was overleden.

Hij was een rechtstreekse afstammeling van Jacob Blommaert, de geuzenleider die in 1572 Oudenaarde wist in te nemen.

Na diens vlucht en arrestatie hadden zijn volgelingen een toevlucht gezocht in de omliggende wouden, om uiteindelijk wortel te schieten in Sint-Maria-Horebeke.

De hechte gemeenschap telde in die jaren zo’n honderdvijfenzestig zielen en hield er zelfs een eigen schooltje op na.

Boven het portaal van de nieuwe bakstenen kerk prijkte een gebeeldhouwde open bijbel.

Als geboortedorp van volksschrijver Abraham Hans vormde Sint-Maria-Horebeke de enige overgebleven protestantse enclave van die aard in Vlaanderen, waar katholieken en hervormden in alle sereniteit naast elkaar leefden.

Waar de vrouwen er vroeger nog massaal handschoenen naaiden of kant klosten, was die typische huisnijverheid tegen die tijd vrijwel helemaal uitgedoofd.

Na het hartelijke afscheid van de dominee doorkruiste het gezelschap opnieuw het rijke boerenland.

Overal heerste bedrijvigheid. De kleine keuterboeren maaiden het koren nog met de pik, terwijl de grotere hofsteden al gebruikmaakten van maaimachines en hoog opgetaste wagens vol goudgeel graan naar de schuren zagen dokkeren.

Door het spel van licht en schaduw leken de maaiers en binders wel weggelopen uit een schilderij.

Vervolgens hielden de pelgrims halt in Edelare bij het bekende bedevaartsoord Onze-Lieve-Vrouw van Kerselare, waar vooral in de meimaand duizenden andere pelgrims toestroomden.

Vanaf de heuvel rond de kapel met haar spitse toren genoten ze van een weids panorama.

Ze zagen Mater met zijn karakteristieke witte kerktoren, Etikhove dieper in het dal en Schorisse, de bakermat van Omer Wattez. Aan de verre horizon lagen de wijdvertakte bossen van Vloesberg en Brakel.

Wat later reden ze Oudenaarde binnen, genesteld langs de Schelde.

Boven de rode pannen en leistenen daken torenden de massieve Sint-Walburgatoren en het fijn bewerkte gotische stadhuis uit, terwijl iets verderop in een bocht van de stroom de befaamde Onze-Lieve-Vrouwekerk van Pamele lag.

Over de omliggende meersen en velden waaiden de heldere beiaardklanken hen tegemoet, net zoals dichter Gentil Antheunis, die uit Oudenaarde afkomstig was, het ooit zo treffend had bezongen.

Het deed hen mijmeren over het roemrijke verleden van de oude laken- en tapijtstad, die in de veertiende eeuw al versterkt was en wier wevers tot aan het Franse hof faam genoten.

In het historische gasthuis van Johanna van Constantinopel en de schepenzaal van het stadhuis vormden de bewaarde wandtapijten en historische doeken nog altijd het tastbare bewijs van die glorietijd.

Na een korte groet aan de Scheldestad zette het reisgezelschap koers richting Avelgem om vandaar de oversteek naar de Kluisberg te wagen.

De weg kronkelde langs witgekalkte hoeves, waarvan verschillende strodaken nog bewaard waren gebleven.

De donkere heuvelkam van de Kluisberg rees intussen steeds forser op aan de einder.

Ze dwarsten de kronkelende Schelde en reden door het dichtbebouwde Avelgem met zijn scherpe torenspits, de plek waar Stijn Streuvels destijds in de bakkerij zijn eerste verhalen schreef.

Het nabijgelegen Ruien lag er tegen de heuvelflank bijzonder schilderachtig bij onder de almaar warmer wordende namiddagzon.

Over een steile, mulle zandweg bereikten ze uiteindelijk de top van de Kluisberg, waar tal van cafés, afspanningen en pensions gemoedelijk zij aan zij stonden.

Daar deden ze een minder prettige ontdekking: in de vroege ochtenddrukte was hun zorgvuldig klaargemaakte proviand gewoon thuis blijven liggen.

Er zat dan ook niets anders op dan aan te schuiven voor een stevige boterham met boerenkaas en een dampende tas koffie.

Tussendoor krabbelden ze snel wat prentbriefkaarten voor het thuisfront, waarna ze opnieuw naar buiten trokken.

Inmiddels had de zon de wolken verdreven en lag het panorama er schitterend bij. Vanaf het hoogste punt, ruim honderddertig meter boven de zeespiegel, keken ze tientallen kilometers ver.

De kerktorens van Avelgem, Kwaremont en Etikhove staken helder af tegen het glooiende reliëf.

In de diepte schitterde het lint van de steenweg naar Ronse en in de verte tekenden zich de West-Vlaamse vlas- en tabaksvelden af.

Aan de zuidelijke flank strekten de Henegouwse dorpen Orroir, Amougies en Rozenaken zich uit.

Het bleek een geliefde trekpleister waar wandelaars en gezinnen kwamen herademen in de zuivere boslucht, te midden van verspreid liggende villa’s en buitenverblijven in het groen.

De reizigers haalden nog verschillende keren hun fototoestel boven om de weidsheid van de Schelde-, Ronne- en Zwalmvallei te vereeuwigen.

Hoewel ze maar wat graag nog even waren gebleven om ook de oude uitkijktoren op de top te beklimmen, tikte de tijd door en dwong de naderende avond hen om hun weg weer te vervolgen.

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Precies veertig jaar geleden, op 12 september 1986, ging een wel heel bijzondere productie in première in Epcot: de 3D-sciencefictionfilm Captain EO.

Wat deze attractie in Walt Disney World zo uniek maakte, was het ongekende droomteam achter de schermen.

Niemand minder dan Michael Jackson speelde de hoofdrol, terwijl Francis Ford Coppola de regie op zich nam en George Lucas tekende voor de productie.

Met baanbrekende effecten, opzwepende muziek en Jackson op de toppen van zijn kunnen werd het meteen een cultfavoriet onder pretpark- en muziekliefhebbers.

Rondom de productie en de vertoningen ontstonden tal van opmerkelijke weetjes.

Met een speelduur van amper zeventien minuten en een geschat budget tussen de 17 en 23 miljoen dollar gold Captain EO destijds als de duurste film per minuut ooit gemaakt.

Het project bracht twee speciaal geschreven Jackson-nummers voort: Another Part of Me, dat later op zijn succesalbum Bad belandde, en We Are Here to Change the World.

De naam EO werd bedacht door George Lucas en verwijst naar Eos, de Griekse godin van de dageraad.

Bovendien was het een van de allereerste echte 4D-ervaringen, waarbij synchroon met de beelden echte lasers, rook en hydraulische effecten in de zaal werden geactiveerd.

De belangstelling voor de sciencefictionmusical was gigantisch. Vanaf het openingsweekend stroomden tienduizenden fans toe; in Disneyland bleef het park tijdens de openingsdagen zelfs zestig uur onafgebroken open om de enorme menigten aan te kunnen.

Uit bevragingen bleek dat meer dan negentig procent van de bezoekers speciaal voor de film naar het park kwam.

Gedurende de oorspronkelijke vertoningen tussen 1986 en eind jaren negentig passeerden vele tientallen miljoenen bezoekers de speciaal ontworpen zalen in Florida, Californië, Tokio en Parijs.

Wij in Europa moesten overigens nog enkele jaren geduld hebben, want de première in Disneyland Parijs vond pas plaats op 12 april 1992, tegelijk met de feestelijke opening van het resort.

Na het overlijden van Michael Jackson in 2009 keerde de film in 2010 nog eens tijdelijk terug naar de verschillende Disney-parken wereldwijd als een bijzonder eerbetoon.

Oude postkaarten van Home Pecher in Koksijde: van zeepreventorium voor kinderen met chronische ademhalingsaandoeningen tot cultuurhuis.

Aan de Veurnelaan in Koksijde staat het voormalige Home Edouard Pecher, een markant pand met een rijke geschiedenis die teruggaat tot de periode vlak voor de Tweede Wereldoorlog.

Het gebouw werd in 1937 opgericht op initiatief van de liberale mutualiteiten uit Brussel, naar een ontwerp van ingenieur-architect Marcel Simon.

Het diende oorspronkelijk als vakantiekolonie en werd gebouwd als eerbetoon aan Edouard Pecher.

Édouard Pecher werd op 24 november 1885 geboren in de stad Antwerpen en groeide op in een van de invloedrijkste liberale families van de stad.

Gisteren nog vandaag

Zijn overgrootvader Charles Pecher was destijds een van de oprichters van de Liberale Partij in Antwerpen, en zijn grootvader speelde in 1872 een grote rol bij het veroveren van de macht op het Antwerpse stadhuis.

Als politicus zette hij die familietraditie voort en zetelde hij in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, specifiek voor het kiesdistrict Antwerpen, eerst van 1912 tot 1919 en vervolgens van 1921 tot aan zijn dood.

Van 1921 tot 1926 leidde hij de Liberale Partij als voorzitter.

Binnen de liberale rangen gold hij als een van de belangrijkste trekkers van de sociaal-progressieve vleugel.

Hij overtuigde zijn partij van de noodzaak van een vroege vorm van sociale zekerheid, waaronder een verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering voor werknemers.

In 1921 werd hij tevens de allereerste voorzitter van de Nationale Bond der Liberale Mutualiteitsfederatiën van België, de voorloper van de huidige Liberale Mutualiteit.

In het jaar van zijn overlijden diende hij bovendien korte tijd als minister van Koloniën in de Belgische regering.

Gisteren nog vandaag

Op maandag 27 december 1926 overleed hij in Brussel aan de gevolgen van een zware griepaanval, op de leeftijd van exact 41 jaar.

Hoewel hij in Brussel stierf, vond hij zijn laatste rustplaats in zijn thuisstad op de bekende Antwerpse begraafplaats Schoonselhof.

Na de oorlogsjaren onderging het naar hem vernoemde tehuis in Koksijde verschillende uitbreidingen, waarvan de laatste plaatsvond in 1969.

Eind jaren negentig kwam het gebouw in handen van de gemeente Koksijde, die er een nieuwe culturele bestemming aan gaf.

Gisteren nog vandaag

Het pand werd omgedoopt tot cultureel centrum Taf Wallet, vernoemd naar de kunstenaar die destijds op een honderdtal meter afstand zijn atelier had.

Hoewel het gelijknamige museum inmiddels gesloten is wegens te weinig bezoekers, heeft het pand de status van beschermd monument gekregen en biedt het vandaag de dag nog altijd onderdak aan de Westhoekacademie.

Gisteren nog vandaag

Het bankroet van onze badplaatsen is het gevolg van de slechte zomer van 1951.

In de zomer van 1951 was het eigenlijk nog te vroeg om de definitieve balans op te maken.

Binnen enkele weken zouden weerkundigen immers precies berekenen hoeveel regen er was gevallen, hoeveel graden de temperatuur onder het gemiddelde bleef en hoeveel wolkenvelden er in drie maanden tijd overdreven.

Economen zouden op hun beurt overzichten opstellen van de verliezen die geleden waren, de financiële tekorten en alle tegenvallers in klinkende munt.

Voor de ondernemers aan de Belgische en Nederlandse kust, zoals de uitbaters van strandtenten, stoelenverhuurders, winkeliers en eigenaars van hotels, pensions en eetgelegenheden, waren die officiële cijfers overbodig.

Zij wisten toen al ruimschoots hoe de vork in de steel zat.

Het zomerseizoen van 1951 draaide uit op een ongekende financiële tegenvaller.

Tegen de tijd dat dit verslag eind augustus werd geschreven, was het nog geen enkele week aan een stuk mooi weer geweest.

Het absolute hoogtepunt bleef beperkt tot vier dagen met redelijk wat zon.

Ook de zondagen, die het seizoen normaal gesproken hadden kunnen redden, lieten het massaal afweten.

Hoewel ze elke week stipt op de kalender stonden, deden ze hun zonnige reputatie allerminst eer aan.

Voor de Belgische badplaatsen betekende vooral 15 augustus, de feestdag van Maria-Hemelvaart waar altijd met veel hoop naar werd uitgekeken, de genadeloze doodsteek.

Een fotograaf van De Post bracht die vrije dag door in Knokke en behoorde daar tot een handvol optimisten.

De grote menigte strandgangers die op zo’n topdag werd verwacht, bleef volledig weg.

De thuisblijvers kregen overigens gelijk, want het was aan zee troosteloos, kil en guur.

De meegereisde verslaggever zag niets beters te doen dan weer aan de slag te gaan, om tenminste nog een tastbaar resultaat over te houden aan deze mislukte feestdag.

Zijn beelden brachten het failliet van alle mooie verwachtingen in beeld, net als de zorgen en de wanhoop van talloze hardwerkende zelfstandigen.

Een blik op het strand om halfvier in de middag toonde de totale neergang van het seizoen.

Troostelozer kon het tafereel haast niet worden, want de verhuurders van strandcabines verdienden op dat moment geen enkele frank.

Wie zou er immers tien frank neertellen om op een strandstoel van het zonnetje te genieten als die zon nergens te bekennen was?

De weinige aanwezige bezoekers kozen er dan ook voor om op de leuning te gaan zitten, want dat was tenminste gratis.

15 jaar geleden waren we te gast bij Gérard Brion en zijn unieke recreatiepark Le Petit-Paris in Vaïssac.

Genesteld in een exotische tuin te midden van de prachtige landschappen van de regio Tarn-et-Garonne, is dit park een miniatuurreproductie van Parijs op een schaal van 1:130.

Het is het levenswerk van maker Gérard Brion: een sfeervolle tuin vol miniatuurreconstructies van de Franse hoofdstad en bekende nationale monumenten, verrijkt met Franse buxushagen, het Musée du Petit-Louvre en een magische poppenshow over Moulin Rouge.

Het begon allemaal toen Gérard amper 12 jaar oud was en zijn eerste schetsen op papier zette.

Twee jaar later, op zijn 14e, startte hij met de daadwerkelijke bouw van zijn miniatuurstad.

Na circa 18.000 uur zeer hard werken in de tuin van zijn ouders stelde hij het park na 14 jaar bouwen in 2002 officieel open voor het publiek.

Wat het project extra bijzonder maakt, is zijn creatieve materiaalgebruik: de Eiffeltoren van 2,50 meter hoog, de Sacré-Cœur, de Arc de Triomphe en zelfs de Seine werden allemaal opgebouwd met keien, lege babyvoedingspotjes, soepblikken en soortgelijke rotzooi. (zoals u kunt zien op foto 2)

Dit ware precisiewerk nodigt u uit om de historische wijken van Parijs aan uw voeten te ontdekken, alsof u er vanuit een helikopter op 150 meter hoogte overheen vliegt.

Van de Tuilerieën tot het Trocadéro, van de Notre-Dame tot Montmartre wandelt u tussen de gebouwen en geniet u van de vergezichten via vele panoramische uitzichtpunten, vergezeld door een betoverende muzikale sfeer, het zachte kabbelen van fonteinen en het gefluister van de natuur.

Ook ’s avonds en in de schemering is een bezoek betoverend.

Dan gaan de vele lichtjes aan, van de Belle Époque-lantaarnpalen langs de lanen tot de fonkelende Eiffeltoren.

Een avondbezoek is een echte aanrader in de zomer wanneer het overdag te warm is; in augustus is het park elke dinsdag-, woensdag- en donderdagavond om 21:00 uur open.

Tijdens de feestdagen transformeert het park in een winterwonderland met feestelijke slingers, waarbij u van 15 december tot en met 10 januari elk weekend en elke avond van 17:00 tot 19:00 uur van de verlichting kunt genieten.

Naast de stadsmaquette herbergt de attractie Petit-Louvre een privécollectie reproducties van de mooiste schilderijen uit het beroemde museum.

Hier ontdekt u meesterwerken van Leonardo da Vinci, Watteau, Boucher, Ingres en Rafaël, eigenhandig geschilderd door Gérard Brion, die naast modelbouwer ook al van kinds af aan een getalenteerd tekenaar is.

In een bioscoopgedeelte wordt u meegenomen door de ongelooflijke geschiedenis van het park met de film Het avontuur van Petit-Paris.

Ook kunt u hier het ambitieuze uitbreidingsproject bekijken: een cruciale stap waarin Parijs op een vijf keer zo grote schaal nagebouwd zal worden.

Wat zou Parijs bovendien zijn zonder de Musée du Petit-Louvre ?

In de Petit-Moulin Rouge komt de magie van de Music Hall tot leven via een geluid- en lichtshow met miniatuurautomaten.

Deze poppenshow betovert jong en oud, van de beroemde Franse Cancan tot het Crazy Horse en Holiday on Ice.

De attractie is een technisch meesterwerk waarin een complex systeem van programmeurs en micromotoren talloze geklede poppen beweegt, perfect gesynchroniseerd met de belichting en de beroemde Cancan-muziek.

Ten slotte nodigt het park u uit in het gedeelte Petite-France, waar u de mooiste monumenten van heel Frankrijk herontdekt.

U bewondert er gedetailleerde maquettes van iconische bouwwerken zoals de Dom van Straatsburg, de vestingstad Carcassonne en de kastelen van de Loirevallei, met het indrukwekkende Kasteel van Chambord als absoluut hoogtepunt.

Deze specifieke maquettes werden oorspronkelijk gebouwd voor het park Mini-France in Brignoles, dat opende in 1988.

Nadat dat park failliet ging, kocht Gérard Brion de overgebleven modellen op om ze van de ondergang te redden, waarna hij ze eigenhandig restaureerde en een tweede leven gaf in Vaïssac.

Op zijn terrein van bijna 3 hectare mag Gérard Brion tijdens de zomermaanden maar liefst 15.000 bezoekers begroeten.

Wilt u Le Petit-Paris bezoeken? Een ticket kost 7 euro voor volwassenen en 5 euro voor kinderen tot 18 jaar, en kan eenvoudig online besteld worden via de website van het park.

Het park is tijdens de zomermaanden dagelijks geopend, en oh ja: ziet u Gérard Brion lopen, gelieve hem dan aan te spreken als meneer de burgemeester van Petit-Paris!

Gisteren nog vandaag

55 jaar geleden, op bezoek bij het Attractiepark Madurodam in Den Haag.

Madurodam werd bedacht door Bep Boon-van der Starp, die zich liet inspireren door het Britse miniatuurstadje Bekonscot Model Village, dat in 1929 in Beaconsfield werd gesticht.

Als lid van de Raad van Bijstand van de Stichting Nederlands Studenten Sanatorium, een organisatie die Nederlandse studenten met tuberculose in staat stelde een kuur te ondergaan en te studeren, zocht Bep Boon-van der Starp naar een manier om blijvend inkomsten voor de stichting te verwerven.

Door een miniatuurstadje te laten bouwen, hoopte hij dat doel te bereiken.

Zijn naam leeft in het park tot op de dag van vandaag voort in het fictieve dorpje Starpenheuvel.

Het park werd genoemd naar George Maduro, een Curaçaose student die zich tijdens de meidagen van 1940 als cavalerieofficier onderscheidde in de slag om de residentie, en in februari 1945 overleed in concentratiekamp Dachau.

Zijn ouders schonken het beginkapitaal voor het project, dat door de familie Maduro wordt beschouwd als een monument voor hun enige zoon.

Gisteren nog vandaag

Sinds 1993 is in Madurodam een schaalmodel van het uit 1895 daterende geboortehuis van Maduro op Curaçao te zien.

Naast de maquette van het huis is een plaquette bevestigd met de tekst dat Nederland in Maduro zijn oorlogshelden uit de strijd van 1940-1945 eert.

De inkomsten van Madurodam gaan naar goede doelen via de Stichting Madurodam Steunfonds.

Het Steunfonds verleent financiële steun aan algemeen nut beogende instellingen die zich met hun activiteiten richten op jongeren of duurzame projecten ten behoeve van jongeren.

Voorbeelden van lopende projecten zijn onder andere het Jeugdsportfonds, het KNCV Tuberculosefonds en het Cruyff Court Laakkwartier in Den Haag.

Het oorspronkelijke stedenbouwkundige ontwerp is van de Groningse architect Siebe Jan Bouma, destijds directeur van het Zuiderzeemuseum.

In het midden van de jaren tachtig werd een nieuwe wijk ontworpen door de architect Carel Weeber.

Begin jaren negentig werd het grondgebied van Madurodam uitgebreid en kon de nieuwe wijk worden aangelegd, waardoor er meer ruimte kwam voor grote objecten zoals Schiphol en de Rotterdamse haven.

Het vernieuwde Madurodam werd op 15 mei 1996 heropend door toenmalig koningin Beatrix.

In 2003 werd het model van de Luchthaven Schiphol vernieuwd en vergroot, tot dan toe het grootste gebouwde object in de geschiedenis van het park.

In de loop der jaren is de miniatuurstad steeds verder vernieuwd.

Gisteren nog vandaag

Zo is er een nieuwe themazone bijgekomen met moderne en bekende Rotterdamse gebouwen, evenals een authentieke wijk die een breed beeld geeft van het Nederlandse straatbeeld.

In de zomer van 2025 opende daarnaast een attractie die bezoekers meeneemt in de kracht van de wind.

Naast deze geschiedenis kent Madurodam tal van bijzondere weetjes die het park extra uniek maken.

Het hele stadje is gebouwd op een exacte schaal van 1 op 25.

Prinses Beatrix werd bij de opening in 1952 de allereerste burgemeester van Madurodam.

Pas toen zij in 1980 koningin werd, legde ze die functie neer en werd ze beschermvrouwe.

Tegenwoordig kiest een jeugdgemeenteraad elk jaar een nieuwe scholier als burgemeester.

Ook de natuur in het park is bijzonder.

Er staan zo’n 4.000 tot 5.000 echte bomen in het park, waaronder eiken, iepen en beuken.

Door intensief snoeien en speciale bemesting worden het volwaardige miniatuurbomen die nooit groter worden dan een meter, en sommige van deze boompjes staan er zelfs al sinds de opening in 1952.

Om de vrolijke en levendige sfeer van de stad te bewaken, ontbreken een ziekenhuis en een begraafplaats bewust in het park.

Alle miniaturen en bewegende vervoermiddelen worden tot op de millimeter nauwkeurig gemaakt in het eigen atelier van het park, waar vakmensen continu schaven aan de kleinste verhalen van Nederland.

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Precies 240 jaar geleden, op 8 augustus 1786, werd de hoogste bergtop van Europa voor het eerst bedwongen.

Wat vandaag de dag als een eenvoudige aardrijkskundige feitelijkheid geldt, namelijk dat de Mont Blanc in de Alpen 4810 meter hoog is, was eeuwenlang een schier onoverkoombare uitdaging.

De ontzagwekkende berg, waarvan ongeveer een derde met sneeuw en ijs is bedekt, oefende een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op avonturiers.

Toch werd tot ver in de achttiende eeuw algemeen aangenomen dat de mens deze machtige top nooit zou kunnen bereiken.

Destijds noemde men de regio rond de berg zelfs het ‘Vervloekte Dal’ (Vallée Maudite), uit angst voor draken, demonen en de verraderlijke gletsjers.

Het was de jonge Zwitserse natuurkundige Horace-Bénédict de Saussure die de uitdaging besloot aan te gaan.

Hij was pas twintig jaar oud toen hij in 1760 Chamonix bezocht en zijn passie voor de Mont Blanc ontwaakte.

De Saussure gold later als een van de grondleggers van de moderne alpinismewetenschap.

Wat begon als een jeugdige ambitie, groeide uit tot een levenslange missie.

Hij loofde zelfs een flinke beloning uit voor degene die een begaanbare route naar de top kon vinden. Jarenlang verkende hij het terrein en ondernam hij talloze pogingen, maar zelfs in 1778 bleef hij ervan overtuigd dat de klim onmogelijk was.

Ondertussen waagden ook anderen hun kans.

In 1784 werd een hoogte van 4331 meter bereikt, en een jaar later moest De Saussure opnieuw onverrichter zake terugkeren.

En zoals dat vaker gaat, was het uiteindelijk een gedreven avonturier die de doorslag gaf: Jacques Balmat, een lokale jager en kristalzoeker uit het dal.

Gedreven door roem en de hoop op goud sloot hij zich in 1786 onverwachts aan bij drie ervaren klimmers.

Toen zijn tochtgenoten door zware tegenslagen besloten op te geven, zette Balmat alleen door.

Hij kwam tot op een paar honderd meter van de top voordat een zware avondstorm hem dwong om terug te keren en noodgedwongen op de gletsjer te overnachten.

Balmat wist nu dat het haalbaar was, maar hij had een getuige én medische expertise nodig voor de extreme hoogte.

Die vond hij in Michel-Gabriel Paccard, een dorpsdokter uit Chamonix die zelf ook al meerdere pogingen had ondernomen en geboeid was door hoogteziekte en drukmetingen.

Samen trokken ze eropuit en op 8 augustus 1786 stonden beide mannen eindelijk op de top van de Mont Blanc.

Het dagboek van dokter Paccard vermeldde er sober over dat ze om 18.23 uur aankwamen en om 18.57 uur weer vertrokken.

Ze stonden precies vierendertig minuten op het hoogste punt.

In het dal kende de vreugde geen grenzen toen het nieuws bekend werd.

De Saussure, de grote inspirator en financier van de expedities, wilde niets liever dan de prestatie aan de zijde van Balmat herhalen.

Pas op 3 augustus van het daaropvolgende jaar zag hij die droom in vervulling gaan, waarbij hij uitgebreide wetenschappelijke experimenten op de top uitvoerde.

Balmat bleef zijn leven lang geobsedeerd door de bergen en de gedachte dat er goud te vinden was.

Op tweeënzeventigjarige leeftijd kwam hij tijdens zo’n zoektocht om het leven in de Val de Sixt; zijn lichaam werd nooit teruggevonden.

Vandaag de dag worden zowel Jacques Balmat als De Saussure geëerd als de pioniers van de Mont Blanc, onder meer met een monument in Chamonix.

Ook vrouwen lieten niet lang op zich wachten.

De allereerste vrouw op de top was de lokale dienstmeid Marie Paradis op 14 juli 1808.

Ze werd door gidsen de berg op geholpen en bereikte de top in vrij slechte fysieke conditie.

Dertig jaar later, op 3 september 1838, volbracht de Franse adellijke sportvrouw Henriette d’Angeville als eerste vrouw op eigen kracht en met een minutieus voorbereide expeditie de zware klim, waarmee ze de bijnaam de Mont Blanc-bruid verwierf.

Leuk om te weten is dat de Mont Blanc tegenwoordig nog steeds een reus van formaat is, al schommelt zijn precieze hoogte door de veranderende ijskap op de top.

Daarnaast bevindt zich diep onder deze berg de beroemde Mont Blanctunnel, die Frankrijk en Italië sinds 1965 met elkaar verbindt.

Van weelderig gokpaleis tot exclusief luxehotel: de rijke geschiedenis van het Kursaal in Blankenberge

Het verhaal van het Kursaal in Blankenberge begon in 1859 als een gecombineerd project dat later werd omgevormd tot een echt luxehotel.

Het gebouw werd opgetrokken in een opvallende neomoorse stijl en was meteen een schot in de roos.

Het was veel meer dan alleen een plek om te gokken; het fungeerde als het absolute centrum van het Blankenbergse entertainment.

De benedenverdieping had een open galerij die direct uitgaf op de zeedijk. Binnenin vonden de gasten verschillende speelzalen, een concertzaal, een balzaal en twee restaurants.

Uniek voor die tijd was dat het gebouw vanaf het begin ook al een logeeraccommodatie met maar liefst 120 kamers had.

In 1884 veranderde de functie van het gebouw ingrijpend. Het stadsbestuur van Blankenberge wilde namelijk een eigen, groter stedelijk casino bouwen om de toeristenstroom nog beter op te vangen.

Hierdoor verloor het oorspronkelijke Kursaal zijn functie als dé centrale speelhal van de stad.

Het complex werd in 1884 volledig omgebouwd tot een exclusief luxehotel onder de naam Hotel du Kursaal.

Na de Eerste Wereldoorlog onderging het pand opnieuw een gedaanteverwisseling en werd het omgedoopt tot Résidence Bristol.

Toen het gebouw in 1884 de deuren opende als Hotel du Kursaal, behoorde het direct tot de absolute top van de hotels aan de Belgische kust.

Het trok een zeer elitair publiek aan dat in de zomermaanden wekenlang aan de kust verbleef.

Rond de eeuwwisseling, toen het hotel op het toppunt van zijn roem was, hanteerde het etablissement prijzen die volledig waren afgestemd op de gegoede burgerij en adel.

Een kamer had in die periode een vanafprijs van 4 tot 5 Belgische frank per nacht. Voor de meest luxueuze kamers of suites met uitzicht op zee liep dat bedrag op tot 10 à 15 frank per nacht, wat in die tijd een aanzienlijk kapitaal was.

Voor de maaltijden werd er destijds vaak gewerkt met vaste tarieven, aangezien veel gasten op basis van volpension verbleven. Een ontbijt kostte destijds ongeveer 1,50 frank.

Voor het middagmaal, de Table d’Hôte genoemd, betaalde men destijds rond de 4 frank.

Het uitgebreide avonddiner, dat vaak uit verschillende gangen bestond en waarbij de gasten in avondkledij verschenen, kostte doorgaans 5 frank per persoon, exclusief de wijnen.

Wie liever à la carte dineerde in het prestigieuze restaurant van het hotel, betaalde uiteraard nog hogere prijzen, afhankelijk van de gekozen exclusieve ingrediënten en de geïmporteerde Franse wijnen uit de kelders van het hotel.

Als we kijken naar de latere periode, na de Eerste Wereldoorlog, toen het hotel inmiddels was omgedoopt tot Hotel Bristol, waren de prijzen door de inflatie en de veranderde economie natuurlijk sterk gestegen.

In de jaren twintig en dertig betaalde men al snel tussen de 35 en 60 frank voor een overnachting, afhankelijk van het seizoen en de luxe van de kamer.

Om een goed beeld te krijgen van de verhoudingen, is het interessant om deze hotelprijzen te vergelijken met het dagloon van een arbeider of bediende in diezelfde periodes.

Rond de eeuwwisseling, tijdens de Belle Époque, verdiende een gemiddelde arbeider in België ongeveer 2,50 tot 3 frank per dag voor een werkdag die vaak tien tot twaalf uur duurde.

Geschoolde arbeiders, zoals een ervaren textielarbeider of een mijnwerker, konden uiterst tot 4 frank per dag verdienen, terwijl ongeschoolde arbeiders en vrouwen vaak niet meer dan 1,50 tot 2 frank per dag ontvingen.

Een gewone overnachting in Hotel du Kursaal van 4 tot 5 frank kostte dus al snel bijna twee volledige daglonen voor een gewone arbeider.

Een uitgebreid avonddiner van 5 frank was voor hen onbetaalbaar, aangezien dit meer was dan wat ze op een hele dag verdienden.

Bedienden en lagere ambtenaren, zoals klerken of onderwijzers, zaten in een iets betere positie, al was hun inkomen naar huidige maatstaven nog steeds heel bescheiden.

Zij werden meestal per maand betaald en verdienden rond de eeuwwisseling tussen de 100 en 150 frank per maand.

Als we dat omrekenen naar een dagtarief, komt dat neer op ongeveer 4 tot 6 frank per werkdag.

Hoewel hun inkomen dus iets hoger lag dan dat van een fabrieksarbeider, was een verblijf in een luxehotel aan de zeedijk ook voor de gemiddelde bediende een onbereikbare luxe.

Eén enkele nacht in een zeezichtsuite van 15 frank slokte immers al snel tien procent van hun volledige maandloon op.

In de periode na de Eerste Wereldoorlog, tijdens de jaren twintig en dertig, waren de lonen door de enorme inflatie en de invoering van de achturige werkdag nominatief sterk gestegen, maar dat gold ook voor de levenskosten.

Een arbeider verdiende in de jaren dertig gemiddeld zo’n 35 tot 50 frank per dag.

Een bediende met een gemiddelde loopbaan mocht in die tijd rekenen op een maandloon van zowat 1500 tot 2000 frank, wat neerkwam op ongeveer 60 tot 80 frank per werkdag.

Omdat een kamer in het vernieuwde Hotel Bristol in die tijd tussen de 35 en 60 frank per nacht kostte, bleef de verhouding min of meer gelijk.

Een overnachting in het hotel kostte nog steeds een volledig dagloon van een arbeider tot zelfs een dagloon van een bediende.

Het toerisme aan de zeedijk bleef hierdoor tot aan de Tweede Wereldoorlog een privilege dat hoofdzakelijk was voorbehouden aan de rijke burgerij en de industriële elite.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog liep de hele zeedijk van Blankenberge zware schade op, omdat de Duitse bezetters de gebouwen daar nagenoeg volledig ontmantelden voor de aanleg van de Atlantikwall.

Dit leidde uiteindelijk ook tot het einde van de gloriedagen van veel oude belle-époquehotels.

In de jaren na de oorlog veranderde het toerisme aan de kust drastisch.

Het elitaire publiek trok weg en de oude, beschadigde luxehotels en villa’s maakten in de jaren 1950 en 1960 in hoog tempo plaats voor de moderne appartementsgebouwen die we vandaag de dag nog op de zeedijk zien.

De zeilende droom van Antwerpen: van vestinggracht naar moderne jachthaven.

De jachthaven in het Willemdok op het Eilandje en de faciliteiten op de Linkeroever vormen vandaag de dag het kloppend hart van de Antwerpse watersport, maar de weg naar deze recreatieve invulling is lang geweest.

Hoewel de watersport in de stad al decennialang een levendige traditie kent, bleef de roep om een volwaardige jachthaven lange tijd onbeantwoord.

Al in de jaren dertig was de behoefte aan een centrale locatie voor zeilers en roeiers groot.

In de zomer van 1936 schreef het weekblad ABC een vurig pleidooi voor de aanleg van een nieuwe haven.

Met de opkomst van de vrijetijdsbeleving na de eerste sociale hervormingen zagen de drie genoemde clubs, de Royal Yacht Club van België (R.Y.C.B.), de Société Royale Nautique Anversoise (S.R.N.A.) en de Vlaamse Vereniging voor Watersport (V.V.W.), in dat ze het heft in eigen handen moesten nemen.

Zij schakelden de jonge architect Hugo van Kuyck in om een concreet plan uit te werken voor de vestinggrachten bij het Noordkasteel.

Zijn visie was vooruitstrevend: een haven die via een sluis met de Schelde verbonden zou zijn, compleet met clubhuizen en een wandelpad dat de zeilsport toegankelijk zou maken voor het publiek.

Hugo van Kuyck (1902-1975) was zelf een gedreven zeiler die met zijn eigen schip een groot deel van de noordelijke wateren had bevaren, wat hem de nodige praktische expertise gaf voor het ontwerp.

Als getalenteerd architect en stedenbouwkundige drukte hij een belangrijke stempel op de naoorlogse opbouw van België.

Zo speelde hij een cruciale rol bij de wederopbouw van de Belgische kuststeden en was hij medeverantwoordelijk voor het masterplan van de luchthaven van Brussel.

Zijn veelzijdige carrière combineerde technische precisie met een modernistische vormentaal, en zijn betrokkenheid bij de Antwerpse havenplannen toont zijn vroege visie op de integratie van waterrecreatie in de stedelijke ruimte.

Hoewel dit plan destijds breed werd gedragen, bleef het helaas bij een droom.

De economische onzekerheid van de jaren dertig en de dreigende schaduw van de Tweede Wereldoorlog verhinderden elke investering in recreatieve infrastructuur.

Bovendien bleven de dokken in de stadskern tot ver na de oorlog strikt voorbehouden aan de commerciële scheepvaart en zware industrie.

Het Noordkasteel, een strategisch militaire locatie, leende zich na 1945 uiteindelijk steeds minder voor recreatieve ambities door de uitdijende haveninfrastructuur en de aanleg van grote verkeersaders.

Pas rond het jaar 2000, toen de havenactiviteiten definitief naar het noorden verschoven, kwam er ruimte voor de transformatie van het Eilandje.

Wat in 1936 begon als een vrome wens van gepassioneerde watersporters, vond decennia later alsnog zijn beslag.

De droom om van Antwerpen een echte havenstad voor watersporters te maken, werd werkelijkheid met de opening van de jachthaven in het Willemdok, ondersteund door de decennialange ervaring van de jachthaven op de Linkeroever.

Waar de plannen van Van Kuyck destijds strandden op de realiteit van hun tijd, vormen zij wel de historische getuigenis van een stad die altijd al de ambitie had om de Schelde te verzoenen met haar bewoners.

Het is bovendien opmerkelijk dat deze drie verenigingen, de Royal Yacht Club van België (R.Y.C.B.), de Société Royale Nautique Anversoise (S.R.N.A.) en de Vlaamse Vereniging voor Watersport (V.V.W.), vandaag de dag nog steeds bestaan en zeer actief zijn.

Ze zijn in de loop der decennia geëvolueerd van besloten verenigingen naar moderne sportclubs die een breed publiek aanspreken, wat onderstreept hoe diep de watersport verankerd is in de Antwerpse identiteit.

Vandaag 45 jaar geleden: eerste aflevering van de Knokke Cup op BRT 1 en Nederland 2

Zou het ooit nog eens worden zoals vroeger, met een tierende Lou van Rees en een woedende Willem O. Duys?

Kregen we na jaren weer een echt rel-festival terug met keiharde, door en door gemene Belgen- en Hollander-grappen?

Of werd het Knokke-festival ook dit jaar weer een zouteloos liedjesgedoe waarin iedereen lief was voor iedereen?

Ach, had de oude heer Gustaaf Nellens nog maar geleefd.

Ivo Niehe was de kapitein van de ploeg en samen met Lori Spee, Suzanne Michaels en Wim Hogenkamp probeerde hij het Nederlandse team naar een goede prestatie te leiden.

Ivo Niehe was toen kapitein van de ploeg.

Lori Spee blonk dit jaar uit met haar zang.

Als kind zong Lori al opvallend hoog en goedbedoelde kennissen brachten haar en Ruud Jacobs (broer van Pim Jacobs, zwager van Rita Reys en ex-vriend van Liselore Gerritsen) bij elkaar.

Lori bleek over een schitterende stem te beschikken en mocht een heuse langspeelplaat volzingen met als titel “Behind those eyes”.

Lori schreef al haar teksten zelf en dat was in het hitgevoelige wereldje geen voordeel, want onzichtbare krachten wonnen meestal.

Maar misschien werden we eindelijk wakker en hoorden we dat Lori heel mooie liedjes schreef.

Suzanne Michaels leek het sprookje van ieder schoolmeisje te beleven: zo van de klas naar de platenstudio.

Haar eerste single werd eind 1979 een succes: “It should be Christmas every day”. In één keer werd dat plaatje opgenomen, omdat Suzanne het lied in één keer hemels zuiver zong.

In de platenindustrie hadden ze nog nooit eerder zoiets meegemaakt.

In 1981 zong ze onder meer “It’s you” en “Love me tender”.

Het werden geen dikke hits, maar ze had net haar diploma gehaald aan het begin van haar zesde jaar atheneum.

Eerst een diploma, vond haar moeder, en zo gebeurde het.

Maar wie weet lag straks heel België plat aan haar voeten.

Wim Hogenkamp, helaas ook al overleden in 1989, was het derde lid van de Holland-equipe, en hij werd door een klein aantal liefhebbers op handen gedragen.

Wim schreef ooit het liedje “De mallemolen” voor Heddy Lester, die er tijdens het Eurovisie Songfestival slechts weinig punten mee behaalde.

Aangespoord door dit “succes” stortte Wim Hogenkamp zich als uitvoerend artiest op zijn eigen werk.

Er werd een langspeelplaat gemaakt met de titel “Heel gewoon”, waarvoor hij een Edison ontving.

Toen droeg hij eenmaal de Louis Davids-ring om de ringvinger; de zanger zat helemaal gebeiteld.

Niets kon hem een tweede langspeelplaat meer in de weg staan en die kwam er dan ook, met als titel “Punt uit”.

Zoiets deed je vermoeden dat het de laatste plaat van Wim was.

Maar nee, volgens de biografie van de platenmaatschappij was de nabije toekomst voor Wim van groot belang: hij was met zoveel dingen tegelijk bezig dat het hem vaak moeilijk viel zijn gedachten op één activiteit te concentreren.

Plannen voor de toekomst waren er in ieder geval genoeg.

Nederland wist de Knokke Cup in 1981 niet te winnen.

De hoofdprijs ging dat jaar naar het Vlaamse team met Sofie (Sofie Verbruggen).

Ze vertegenwoordigde dat jaar ons land samen met haar collega-artiesten Johan Verminnen en actrice en zangeres Liliane Dorekens.

Liliane Dorekens, geboren op 29 oktober 1950 te Antwerpen, studeerde in 1972 af aan de Studio Herman Teirlinck als onderdeel van de allereerste lichting van de opleiding kleinkunst.

Ze deed dit samen met onder andere Connie Neefs en Luc Appermont.

Haar bekendste rollen zijn Melanie in de populaire komische serie Slisse & Cesar en Micheline Hoefkens (de vriendin van Rita) in de soap Familie.

Ze had daarnaast gastrollen in onder andere Thuis.

Ze speelde mee in grote producties zoals de musicals Je Anne (Koninklijk Ballet van Vlaanderen) en Fiddler on the Roof.

Recent vierde ze nog haar 55-jarige vriendschap met Connie Neefs in de muzikale theatervoorstelling Vrienden voor het leven.

De oorspronkelijke, grote zangwedstrijd De Knokke Cup (voorheen bekend als het Songfestival van Knokke of de Europabeker voor Zangvoordracht) liep jaarlijks van 1959 tot en met 1973.

In de jaren 80 werd er in het Casino van Knokke nog vijf keer een kleinschaligere versie onder de naam ‘Knokke Cup’ georganiseerd.

De allerlaatste editie van deze reeks vond plaats in 1986.

Als chef d’équipe (kapitein van de ploeg) deed Lou van Rees vanaf 1959 voor Nederland maar liefst 15 keer mee aan het befaamde Knokkefestival.

Regelmatig mondde dit uit in een relletje, maar volgens Van Rees was dat altijd weer goed voor de publiciteit.

Nederland won onder zijn leiding in 1964 met Willeke Alberti, Shirley, Trea Dobbs, Ilonka Biluska en Rita Hovink en in 1965 met Greetje Kauffeld, Liesbeth List, Conny van Bergen, Suzie en Jan Arntz.

Willem O. Duys schreef in diverse muziekbladen en werd wegens zijn grote vakkennis uitgenodigd om een optreden van Johnnie Ray voor de AVRO aan te kondigen.

Zo maakte hij op 1 juli 1959 zijn debuut als televisiepresentator en volgden er meer opdrachten.

In die tijd liet hij zich Willem ‘O’ Duys noemen.

Het was trouwens Willem Duys die Nederland in 1975 liet kennismaken met een nieuw fenomeen, namelijk Lee Towers.

Gustave (Gustaaf) Nellens (1907–1971) was een visionaire Belgische kunstverzamelaar en de legendarische directeur van het Casino Knokke.

Onder zijn leiding groeide de kustgemeente uit tot een internationale ontmoetingsplaats voor de absolute wereldtop uit de kunst- en muziekwereld.

Hij haalde iconen zoals Frank Sinatra, Edith Piaf, Jacques Brel en Nat King Cole naar het podium.

In 1952 bestelde hij de destijds grootste kristallen kroonluchter ter wereld (7 ton zwaar) voor de grote feestzaal.

Hij onderhield nauwe vriendschappen met meesters zoals Pablo Picasso, Salvador Dalí en Max Ernst, die er allemaal exposeerden.

Zijn meest permanente nalatenschap in het casino is de opdracht aan de surrealistische schilder René Magritte.

In 1953 realiseerde Magritte er de monumentale, 71 meter lange 360°-muurschildering Het betoverde rijk (Le Domaine Enchanté) in de zaal die vandaag de dag de Magrittezaal heet.

Na zijn onverwachte overlijden in 1971 werd het artistieke roer overgenomen door zijn zonen Jacques en Roger Nellens.

Zij zetten de familietraditie voort door onder andere popart-icoon Keith Haring naar Knokke te halen.

Ter nagedachtenis aan Gustave werd in 1974 het iconische stenen beeld Eva van Eugène Dodeigne in Knokke ingehuldigd.

De familie Nellens droeg de concessie van het casino in de jaren 90 van de vorige eeuw over aan de Franse casinogroep Partouche.

Hiermee kwam een einde aan de rechtstreekse creatieve en familiale leiding.

De Belgische gokgroep Napoleon Games nam de exploitatie in 2013 over. Het casino draagt vandaag de dag ook de naam Napoleon Casino Knokke.

Het gebouw zelf is eigendom van de gemeente Knokke-Heist.

De gemeente heeft recent grote plannen goedgekeurd voor een volledige vernieuwing en uitbreiding van de site.

Aan de renovatie van het casino hangt een stevig prijskaartje van 95 miljoen euro.

De bedoeling is dat de werken klaar zijn tegen 2032.

Vandaag, precies 93 jaar geleden, werd een icoon aan de Belgische kust officieel geopend.

Op 9 juli 1933 werd de nieuwe pier van Blankenberge ingehuldigd, een gebeurtenis die destijds werd gemarkeerd met de uitgave van een speciale postkaart.

Deze pier, een ontwerp met art-deco-invloeden van Jules Soete, verving de oorspronkelijke gietijzeren constructie uit 1894 die tijdens de Eerste Wereldoorlog door de Duitse bezetter werd vernield.

De nieuwe, betonnen pier strekte zich 350 meter uit in de Noordzee en werd al snel het symbool van de stad en een trekpleister voor toeristen.

Bij de opening was de pier niet alleen een wandelhoofd.

De eerste vier jaar bood het onderdak aan het pretpark ‘Luna Staar’, wat zorgde voor extra vertier boven de golven.

Het was een plaats van plezier en ontspanning, een moderne constructie die het optimisme van het interbellum uitstraalde.

Door de jaren heen heeft de pier heel wat meegemaakt en de constante invloed van de zee heeft zijn sporen nagelaten.

Recentelijk onderging de wandelweg dan ook een grondige renovatie, met als doel deze te herstellen naar het oorspronkelijke uitzicht van 1933.

Vandaag kunt u op deze plaats lekker eten met een pracht van een uitzicht.

Hoewel het geen officieel museum is, beschikt het gebouw wel over een exporuimte.

Hier worden regelmatig tijdelijke tentoonstellingen of evenementen georganiseerd.

De ruimtes worden ook veelvuldig verhuurd voor privéfeesten, bedrijfsevenementen en speciale proeverijavonden.

Ongeveer 87 jaar geleden ging mijn overgrootmoeder (Martha Van Hende) een dagje naar de zee, Blankenberge.

Van sociaal vakantieoord naar modern viersterrencomplex: de geschiedenis en toekomst van Duinse Polders in Blankenberge

Het vakantiecentrum Duinse Polders, gelegen aan de Albert Ruzettelaan op de grens van Blankenberge en Zeebrugge, is al tientallen jaren een vaste waarde voor toeristen op amper 200 meter van het strand.

De traditie van deze plek gaat ver terug. Oorspronkelijk lag dit gebied op het grondgebied van de oude gemeente Uitkerke, totdat de grenzen in 1901 werden herzien en het definitief bij Blankenberge ging horen.

Al vroeg in de twintigste eeuw werd de omgeving ontsloten door de aanleg van de stoomtramlijn, de voorloper van de huidige kusttram.

De eerste fases van het huidige gebouwencomplex werden opgetrokken in 1956, inmiddels zeventig jaar geleden.

In de decennia na de Tweede Wereldoorlog speelde de locatie een grote rol in het opkomende sociale toerisme in België.

Het centrum werd decennialang uitgebaat in samenwerking met de Christelijke Mutualiteiten en Intersoc.

Het was de plek waar in al die jaren duizenden gezinnen, groepen en jongeren hun eerste vakanties aan zee beleefden.

De eetcultuur in die beginjaren was legendarisch grootschalig.

Omdat er dagelijks honderden hongerige monden tegelijk gevoed moesten worden, begon het keukenpersoneel vaak al om acht uur in de ochtend met het voorbakken van de frieten om alles tegen de middag op tafel te krijgen.

Het centrum stond bekend om zijn strakke logistieke planning en de typische, onbezorgde vakantiesfeer.

Vandaag de dag trekt het complex nog altijd veel families, senioren en groepen aan. Een leuk weetje is dat het vakantiecentrum beschikt over een eigen, direct voor de deur gelegen halte van de Kusttram.

Bezoekers kunnen hun auto op het domein achterlaten en direct op de tram stappen om de rest van de Belgische kustlijn te ontdekken.

Daarnaast is het domein al sinds het najaar van 1989 de vaste thuisbasis voor de ELK, de Europese Landsbond voor Cactus- en Vetplantenliefhebbers.

Jaarlijks komen verzamelaars uit heel Europa hier samen voor een van de grootste ruil- en verkoopbeurzen op dit gebied.

Het centrum ligt bovendien geklemd tussen het strand en de Uitkerkse Polder, een eeuwenoud weidelandschap van circa 1400 hectare dat is uitgegroeid tot een van de belangrijkste vogelreservaten en grootste natuurgebieden van Vlaanderen.

De huidige gebouwen zijn inmiddels sterk verouderd en moeilijk duurzaam te renoveren.

Omdat de noden veranderen en mensen tegenwoordig veel meer comfort verwachten, broedt eigenaar Corsendonk Hotels op ambitieuze plannen.

Er is een vergunning aangevraagd om het bekende vakantiecentrum, dat het uitzicht van Blankenberge tientallen jaren heeft bepaald, grotendeels te slopen en te vervangen door een modern nieuwbouwproject.

De plannen voorzien in de bouw van een gloednieuw viersterrenhotel met 165 kamers, een grote wellness van meer dan 1.000 vierkante meter die ook toegankelijk zal zijn voor niet-hotelgasten, en 91 vakantieappartementen op dezelfde site.

Het totale project wordt opgetrokken in verschillende volumes. Naast het hotel en de appartementen omvat het ontwerp twee restaurants, een ondergrondse parking en een groene, rustgevende omgeving.

Het project zal in verschillende fases worden uitgevoerd.

In de eerste fase worden de 91 vakantieappartementen gebouwd, waarna in de latere fase het viersterrenhotel en de wellness volgen.

Na het openbaar onderzoek zullen de steden Brugge en Blankenberge, samen met de provincie West-Vlaanderen, beslissen over de toekenning van de vergunning.

Als de nodige vergunningen worden goedgekeurd, start de sloop van de oude gebouwen al eind dit jaar.

In 2028 begint dan de bouw van de vakantieappartementen, met het oog op een volledige oplevering in 2031.

Doordat er in fases wordt gewerkt, kan het vakantiecentrum tijdens de werkzaamheden gewoon openblijven en kan al het personeel aan het werk blijven.

Gisteren nog vandaag