Vandaag, 140 jaar geleden, de geboorte van de Gentenaar Ernest De Vriendt beter gekend als De Roste Wasser.

Hij werd geboren in een bakkersgezin in de Gentse deelgemeente Sint-Amandsberg, maar eens het ouderlijke woonst verlaten begon hij in 1915 een wasserij nabij de Dampoort.

Hij bleef vooral voortleven in het collectieve geheugen als de man die enkele decennialang het ondergoed ging ophalen in de rosse buurt van Gent.

Vandaar zijn bijnaam, maar ook omwille van zijn haardos, die naarmate de ouderdom even wit werd als zijn opvallende kiel en strohoed.

En onlosmakelijk verbonden met zijn wasmand aan de arm met daarin het ondergoed van de meisjes van plezier.

Tijdens zijn ronde door de stad en voor wat drinkgeld liet hij de cafégangers de inhoud van zijn wasmand zien, daarbij roepend zijn gekende uitdrukking Vive la Liberté, Die geeft ès mijne vriend.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren deze uitingen gevaarlijk. Omwille van het krankzinnig spektakel dat gepaard ging met zijn uitspraken, namen de officieren hem echter niet serieus en lieten hem zo weer vrij.

De ‘roste wasser’ wist anders altijd de aandacht te trekken.

Zo zijn er verhalen over zijn trouwe compagnon, Lies de geit. Op een dag wist hij niet beter dan die geit mee te nemen op de tram.

Destijds beschikte het vervoermiddel nog over een compartiment voor de gegoede burgers, dat tien centiemen meer kostte.

Daar trok Ernest zich niets van aan. Samen met Lies, de geit, reisde hij comfortabel langs de kant van het ‘chique volk’, Diverse bronnen, Joëlle Verstraeten en Wikipedia

Vandaag 120 jaar geleden, oprichting van het Instituut van Gent (Institut de Gand)

In de tweede helft van de 19de eeuw werd het secundair onderwijs in Vlaanderen bijna uitsluitend in het Frans gegeven.

De meeste onderwijsinstellingen waren privéscholen, die het schoolgeld verhaalden op de ouders.

Het is in deze context dat op 1 augustus 1852 een leraar wiskunde, Henri Rachez, in Brussel een privé–school opricht met de bedoeling leerlingen voor te bereiden op de Militaire School en op het toelatingsexamen voor burgerlijk ingenieur.

Op 1 oktober 1899 werd in Gent een dochterschool opgericht in het herenhuis “De Cock” op de Nederkouter: het “Institut Rachez de Gand”.

Daar komen bijna alle leerlingen terecht van de “Ecole Molitor”, die gesloten wordt wegens verfraaiingswerken in het Gentse stadscentrum.

Deze Gentse vestiging wordt een autonome school in 1901.

In 1905 krijgen, naast wiskunde nu ook wetenschappen meer aandacht.

In 1909 bedenkt de school een nieuwe naam, “Institut de Gand”, en komen ook de moderne talen meer aan bod.

Op 1 september 1928 wordt de lagere school erkend en gesubsidieerd.

De 6 laagste klassen waren transmutatieklassen, waarin Franstalige leerlingen intensief lessen Nederlands kregen.

In het 7de en 8ste leerjaar was de voertaal Nederlands.

De secundaire afdeling werd toen nog niet erkend of gesubsidieerd.

Hier werden 65% van de uren in het Frans, 35% in het Nederlands gegeven.Het Institut de Gand schreef in 1942, tijdens de Tweede Wereldoorlog het eerste meisje in en werd daardoor de eerste gemengde school van Gent.

Het Schoolpact (mei 1959) zorgde ervoor dat de erkende scholen via werkingskredieten en weddentoelagen een ruime subsidiëring konden genieten.

Er wordt werk gemaakt van de erkenning van de secundaire afdeling: het onderwijs wordt voortaan verstrekt in het Nederlands en de naam “Institut de Gand” wordt officieel vervangen door “Instituut van Gent”.

In 1970 werden de eerste gehomologeerde getuigschriften plechtig uitgereikt.

Toch blijft perfecte tweetaligheid en vlotte meertaligheid ingeschreven in het pedagogisch project van de school: in het eerste middelbaar van de middenschool krijgen de leerlingen drie officiële lesuren Engels per week, en er worden bovenop het wettelijk gesubsidieerd lestijdenpakket aanvullende lessen Frans en Spaans ingericht voor alle leerlingen.

In 2012 stapt de school over naar IVG-School met Inspirerend, Vrijdenkend en Geëngageerd als drie woorden die de betekenis van de school onderstrepen. (diverse bronnen, Foto’s Claude Faseur, site van de school en Wikipedia)

40 jaar geleden, Lucienne Herman-Michielsens vrouw van het jaar (september 1979)

Hoewel de abortuskwestie al in de jaren 1970 op de parlementaire en publieke agenda staat, moet men toch nog jaren wachten vooraleer de abortuswet Lallemand-Michielsens gestemd raakt.
Een van de penhoudsters en naamgever van de wet is PVV-politicia Lucienne Herman-Michielsens.
In 1978 werd haar eerste voorstel tot depenalisering van medisch begeleide abortus in het parlement verworpen.
Nadien kwam er echter een kentering in de publieke opinie.
Na jaren parlementair werk en strijd, samen met de Waalse socialist Roger Lallemand, werd in april 1990, ondanks het verzet van koning Boudewijn bij wisselmeerderheid de abortuswet goedgekeurd.
Daardoor werd abortus onder bepaalde voorwaarden legaal in België.
Lucienne Herman-Michielsens was, vooral in feministische en vrijzinnige middens, een zeer bejubelde vrouw.
Nochtans leed ze tijdens het abortusdebat al zwaar onder de gevolgen van diabetes.
Ze besliste in 1991 niet meer op te komen bij de verkiezingen en trok zich met haar echtgenoot terug in Knokke-Heist.
Ze overleed in Gent op 22 januari 1995.(diverse bronnen en Wikipedia, Jean-Jacques Amy )

De voormalige Gentse RTT-toren (ook gekend als het Belgacomgebouw) in het begin van de Keizer Karelstraat werd ooit uitgeroepen tot ‘het lelijkste gebouw van Gent’.

Het werd ontworpen door Geo en Dirk Bontinck. De werken waren eind 1971 gestart en pas in de zomer van 1980 afgerond; de eerste diensten waren wel reeds in 1976 in het gebouw ingetrokken.Het is een toonbeeld van ‘brutalisme’ als architectuurstroming (Architectuur in Gent- website): “Brutaal is het scheldwoord maar ook de geuzennaam waarmee dit soort architectuur wordt omschreven. De toren staat voor een tijdperk waarin de oude stad met zijn ‘inefficiënt’ stratenplan werd afgeschreven. De toren voegt de daad bij het woord en enkele stegen en beluiken worden in een groter bouwblok opgeslorpt. Tegelijk wordt in de hoogte gebouwd, zodat er rondom vrije ruimte kan worden behouden. Vooraan resulteert dit in een plaza-aanleg met zitbanken en groenaanleg. Het is meteen de enige plek in Gent waar dit typische grootstadgegeven wordt toegepast. Met de bouw van het Keizer Karel-gebouw [een ontwerp van Dirk Bontinck] op de hoek van de Keizer Karel- en de Van Eyckstraat werd dit principe deels voltooid.”De auteur van dit citaat, Gert Defever, is echter niet akkoord met het uitroepen van dit gebouw tot het lelijkste van Gent, hij noteert verder: “Vreemd genoeg is de achterzijde van het complex, het indrukwekkendst. Vanaf het Dampoortstation of de oostzijde van de stad gezien, ontplooit de toren zich tot een telecommunicatiekathedraal van de 20ste eeuw en wordt ze een boeiende aanvulling bij de klassieke torens van Gent.” (Geert Vandamme)

Terug een stukje traditie minder in onze stad. Huis van vertrouwen Rabotvins verdwijnt na 81 jaar uit Gent.

Op 1 januari 1938 de oprichting van Rabotvins door Emile De Schepper en echtgenote Ghislaine De Moor onder de naam “Het Rabot”, gelegen aan de Brusselsesteenweg 39 te Gent.

Ze produceerde toen jenevers en likeuren.

Een tiental jaren later ook import en distributie van een wijngamma.

In 1950 aankoop van een eerste wijndomein in Frankrijk: Château Tour Baladoz, Appellation Saint-Emilion Grand Cru Contrôlée.

Het bedrijf kocht in 1961 een groot terrein aan de Vogelenzang, naast de Blaisantvest en vanaf dan krijgt de zaak d naam NV RABOTVINS.

In 1964 kocht het bedrijf hun tweede tweede kasteel in Margaux: Château Haut Breton Larigaudière, Appellation Margaux Contrôlée.Lancering in 1958 van de zoete Zuster Godelievewijn (nu Godelina)

Vanaf 1 januari 1964 nemen Firmin en Jacques De Schepper, de twee zonen van Emile geleidelijk de teugels in handen.

Onder hun impuls specialiseert Rabotvins zich in de wijn- en aperitievenbranche. Het aperitief Godelieve kent een sterke expansie.

In 1984 lancering van een tweede likeurwijn, FORTE D’ORO.

Op 12 januari 1987 krijgt de familie een zware klap te verwerken door de tragisch vliegtuigongeval nabij Bordeaux, waar hun zoon Firmin De Schepper om het leven komt.

In 1992 aankoop van Château Tayet, Appellation Bordeaux Supérieur Contrôlée, een domein van 7 hectaren in Macau en vier jaar later in 1996 aankoop van een tweede domein in Saint-Emilion, gelegen vlakbij Château Tour Baladoz, op een uitzonderlijke terroir: Château La Croizille, Appellation Saint-Emilion Grand Cru Contrôlée, met een wijngaard van deels zeer oude wijnstokken.

In Gent is de botteling goed voor meer dan 1 miljoen flessen wijn per jaar en daarmee is Rabotvins in omzet het grootse wijnbedrijf van Oost-Vlaanderen.

In 2014 lancering van het nieuwe aperitief Pink Fun

In 2016 moet het bedrijf 1500 m2 afstaan, om plaats te maken voor parkeerplaatsen voor AZ Sint-Lucas, het hospitaal dat achter hun bedrijf is gelegen.

Door geen mogelijkheid op uitbreiding en door het mobiliteitsplan besliste het bedrijf op 29 augustus 2019, om na meer dan 80 jaar, Gent te verlaten en te verhuizen naar Nazareth. (Diverse bronnen, Website Rabotvins,

Emile De Schepper en Ghislaine De Moor,
Firmin De Schepper
 Cédric ’t Kindt
40 jaar geleden, reclame voor wijn van Zuster Godelieve (Oktober 1979)

Vandaag 20 jaar geleden in Brussel, overleed Maurice De Wilde.

Maurice De Wilde werd geboren in de Moriaanstraat te Gent, als zoon van een spoorwegarbeider.

Toen hij zeven was verhuisde het gezin naar Mechelen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog liep hij atheneum en studeerde Germaanse talen.

Hij werd onderwijzer, maar droomde ervan journalist te worden bij de openbare radio-omroep, het N.I.R. De radiozender nodigde hem in 1948 uit voor een korte stage. Daarna werkte De Wilde een tijd voor het persagentschap Belga, keerde terug naar de radio en was vervolgens zes jaar actief als vertaler voor het Ministerie van Economische Zaken.

Nadat hij nog een licentiaatsdiploma sociale wetenschappen behaald had begon hij in 1953 bij de pas opgerichte Vlaamse openbare televisieomroep.

Toen reeds, in 1949, kreeg De Wilde het aan de stok met toenmalige administrateur-directeur-generaal Jan Boon.

De Wilde zou zich in “grove, beledigende” termen hebben uitgelaten over het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Volgens Boon had De Wilde gezegd dat “alle weerstanders smeerlappen zijn”, wat De Wilde verbeterde: “Sommige weerstanders zijn smeerlappen.” Alhoewel De Wilde altijd een grote afkeer en haat voor nazi’s en collaborateurs had, zag hij ook altijd wel de keerzijde van de medaille.

Ook later in zijn reeksen over de collaboratie stak hij minder van leer tegen de kleine collaborateurs dan tegen de grote namen.

De Wilde was meteen een van de eerste journalisten die voor het prille televisiejournaal werden aangenomen. Van 1953 tot 1956 was hij nieuwslezer, maar hierna begon hij een groot aantal reportages ter plaatse (door hem “enquêtes” genoemd) te verzorgen.

Van 1963 tot 1968 doceerde De Wilde perswetenschappen aan het toenmalige Hoger Rijksinstituut voor Toneel en Cultuurspreiding (HRITCS) te Brussel, onder meer aan Philippe Van Meerbeeck, die in 1979 zijn documentalist zou worden.

Midden jaren 60 nam De Wilde een groot aantal “enquêtes” op over sociaal-economische problemen in België. Hij werd berucht vanwege zijn voor die tijd bijzonder scherpe en kritische interviews. Met zijn grondige dossierkennis en hardnekkige interviewstijl was hij een buitenbeentje in de Vlaamse televisie-journalistiek.

De Wilde zette zich in om “de waarheid” te weten te komen en bleef vaak doorvragen als hij niet meteen een antwoord kreeg. Het bezorgde hem veel moeilijkheden, zowel met de overheid als met de hiërarchie van de BRT. Hij kreeg het vaak aan de stok met directeur-generaal Paul Vandenbussche.

Zo werd zijn uitzending Mijnalarm (1966) rond de mijnwerkersstakingen en de sluiting van de mijn van Zwartberg in Limburg eerst verboden en ten slotte gecensureerd uitgezonden. De leiding van de BRTN struikelde over de vrijmoedige uitlating van een mijnwerker en vooral over het feit dat De Wilde de socialistische vicepremier Antoon Spinoy twee keer dezelfde vraag had gesteld omdat Spinoy hierop geen antwoord had gegeven.

Een nieuwe rel ontstond naar aanleiding van De Wildes reportage rond de havens: Geen mammoets voor Antwerpen (1967), soms ook Geen mammoets in de haven genoemd. Tijdens zijn verslag merkte hij op dat minister van Openbare Werken Jos De Saeger zijn ambtenaren verboden had aan de reportage mee te werken en daarnaast ook zelf weigerde voor de camera’s te verschijnen.

De BRTN liet De Wilde hierop zeven jaar lang de eindredactie verzorgen en haalde hem zo jarenlang van het scherm.

Dure elektriciteit leidde tot een proces met CVP-politicus Geeraard Van Den Daele over het eigendomsrecht van televisie-interviews, een geding dat uiteindelijk zou leiden tot een gezaghebbende uitspraak van het Hof van Cassatie in het voordeel van De Wilde en de BRT.

Op de BRT kon hij geen promotie maken en mocht enkel minder grote reportages verzorgen. Hoewel hij zich daardoor erg ongelukkig voelde, wees hij in 1968 een verkiesbare plaats op de VU-Kamerlijst af, omdat hij liever journalist bleef. Dat hij ooit de overstap naar de politiek overwogen heeft, had vooral te maken met het feit dat hij op dat moment tot journalistiek laagwaardig routinewerk op de redactie gedwongen werd.

n de woorden van de voormalige directeur Informatie Karel Hemmerechts: Maurice wilde een soort Balzac van de televisiejournalistiek worden.

Zijn onthullende enquêtes uit de jaren 60 waren de langste die de Vlaamse televisie tot dan toe gebracht had. De meeste daarvan pasten in een cyclus die de veelzeggende titel “Anatomie van België” droeg. De Wilde heeft die cyclus nooit kunnen afmaken.

Tijdens de jaren zeventig werd de gedreven onderzoeksjournalist op de nieuwsredactie geplaatst en leek hij professioneel afgebrand. Veel van zijn reportages waren gecensureerd of leidden tot processen of conflicten met de overheid of de BRT-top, terwijl hij tegelijkertijd prijzen won voor zijn journalistiek werk.

Men liet hem dan maar rapportages in het buitenland verzorgen. Tijdens de staatsgreep van Augusto Pinochet in Chili (1973) was De Wilde ter plaatse en kreeg toegang tot het sportstadion waar de eerste weken na de coup politieke tegenstanders werden vastgehouden. Hij wierp toen enkele politieke gevangenen sigaretten toe, veel meer kon hij niet voor hen betekenen. Wat hem vooral choqueerde was het feit dat de gevangenen in bedwang werden gehouden met Belgische FAL-geweren. Dit leidde ertoe dat hij een jaar later de reportage “De één zijn dood, de andere zijn brood” (1974) draaide rond de Belgische wapenindustrie.

In 1974 mocht hij van de BRT samen met onder meer de geschiedkundige Etienne Verhoeyen documentairereeksen voorbereiden rond de Belgische collaboratie in de Tweede Wereldoorlog.

In totaal werkte hij 20 jaar aan 60 afleveringen rond het thema. Het project zou zijn levenswerk worden, van 1982 tot 1991 werden de documentaires uitgezonden. De Wilde spitte eerst heel wat dossiers en archieven door om informatie te verzamelen.

In 1982 presenteerde De Wilde zijn eerste uitzending over Belgiës collaboratieverleden tijdens de Tweede Wereldoorlog: De Nieuwe Orde. Ook de reeksen die volgden, De Verdachten, De Collaboratie, Het Verzet, De Oostfronters en De Tijd der Vergelding deden heel wat stof opwaaien.

De Wilde interviewde voor deze reeksen 300 getuigen en voerde meestal lange voorbereidende gesprekken met hen. Maurice De Wilde kon zich soms erg boos maken als de geïnterviewde moeite had om uitspraken voor de camera te herhalen. Enkele van de meest spraakmakende figuren die geïnterviewd werden: Maurice Naessens, Jef van de Wiele en Léon Degrelle.

Zijn reeksen over de Tweede Wereldoorlog maakten veel indruk door de opmerkelijke documentatie en het taboe-doorbrekende karakter van de onderwerpen.
Er volgde heel wat protest en kritiek vanuit Vlaams-nationalistische en katholieke hoek: de pers (Gazet van Antwerpen, De Standaard, ’t Pallieterke,…), de politiek (ex-CVP-voorzitter Robert Houben) en op 28 april reageerde zelfs koning Leopold III zeer geïrriteerd op de dringende vraag van De Wilde om ‘te spreken’.[bron?]. De gewezen koning was niet opgezet met de wijze waarop De Wilde zijn rol in de collaboratie had blootgelegd en besloot verder het zwijgen te bewaren in deze gevoelige kwestie.

Ondanks de kritiek op De Wilde als “journalist die blijft vragen tot hij hoort wat hij wil horen” en het linkse etiket dat hem werd opgekleefd, was De Wilde in zijn reportages altijd even kritisch tegenover de socialistische partij als ten opzichte van anderen. Bovendien heeft men hem nooit op een fout in zijn dossiers kunnen betrappen. Hij verdedigde zijn interviewstijl weleens met de woorden: “Ik geloof nooit dat mensen spontaan de waarheid vertellen.”

De veelbesproken reportages waren hoe dan ook belangrijk in historisch opzicht en speelden een grote rol in de erkenning van mondelinge geschiedenis in Vlaanderen.

Hij ontving er nogal wat prijzen voor en zelfs een eredoctoraat van de Vrije Universiteit Brussel (VUB).

De heisa rond zijn werk eiste veel van De Wildes gezondheid.

In 1983 kreeg hij een hartaanval en in 1986 werd bij hem kanker vastgesteld.

In 1988 had hij zijn pensioengerechtigde leeftijd bereikt, maar bleef desondanks nog werken tot 1991.

Toen werd hij definitief met pensioen gestuurd.

Zijn laatste reeks rond de collaboratie, “De Repressie” (1991), deed opnieuw stof opwaaien.

De BRTN verbood zelfs de eerste aflevering omdat De Wilde zich volgens haar te zeer had vastgebeten op de wandaden van het Belgisch verzet.

Ook andere mensen verweten hem dat hij te fel van leer trok tegen sommige weerstanders en een nauwelijks verholen pleidooi voor amnestie voor collaborateurs hield.

Toen deze laatste afleveringen afgerond waren had De Wilde nog steeds niet het gevoel klaar te zijn met zijn onderzoek naar de collaboratie.

Hij betreurde het altijd dat hij nooit reportages had kunnen maken rond de bevrijding van Tongeren, Cyriel Verschaeve, Irma Laplasse, Leo Vindevogel en Modest van Assche.

Ook de economische collaboratie heeft hij nooit mogen onderzoeken.

Maurice De Wilde is wellicht één van de meest onderscheiden journalisten die België gekend heeft. Hij ontving meer dan tien prijzen voor zijn televisiewerk, ook van Franstalige zijde. Hij mocht – vrij uniek voor een journalist – een eredoctoraat in ontvangst nemen aan de Vrije Universiteit Brussel.

Die grote waardering was zonder twijfel de erkenning van inzet en talent, maar ook een gevolg van de grote ruchtbaarheid die zijn reportages kregen, soms zelfs nog voor ze uitgezonden werden.

In 1982 ontving hij de Geuzenprijs en werd hij gehuldigd omwille van zijn niet-aflatende inspanningen om de waarheid kenbaar te maken, spijts alle druk en tegenkantingen.

In 1992 was hij de eerste laureaat van de Gentse Prijs voor de Democratie.

Twee van zijn programma’s werden bekroond met de HA! van Humo: De Nieuwe Orde (in 1982) en De Tijd der Vergelding (in 1988).

De Wilde was de schoonvader van Bert De Graeve, oud-gedelegeerd bestuurder van de VRT en Ceo van het Bekaert (staal)-concern.

Zijn bijnaam was “de pitbull van de Vlaamse televisie”. Andere koosnaampjes die men hem in de loop der jaren gaf waren “de inquisiteur”, “de substituut van krijgsheer-auditeur ten velde” en “de hertog van Alva van de BRTN”.

Een van De Wildes medewerkers, Filip Van Meerbeeck, vertelde ooit volgende anekdote: “Als Maurice De Wilde iemand wilde interviewen, dan gaf hij niet gauw op. Legendarisch is de brief die een Antwerpse collaborateur destijds naar de BRT stuurde. ‘Hij wilde niet weggaan. Ik heb hem als ne vuilen hond van mijnen hof moeten stampen.’, schreef de man. Om u maar te zeggen hoe volhardend Maurice was.”

Een andere anekdote betrof De Wildes interview met voormalig VNV-kopstuk Bert Peleman. Om goede opnames te krijgen, besloot De Wilde om het gezicht van zijn gesprekspartner met een spot te belichten. Urenlang vuurde hij zijn vragen af op Peleman. Na afloop kreeg de BRT een schadeclaim van Peleman in de bus omdat het felle licht hem “dagenlang verblind en verbrand zou hebben.”

In 1998 overleed hij op 74-jarige leeftijd aan kanker. (diverse bronnen en Wikipedia)

Urbain Vermeulen, de Islam-ideologie heeft één doel, de bestrijding van het Westen (De P Magazine 31 oktober 2001)

Urbain Vermeulen, de Islam-ideologie heeft één doel, de bestrijding van het Westen (De P Magazine 31 oktober 2001)
Urbain Vermeulen, de Islam-ideologie heeft één doel, de bestrijding van het Westen (De P Magazine 31 oktober 2001)
Urbain Vermeulen, de Islam-ideologie heeft één doel, de bestrijding van het Westen (De P Magazine 31 oktober 2001)
Urbain Vermeulen, de Islam-ideologie heeft één doel, de bestrijding van het Westen (De P Magazine 31 oktober 2001)
Urbain Vermeulen, de Islam-ideologie heeft één doel, de bestrijding van het Westen (De P Magazine 31 oktober 2001)
Urbain Vermeulen, de Islam-ideologie heeft één doel, de bestrijding van het Westen (De P Magazine 31 oktober 2001)