Meer dan het Atomium: hoe Expo 58 onze voorraadkast voorgoed veranderde

Als we aan Expo 58 denken, zien we meteen de iconische bollen van het Atomium voor ons.

Toch heeft die legendarische wereldtentoonstelling in Brussel ons veel meer nagelaten dan alleen een monument.

Heel wat snacks die vandaag nog altijd in onze voorraadkast of op café te vinden zijn, danken hun bestaan aan dat wonderjaar 1958.

Denk maar aan Côte d’Or. Na het gigantische succes van hun Mignonettes op de Expo van 1935, schoot de bekende chocoladeproducent met het olifantje in 1958 opnieuw pal in de roos met Dessert 58.

Tot op de dag van vandaag staat deze reep vlotjes in de top tien van het merk.

Ook koekjesbakker Lu beleefde toen gouden tijden.

De krokante Cha-Cha, gevuld met karamel en omhuld met chocolade, geraakte weliswaar net niet op tijd klaar voor de opening van de tentoonstelling, maar die vertraging heeft het succes nooit in de weg gestaan.

Meer dan 65 jaar later smullen we er nog altijd van. Hetzelfde geldt voor de gezouten Tuc-koekjes: ontstaan rond diezelfde periode en vandaag goed voor miljoenen verkochte stuks per dag, over de hele wereld.

Voor de koffieliefhebbers bracht Expo 58 eveneens een revolutie teweeg.

Het Antwerpse familiebedrijf Rombouts bedacht speciaal voor het evenement een slimme filter waarmee je per kopje kon schenken, zodat de koffie nooit te slap of te straf werd.

Het duurde nog tot 1964 voor de bekende voorgedoseerde filter echt gecommercialiseerd werd, maar sindsdien is hij niet meer weg te denken uit onze horeca.

Op warme zomerdagen bracht de Heizel verkoeling met de introductie van zacht softijs en het typische driekleurenijsje tussen twee wafeltjes.

Omdat zwart ijs destijds zelfs met soepele voedselvoorschriften onmogelijk bleek te maken, werd de Belgische driekleur creatief vertaald naar bruin, wit en roze.

Het ijsje smaakt er vandaag de dag niet minder om.

Liebig gebruikte de wereldtentoonstelling dan weer om de allereerste instantsoep te introduceren.

Het idee dat je enkel wat poeder en heet water nodig had voor een kom verse soep, de voorloper van de huidige Royco Minute Soup, grensde voor veel bezoekers aan sciencefiction.

Tegelijkertijd rolde de Amerikaanse eetcultuur onze contreien binnen. Coca-Cola zette een stevig offensief in om Europa definitief voor zich te winnen en ook fastfood zette toen zijn eerste stappen op Belgische bodem.

Tel daar nog de meer exotische primeurs bij, zoals Sovjet-kaviaar, Mexicaanse tortilla’s en Japanse sukiyaki, en het was duidelijk dat de wereld plots binnen handbereik lag.

Voor de modale Vlaming in 1958 was het soms nog even wennen aan al die wereldse nieuwigheden, maar vandaag kunnen we ze nog amper wegdenken uit ons dagelijks leven.

Vandaag is het precies veertig jaar geleden dat de vooraanstaande Franse industrieel ontwerper Raymond Loewy overleed.

Na zijn studietijd in Parijs tussen 1910 en 1914 diende hij tijdens de Eerste Wereldoorlog als tweede luitenant in het Franse leger.

In 1919 maakte hij de oversteek naar New York, waar hij aanvankelijk aan de slag ging als etaleur voor warenhuizen en als mode-illustrator voor bekende tijdschriften zoals Vogue, Harper’s Bazaar en Vanity Fair.

Tien jaar later, in 1929, richtte hij zijn eigen ontwerpbureau op.

Zijn filosofie was even simpel als doeltreffend, getuige de tekst op zijn visitekaartjes: als twee producten in prijs, functie en kwaliteit gelijk zijn, dan verkoopt het mooiste beter.

Dit bewees hij al snel met zijn eerste grote succes: het restylen van de Gestetner-stencilmachine.

Hoewel het apparaat technisch vrijwel identiek bleef aan zijn voorganger, zorgde de vereenvoudigde en strakkere vormgeving voor een efficiëntere productie en hogere verkoopcijfers.

In de decennia die volgden, leek het alsof Loewy alles ontwierp wat er maar te ontwerpen viel.

Van gestroomlijnde stoomlocomotieven, auto’s en vliegtuigen tot frisdrankautomaten, ijskasten en het interieur van NASA’s Skylab; hij stond altijd vooraan.

Hij werkte voor giganten als Pennsylvania Railroad, Greyhound, Coca-Cola en Studebaker.

Daarnaast was hij verantwoordelijk voor het ontwerpen van verpakkingen voor Lucky Strike en beeldmerken voor grote bedrijven als Spar, Exxon en Shell.

Bij Shell bewees hij bovendien zijn scherpe zakelijke inzicht door niet alleen het logo af te leveren, maar ook strikte wereldwijde richtlijnen voor het uniforme gebruik ervan op te stellen.

Zijn benadering van het vak legde hij vast in zijn autobiografie Never Leave Well Enough Alone uit 1951.

Loewy’s invloed was op het hoogtepunt van zijn carrière zo groot dat naar schatting meer dan vijfenzeventig procent van de Amerikanen dagelijks met zijn ontwerpen in aanraking kwam.

Dit bracht hem ongekende roem, die vergelijkbaar was met die van een filmster, wat in 1949 resulteerde in een coververhaal in Time Magazine.

In de jaren zeventig kreeg zijn loopbaan een diplomatiek tintje toen hij, op verzoek van de Amerikaanse regering, voor de Sovjet-Unie ging werken in een poging de spanningen van de Koude Oorlog te verzachten.

Hij ontwierp voor hen onder meer een motorfiets, auto, tractor en diverse huishoudelijke apparaten, al zijn deze plannen helaas nooit gerealiseerd.

Ondanks zijn fenomenale staat van dienst eindigde zijn verhaal in mineur.

Waar zijn kantoor rond 1960 nog honderdtachtig werknemers telde, moest hij in 1977 wegens financiële problemen zijn Amerikaanse vestiging sluiten.

Toen Raymond Loewy in 1986 stierf, liet hij een onuitwisbare stempel achter op de moderne vormgeving, maar was hij zelf volledig bankroet.