Vandaag, 55 jaar geleden, was er een poging om Panamarenko’s zeppelin The Aeromodeller in de lucht te krijgen.

Op 3 juli 1971, een datum die exact vijftig jaar later nog steeds als een legendarisch moment in de kunstgeschiedenis werd herdacht, probeerde hij de luchtwaardigheid van zijn majestueuze zeppelin te testen.

Een jaar lang had Panamarenko gewerkt aan dit luchtschip, of beter de officiële benaming aerostat, en hij ontwierp zelf het plan van het tuig.

De ballon was een heuse nieuwigheid, omdat er geen binnenballons in voorzien waren, en een van de laatste wijmenvlechters hielp hem bij de bouw.

Panamarenko had zich op dit moment voorbereid in een gehuurde loods.

Dit gebeurde op de weide van collega-kunstenaar Jef Geys in het Kempense Balen-Neet, waar de zeppelin zou opstijgen.

Het grote doel van deze testvlucht was om de oversteek te wagen naar het kunstenevenement Sonsbeek buiten de perken in Nederland.

De gedurfde overtocht werd echter in de kiem gesmoord toen deze formeel werd verboden door de Nederlandse luchtvaartpolitie, die Panamarenko hiervan per telegram op de hoogte bracht.

Tot overmaat van ramp stak er net op dat moment boven de weide in Balen een hevige storm op, die de fysieke poging om op te stijgen definitief deed mislukken.

Op zondag waaide er een strakke wind over de weiden.

Terwijl Panamarenko zenuwachtig de omstandigheden in de gaten hield, speelde de wind hevig in op het omhulsel.

Even leek het erop dat de zeppelin van Panamarenko toch de lucht in zou gaan, maar zowel de kajuit als de ballon scheurden wat voortijdig.

Het project eindigde al snel als een brandende ontgoocheling, klapperend achter de bomen.

Iedereen probeerde te redden wat er nog te redden viel, maar de droom ging onherroepelijk in flarden en de hoop viel in duigen.

Panamarenko bevond zich in de stuurloze kajuit en zag hoe de resten van zijn vliegend tapijt verspreid raakten over de vallei van de Nete.

Uiteindelijk was het enkel het bekende busje van Panamarenko dat ongeschonden op het terrein achterbleef.

Henri Van Herwegen, wereldwijd beter bekend onder zijn pseudoniem Panamarenko, was een van de meest eigenzinnige Belgische kunstenaars van de twintigste eeuw.

Zijn opvallende artiestennaam was een speelse samenvoeging van de toenmalige luchtvaartmaatschappij Pan American Airlines en de naam van een Russische generaal die hij ooit op de radio hoorde.

Tussen 1969 en 1971 bouwde deze visionaire Antwerpenaar zijn meest tot de verbeelding sprekende zeppelin, genaamd The Aeromodeller.

Het tuig belichaamde de diepe droom van de kunstenaar om zich te allen tijde in absolute vrijheid door het luchtruim te kunnen voortbewegen.

Het was niet zomaar een voertuig; de gondel, gemaakt van gevlochten rotan, was werkelijk geconcipieerd als een functionele woonruimte.

Boven op deze gondel stonden twee vliegtuigmotoren gemonteerd voor de besturing van het imposante geheel, dat gedragen werd door de sigaarvormige ballon van bijna dertig meter lang.

Panamarenko was mateloos gefascineerd door aerodynamica, al bevonden zijn poëtische constructies zich altijd precies op de flinterdunne grens tussen droom en wetenschap.

Ondanks de tegenslag in Balen groeide The Aeromodeller uit tot het absolute meesterwerk van Panamarenko’s rijke oeuvre.

In de decennia die volgden, bleef zijn drang om de zwaartekracht te overwinnen ongekend groot.

In zijn bekende huis in de Antwerpse Biekorfstraat, waar hij van 1970 tot 2002 woonde en werkte, bouwde hij nog tal van variantmodellen en prototypes voor luchtschepen, telkens met andere vormen, kleuren en verhoudingen.

Daarnaast creëerde hij een fascinerend universum van vliegende tapijten, duikboten en tuigen aangedreven door menselijke spierkracht of ingenieuze veermechanismen.

Toen de kunstenaar in 2005 besloot om met pensioen te gaan en naar Horebeke verhuisde, kwam het pand in de Biekorfstraat in het bezit van het museum voor hedendaagse kunst M HKA.

In die latere levensfase vond Panamarenko ook groot persoonlijk geluk.

Op 18 oktober 2003 trouwde hij met de opgeleide modeontwerpster Eveline Hoorens, die hij steevast liefkozend zijn Sneeuwwitje noemde.

Eveline runt de familiale koffiebranderij Hoorens Koffie en Thee in het Oost-Vlaamse Zottegem.

Het echtpaar deelde een grote creatieve passie en ontwierp samen een unieke zeppelin als blikvanger voor haar winkel.

Het afscheid van Panamarenko uit de actieve kunstwereld betekende allerminst stilzitten; hij stortte zich mee op de branderij, die een speciale en zeer toepasselijke koffiemélange op de markt bracht onder de naam Panamajumbo.

Sinds het overlijden van de kunstenaar in december 2019 beheert Eveline met veel toewijding zijn artistieke nalatenschap.

Door regelmatig herdenkingen en boeiende exposities rond zijn werk te organiseren, zorgt zij ervoor dat de dromen en de verbeelding van Panamarenko levend blijven voor de volgende generaties.

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Pieter François Heckers: Een bescheiden Gents kunstenaar ten dienste van de stad en haar bevolking

Pieter François Heckers, ook wel Piet of Pier genoemd, was een bekende Gentse beeldhouwer die in 1891 in zijn geboortestad het levenslicht zag en er in 1965 overleed.

Van jongs af aan, toen hij nog de lagere school doorliep, voelde hij in zich de onweerstaanbare roeping om uit de materie de vormen te scheppen die zijn ideeën en zijn emoties zouden vertolken.

De schooljaren waren nog niet voorbij of hij werd steenkapper.

Hij deed dat niet zomaar om stenen te houwen, maar om de materie te leren kennen en zich de geheimen van de bewerking ervan eigen te maken.

Na twee harde jaren ging de jongen in de leer bij Theofiel Soudeyns, die op dat moment belast was met de restauratie van de Minardschouwburg.

Hierdoor kwam de jonge artiest direct in de praktijk terecht.

Op zeventienjarige leeftijd slaagde hij erin de leerling te worden in het gerenommeerde atelier van de Gentse kunstenaars Louis-Pierre en Jules-Pierre Van Biesbroeck.

Voor hen koesterde hij steeds een grote bewondering en onder hun invloed leerde hij de kneepjes van het beeldhouwersvak verder verfijnen.

In het atelier van de bakkerij Vooruit werkte hij vanaf dat moment aan de zijde van Jules Van Biesbroeck aan het Monument voor François Laurent, dat toen te zien was aan de fontein van de wereldtentoonstelling van 1913 (vandaag staat het op het François Laurentplein in het historische hart van Gent), en aan talloze andere stukken die evenzovele fasen van vooruitgang vormden in die unieke leerschool.

Ondertussen bekwaamde Heckers zich verder aan de Stedelijke Academie van Gent.

Het is opmerkelijk dat hij daar in eerste instantie ook muziek en architectuur studeerde, en zich tevens toelegde op het schilderen onder leiding van meester Jean Delvin.

Hij combineerde zijn artistieke carrière met een baan als tekenleraar, een stap die hij in 1917 zette.

Tijdens zijn leven woonde hij op verschillende plekken in Gent, waaronder aan de Plezante Vest en later in de Ekkergemstraat.

Hoewel het onderwijs een groot deel van zijn tijd opslokt, bleef hij toch dapper doorwerken in zijn kunstenaarsatelier.

Daar wist hij zich gaandeweg los te maken van de invloed van zijn leermeesters om een geheel eigen, fijnere en meer sobere persoonlijkheid in zijn kunst te leggen.

Deze jarenlange inzet werd in 1925 bekroond toen hij de prestigieuze Prijs Paul De Vigne in de wacht sleepte.

Heckers richtte zich in zijn oeuvre voornamelijk op het boetseren en kappen van figuren, bustes en torso’s.

Een mooi en bewaard gebleven werk van hem bevindt zich in het Museum voor Schone Kunsten in Gent, waar een marmeren borstbeeld van Lucienne Schelstraete uit 1934 in de collectie zit.

Daarnaast leverde hij een belangrijke bijdrage aan het oorlogsgedenkteken op de Blaisantvest, een monument dat de slachtoffers uit die wijk eert.

De sculpturen die Heckers hiervoor ontwierp, werden destijds gegoten door de befaamde Gentse bronsgieter Lentacker.

Zijn werk werd getypeerd als een lofzang op de schoonheid en de arbeid.

De vele sirenen, bacchanten, saters en flora’s van zijn hand waren nooit louter decoratieve figuren, maar brokken waarin het levensgeheim trilt en die bezield zijn.

Hij besefte vanaf het begin dat materiële gelijkenis waardeloos is als de ziel niet spreekt door de schoonheid of de tragiek van de modellering.

Naast deze mythologische figuren wekte hij ook veel andere karakters tot leven, zoals blijkt uit afbeeldingen uit die tijd waarop een smid, een glasblazer, een mijnwerker, een steenkapper, een jong meisje, en beelden genaamd Jantje, Annie en een werk met de titel Stilte te zien zijn.

Heckers was tevens zeer actief voor de socialistische arbeidersbeweging in de stad en stelde zijn kunst vaak ten dienste van de arbeidersklasse.

Als diepvoelend mens ontging het lot van de ongelukkigen en onterfden ook niet aan zijn oog, en hij wist fabrieksslaven in ontroerende, gestileerde vormen weer te geven.

Voor verschillende stoeten ontwierp hij praalwagens, waaronder wagens met imposante allegorische vrouwenfiguren die bijvoorbeeld de sociale zekerheid uitbeeldden.

Het jaar 1931 was voor hem een periode van uitzonderlijk hard labeur, toen de maatschappij Vooruit hem de taak toevertrouwde om aan hun onvergetelijke jubileumstoet mee te werken.

In een koortsig tempo van amper een half jaar sculpteerde hij toen maar liefst 39 grote figuren, waaronder een opvallend fragment van een praalwagen dat later nog vaak in beeld werd gebracht.

Zijn beelden over de coöperatie werden door Waalse arbeiders zelfs naar Jolimont overgebracht om daar als monument ter ere van hun heldenkamp te prijken.

Toen op de eerste mei 1936 de schoonheid, de jeugd, de kracht en de arbeid werden verheerlijkt, vond men in de pers geen beter illustratiemateriaal voor deze gedachte dan dat van Heckers, de artiest die zijn leven had gewijd aan de lofzang op precies die elementen.

Daarom werd met dat doel een interview met hem afgenomen.

Dat was beslist niet gemakkelijk geweest, want de kunstcriticus die ongeveer tien jaar eerder schreef dat wie wilde vernemen wat P. Heckers betekende hem in zijn atelier moest gaan opzoeken, had op dat moment nog altijd gelijk.

Pier hield zich immers altijd op de achtergrond en was over zichzelf niet te spreken.

Zijn werk, dat getuigde van ernst en doorgedreven studie, deed dat des te meer. Alvorens het succes te boeken dat hem in die dagen van gerijpt talent en wijdontplooide kunstzin ten deel was gevallen, had hij een hele weg afgelegd.

Hij stond in 1936 in de volle bloei van het leven en wist toen ook heel goed dat zijn kunstenaarsloopbaan verre van voltrokken was en de strijd met het ideaal nog lang niet was uitgevochten.

De blijvende verbondenheid van deze bescheiden kunstenaar met de stad Gent blijkt ten slotte ook uit zijn laatste rustplaats.

Hij ligt begraven op de bekende Westerbegraafplaats, een plek die rijk is aan funerair erfgoed.

Het grafmonument waaronder hij rust, is een eigen ontwerp. Hiermee heeft hij letterlijk en figuurlijk een blijvende stempel gedrukt op de Gentse geschiedenis en heeft hij bewezen dat hij er heel zijn leven aan wijdde.

Gisteren nog vandaag

55 jaar geleden, Floriano Bodini en zijn houten paus krijgen veel media-aandacht.


Eind 1968 exposeerde hij het beeld “Portret van een paus”, in Zwitsers dennenhout, in de Gian Ferrari-galerij in Milaan, Italië.

Toen was op dit werk enorm veel kritiek en stelde men zich de vraag kunst of gedrocht?

Gisteren nog vandaag

Ondanks heftige kritiek op het werk, kreeg het toch een plaats in het Vaticaanse museum.

Na werken met hout en brons voor zijn werken, schakel hij over naar marmer.

Gisteren nog vandaag

In 1982 nam hij deel aan de Biënnale van Venetië met overzicht van zijn werken.

In 1998 werd het Museo Civico Floriano Bodini ingehuldigd in Gemonio, met een grote schenking van de kunstenaar, die zijn werken aan het museum gaf.

Gisteren nog vandaag

Hij stierf in Milaan op 2 juli 2005 en op 2 november 2007 verleent Milaan hem de eer van de Famedio aan de monumentale begraafplaats, als een burger die deel is gaan uitmaken van de geschiedenis van de stad.

Gisteren nog vandaag

Vandaag 100 jaar geleden, huldebetoon voor beeldhouwers Hendrik en Gustaaf Pickery in Brugge (14 oktober 1923)

Hendrik en Gustaaf Pickery waren twee broers die bekend stonden als beeldhouwers in de 19e eeuw.

Ze werden geboren in Brugge, waar ze hun artistieke opleiding kregen aan de Academie voor Schone Kunsten.

Beiden waren later ook leerkracht aan de Academie voor Schone Kunsten

Ze werkten vooral in neogotische en neorenaissance stijlen, en maakten zowel religieuze als profane sculpturen.

Hun werken zijn te vinden in verschillende kerken, openbare gebouwen en musea in België en Nederland.

Ze worden beschouwd als belangrijke vertegenwoordigers van de Vlaamse beeldhouwkunst in de 19e eeuw.

60 jaar geleden, te gast bij de Italiaanse schilder en beeldhouwer Pietro Annigoni.

60 jaar geleden, te gast bij de Italiaanse schilder en beeldhouwer Pietro Annigoni (De Post 6 mei 1962)

60 jaar geleden, te gast bij de Italiaanse schilder en beeldhouwer Pietro Annigoni (De Post 6 mei 1962)

60 jaar geleden, te gast bij de Italiaanse schilder en beeldhouwer Pietro Annigoni (De Post 6 mei 1962)

60 jaar geleden, te gast bij de Italiaanse schilder en beeldhouwer Pietro Annigoni (De Post 6 mei 1962)

60 jaar geleden, te gast bij de Italiaanse schilder en beeldhouwer Pietro Annigoni (De Post 6 mei 1962)

50 jaar geleden, te gast bij Beeldhouw Leopold Pol Scrayen en zijn dochter Jeny

Leopold (alias Pol) Scrayen werd geboren in Hechtel (Vlaams Limburg) op 7 december 1920.

Leopold Scrayen was als beeldende kunstenaar een selfmade man die in de wereld van de ‘grote kunst’ in eigen land niet altijd de waardering kreeg die hij verdiende.

Pas op latere leeftijd nam hij hamer en beitel ter hand om zijn eerste kunstcreaties vorm te gegeven.

Voordien was hij werkzaam als bovengrondse arbeider in een van de Limburgse koolmijnen.

Hij verdiende er als lasser de kost tot hij in 1959, op 39-jarige leeftijd, ziek werd.

Een ernstige hartkwaal die gepaard ging met verlammingsverschijnselen belette hem zijn beroep nog langer uit te oefenen.

Het duurde drie jaar vooraleer hij opnieuw te been was.

Op zoek naar geschikt werk, kwam hij eerder toevallig terecht bij een bedrijf in Bree waar grafzerken werden gemaakt.

Hij zag er een beeldhouwer aan de slag en zelfverzekerd beweerde Scrayen, die nooit eerder als beeldhouwer of als tekenaar enige opleiding had genoten: ‘dat kan ik ook’…

Het klonk zo overtuigend dat de grafsteenmaker Scrayen bij wijze van proef een Christuskop liet beitelen. Raar maar waar, het werkstuk voldeed aan alle vereisten van de kunst en Leopold werd in dienst genomen.

De eenvoudige arbeider had in zich het oertalent ontdekt.

Al vlug experimenteerde hij ook met het maken van portretten in zachtere materie.

Een vriend bezorgde hem de geschikte essen-, linden- en beukenhouten planken en Scrayen vond zijn ware roeping in het maken van houtsculpturen.

Na een paar jaar liet hij het steenhouwen voor wat het was om zich voltijds toe te leggen op het hakken van houten bas-reliëfs, hoofdzakelijk portretten.

Geregeld maakte hij ook wand- en sierpanelen voor het bouwbedrijf in opdracht van architecten.

De eigenzinnige ‘filosoof’ en would-be-kunstenaar die Scrayen in de ogen van zijn dorpsgenoten was, oogstte aanvankelijk enige spot, maar al vlug erkenden vriend en vijand de hoogstaande kwaliteit van zijn werk.

Het duurde geen tijd of de bestellingen liepen in die mate binnen dat Leopold zich voltijds aan zijn kunst kon wijden.

Leopold Scrayen slaagde erin om van zijn kunst te leven en zijn gezin te onderhouden.

Op geregelde tijdstippen wist hij zich in de belangstelling te plaatsen met het portretteren van nationale en internationale figuren zoals lukraak Jozef Muls, Stijn Streuvels, Beethoven, J.P. Belmondo, W. Churchill, H. Ford, C. De Gaulle, E. Hemingway, J.F. Kennedy, de pausen Paulus VI en Johannes Paulus II, J. Sibelius en vele andere.

Tussen de bedrijven door maakte Leopold ook af en toe kopergravures met Bijbelse taferelen als thema.

Dikwijls werkte hij in opdracht van officiële besturen of bedrijven maar ook en vooral creëerde hij de portretten omdat hij grote bewondering had voor de uitgebeelde personaliteiten.

De kunstwerken werden dan meestal via de betrokken ambassades of bij officiële ontvangsten aan de geportretteerde overhandigd.

Dit bracht de artiest Scrayen heel wat nationale en internationale bekendheid en erkenning.

Te bescheiden en te streekgebonden, ging Leopold zelden in op uitnodigingen – ook van vermaarde internationale galerijen, onder andere in Londen – voor deelname aan tentoonstellingen.

Hij had lak aan officieel gedoe: hij bleef afwezig.

Hij maakte een uitzondering voor het officiële Belgische paviljoen op de Wereldtentoonstelling van Montreal (1967) waar bas-reliëfs te zien waren met portretten van Salvador Dali, Martin Luther King en Orson Welles en ook een zelfportret.

Leopold Scrayen ontwikkelde een sterk persoonlijke stijl, ‘kubistisch’ zoals hijzelf de neo-art-decostijl definieerde waarin hij portretten uit het hout hakte.

Hij was getrouwd met Maria Vandebroek en had drie dochters.

De jongste dochter, Gabriëlle, was aanvankelijk operazangeres bij de Koninklijke Opera van Antwerpen.

Na een reeks gastoptredens in januari 1980 in de opera van Sidney kwam zij niet meer naar Vlaanderen terug en bleef zij in Australië wonen.

In Perth ging zij weer studeren en na haar studies kon.

Zij achtereenvolgens als lerares en chemica aan de slag in haar nieuwe thuisland.

In 1986 emigreerde ook Leopolds oudste dochter Jenny.

Zij had een echtscheiding achter de rug en vertrok met haar drie kinderen om in Australië, als kunstenares, een nieuwe toekomst op te bouwen.

In februari 1989 ging ook de derde dochter met haar man en twee kinderen zich in Australië vestigen.

Leopold en zijn echtgenote bleven als verweesd achter.

Al vlug konden zij het verlangen naar hun kinderen, klein- en achterkleinkinderen niet langer onderdrukken en uiteindelijk, op 16 februari 1990, waagde ook het ouderpaar de overtocht en werd de hele familie er weer herenigd.

Nadat Leopold in Hechtel had bewezen een begenadigde kunstenaar, een oertalent te zijn, viel de artistieke creativiteit van de ruim 70-jarige man, na de emigratie naar Australië wat stil, maar zijn al even getalenteerde dochter Jenny zette er de traditie verder. In haar jeugd uitsluitend opgeleid door haar vader, maakt zij zich nu nog verdienstelijk met, zoals gezegd, het geven van lessen ‘wood-carving’ aan diverse kunstacademies.

In Australië maakte zij onder meer ook naam door het maken van houtsculpturen voor replica’s van historische schepen naar middeleeuwse modellen.

Verteerd door heimwee naar zijn geboortedorp, overleed vader Scrayen er op 79-jarige leeftijd.

Hij overleed te Marangaroo (Perth, West-Australië) op 21 augustus 1999.(Diverse bronnen, Paul Thiers en De Post van 2 mei 1971)

50 jaar geleden, te gast bij Beeldhouw Leopold Pol Scrayen en zijn dochter Jeny
50 jaar geleden, te gast bij Beeldhouw Leopold Pol Scrayen en zijn dochter Jeny
50 jaar geleden, te gast bij Beeldhouw Leopold Pol Scrayen en zijn dochter Jeny

60 jaar geleden, te gast bij de Franse beeldhouwer César Baldaccini.

In 1943 kwam de jonge kunstenaar Baldaccini, geboren uit Italiaanse ouders, naar Parijs om er als smid een lange academische vorming door te maken.

Zijn eerste expositie was bij galerie Lucien Durand, te Parijs in 1955. Zijn insecten, zijn personages, zijn uit oud ijzer gelaste portretten trokken meteen de aandacht.

Zijn succes werd twee jaar later hernieuwd bij galerie Claude Bernard, ook in Parijs.

César was een meester in de metaalsculptuur. Virtuoos smeedde hij ingenieuze beelden zoals Punaise en Bas-relief à l’insecte in 1955, Aile in 1956, L’Homme de Draguignan en La Tortue in 1958.

Met zijn vrouw Rosine en zijn dochter Anna woonde César in de Rue Boulard van het Quartier du Montparnasse in het 14e arrondissement.

Al in 1960 had César opzien gebaard, toen hij voor de jaarlijkse ‘Salon de Mai’ drie blokken van geperste autowrakken had ingestuurd.

Het Franse tijdschrift Paris Match stuurde een fotograaf, de burgerij had haar schandaal. Is dit kunst? César vond van wel. In 1962 zei hij tegen Vrij Nederland: ‘Mij komt het vaderschap toe van het nieuwe materiaal. Op een dag zag ik dat blok, dat bestond uit vermorzelde auto’s. Ik zag het… ik ben ernaar toegegaan en heb het getekend met mijn naam: César. Het was van mij. Ik had het gezien.’

César heeft zijn autowrakken, zijn compressies, nooit verlaten. Net zo min als hij zijn expansions – zijn soms fallische uitstulpingen van gestold polyethuraan – zijn empreintes, lichaamsafdrukken van vooral zijn eigen duim, en zijn academische beginnersbeeldjes van naakten, mannen en dieren vaarwel kon zeggen.

Zelfs ontwierp hij in 1976 de ‘César’, de Franse Oscar, die de Franse filmindustrie jaarlijks uitreikt.

Enkele van zijn werken zijn: Zittend naakt, waarmee César verwees naar de versteende slachtoffers van de Pompeïaanse vulkaanuitbarsting; Le Centaure, een hommage aan zijn vriend Picasso; Le Pouce; Compression Motobécane; Compression de voiture; Le Sein; Françis Bacon; Grosse Ginette of de Venus de Villateneuse; Gustave Eiffel en een reeks Marionettes.

Met Gérard Blandin, een juwelier uit Nice, verwerkte hij goud en edelstenen van gedragen juwelen tot compressies die goed verkochten.

In 1988 ontmoette César op 67-jarige leeftijd zijn nieuwe partner, de jonge Stéphanie Busutti.

Hij overleed in 1998 op 77-jarige leeftijd in zijn woning te Parijs aan de gevolgen van kanker. (diverse bronnen en Wikipedia)

60 jaar geleden, te gast bij de Franse beeldhouwer César Baldaccini.
60 jaar geleden, te gast bij de Franse beeldhouwer César Baldaccini.
60 jaar geleden, te gast bij de Franse beeldhouwer César Baldaccini.
60 jaar geleden, te gast bij de Franse beeldhouwer César Baldaccini.

50 jaar geleden, prins Albert te gast bij de Waalse schilder en beeldhouwer Charles Delporte.

Wereldwijd zijn meer dan 300 van zijn beeldende kunstwerken tentoongesteld in museums, organisaties, kerken en steden, zoals de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, het Koninklijk Paleis van Brussel, het Élysée-paleis en de Nationale Bibliotheek in Parijs, het Museum voor Hedendaagse Kunst in Tokio, het Museum voor Moderne Kunst in São Paulo, het Museum voor Schone Kunsten in Montevideo, de Belgische ambassade in Peking, de Universiteit van Houston, Sint-Pauluskerk (Antwerpen) en veel meer.

Daarnaast geniet Delporte ook erkenning als dichter en zanger.

Hij werd door paus Johannes Paulus II verheven tot de Orde van Sint-Silvester, een pauselijke ridderorde.

Charles Delporte was de broer van zanger en schrijver Paul Louka en van dichter Jacques Viesvil, en een volle neef van stripscenarist Yvan Delporte. (Diverse bronnen, Wikipedia en foto’s De Post van 5 juli 1970)

50 jaar geleden, prins Albert te gast bij de Vlaamse kunstenaar Charles Delporte