
45 jaar geleden, De Post organiseert deze zomer met Jumatt, reizend vakantiedorp aan zee (zomer 1978)

Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek












Anthierens was de oudste broer van Johan en Karel Anthierens.
Hij studeerde Germaanse filologie aan de Katholieke Universiteit Leuven.
Begin jaren vijftig werd Anthierens hoofdredacteur voor Humoradio, de Vlaamse versie van het populaire weekblad Le Moustique.
Het blad bevatte toen een gedetailleerd overzicht van de radioprogramma’s, feuilletons, moppen en cartoons getekend door Morris, de tekenaar van Lucky Luke.

Toen Anthierens voor het blad begon, had Paul Dupuis de macht over de drukkerij, terwijl zijn broer Charles de redactie verzorgde en de Nederlandse vertaling door zijn zwager, de ingetrouwde Nederlander René Matthews.
Anthierens werkte er nog maar net toen het bedrijf van Marcinelle naar de Centrumgalerij in Brussel verhuisde, waar de sfeer veel bruisender was.
De Nederlander Jan Kuypers zorgde toen voor de Nederlandse vertaling van hun weekbladen.
Anthierens werd spoedig een van de meest actieve journalisten voor het blad.

Hij reisde de wereld rond, wat voor Vlaamse journalisten in die jaren nog uitzonderlijk was, en maakte naam met een reeks over vliegende schotels.
Deze reeks zorgde dat hij gevraagd werd voor talloze lezingen en ook professor John Van Waterschoots aandacht trok.
Van Waterschoot vond deze artikels zo interessant dat hij ufoloog werd.

Vanwege zijn succes werd Anthierens tot hoofdredacteur van Humoradio benoemd.
In deze functie introduceerde hij rubrieken die vandaag nog steeds in Humo staan: de brievenrubriek Open Venster en de televisiekritiek Dwarskijker, die toen nog door Willy Courteaux werd verzorgd.
Ook het grote interview van de week, Humo sprak met… werd door Anthierens bedacht en maakte meteen een grote start via de interviews met minister Renaat Van Elslande en auteur Hugo Claus.
Anthierens zorgde ervoor dat Humo uitgroeide tot een volwaardig blad dat niet zuiver een flauw doorslagje van Le Moustique was.
Ook kortte hij in 1958 de naam van het blad in tot Humo.
Hij legde zelfs de basis van de rock-‘n-roll-reputatie van het blad door artikels rond dit muziekgenre toe te staan en achteraan in het blad hitteksten af te drukken.
Onder het pseudoniem Bert Brem schreef hij een biografie over Elvis Presley.
Voor die tijd gevoelige thema’s als homoseksualiteit werden bespreekbaar gemaakt en de wijze waarop het Standaardnederlands werd gehanteerd werd spoedig ook door andere bladen overgenomen.
Dupuis was zo tevreden over zijn werk dat Anthierens tot algemeen hoofdredacteur werd benoemd, waardoor hij ook baas werd van de Franstalige publicaties.
Eind 1968 besloot hij echter hoofdredacteur te worden van Panorama en later van De Post, Spectator, Sportmagazine. In de jaren tachtig richtte hij het tijdschrift Eos op, waarvan hij eveneens hoofdredacteur werd.
Anthierens verloor echter veel van zijn werkvreugde en dreef op politiek vlak steeds meer af naar extreemrechts.
Zo begon hij in 1976 voor het blad ’t Pallieterke te werken en de pro-apartheidsvereniging Protea, waarvan hij tevens stichtend lid was.
Hij vond ten slotte enkel nog plezier in de publicatie van diverse handboeken, zoals een Nederlands synoniemenwoordenboek.
Hij heeft ook tien jaar voor de Vlaamse televisie gewerkt.
Anthierens overleed op 74-jarige leeftijd in het Brusselse AZ-ziekenhuis aan een hersenbloeding, die hij twee weken eerder in Spanje had gekregen. (Diverse bronnen, Wikipedia en foto’s De Post 25 oktober 1990)

Van Hoeydonck was een bekende kunstenaar in zijn tijd.Hij boerde goed, zoals dat dan heet.
Had exposities in de hele wereld.Alleen in België bleef hij wat ondergesneeuwd.
‘In die tijd maakte je als kunstenaar nog niet zoveel lawaai hé’, zegt hij. ‘Ik gooide geen katten in de lucht om gezien te zijn.
Mijn dochter is trouwens meer dan tien jaar samen geweest met Luc Tuymans.
Tuymans is hier dus vaak geweest. Waar denk je dat hij de mosterd gehaald heeft?’
Hij is de enige kunstenaar van wie een sculptuur zelfs op de maan belandde.
Hoe het beeldje van deze man in vredesnaam op de maan terechtkwam?
‘Ik had een expositie in Amerika en maakte kunstwerken over de ruimte.
De directrice van de galerij zei op een dag dat ze mijn beeldje op de maan wou. Ge zijt zot, zei ik.’ Maar ze was niet zot. Het lukte haar.
President Nixon vroeg of ik een Democraat of een Republikein was. He’s a Belgian’, hadden ze hem geantwoord. Waarop Nixon: oké, dan is het geen probleem en hop, ik mocht het beeld maken.
’Van Hoeydonck kreeg instructies. ‘Het moest licht, stevig en geslachtsloos zijn.
En bestand tegen de extreme koude en warmte op de maan. Het mocht ook niet tot een etnische groep behoren.
’Van Hoeydonck ging zelfs naar Cape Canaveral en ontmoette de bemanning.
Maar later kreeg hij woorden met commandant Scott. ‘Mijn naam moest geheim blijven’, zegt van Hoeydonck. ‘Scott vond dat ik als eenvoudige ambachtsman blij moest zijn dat ik dat beeldje voor de mensheid mocht maken.
Ik heb geantwoord dat hij als eenvoudige astronaut zijn naam dan ook niet mocht bekendmaken.
’Kortom: ruzie tussen de kunstenaar en de commandant.
Zeker toen Van Hoeydoncks galeriste 950 replica’s van het beeld wou verkopen.
‘Ze had veel geïnvesteerd in het beeldje en wou zo de kosten recupereren. Maar dat mocht niet. En ik wou het uiteindelijk ook niet toen ik hoorde dat het beeldje bedoeld was als decoratie naast een gedenkplaat voor alle overleden astronauten.
Ik wou niet dat er geld op de rug van overledenen zou komen.
’Dus kreeg Van Hoeydonck geen cent voor zijn beeldje. ‘Ik heb er dan maar een paar uitgedeeld.
Onder andere aan koning Boudewijn, maar die zal het ook wel alweer verloren zijn zeker?’
‘Ik ben Nixon wel nog later tegengekomen.
Hij woonde niet ver van waar ik logeerde als ik in Amerika was.
Ik liep naar hem toe. Zijn bodyguards hielden me tegen.
Maar Nixon herkende me en zei You are Van Hoeydonck.’Toch werd Paul niet wereldberoemd met zijn beeldje op de maan.
‘Ik dacht nochtans als ik dat beeldje op de maan krijg, dan word ik even beroemd als Picasso.
Niet dus.’Hij lacht. ‘Eigenlijk heb ik dat beeld al vaak vervloekt.
Mensen dachten dat dit het enige was wat ik heb ontworpen. Terwijl ik verdorie meer dan drieduizend kunstwerken heb gemaakt.’











Quasimodo had toen net de de Nobelprijs voor Literatuur gewonnen.
In de Vlaamse media zoals in de Post van 8 november 1959 weinig te lezen over zijn gedichten.
Wel over het feit dat hij communist is geweest, al was dat maar voor een korte periode.
De pers schreef er toen het volgende over : Hij zegde zijn lidkaart van de communistische partij op, omdat hij vrij wou zijn. Dit is bij westerse kunstenaars met communistische sympathieën veel voorkomend verschijnsel : zij juichen het communisme op zich zichzelf toe, doch eisen tegelijkertijd voor zichzelf de vrijheid op, die alleen het democratische Westen erkend .
Ook zou hij de Nobelprijs gewonnen hebben, omdat een jaar eerder Boris Pasternak deze prijs had gewonnen en volgens de Sovjet-Unie was dit toen niet meer dan een politieke daad tegen de Sovjet-Unie.
Trouwens voor Boris Pasternak was het ook geen cadeau.
Onder druk van moederland de Sovjet-Unie moest hij zelfs deze prijs weigeren en Ondermijnd door de lastercampagne van zijn land, stierf hij in 1960 aan longkanker.
Zodoende om de Sovjet-Unie te vriend houden, zou men daarom een jaar later in 1959 de prijs laten winnen door een communist zoals Salvatore Quasimodo.
De koude oorlog was duidelijk overal aanwezig, zelfs bij de Nobelprijs voor Literatuur.
In 1987 kreeg Pasternak uiteindelijk postuum volledig eerherstel in zijn eigen land, onder het glasnost en perestrojka-beleid van Michail Gorbatsjov (destijds secretaris-generaal van de CPSU).
Pasternaks zoon Jevgeni nam in 1989 namens zijn vader alsnog de Nobelprijs voor Dokter Zhivago in ontvangst. (Diverse bronnen, De Post 8 november 1959 en Wikipedia)















De in 1944 te Eindhoven geboren kunstschilder Cornelis le Mair kan men met recht een natuurtalent noemen.
Al op de kleuterschool, amper vijf jaar oud, moet hij in alle klassen zijn tekeningen laten zien.
Na het doorlopen van de middelbare school gaat hij studeren aan de kunstacademie in Den Bosch.
Helaas voor de getalenteerde Le Mair wordt in het huidige kunstonderwijs uitsluitend de ‘vrije expressie’ gedoceerd, waarbij een tekentalent wordt beschouwd als een hindernis op weg naar de ‘ware kunst’. Geen enkele leraar kan hem iets vertellen over wat hem nu juist interesseert.
Op advies van een goedbedoelende onderwijzer stapt hij in 1965 over naar de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen, waar het oude schilder-ambacht nog zou worden geleerd.
Maar ook daar blijkt het modernisme te hebben toegeslagen, al is er gelukkig voor hem nog één leraar die traditionele schildertechnieken serieus wil nemen: professor Victor Dolphijn.
In 1968 studeert Le Mair cum laude bij hem af in de richting portret- en figuurschilderen.
Zijn leraar zet hem tevens op het spoor van het stilleven, een genre waarin hij zich is blijven bekwamen. In 1973 vestigt Le Mair zich als zelfstandig kunstschilder in een landelijk gelegen boerderij, in de directe omgeving van zijn geboortestad.
De stijl waarin hij werkt noemt hij zelf traditioneel-ambachtelijk. Dit is het vak zoals het eeuwenlang is beoefend en waarvoor een groot tekentalent, veel kennis en een nimmer aflatende oefening is vereist.
Daardoor kunnen de schilderijen van Le Mair terecht worden vergeleken met die van de Oude Meesters (waardoor hij negatieve kritiek krijgt van modernistische criticasters), maar voor de oplettende toeschouwer verraden ze beslist een eigen identiteit.
Cornelis le Mair is een veelzijdig talent.
Naast zijn beroep, het schilderen van portretten, figuren, stillevens en een enkel landschap, houdt hij zich bij periodes intensief bezig met de architectuur, het maken van beelden, het bouwen van muziekinstrumenten en het vervaardigen van meubels. Ook verruilt hij regelmatig het schilderpenseel voor de schrijfpen.
In 2002 verscheen bij uitgeverij In de Knipscheer een roman, Vanitas geheten, waarin de schilderkunst een grote rol speelt. In 2008 publiceert hij bij uitgeverij In de Knipscheer een essaybundel over de verschillende aspecten van zijn vak.
Het interieur van zijn boerderij, dat hij naar eigen inzichten heeft verbouwd en ingericht, is vaak gefilmd, gefotografeerd en beschreven. Vele tijdschriften hebben artikelen gewijd aan dit bijzondere onderkomen en ook in televisieprogramma’s is het vaker te zien geweest.
Grote exposities waaraan de media veel aandacht hebben besteed, zijn de overzichtstentoonstelling in Museum Kempenland (1994), de eenmanstentoonstelling in Slot Zeist (1998) en de overzichtstentoonstelling in het Westfries Museum (1999).
In 2004 organiseerde Museum Kempenland een tentoonstelling rondom zijn maquette van een gebouwencomplex, het zogeheten Vanitas-paleis.
