40 jaar geleden vond de nieuwste stunt van de Gentse kunstenaar Frank Liefooghe plaats.

Frank Liefooghe volgde zijn opleiding aan de Academie van Gent, waar hij zich bekwaamde in grafiek, sierkunst en schilderkunst.

Onder invloed van mentoren als Raoul Servais, Jan Burssens en Pierre Vlerick groeide bij hem een vrijgevochten, non-conformistische mentaliteit die bepalend werd voor zijn artistieke ontwikkeling.

Die houding kwam tot uiting in grootschalige projecten die de gemiddelde toeschouwer verbaasden, zoals zijn plan uit 1969 om het Stedelijk Museum in Amsterdam in te pakken met een gigantisch schilderij.

Hoewel dat herinneringen opriep aan het werk van Christo, kwam het voort uit Liefooghes eigen drang om de ruimte te beheersen en artistieke grenzen te verleggen.

In de vroege jaren zeventig kregen zijn concepten een uitgesprokener maatschappelijke en filosofische lading.

In 1970–1971 experimenteerde hij bijvoorbeeld met een mobiel van hoge ballonnen boven het Amsterdamse IJ, de brede waterweg die noordelijk langs het centrum van Amsterdam loopt en de stad van Amsterdam-Noord scheidt, om de spanning tussen natuur en kunstmatige vergankelijkheid te onderzoeken.

Het project ‘Landschap van de Toekomst’ kwam tot stand in samenwerking met het Stedelijk Museum.

Later richtte hij zijn aandacht meer op thema’s zoals vrede en solidariteit.

Dat leidde onder meer tot een ontwerp voor een monument in Jeruzalem: een blauw ei dat onder invloed van de zon zou openbreken en zo symbolen van verschillende religies zou verenigen.

Het werk uit deze periode weerspiegelt een sterk ideologisch engagement, vaak in opvallende en onconventionele vormen.

Maar Frank Liefooghe was zoveel meer dan de man van grote projecten.

Zo ontwierp hij ook de hoes van het album ‘Tussen Zomer en Winter’ van Rob de Nijs.

De twee leerden elkaar kennen in Gent, via de Gentse muziekproducent en tekstschrijver Walter Ertvelt. Rob de Nijs verbleef toen een korte periode in Gent, waar de voorbereiding van het album plaatsvond.

Na het werk nam Ervelt hem mee naar de Hotsy Totsy. Op een van die avonden ontmoette De Nijs er Frank Liefooghe.

Franks oudste broer, Dirk Liefooghe, was jarenlang leerkracht aan de Gentse academie en een bekende figuur in de Gentse kunstwereld.

Hij werkte mee aan verschillende kunstprojecten en speelde in 1965 in het toneelstuk ‘Maria Stuart’ van Friedrich von Schiller (1759-1805), in een regie van Georges Vitaly, animator van kleine theaters in Parijs.

Regieassistent was Jo Decaluwe.

Het stuk was de eerste productie van het NTG, met Dré Poppe als eerste directeur.

Naast deze conceptuele projecten bleef Liefooghe zich intensief wijden aan de schilderkunst zelf, meestal ver van de gevestigde galeriewereld.

Reizen naar Schotland, Ibiza en Ierland vormden de aanloop naar zijn meest ingrijpende ervaring: een verblijf in West-Afrika in 1982.

De onderdompeling in een andere cultuur en het herontdekken van antieke levenswaarden veranderden zijn artistieke visie fundamenteel. Werken als ‘Regendans van de Lobi’ en ‘Wedergeboorte’ gebruiken weliswaar westerse materialen, maar ademen een geest die losstaat van de Europese traditie.

Zijn schilderstijl wisselt tussen een vrolijk, tachistisch kleurgebruik met veel oranje en groen, en een mystiekere benadering met diepe blauwtinten, bruinen en zwarte accenten.

Die visuele keuzes worden gestuurd door persoonlijke herinneringen aan ontmoetingen met mensen, dieren en de natuur.

Uiteindelijk vormen deze schilderijen een persoonlijke belijdenis, nauw verwant aan de bevlogenheid van zijn eerdere politieke en maatschappelijke projecten.

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

55 jaar geleden, Creedence Clearwater Revival in het Sportpaleis

In de vroege jaren zeventig stond Creedence Clearwater Revival op een absoluut hoogtepunt.

Dat was ook te merken tijdens hun indrukwekkende Europese tournee van 4 tot 28 september 1971.

De Californische band reisde toen met een eigen privévliegtuig, een luxe die destijds alleen voor de allergrootste wereldsterren was weggelegd. Van die tournee verscheen later het livealbum Live in Europe.

Eerder speelden ze al in Nederland, op 10 september 1971 in het Concertgebouw in Amsterdam.

Op 24 september 1971 landde Creedence Clearwater Revival met hun privéjet op de luchthaven van Deurne.

Ondanks hun status maakten de muzikanten in België op een toegankelijke manier contact met de aanwezige fans.

Tijdens de paspoortcontrole praatte een douanebeambte, zelf muzikant in een lokaal orkestje, graag even met hen.

Hij vond hun muziek wel goed, maar zwoer dat The Shadows voor hem nog altijd bovenaan stonden.

John Fogerty, de onbetwiste leider en creatieve motor van de groep, werd vergezeld door zijn vaste bandleden Douglas Ray Clifford op drums en Stuart Cook op basgitaar.

Fogerty kreeg handtekeningenverzoeken en bewonderende blikken van een paar meisjes.

Met een cassetterecorder om zijn nek stapte hij samen met de rest van de groep in een taxi.

Tussen de hectische optredens door hechtten de groepsleden veel waarde aan rust en ontspanning.

Muziek luisteren via koptelefoons was voor hen een essentiële manier om de batterijen op te laden en te ontsnappen aan de constante druk van het toeren.

Achter de schermen werd de band ondersteund door die vaste ploeg medewerkers, die ervoor zorgden dat de logistiek rond de internationale concerten vlekkeloos verliep.

Onderweg, van concert naar concert, deden ze volgens hen vooral één ding: relaxen.

Ze kwamen net uit Stockholm, waar de band volgens hen een geweldig onthaal had gekregen.

In het Century Hotel in Antwerpen vertelde Fogerty tijdens de persvoorstelling hoe de groepsnaam tot stand was gekomen.

In 1959, toen hij ongeveer veertien was, startte hij met Doug Clifford en Stu Cook een bluesgroepje.

Fogerty speelde piano, Cook gitaar en Clifford drums.

Ze heetten toen The Blue Velvets en traden op schoolfeesten op.

Een manager veranderde hun naam in The Golliwogs en stak hen in rare hoedjes.

Daar kregen ze al snel genoeg van. Ze namen afscheid van die manager en begonnen in 1969 opnieuw. Toms broer Tom Fogerty speelde intussen ook gitaar mee.

‘Creedence’ stond voor hun geloof in het nieuwe plan. ‘Clearwater’ kwam van een tv-reclame voor Olympia-bier, met ‘ongelooflijk helder water’. ‘Revival’ verwees naar de herstart.

Eerst speelden ze covers als ‘Screamin” van Jay Hawkins en ‘Suzie Q’ van Dale Hawkins.

Daarna schreven ze zelf hits als Proud Mary en Bad Moon Rising.

Het optreden in het Antwerpse Sportpaleis was een krachtige vertoning van hun kenmerkende stijl: rauwe rock met heldere, herkenbare melodieën.

De zaal was tot de nok toe gevuld met een enthousiaste menigte die de Amerikaanse beatgroep met open armen ontving.

Toen de omroeper ‘straight from California, the Creedence Clearwater Revival’ aankondigde, barstte het los.

De geluidsinstallatie was keihard. Het gehoor van sommigen was pas twee dagen later weer normaal.

De setlist van die avond was: ‘Born on the Bayou’, ‘Green River’, ‘It Came Out of the Sky’, ‘Door to Door’, ‘Travelin’ Band’, ‘Fortunate Son’, ‘Commotion’, ‘Lodi’, ‘Bad Moon Rising’, ‘Proud Mary’, ‘Up Around the Bend’ en ‘Hey Tonight’.

Het hoogtepunt van de show waren ‘Proud Mary’ en ‘Bad Moon Rising’.

Het optreden eindigde abrupt, zonder toegiften, alleen met ‘Good night, we thank you, we love you all.’

Niet iedereen was tevreden. Sommige jonge bezoekers vonden het ticket van 150 frank, omgerekend naar de koopkracht van vandaag ongeveer 25 euro, te duur.

Ze hadden de band moderner verwacht. Volgens hen was hun tijd voorbij.

Na afloop zei de groep dat ze naar Stockholm terugkeerden.

Ze hadden daar eerder in een hotel gelogeerd dat op een kasteel in de bossen leek, met kandelaars en lakeien. Daar wilden ze opnieuw ongestoord relaxen.

Het verblijf markeerde een gedenkwaardig moment in de Belgische muziekgeschiedenis.

De ongekende populariteit van de band uit de Bay Area werd die dag in Antwerpen tastbaar

In het spoor van de keizer: het bescheiden leven van Napoleons achterkleinzoon Charles Léon

De geschiedenis had een tijdlang gedacht dat de kleine Corsicaanse keizer Napoleon I niet in staat was kinderen te verwekken.

Tot de geboorte van Charles Léon in 1806 dacht Napoleon zelf immers ook dat hij onvruchtbaar was, omdat zijn eerste echtgenote Joséphine de Beauharnais geen kinderen meer kon krijgen.

Die veronderstelling bleek echter een misvatting te zijn die volledig toe te schrijven viel aan de onvruchtbaarheid van Joséphine. Napoleon zelf mankeerde niets.

Te La Plagne werd immers uit een buitenechtelijk avontuur met Eléonore Denuelle een zoon geboren.

De geboorte van zijn buitenechtelijke zonen leverde het onomstotelijke bewijs van zijn vruchtbaarheid.

Dit gaf de keizer de doorslag om van Joséphine te scheiden en te trouwen met de Oostenrijkse Marie-Louise.

Uit dat tweede huwelijk werd in 1811 zijn enige wettige erfgenaam geboren als Napoleon François Charles Joseph Bonaparte.

Zijn vader gaf hem direct de pompeuze titel Koning van Rome.

Na de definitieve nederlaag van Napoleon in 1815 trad de keizer af ten gunste van zijn toen 4-jarige zoontje.

De jongen was officieel gedurende twee weken Napoleon II, Keizer der Fransen, maar hij heeft nooit echt geregeerd.

De zegevierende Europese grootmachten stelden de Bourbon-koningen weer aan op de troon.

Zijn Oostenrijkse moeder, Marie-Louise, nam hem mee naar haar geboorteland.

Aan het hof in Wenen kreeg hij de titel Hertog van Reichstadt.

Hij werd daar min of meer als een politieke gevangene in een gouden kooi opgevoed.

Zijn Franse identiteit werd zoveel mogelijk onderdrukt en men noemde hem simpelweg Franz.

De jonge prins had een zwakke gezondheid en leed aan chronische bronchitis.

Op 22 juli 1832 overleed hij in Slot Schönbrunn in Wenen aan de gevolgen van tuberculose.

Zijn Franse bijnaam werd L’Aiglon of Het Adelaarsjong, een verwijzing naar de adelaar in het wapenschild van zijn vader.

Omdat Napoleon II nooit heeft geregeerd en kinderloos stierf, ging de claim op de keizerlijke troon uiteindelijk over naar zijn neef Louis-Napoléon Bonaparte, die in 1852 de macht greep en het

Tweede Franse Keizerrijk vestigde als keizer Napoleon III.

Nog tijdens zijn eigen heerschappij verwekte keizer Napoleon I bij zijn Poolse minnares Maria Walewska eveneens een zoon, Alexandre Colonna-Walewski.

Om een politiek en diplomatiek schandaal te vermijden, erkende Napoleon I hem nooit formeel wettelijk, maar in de praktijk zorgde hij uitstekend voor hem.

Hij benoemde hem tot graaf van het keizerrijk, kende hem aanzienlijke inkomsten toe en nam hem op in zijn testament.

Alexandre zou decennia later onder zijn neef Napoleon III uitgroeien tot een vooraanstaand diplomaat en Frans minister van Buitenlandse Zaken.

Daarnaast wordt door historici aangenomen dat Napoleon I ook dochters had uit buitenechtelijke relaties, al ontbrak bij hen eveneens een officiële erkenning.

Zo was er Émilie Pellapra, geboren uit zijn verhouding met Françoise-Marie LeRoy, die haar hele leven overtuigd bleef van haar keizerlijke afkomst en uiterlijk sterk op Napoleon I leek.

Op het eiland Sint-Helena werd bovendien Hélène Napoleone Bonaparte de Montholon geboren uit zijn relatie met Albine de Montholon.

Hoewel de echtgenoot van Albine het kind officieel erkende, droeg het meisje veelzeggend de namen Napoleone en Bonaparte.

Op precies 1 januari 1807 vernam Napoleon I, op doorreis van Pultusk naar Warschau, dat hij veertien dagen tevoren vader was geworden van een flinke zoon.

Een mooier nieuwjaarsgeschenk kon zijn vriendin hem niet aanbieden.

Overigens wilde de dolgelukkige moeder haar baby Napoleon dopen, naar zijn vader, maar de keizer vond dat Léon volstond.

Dat belette niet dat keizer Napoleon I zich ten opzichte van zijn bastaardzoon altijd zeer royaal gedroeg.

Bij de geboorte van Léon kreeg de moeder dertigduizend goudfrank, wat een klein fortuin was.

Telkens als Napoleon I zijn zoon bezocht, wat geregeld voorviel, bracht hij kostbare geschenken mee.

De keizer ging vriendschappelijk met Léon om en schepte er genoegen in zich binnenskamers papa te laten noemen, vooral na het overlijden van L’Aiglon.

Toen Napoleon I in mei 1821 op Sint-Helena overleed, was hij weliswaar het leeuwendeel van zijn keizerlijke rijkdommen, paleizen en staatsbezittingen door confiscatie kwijtgeraakt, maar hij stierf geenszins berooid.

In zijn ballingsoord beschikte hij over aanzienlijke persoonlijke bezittingen: contant goud, zilverwerk, meubilair, boeken en juwelen, naast een groot kapitaal dat hij voor zijn vertrek in bewaring had gegeven bij bankier Laffitte in Parijs.

Vlak voor zijn dood stelde de keizer een uiterst gedetailleerd testament op waarin hij miljoenen francs naliet aan zijn trouwe metgezellen, oud-strijders, loyale steden en zijn buitenechtelijke kinderen.

Zo bleef Napoleon I zich ook na zijn verbanning bekommeren om het welzijn van zijn zoon Léon.

In zijn testament ordonneerde hij een schenking van drieduizend goudfranken, een wilsbeschikking die uiterst discreet werd uitgevoerd, al zorgden juridische procedures en vertragingen van banken en autoriteiten ervoor dat de uitbetalingen van de legaten pas jaren later definitief werden afgewikkeld.

Vanuit zijn ballingsoord stippelde de keizer tevens de toekomst van Léon uit. Tegen zijn raadgevers zei hij dat hij zijn zoon het liefst carrière zag maken in de magistratuur, op voorwaarde natuurlijk dat hij daar zelf zin in had.

Léon voelde daar evenwel weinig voor.

Hij koos aanvankelijk voor een militaire loopbaan en stortte zich daarna op de politiek.

De latere keizer Napoleon III behandelde de zoon van Napoleon I met de nodige égards.

Léon kreeg een residentie en een grafelijke titel, al zocht de keizer nooit echt contact met hem.

Léon kreeg zelf vier kinderen, onder wie Gaston Léon, graaf Léon II, die de vader werd van Charles Léon.

Gisteren nog vandaag

Veertig jaar geleden werd Gent opgeschrikt door een gigantisch society-schandaal rond de bekende familie Parisis.

In september 1986 haalden de broers Antoine en Etienne Parisis zelfs de internationale pers met wat destijds gold als de grootste Belgische fraudezaak sinds de Tweede Wereldoorlog.

Het duo werd ervan beschuldigd hun rijke cliënteel te hebben opgelicht voor zo’n 70 miljoen euro via fictieve investeringen in luxueuze Texaanse villa’s.

De gebroeders behoorden tot de absolute Gentse high society en wisten via hun bedrijf Parisimmo en gerelateerde vennootschappen talloze vermogende landgenoten te overtuigen met beloftes van torenhoge rendementen.

Tijdens het proces werden de Amerikaanse bouwprojecten door het gerecht en de curatoren echter afgedaan als pure luchtspiegelingen en oplichting.

De huizen zouden volgens de onderzoekers nooit hebben bestaan, al beweerden de broers tot op het einde dat de gronden en projecten wel degelijk reëel waren en vandaag een slordige 200 miljoen euro waard zouden zijn.

Het schandaal leidde uiteindelijk tot een zware veroordeling.

De beschuldigingen van oplichting, valsheid in geschrifte, bedrieglijke bankbreuk, vervalsing van de boekhouding, verduistering en inbreuken op de wetgeving rond effectenuitgifte werden gegrond verklaard.

De toen 45-jarige Antoine Parisis kreeg vijf jaar gevangenisstraf en een geldboete van ongeveer 5.200 euro.

Zijn 46-jarige broer Etienne, die als het organisatorische brein werd gezien, kreeg tien jaar opsluiting en een boete van ongeveer 8.900 euro.

Dat die strafrechtelijke geldboetes op het eerste gezicht opvallend laag leken in vergelijking met het gigantische fraudebedrag, had te maken met het Belgische strafrecht.

De boetes waren wettelijke straffen die rechtstreeks aan de Staat toekwamen en gebonden waren aan strikte wettelijke maxima per tenlastelegging.

Ze stonden volledig los van de burgerlijke vorderingen die betrekking hadden op de honderden gedupeerden die hun verdwenen miljoenen probeerden terug te eisen.

Doordat het geld grotendeels was weggesluisd of vastzat in onduidelijke structuren, zagen de meeste slachtoffers uiteindelijk amper iets van hun spaargeld terug.

Na het vonnis liepen de levenspaden van beide broers volledig uiteen. Etienne Parisis ontvluchtte het land om aan zijn straf van tien jaar te ontkomen.

Hij dook onder in Zuid-Amerika en wist daar jarenlang uit handen van het gerecht te blijven, waar hij uiteindelijk in ballingschap is overleden.

Antoine Parisis bleef wel in België en zat een vijftiental maanden effectief achter de tralies.

Direct na zijn opsluiting gingen zijn vennootschappen failliet en raakte hij al zijn bezittingen en invloed kwijt.

Antoine bleef de aantijgingen echter zijn hele leven lang betwisten en hield vol dat de Texaanse gronden en projecten rond Dallas wel degelijk bestonden en dat justitie en curatoren zware fouten hadden gemaakt.

Rond 2016 zocht hij naar aanleiding van het Optima-schandaal in Gent opnieuw de openbaarheid op met zijn boek

Het optimale complot, waarin hij verbanden legde met figuren die destijds ook zijn eigen dossier behandelden.

Een opmerkelijk detail aan het dossier is dat de zaak destijds voor een schokgolf zorgde binnen de Gentse bourgeoisie.

Omdat zoveel vooraanstaande families hun zwart geld of spaarcenten toevertrouwden aan de broers, wilden veel slachtoffers zich uit schaamte of uit vrees voor de fiscus aanvankelijk niet eens als benadeelde partij melden.

Zijn er hier nog mensen die de commotie in Gent destijds van dichtbij hebben meegemaakt of verhalen kennen van gedupeerden?

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Vandaag is het precies veertig jaar geleden dat prins Louis van Luxemburg op 14 september 1986 boven de doopvont werd gehouden.

Hij is de derde zoon van groothertog Henri van Luxemburg en groothertogin María Teresa en draagt de titels prins van Luxemburg, prins van Nassau en prins van Bourbon-Parma.

Zijn peetouders zijn prinses Margaretha van Luxemburg en Xavier Sanz.

Zelf is hij peetvader van zijn neef, prins Charles van Luxemburg.

Binnen het groothertogelijke gezin groeide hij op met drie broers en een zus: erfgroothertog Guillaume (1981), prins Félix (1984), prinses Alexandra (1991) en prins Sébastien (1992).

Zijn schooltijd bracht hij door aan de internationale school in Luxemburg en aan de Soleil-kostschool in het Zwitserse Villars-sur-Ollon.

Tijdens een troepeninspectie in Kosovo ontmoette hij Tessy Antony, die daar op militaire missie was.

Hun relatie werd in 2005 openbaar toen bekendgemaakt werd dat zij in verwachting was van hun eerste kind.

Op 29 september 2006 stapte het paar in het huwelijksbootje in Gilsdorf.

Samen kregen ze twee zonen: Gabriel Michael Louis Ronny op 12 maart 2006 en Noah Etienne Guillaume Gabriel Matthias Xavier op 21 september 2007.

Vanwege het huwelijk gaf prins Louis zijn rechten op de troon op, net als die van zijn zoon Gabriel. Hijzelf behield zijn titel, terwijl zijn echtgenote en zoon aanvankelijk de achternaam van Nassau kregen zonder verdere aanspreektitels.

In 2009 verleende een groothertogelijk besluit Tessy alsnog de titels prinses van Luxemburg, prinses van Nassau en prinses van Bourbon-Parma, en werden hun zoons prins van Nassau.

Op 18 januari 2017 werd aangekondigd dat het koppel ging scheiden, een echtscheiding die op 4 april 2019 officieel werd uitgesproken.

In april 2021 maakte het paleis vervolgens bekend dat prins Louis zich had verloofd met de Franse advocate Scarlett-Lauren Sirgue.

Marie Gevers: van kasteel Mussenborg tot de literaire wereld

De Vlaamse schrijfster Marie Gevers bracht een groot deel van haar leven door op het kasteel Mussenborg in het Antwerpse Edegem.

Ze groeide op in een welgesteld gezin als dochter van een Antwerpse suikerfabrikant, die in 1907 overleed, en van een moeder, die de dochter was van een voormalige burgemeester van Boom en in 1923 overleed.

In plaats van naar een traditionele school te gaan, kreeg Marie thuis degelijk privéonderwijs.

Haar literaire pad kreeg een beslissende wending door haar vriendschap met Rite Cranleux, een nichtje van dichter Emile Verhaeren.

Via haar leerde Gevers Verhaeren persoonlijk kennen.

Aangemoedigd door zowel Verhaeren als Max Elskamp begon ze met dichten.

Gisteren nog vandaag

Al in 1907 debuteerde ze met drie gedichten in het Brusselse tijdschrift Durendal, waarna Verhaeren ervoor zorgde dat haar poëzie ook een plek kreeg in het toonaangevende Franse tijdschrift Mercure de France.

Hoewel haar debuutbundel Missenbourg al in 1914 voltooid was, verscheen deze pas in 1917.

In 1931 maakte ze de overstap naar proza met haar eerste roman La comtesse des digues, later vertaald als De dijkgravin.

Hierna liet ze de poëzie achter zich en legde ze zich volledig toe op romans en kinderboeken.

Haar werk had vaak een autobiografische en licht filosofische ondertoon.

Met een gevoelige, nauwgezette blik bracht ze het Vlaamse plattelandsleven tot leven, vooral rond de Scheldestreek, waardoor ze vaak gerekend wordt tot de heimatliteratuur.

Ze schetste op tedere en nostalgische wijze het reilen en zeilen op haar geliefde kasteel Mussenborg en het landelijke bestaan aan het begin van de twintigste eeuw.

Gisteren nog vandaag

Daarnaast bouwde Gevers een sterke reputatie op als vertaalster naar het Frans.

Ze vertaalde klassiekers zoals Hollands Glorie van Jan de Hartog en boeken van bevriende auteurs, waaronder Moeder, waarom leven wij? van Lode Zielens en diverse werken van Felix Timmermans.

Timmermans verzorgde op zijn beurt de illustraties bij haar kinderverzen in Almanach perpétuel des jeux d’enfants / Chansons de Marie Gevers.

Ook de bekende sprookjes van koningin Fabiola werden door haar naar het Frans overgezet.

In 1975 overleed Marie Gevers op 91-jarige leeftijd.

Haar kist werd bijgezet in de familiegrafkelder op de begraafplaats van Edegem, de plek waarmee haar leven en werk altijd zo nauw verbonden bleven.

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Vandaag is het ook al 49 jaar geleden dat Elvis Presley kwam te overlijden.

Hoewel de officiële doodsoorzaak van Elvis Presley na zijn overlijden op 16 augustus 1977 werd vastgesteld op hartfalen, werpt zijn voormalige huisarts een ander licht op de zaak.

Elvis werd destijds dood op het toilet aangetroffen en de arts die hem probeerde te reanimeren, dokter Nichopoulos, stelt in zijn boek ‘The King and Doctor Nick’ dat de zanger gered had kunnen worden als hij een operatie niet had geweigerd.

Nichopoulos, die de laatste twaalf jaar van Elvis’ leven deel uitmaakte van zijn entourage, onthult daarin schokkende details over de werkelijke gezondheidstoestand van de King.

Volgens de arts leed Elvis aan een erfelijke darmverlamming die leidde tot een extreme vorm van constipatie.

Zijn dikke darm had een abnormale diameter van vijftien tot achttien centimeter, wat aanzienlijk groter is dan de normale zes tot negen centimeter.

Nichopoulos schrijft dat de doodsoorzaak aanvankelijk onzeker was, maar dat nieuw onderzoek de puzzelstukjes uiteindelijk in elkaar heeft doen vallen.

In de darmen van Elvis werd stoelgang aangetroffen die daar al vier tot vijf maanden vastzat.

Deze aandoening verklaart volgens de dokter ook het beruchte overgewicht van de zanger; dit kwam niet door te veel of te vet eten, maar was een direct gevolg van de ernstige verstopping.

De ziekte had een enorme impact op het leven van de zanger.

Elvis schaamde zich er diep voor en had soms zelfs ongelukjes op het podium, waardoor hij zich tijdens optredens halsoverkop moest omkleden.

Omdat constipatie in de jaren zestig en zeventig nog in de taboesfeer zat en nauwelijks bespreekbaar was, zocht hij onvoldoende hulp, hoewel de behandelingen intussen sterk zijn geëvolueerd.

Nichopoulos is er dan ook van overtuigd dat Elvis wellicht nog in leven had kunnen zijn als hij destijds de nodige darmoperatie had ondergaan.

Op de plaats waar Graceland staat, stond oorspronkelijk een boerderij die eigendom was van Stephen C. Toof, de oprichter van S.C. Toof & Co., een commerciële drukkerij in Memphis.

Het landgoed werd vernoemd naar Toofs dochter, Grace, die de boerderij later erfde.

Spoedig daarna kreeg dit gedeelte van het land de naam Graceland.

In 1939 bouwde Grace Toofs nichtje, Ruth Moore, samen met haar echtgenoot dr. Thomas Moore een landhuis in koloniale stijl op het terrein.

Het landhuis telt drieëntwintig kamers, waaronder acht slaapkamers en badkamers.

De badkamer waar het levenloze lichaam van Elvis werd gevonden, bevindt zich pal boven de entree.

Deze ingang wordt ondersteund door vier grote pilaren, en bij het portiek waken aan weerszijden twee grote leeuwen.

Toen Elvis Graceland kocht, liet hij ingrijpende aanpassingen uitvoeren.

Zo kwamen er een stenen muur rondom het terrein, een smeedijzeren poort met een muziekthema, een zwembad, een tennisbaan en de beroemde Jungle Room, die voorzien is van een overdekte waterval.

In februari en oktober 1976 werd deze Jungle Room omgebouwd tot een opnamestudio.

Hier nam Elvis bijna alle nummers op voor zijn laatste twee studioalbums, ‘From Elvis Presley Boulevard’, ‘Memphis, Tennessee’ en ‘Moody Blue’.

Dit waren zijn laatst bekende opnamen in een studio-omgeving.

Om tot rust te kunnen komen, liet Elvis in de tuin de Meditation Garden aanleggen.

Hij bleef op het landgoed wonen tot aan zijn overlijden op 16 augustus 1977.

Na zijn dood werd Elvis begraven in deze Meditation Garden, net als zijn ouders Gladys en Vernon en zijn grootmoeder.

Ook ligt er een gedenksteen voor Elvis’ tweelingbroer Jesse Garon, die tijdens de geboorte overleed.

De Meditation Garden werd al in 1978 opengesteld voor het publiek, en op 7 juni 1982 opende Graceland officieel de deuren als museum.

Inmiddels is het landgoed uitgegroeid tot een waar bedevaartsoord en vormt het, naast de muziek, de grootste bron van inkomsten voor zijn nabestaanden.

Met jaarlijks zo’n 600.000 tot 700.000 bezoekers is het landhuis in Memphis, Tennessee, het op één na meest bezochte woonhuismuseum van de Verenigde Staten, na het Witte Huis.

Een ticket kost afhankelijk van het gekozen type rondleiding tussen de 53 en 148 dollar voor volwassenen (ongeveer 48 tot 134 euro)

Sinds de openstelling voor publiek op 7 juni 1982 tot aan 2026 hebben in totaal ruim 23 miljoen bezoekers een bezoek gebracht aan Graceland.

75 jaar geleden werden de Vlamingen in België vaak miskend en gekrenkt.

Niet onverdeeld zou de geschiedenis haar oordeel vellen over de periode die zojuist achter de rug lag.

Over één ding waren alle historici het echter eens: namelijk dat de vierde koning, bevoegd op het heil van volk en land, niet terecht was geprezen en bereid was gevonden om zijn persoon op te offeren, door al te troosten den grooten van zijn Zoon.

Met zijn troonsbestijging had koning Leopold geen ander doel dan het samenbinden der verspreide krachten van het land.

Hij zag het als zijn taak om de verdeelde opinies uit de weg te ruimen en de monarchale en grondwettelijke instellingen te versterken en te verzoenen.

Na deze week werd een nieuw tijdperk in de Belgische geschiedenis ingeluid. Men was ervan overtuigd dat men in de toekomst met trots zou kunnen terugblikken op het land en zijn vorstenhuis tijdens de honderdtwintig jaren van zijn bestaan.

Zoals de natuur na een geweldig onweer overvloed en herademing brengt, zo was het ook in de Belgische staatskunde na een lang opgeladen bewering tot bezinning, tot rust, tot vrede gekomen.

Honderdduizend jaren waren verstreken sinds de brave Surlet de Chokier het eerste regentschap aanvaardde.

Binnenslands was de verjaardag van de bijna even lang geleden troonsbestijging van Leopold I, stichter van het vorstenhuis, gevierd.

Dat wilde niet zeggen dat alles voor alle onderdanen naar wens was verlopen onder het bewind van de vier koningen, die elkaar in grondwettelijke continuïteit hadden opgevolgd.

Doch als het in het groot al zo vaak tot rust en vrede kwam, was het dan niet te verwachten in de veel grotere huishouding van een hele natie?

Geen enkele menselijke daad – ook niet die van koningen – is volmaakt.

Vooral de Vlamingen in België hadden geleden en waren gekrenkt.

Zij konden zich moeilijk thuis voelen onder het regime dat hun taal en hun wezen veronachtzaamde, dat hun pelgrimsrecht en geen rechten schonk.

Het begrip „België” was daardoor in hun ogen lange tijd een vreemde school geworden, die in de loop der eeuwen telkens op een passende manier werd herleid.

Desondanks waren de Vlamingen trouw gebleven aan het Vorstenhuis en hadden zij groot vertrouwen gesteld in hun koning.

Het was hun hoop dat dit uit hun hart kwam, een koning die hun taal sprak en niet ongevoelig was voor hun verwachtingen en voor hun wensen.

Moge Boudewijn zulk een koning zijn!

Vandaag is het precies veertig jaar geleden dat de vooraanstaande Franse industrieel ontwerper Raymond Loewy overleed.

Na zijn studietijd in Parijs tussen 1910 en 1914 diende hij tijdens de Eerste Wereldoorlog als tweede luitenant in het Franse leger.

In 1919 maakte hij de oversteek naar New York, waar hij aanvankelijk aan de slag ging als etaleur voor warenhuizen en als mode-illustrator voor bekende tijdschriften zoals Vogue, Harper’s Bazaar en Vanity Fair.

Tien jaar later, in 1929, richtte hij zijn eigen ontwerpbureau op.

Zijn filosofie was even simpel als doeltreffend, getuige de tekst op zijn visitekaartjes: als twee producten in prijs, functie en kwaliteit gelijk zijn, dan verkoopt het mooiste beter.

Dit bewees hij al snel met zijn eerste grote succes: het restylen van de Gestetner-stencilmachine.

Hoewel het apparaat technisch vrijwel identiek bleef aan zijn voorganger, zorgde de vereenvoudigde en strakkere vormgeving voor een efficiëntere productie en hogere verkoopcijfers.

In de decennia die volgden, leek het alsof Loewy alles ontwierp wat er maar te ontwerpen viel.

Van gestroomlijnde stoomlocomotieven, auto’s en vliegtuigen tot frisdrankautomaten, ijskasten en het interieur van NASA’s Skylab; hij stond altijd vooraan.

Hij werkte voor giganten als Pennsylvania Railroad, Greyhound, Coca-Cola en Studebaker.

Daarnaast was hij verantwoordelijk voor het ontwerpen van verpakkingen voor Lucky Strike en beeldmerken voor grote bedrijven als Spar, Exxon en Shell.

Bij Shell bewees hij bovendien zijn scherpe zakelijke inzicht door niet alleen het logo af te leveren, maar ook strikte wereldwijde richtlijnen voor het uniforme gebruik ervan op te stellen.

Zijn benadering van het vak legde hij vast in zijn autobiografie Never Leave Well Enough Alone uit 1951.

Loewy’s invloed was op het hoogtepunt van zijn carrière zo groot dat naar schatting meer dan vijfenzeventig procent van de Amerikanen dagelijks met zijn ontwerpen in aanraking kwam.

Dit bracht hem ongekende roem, die vergelijkbaar was met die van een filmster, wat in 1949 resulteerde in een coververhaal in Time Magazine.

In de jaren zeventig kreeg zijn loopbaan een diplomatiek tintje toen hij, op verzoek van de Amerikaanse regering, voor de Sovjet-Unie ging werken in een poging de spanningen van de Koude Oorlog te verzachten.

Hij ontwierp voor hen onder meer een motorfiets, auto, tractor en diverse huishoudelijke apparaten, al zijn deze plannen helaas nooit gerealiseerd.

Ondanks zijn fenomenale staat van dienst eindigde zijn verhaal in mineur.

Waar zijn kantoor rond 1960 nog honderdtachtig werknemers telde, moest hij in 1977 wegens financiële problemen zijn Amerikaanse vestiging sluiten.

Toen Raymond Loewy in 1986 stierf, liet hij een onuitwisbare stempel achter op de moderne vormgeving, maar was hij zelf volledig bankroet.

Vandaag 40 jaar geleden werd eerste wachtmeester André Goeman doodgeschoten tijdens een routinecontrole op het klaverblad in Zwijnaarde.

Die nacht bracht de wachtmeester Luc Schuddinck door op zijn knieën in een polderweide in Wenduine.

Gangsters hadden hem daar met zijn eigen handboeien vastgeketend aan een omheiningspaal.

Enkele uren voordien hadden ze zijn collega André Goeman voor zijn ogen koudweg met een nekschot afgemaakt.

Nog eenmaal blikt Luc Schuddinck achterom naar de langste en verschrikkelijkste nacht van zijn leven.

André was een vaderfiguur voor mij, zoals ik nu ben voor mijn jongere collega’s hier op de Verkeerspost van Wetteren”, zegt Luc Schuddinck.

Hij was elf jaar ouder dan ik en was mijn monitor geweest tijdens mijn opleiding. ‘Ik had veel van hem geleerd.’

Die zondag 13 juli 1986 was ik met hem om 21 uur de nacht opgegaan.

We waren net begonnen te patrouilleren toen we in de onderbrugging van de verkeerswisselaar van Zwijnaarde een motorfiets zagen staan met twee mannen.

Ze spraken Frans.

Al snel bleek dat de motorfiets niet was ingeschreven of verzekerd en dat er iets niet pluis was met hun identiteitskaarten.

André had hen gevraagd een document in te vullen.

We stonden met zijn vieren in een halve cirkel over de motorkap gebogen toen een van hen plots een wapen naar me trok.

Ik stak mijn handen omhoog en op dat moment greep André Goeman naar zijn eigen pistool.

De gangster was hem echter te snel af en schoot hem van op een afstand van minder dan twee meter in de nek.

Hij was op slag dood.

Ze lieten hem liggen, de schutter sprong in de politiewagen, ik moest naast hem plaatsnemen en de andere kerel ging achter me zitten met een geladen pistool tegen mijn hoofd.

In volle vaart vertrokken we langs de E40 richting kust.

De gangsters waren in paniek en wisten niet waarheen.

Nu eens doofden ze de lichten, daarna staken ze ze weer aan.

De bestuurder zette mijn kepie op om de indruk te wekken dat hij een agent was.

Over de politieradio was duidelijk te horen dat men met man en macht op zoek was naar mij.

Ik stelde voor de radio buiten te gooien, maar ze wilden dat ik zou vertalen wat er gezegd werd.’

Ik heb veel met hen geconverseerd.

Ik vroeg wat ze van plan waren met mij en smeekte hen om mij in leven te laten.

Niet voor mezelf, maar voor mijn drie kinderen van zes, vier en twee jaar.

Ondertussen wikte ik mijn ontsnappingskansen.

Toen we in Wenduine voor een rood licht stonden, overwoog ik de deur te openen en uit de wagen te springen, maar ik had schrik dat ik al dood zou zijn nog voor ik op straat lag.

Uiteindelijk verplichtten ze me aan een verlaten weide uit te stappen.

Op dat moment was ik ervan overtuigd dat ik nog maar enkele seconden te leven had.

Wat je dan voelt, is pure doodsangst.

Maar ze ketenden me vast aan een zware paal, gooiden mijn fluo-jas over me tegen de regen en reden weg.

Pas na twee uur begon ik een beetje hoop te krijgen dat ik zou overleven.

In de verte zag ik een boerderij staan.

Ik heb urenlang tevergeefs de ziel uit mijn lijf geschreeuwd.

Mijn stembanden waren zo ver uitgerekt dat het nooit meer is goedgekomen.

Uiteindelijk heeft een schapenboer mij om 8.45 uur ’s morgens bevrijd.

Hij kwam langsgereden met zijn wagen.

Het was de man van de boerderij.

Hij zei dat hij wel had horen roepen, maar dat er in het zomerseizoen met al die toeristen altijd nachtlawaai was.

Zijn vrouw is teruggereden om een kniptang en ze hebben me naar het politiebureau gevoerd.

Mijn eerste telefoontje was naar mijn vrouw om haar gerust te stellen dat ik nog leefde.

Dezelfde dag nog werden de twee gangsters aangehouden in Luik.

Het bleek te gaan om Philippe Gonda en Christian Karko die uit de gevangenis van Hoei waren ontsnapt.

Ik stond erop om het hele proces bij te wonen.

Ze hebben allebei de doodstraf gekregen.

Karko is vermoedelijk al tien jaar vrij, maar Gonda niet, denk ik.

Ik hoor er niks meer van en het interesseert me ook niet echt.

Het waren zware jongens.

Gonda zou zelfs een cipier gecastreerd hebben in de gevangenis.’

Na drie maanden na de feiten heb ik terug de draad weer opgepikt

Ik heb achteraf de weerbots gekregen, maar ik ben uit het dal geklauterd door me op mijn nieuwbouw in Deinze te werpen.

Slachtofferhulp bestond toen nog niet.

Er was zelfs geen sociaal assistente, er was niks.

Soms denk ik: wat zou er gebeurd zijn als André Goeman zijn wapen niet had getrokken?

Wellicht leefde hij dan nog.

Maar zijn reactie was normaal.

Hij heeft gehandeld vanuit een beschermende reflex.

Als je partner in gevaar is, dan doe je iets.”(Diverse bronnen, Geert Neyt, Nieuwsblad juli 2006 en De Post 27 juli 1986)

Vandaag is het ook al 55 jaar geleden dat Louis Armstrong is overleden.

De laatste grote van een heroïsch tijdperk was heengegaan. Mister Jazz was niet meer.

Het laatste wat Lucille Armstrong nog voor haar overleden echtgenoot had kunnen doen, was met veel liefde en toewijding de kraakwitte zakdoek, die hij steeds had gebruikt om zijn zweet af te wissen, tussen zijn koude handen steken.

Duizenden mensen waren opgekomen om een groet te brengen aan Mister Jazz.

De uitvaart in de Corona-kerk van New Yorks Queenswijk werd bijgewoond door onder andere Ella Fitzgerald, Dizzy Gillespie, Benny Goodman, Peggy Lee en gouverneur Rockefeller van de staat New York.

Er had nog één korte Europese tournee op zijn najaarsprogramma gestaan met een vijftal concerten, waarvan één te Brussel.

Want nadat hij enkele weken daarvoor uit de kliniek was gekomen, was het zijn enige droom geweest ooit nog eens in Europa te spelen.

Gisteren nog vandaag

Dat was het Europa waar hij steeds zo uitbundig was ontvangen en waar men hem op de handen had gedragen.

Hij was daar in 1932 na een eerste concertreis vandaan gekomen met de vreugdekreet dat men daar niet eens zag wie hij was.

Hij overleed eenenzeventig jaar en twee dagen na zijn geboorte in New Orleans. Amerika had zijn beste ambassadeur verloren, en de veertigers van de hele wereld ervoeren dit afsterven als een persoonlijk verlies.

Weer had een van de idolen uit hun jeugd het bijltje erbij neergelegd.

Maar de muziek van Satchmo was onsterfelijk. Hij was niet alleen de King of Jazz geweest, hij was de jazz zelf.

Hij vertegenwoordigde, de laatste tijd bijna helemaal alleen, het beste in de jazz: opgewekte levensvreugde

Louis Armstrong, de legendarische jazztrompettist uit New Orleans, hield zijn hele leven vast aan de overtuiging dat hij op 4 juli 1900 ter wereld kwam.

Hoewel hij publiekelijk vaak beweerde zijn exacte geboortedag niet te kennen, koos hij symbolisch voor de Amerikaanse onafhankelijkheidsdag om het leven te vieren.

Op officiële documenten varieerde het jaartal soms naar 1901, maar de werkelijke datum bleef decennialang een mysterie.

Pas in 1988 ontdekte muziekhistoricus Tad Jones de waarheid in de dooparchieven van de Rooms-katholieke kerk; Armstrong bleek op 4 augustus 1901 te zijn geboren.

Deze datum wordt inmiddels door kenners wereldwijd als de enige juiste geaccepteerd.

Zijn begin was allesbehalve koninklijk. Geboren in extreme armoede in New Orleans, groeide Louis op in een rauwe wereld van hoerenkasten, straatorkesten en rivierboten.

Op zijn twaalfde belandde hij in een opvoedingsgesticht voor gekleurde jongeren, nadat hij tijdens Oud en Nieuw met een pistool in de lucht had geschoten.

Het was daar dat hij zijn eerste cornet kreeg, een moment dat de koers van de muziekgeschiedenis zou veranderen.

Wat volgde was een van de meest legendarische carrières ooit.

Hij ontwikkelde zijn talent bij grootheden als King Oliver, Fletcher Henderson en Earl Hines, om later zijn eigen iconische groepen, de Hot Five en Hot Seven, te vormen.

Hij scoorde wereldhits die generaties overstijgen, zoals What a Wonderful World, Hello, Dolly! en Mack the Knife.

Zelfs toen moderne stromingen zoals jazzrock en free jazz opkwamen, bleef Armstrong trouw aan zijn eigen stijl: melodieus, swingend en vol gevoel.

Achter de eeuwige glimlach en de bijnaam Satchmo zat een man die veel had getrotseerd, van racisme en uitbuiting tot ernstige ziekte.

Toch koos hij nooit voor bitterheid. Hij hanteerde een eenvoudige filosofie: er zijn twee soorten muziek, goede en slechte, en hij speelde simpelweg de goede.

Hij stond ook bekend om zijn opvallende persoonlijke gewoontes; zo droeg hij altijd een zakje met een sterrenbeeldmedaillon bij zich en was hij een vurig pleitbezorger van specifieke dieetvoorschriften en laxeermiddelen, die hij enthousiast uitdeelde aan vrienden.

Zijn onverwoestbare werkethiek bleef hem bij tot het einde. In maart 1971 gaf hij, tegen het dringende advies van zijn artsen in, nog een reeks optredens in de Waldorf-Astoria Empire Room.

Dit eiste een zware tol, want direct daarna werd hij opgenomen met een hartaanval.

Hoewel hij in mei het ziekenhuis mocht verlaten en direct weer naar zijn trompet greep, was zijn hart verzwakt.

Hij overleed uiteindelijk in zijn slaap op 6 juli 1971, slechts een maand voor zijn zeventigste verjaardag.

De uitvaart in de Corona-kerk in Queens weerspiegelde zijn enorme status en werd bijgewoond door grootheden als Ella Fitzgerald, Dizzy Gillespie, Benny Goodman en Peggy Lee, evenals gouverneur Rockefeller.

De woorden van zijn tijdgenoten vormen zijn definitieve eerbetoon.

Bing Crosby noemde hem onvervangbaar, Miles Davis stelde dat elke blazer in zijn schaduw stond, en Duke Ellington vatte het treffend samen: hij werd arm geboren, stierf rijk en heeft in de tussentijd niemand benadeeld.

Louis Armstrong vond zijn laatste rustplaats op de Flushing Cemetery in Queens, New York.

Gisteren nog vandaag

Vandaag exact veertig jaar geleden ging de historische Ronde van Frankrijk van 1986 van start.

Terwijl wielerjournalist Mark Vanlombeek voor zijn werk de Tourkaravaan door het Franse landschap volgde, verbleven zijn vrouw en kinderen aan de Belgische kust, een menselijk contrast dat het tijdschrift Story destijds mooi optekende in de editie van 8 juli.

Het peloton kleurde dat jaar behoorlijk in de Lage Landen, met een sterke afvaardiging van 32 Belgische en 19 Nederlandse renners aan de startlijn.

Onze landgenoten lieten zich in die 73ste editie bijzonder goed opmerken en wisten de Tour extra glans te geven met vijf indrukwekkende ritzeges.

Pol Verschuere opende het Belgische succesverhaal met winst in de allereerste etappe van Nanterre naar Sceaux. Ludo Peeters triomfeerde in de zevende rit van Cherbourg naar Saint-Hilaire du Harcouët, waarna Eddy Planckaert meteen een dag later het goede voorbeeld volgde en de achtste etappe naar Nantes op zijn naam schreef.

Ook Rudy Dhaenens en Frank Hoste mochten juichen na overwinningen in respectievelijk de elfde rit vanuit Futuroscope naar Bordeaux en de vijftiende etappe van Carcassonne naar Nîmes.

De Nederlandse eer werd succesvol verdedigd door Johan van der Velde, die in de vijfde etappe van Evreux naar Villers-sur-Mer de tegenstand te slim af was en als eerste over de streep kwam.

Naast de successen uit de Lage Landen staat de Tour van 1986 in de internationale wielergeschiedenis vooral gegrift als de ronde van een van de meest beklijvende interne ploegduels ooit.

Binnen het dominante La Vie Claire team vochten de Amerikaan Greg LeMond en de Franse vijfvoudige winnaar Bernard Hinault een psychologische en fysieke slijtageslag uit.

Hoewel Hinault een jaar eerder had beloofd LeMond aan de eindzege te helpen, viel hij zijn jongere ploegmaat meermaals aan onder het mom dat hij hem wilde dwingen de zege echt te verdienen.

Deze zinderende en soms verwarrende tweestrijd leverde iconische televisiebeelden op, met als absoluut hoogtepunt de etappe naar l’Alpe d’Huez waar beide rivalen hand in hand over de finish kwamen. Uiteindelijk trok LeMond aan het langste eind in het algemeen klassement.

Hij kroonde zich zo tot de allereerste Amerikaanse, en bij uitbreiding niet-Europese, winnaar van de Ronde van Frankrijk, een mijlpaal die de wielersport wereldwijd een enorme impuls gaf.