Het gedicht ’11 november’ van de Vlaamse dichter en prozaschrijver Fritz Francken.

Na zijn studies aan de normaalschool in Lier begon Fritz Francken in 1913 als onderwijzer.

Zijn loopbaan werd echter al snel onderbroken door de Eerste Wereldoorlog. Aan het IJzerfront klom hij als soldaat op in de rangen van korporaal en sergeant tot adjudant.

Tijdens de oorlogsjaren was Francken tegelijkertijd zeer actief in het literaire leven achter de frontlinie.

Hij was een regelmatige bezoeker van ‘Swiss Cottage’, de kunstenaarsvilla van Marie-Elisabeth Belpaire, en werd redactielid van haar tijdschrift Dietsche Warande en Belfort.

Uit zijn briefwisseling met Belpaire blijkt hun gedeelde, strenge veroordeling van de collaboratie met de Duitsers.

Hoewel Francken een voorstander was van Vlaams zelfbestuur, wees hij samenwerking met de bezetter resoluut af als middel om dat doel te bereiken.

Dit standpunt verwoordde hij scherp in een brief aan Lode Baekelmans in 1919: ‘In princiep keuren we de meeste veranderingen door de activisten tijdens de oorlog uitgevoerd goed.

Maar wat we veroordelen: ze hadden de bescherming van de vijand niet mogen inroepen om hun programma op te dringen.’ Ondanks deze duidelijke afwijzing van het activisme, groeide na de oorlog zijn sympathie voor Vlaams zelfbestuur.

Francken engageerde zich voor het Vlaams-nationalistische tijdschrift De Schelde en het radicaal flamingantische uitgeversfonds De Regenboog.

Deze geleidelijke radicalisering kwam hem in liberale kringen op het verwijt te staan een ‘politieke springer’ te zijn.

Zijn bekendste literaire werk ontstond aan het front. Net voor de oorlog was hij gedebuteerd met de dichtbundel ‘Festijnen uit een Bruidsgetij’.

In 1918 verscheen zijn tweede bundel, ‘Het heilige schrijn’, gevolgd door ‘De vijf glorierijke wonden’ en ‘De blijde kruisvaart’ in 1919.

Kenmerkend voor zijn frontgedichten is de opvallend lichte en opgewekte toon die door de sombere oorlogsthematiek heen schemert.

Na de oorlog verschoof zijn focus van poëzie naar het korte verhaal, al bleef de oorlog een belangrijk thema in werken als ‘De Antwerpsche volksjongen op het oorlogspad’ (1937) en de roman ‘De Bonnefoy’s trouwen uit’ (1939).

Zelfs in 1959 blikte hij terug met ‘Met de Ransel op de Rug’, een verzameling gedichten uit de loopgraven.

Na de demobilisatie keerde Francken niet terug naar het onderwijs. Hij vond werk in de Stedelijke Volksbibliotheek in Antwerpen, schreef een monografie over Pol de Mont en werkte mee aan dagbladen als De Schelde en De Volksgazet.

Onder zijn echte naam, Frederik Edward Clijmans, publiceerde hij diverse gidsen over Antwerpen, wat in 1934 leidde tot zijn aanstelling als hoofd van de Dienst voor propaganda en toerisme.

Fritz Francken overleed op 15 augustus 1969 en werd begraven op de begraafplaats Schoonselhof in Antwerpen.

Vandaag 111 jaar geleden, bezetten de Duitse troepen Gent.

Op 12 oktober 1914 marcheerden Duitse troepen Gent binnen.

De stad werd de hoofdplaats van het Vierde Etappegebied, een militaire zone die West- en Oost-Vlaanderen en een deel van Henegouwen besloeg.

Hierdoor kwam Gent onder een direct militair bestuur te staan, wat een bezettingsregime met zich meebracht dat nog harder was dan in de rest van België.

Het leven in de stad veranderde drastisch. Contact met andere delen van het land werd zo goed als onmogelijk gemaakt.

De pers en de post stonden onder strenge censuur en elke vorm van politieke berichtgeving was verboden.

Het dagelijkse leven werd gedomineerd door voortdurende opeisingen door de bezetter.

In het stadscentrum namen de Duitsers steeds meer gebouwen in beslag, te beginnen met alle kazernes.

De Kouter werd de centrale uitvalsbasis waar onder andere de Kommandantur en de Pass-Zentrale gevestigd waren.

Veel gebouwen kregen een nieuwe, militaire functie: het Gravensteen diende als opslagplaats en herstelplaats voor wapens, in het Groot Vleeshuis werden bier en wijn gestockeerd en Het Pand werd een groentendepot.

Soldaten konden revalideren in hotels, scholen en het Casino aan de Coupure, terwijl het Belfort dienstdeed als uitkijkpost voor piloten.

Het omvangrijke wagenpark van het leger vond onderdak in loodsen in de haven.

Met ongeveer 12.000 militairen was de Duitse aanwezigheid overweldigend en zeer zichtbaar in het straatbeeld.

Duitse vlaggen wapperden aan de gevels, Duitse bewegwijzering hing aan muren en bomen, en cafés kregen Duitse namen.

Het station Gent Sint-Pieters groeide uit tot het centrale spoorwegknooppunt voor het transport van troepen en materieel van en naar het front.

De controle over de bevolking werd aangescherpt door de invoering van de identiteitskaart met foto.

Aanvankelijk was dit document enkel nodig om het Etappegebied te verlaten, maar vanaf 1916 werd iedere inwoner verplicht er een te bezitten en bij zich te dragen.

Vier jaar lang was de bewegingsvrijheid van de Belgen beperkt tot hun eigen gemeentegrens, tenzij ze de nodige papieren konden voorleggen.

De productie van al deze identiteitskaarten stelde fotografen voor een praktisch probleem.

Door een tekort aan fotopapier namen ze vaak hun toevlucht tot een creatieve oplossing: ze maakten een groepsfoto en sneden vervolgens de individuele gezichten uit om op de identiteitskaarten te kleven.

Het grootste probleem vanaf het begin van de oorlog was echter de voedselbevoorrading.

De binnenlandse productie was ontoereikend, de Britse maritieme blokkade verhinderde de invoer van levensmiddelen en de talrijke Duitse opeisingen maakten de situatie nog nijpender.

De Stad Gent reageerde snel en richtte al op 8 augustus 1914 een Stedelijk Comité der Volksvoeding op dat gratis soep en brood uitdeelde.

Tegen het najaar werd de voedselsituatie echter kritiek.

Op 23 oktober 1914 werd in Brussel het Nationaal Hulp- en Voedingscomité opgericht dat de spil zou worden van de nationale hulpverlening.

Voedsel werd in de Verenigde Staten aangekocht door de Commission for Relief in Belgium.

De distributie in België zelf werd door het Nationaal Comité georganiseerd via een netwerk van provinciale en lokale comités.

Het voedsel werd gerantsoeneerd en verkocht in speciale ‘Amerikaanse’ winkels.

In 1916 waren meer dan 60.000 Gentenaars afhankelijk van deze voedselhulp.

Naarmate de oorlog vorderde, nam het Comité steeds meer taken op zich, zoals het organiseren van soepkeukens, melk- en schoolmaaltijden, het uitdelen van kleding, werklozensteun en het versturen van pakjes naar krijgsgevangenen.

Naast dit nationale initiatief waren er in Gent nog een dertigtal kleinere hulporganisaties actief.

Deze georganiseerde hulp was echter maar één kant van het verhaal. Schaarste leidde onvermijdelijk ook tot hamsteren, een bloeiende zwarte markt en woekerprijzen.

Nieuwe rijken, die profiteerden van de tekorten, kregen de smalende bijnaam ‘baron Zeep’, een verwijzing naar de bijzonder winstgevende productie van ersatzzeep.

De afkorting ‘RIF’ op deze zeepblokken werd door de bevolking verkeerdelijk geïnterpreteerd als ‘Reines Jüdisches Fett’, wat de gruwelijke misvatting voedde dat er menselijk vet in verwerkt zat.

In werkelijkheid stond de afkorting voor ‘Reichsstelle für industrielle Fette’, het rijksbureau voor de bevoorrading van industrieel vet, en bevatte de zeep geen menselijk vet.

Vandaag 100 jaar geleden, sfeerfoto’s viering 11 november

Vandaag is het 11 november, de dag waarop we de wapenstilstand van de Eerste Wereldoorlog herdenken.

Op deze dag in 1918, om 11 uur ’s ochtends, zwegen de kanonnen na vier jaar van bloedige strijd.

Meer dan 9 miljoen soldaten en 7 miljoen burgers lieten het leven in deze oorlog, die de wereld voorgoed veranderde.

De wapenstilstand betekende het einde van de gevechten, maar niet van de gevolgen.

De vrede werd pas officieel gesloten met het Verdrag van Versailles in 1919, dat de basis legde voor een nieuwe wereldorde, maar ook voor nieuwe conflicten.

Vandaag 106 jaar geleden, bezetten de Duitse troepen Gent.

Op 12 oktober 1914 arriveren Duitse troepen in Gent.Als hoofdplaats van het Vierde Etappegebied, een militaire zone die West- en Oost-Vlaanderen en een stukje Henegouwen omvat, staat de stad onder direct militair bestuur, wat betekent dat de bezetting er nog harder is dan in de rest van het land.

Ieder contact met de rest van België is nagenoeg onmogelijk.

Pers en post worden streng gecensureerd, politieke berichtgeving is verboden.

Het dagelijks leven wordt beheerst door voortdurende opeisingen. In het stadscentrum nemen de Duitsers een toenemend aantal gebouwen in beslag, te beginnen met alle kazernes.

De Kouter fungeert als de centrale uitvalsbasis met o.a. de Kommandantur en de Pass-Zentrale.Wapens worden bewaard en hersteld in het Gravensteen, bier en wijn gestockeerd in het Groot Vleeshuis en groenten in het Pand.

Soldaten revalideren in hotels, scholen en in het Casino aan de Coupure.

Het Belfort doet dienst als uitkijkpost voor piloten.

Het wagenpark van het leger wordt ondergebracht in loodsen in de haven.

Met ca. 12.000 militairen is het leger zeer zichtbaar aanwezig.Duitse vlaggen wapperen aan gevels, aan muren en bomen hangt Duitse bewegwijzering en cafés krijgen Duitse namen.

Het station Gent Sint-Pieters is het centrale spoorwegknooppunt voor het transport van troepen en materieel van en naar het front.

De Duitse militaire overheid voert de identiteitskaart met foto in.

Belgen zijn verplicht de kaart bij zich te dragen.

In eerste instantie is een identiteitsbewijs enkel nodig om het Etappegebied te verlaten, vanaf 1916 wordt iedereen verplicht er een te laten maken.

Vier jaar lang komt de Belg dus niet verder meer dan zijn eigen gemeentegrens, tenzij hij of zij de nodige documenten kan voorleggen.

Voor al deze foto’s is een aanzienlijke hoeveelheid fotopapier nodig, maar de voorraad voor beroepsfotografen is beperkt.

Ze nemen daarom vaak een groepsfoto, waaruit de gezichten gesneden worden om op de identiteitskaart te kleven.

Van in het begin van de oorlog is de voedselbevoorrading het grootste probleem.

De binnenlandse productie is ontoereikend, de Britse maritieme blokkade belet de invoer van levensmiddelen en dan zijn er nog de vele Duitse opeisingen.

De Stad Gent richt al op 8 augustus 1914 een Stedelijk Comité der Volksvoeding op, dat gratis soep en brood uitdeelt. In het najaar wordt de voedselsituatie evenwel kritiek.

Op 23 oktober 1914 wordt in Brussel het Nationaal Hulp- en Voedingscomité opgericht, dat uitgroeit tot de motor achter de nationale hulpverlening.

Het voedsel wordt in de Verenigde Staten aangekocht door de Commission for Relief in Belgium.

De distributie in België zelf is, via een netwerk van provinciale en lokale comités, in handen van het Nationaal Comité.

Het voedsel wordt gerantsoeneerd verkocht in ‘Amerikaanse’ winkels.

In 1916 zijn meer dan 60.000 inwoners van Gent afhankelijk van deze voedselhulp.

In de loop van de oorlog neemt het Comité steeds meer taken op zich, zoals de organisatie van soepkeukens, melkuitdelingen en schoolmaaltijden, het uitdelen van kledingstukken, werklozensteun, pakjes voor krijgsgevangen en geïnterneerde soldaten.

Naast het Nationaal Comité zijn er nog een dertigtal kleinere hulporganisaties actief in Gent.Maar de verschillende initiatieven voor hulp tonen slechts een kant van de medaille.

Schaarste betekent in veel gevallen ook hamsteren, zwarte markt en woekerprijzen.

Nieuwe rijken’ worden smalend ‘baron Zeep’ genoemd: door het tekort aan zeep wordt het maken van ersatz zeep bijzonder winstgevend.(Diverse bronnen, Geert Vandamme en Stam)

Vandaag 106 jaar geleden, bezetten de Duitse troepen Gent.