In memoriam Philip Vanoutrive: het heengaan van een begenadigd Gents fotograaf en verteller.

Philip Vanoutrive was een veelzijdige Gentse creatieveling die bekendstaat om zijn vermogen om verhalen te vertellen via zowel de lens als het geschreven woord.

Hij combineerde zijn passie voor fotografie vaak met een scherp oog voor detail en een diepgaande interesse in menselijke verhalen en landschappen.

Hij had een talent voor het vinden van schoonheid in de eenvoud en de rust van het alledaagse leven.

Zijn vakmanschap werd jarenlang gewaardeerd door een breed publiek, mede door zijn werk als fotograaf bij Het Volk en later bij De Gentenaar, waar hij talloze gebeurtenissen en menselijke verhalen visueel vertaalde voor de lezers.

Tijdens zijn eerste jeugdjaren woonde het gezin op de Coupure Links in Gent, tot het gezin enkele jaren later naar De Pinte verhuisde.

Het was daar dat de jarenlange band met mijn familie ontstond; mijn plusmama Magda was destijds zijn leidster toen hij als welp bij de plaatselijke jeugdbeweging zat.

Zelf leerde ik Philip kennen dankzij het NTG, maar daarna steunde hij mij toen ik de patron was van de Hotsy Totsy.

Jarenlang was hij daar een trouwe klant en toen hij samenwerkte met Manu, was de Hotsy Totsy de vaste plek om de werkweek op vrijdag af te sluiten.

Nog maar een paar maanden geleden hadden we een gesprek op sociale media om binnenkort nog eens af te spreken, samen met Magda.

Het is pijnlijk dat deze ontmoeting er niet meer zal komen.

Wat veel mensen echter niet weten, is dat hij ook een zeer goede tekenaar was en prachtige metaal- en houtsculpturen maakte.

In deze kunstwerken kon hij zijn creativiteit en ambacht op een andere manier tot uiting brengen.

Een bijzonder hoogtepunt in zijn carrière was dat hij als eerste Belgische fotograaf een eerste prijs won in de wereldwijd gerenommeerde wedstrijd World Press Photo, specifiek in de categorie Nature in 1989.

Deze prestigieuze erkenning onderstreepte zijn vakmanschap en zijn vermogen om de natuur op een unieke en impactvolle manier vast te leggen.

Naast zijn natuurfotografie legde Vanoutrive ook belangrijke historische tradities en menselijke getuigenissen vast in verschillende boekpublicaties.

Zijn sociaal-historische betrokkenheid bleek al vroeg uit het boek ‘De allerlaatste getuigen van WOI’, uitgebracht in september 2011, waarin veertig oorlogskinderen van 1914-1918 een stem kregen.

In dit werk vertellen hoogbejaarde, maar kranige mannen en vrouwen op levendige wijze over hun ervaringen. De prachtige portretfoto’s van Vanoutrive vormden een respectvol eerbetoon aan deze getuigen.

In 2014 bracht hij het rijk geïllustreerde boek ‘The Last Post’ uit.

Hiervoor bracht hij een jaar lang de unieke ceremonie onder de Menenpoort in Ieper in beeld, waarbij Ian Connerty de geschiedenis van de ceremonie en haar helden beschreef en unieke archieffoto’s de beelden van Vanoutrive aanvulden.

Enkele jaren later, in 2017, volgde het boek Meneer de champetter.

Hierin bracht hij een hommage aan de veldwachter die dag en nacht bereikbaar was om het welzijn van plattelanders te beschermen.

Het boek beschrijft de laatste vijftig jaar van de landelijke politie tot aan de hervorming in 2001 en brengt straffe verhalen en anekdotes samen die door meer dan dertig oud-veldwachters zijn opgegraven.

Zijn werk verscheen geregeld in diverse media en publicaties, waar hij gewaardeerd werd om zijn vermogen om sfeer en emotie over te brengen op een authentieke manier, of het nu ging om reizen, cultuur of diepmenselijke geschiedenissen.

Volkomen onverwacht is onze vriend Philip Vanoutrive gisteren, op 9 februari 2026, overleden ten gevolge van hartfalen in het AZ Sint-Lucas te Gent.

40 jaar geleden, Beverly Hill beeft voor Jackie Collins.

acqueline “Jackie” Jill Collins groeide uit tot een van ’s werelds bekendste bestsellerauteurs, met drieëndertig romans op haar naam.

Ze werd geboren in een wereld vol showbizz; haar vader was een theateragent die artiesten als Shirley Bassey, The Beatles en Tom Jones vertegenwoordigde.

Ze was ook de jongere zus van actrice Joan Collins, wereldberoemd door haar rol in de tv-serie “Dynasty”.

Hoewel Jackie als kind al verhaaltjes schreef en een dagboek bijhield, ambieerde ze aanvankelijk een carrière als actrice.

Uiteindelijk koos ze toch voor het schrijverschap. Die keuze bleek een schot in de roos: haar eerste boek, “The World is Full of Married Men” (1968), werd onmiddellijk een bestseller.

Haar boeken doken in het leven van rijke en beroemde personages, met een focus op de glamoureuze wereld van Hollywoodfilmsterren.

Met “Hollywood Wives” (1983) brak ze internationaal definitief door.

Collins verkocht tijdens haar carrière meer dan 500 miljoen boeken in 40 landen.

Haar werk legde haar financieel geen windeieren; in 2011 werd haar vermogen geschat op zo’n 85 miljoen euro.

Diverse romans werden bovendien verfilmd of bewerkt tot succesvolle miniseries.

Haar expertise over de glitterwereld verzilverde ze in 1998 ook op televisie met haar eigen dagelijkse programma, “Jackie Collins’ Hollywood”.

Daarin ontving ze gasten die rechtstreeks uit haar boeken leken te komen: acteurs, actrices en andere beroemdheden uit Hollywood.

Jackie Collins overleed op 77-jarige leeftijd aan de gevolgen van borstkanker.

Vandaag 55 jaar geleden, laatste dag van de wereldtentoonstelling van 1970 in Osaka, in Japan.

In 1970 was het Japanse Osaka de gastheer van de dertigste Wereldtentoonstelling, ook bekend als Expo ’70.

Het was een historische gebeurtenis, want het was de allereerste keer dat dit evenement in Azië plaatsvond.

De tentoonstelling, die van 15 maart tot 13 september duurde, werd gehouden in de voorstad Suita en trok een verbazingwekkend aantal van ruim 64 miljoen bezoekers.

Daarmee was het een van de grootste en drukstbezochte beurzen ooit.

Het immense terrein van 330 hectare was ontworpen door de gerenommeerde Japanse architect Kenzo Tange, en had als thema “Vooruitgang en harmonie voor de mensheid”.

Het meest bekende bouwwerk was de ‘Toren van de Zon’, ontworpen door de Japanse kunstenaar Taro Okamoto.

Ook België en Nederland waren vertegenwoordigd op de Expo.

Het Belgische paviljoen werd ontworpen door architecten Jules Wabbes en Jacques Wirtz. Voor Wirtz betekende het ontwerp van de paviljoentuin zijn grote doorbraak.

Daarnaast werden er drie bronzen beelden tentoongesteld van de Belgische kunstenaar Hubert Minnebo.

Het Nederlandse paviljoen was het werk van de architecten Carel Weeber en Jaap Bakema, met een interieurontwerp van Total Design, onder leiding van Wim Crouwel. Verder leverden Peter Struycken en cineast Jan Vrijman bijdragen aan het paviljoen.

Vandaag is het precies twintig jaar geleden dat we afscheid namen van de Gentse cursiefjesschrijver Prosper De Smet. Hij werd zesentachtig.

Dankzij gemeenschappelijke kennis Coenraed de Waele had ik het genoegen hem nog te leren kennen.

Ik nodigde hem niet veel later uit om zijn dichtbundel ‘Gekke gedachten, stille gepeinzen’ voor te stellen in de Hotsy Totsy, een aanbod dat hij met zichtbaar plezier aanvaardde.

Een mooi moment om terug te blikken op het leven van deze Gentse stem van het volk.

Prosper De Smet werd geboren in de Roggestraat als zoon van een dokwerker en een naaister.

Zijn jeugd werd getekend door een vroege tegenslag: toen zijn vader in 1928 overleed, werd de amper negenjarige Prosper in het Stedelijk Weeshuis geplaatst, in de volksmond bekend als het beruchte “Kuldershuis”.

Pas vier jaar later, nadat zijn moeder hertrouwde, kon hij terugkeren naar de vertrouwde Roggestraat.

Hoewel er in het gezin De Smet, buiten de krant Vooruit, nauwelijks werd gelezen, ontdekte de jonge Prosper al snel zijn passie.

Rond zijn veertiende opende de wereld van de literatuur zich voor hem, met Multatuli als grote held.

Hij volgde een opleiding tot letterzetter en schoolde zichzelf via avondonderwijs bij in talen.

Zijn liefde voor het geschreven woord vond hij in de krant, waar hij de rubrieken van Raymond Herreman verslond.

Na zijn legerdienst en mobilisatie tijdens de Tweede Wereldoorlog, vond hij in 1945 werk als drukker-letterzetter, eerst bij firma Collier en vanaf 1948 bij het dagblad Vooruit.

Daar groeide hij door tot lay-outverantwoordelijke en zou hij blijven tot aan zijn pensioen in 1980, ook na de overgang naar De Morgen.

Maar het was zijn pen die hem onsterfelijk zou maken in Gent en daarbuiten.

Naast zijn dagtaak ontpopte hij zich tot een veelzijdig schrijver voor de krant.

Onder het pseudoniem PDS schreef hij boekbesprekingen, als Polke Pluim leverde hij humoristische sportbijdragen, maar zijn bekendste alter ego werd P. Pluim.

Dertig jaar lang schreef hij onder die naam een dagelijks cursiefje waarin hij het leven van de gewone man schetste, vaak optimistisch met een vleugje weemoed en milde maatschappijkritiek.

Ook na de overgang naar De Morgen bleef hij schrijven, tot hij in 2001 na bijna vijftig jaar definitief stopte.

Zijn talent bleef niet beperkt tot de krant. Tussen 1955 en 1990 publiceerde De Smet acht romans, een toneelstuk, verhalen- en dichtbundels.

Zijn werk werd meermaals bekroond, onder meer met de Letterkundige Prijs van de Stad Gent en de Visser Neerlandiaprijs.

Zijn debuutroman ‘De ontploffing’ (1957) werd door De Groene Amsterdammer zelfs uitgeroepen tot boek van de maand.

Zijn persoonlijke leven kende, net als zijn professionele, een stabiel verloop.

Na zijn huwelijk in 1946 en enkele verhuizingen binnen Gent, streek hij in 1960 neer in de Bosuilstraat in Wondelgem.

Daar zou hij tot aan zijn dood blijven wonen, als een scherpe observator van het leven dat hij zo treffend wist te vangen in zijn verhalen en cursiefjes.

Vandaag, 25 jaar geleden, overleed meestervervalser Konrad Paul Kujau. Hij werd vooral bekend door zijn vervalsing van de dagboeken van Adolf Hitler in 1983.

Via een groep oude nazi’s kwam Kujau in contact met de Hamburgse journalist Gerd Heidemann.

Het lukte hem om Heidemann 62 vervalste delen van de dagboeken van Hitler te verkopen aan het blad ‘Stern’.

De publicatie veroorzaakte een enorme sensatie.

De dagboeken suggereerden onder andere dat Hitler niet op de hoogte was geweest van de Kristallnacht, wat in de Bondsrepubliek lange tijd het publieke debat domineerde.

In totaal verdiende Kujau 9,3 miljoen Duitse mark met zijn vervalsingen.

De fraude kwam aan het licht op 5 mei 1983.

In juli 1985 werd Kujau veroordeeld tot vier en een half jaar gevangenisstraf, maar hij werd na drie jaar vrijgelaten vanwege kanker aan het strottenhoofd.

Na zijn vrijlating maakte Kujau gebruik van zijn bekendheid om een publieke figuur te worden.

Na de mysterieuze dood van Uwe Barschel in 1988 trad hij op als expert in vervalsingen in een reportage van ‘Spiegel TV’.

In 1992 was de vervalsingszaak van de Hitler-dagboeken het onderwerp van de film ‘Schtonk!’.

Samen met de Rock & Roll Junkies bracht Kujau in 1995 een album uit, getiteld ‘Rebellen der Kunst’.

In de politiek was hij minder succesvol: in 1994 stond hij op de lijst van de Autofahrer- und Bürgerinteressenpartei Deutschlands en in 1996 stelde hij zich kandidaat voor het burgemeesterschap van Stuttgart, maar kreeg slechts 901 stemmen.

In zijn laatste levensjaren werkte Kujau in zijn schildersatelier en hield hij tentoonstellingen in Pegnitz.

Hij overleed op 12 september 2000, op 62-jarige leeftijd.

Vanavond, 95 jaar geleden, Miss Belgium in de feestzaal van de Wereldtentoonstelling in Antwerpen.

De winnares was de Naamse actrice Netta Duchâteau, die later dat jaar in Texas ook de titel van Miss Universe zou winnen.

De geschiedenis van de wedstrijd was op dat moment nog jong en kende een opmerkelijke evolutie.

Het hele avontuur begon in 1919 als een promotiestunt van de Waalse krant ‘La Dernière Heure’.

De verkiezing werd bewust aan de kust georganiseerd, omdat men daar niet vreemd opkeek van vrouwen in badpak. Omdat de oproep enkel in de organiserende krant verscheen, waren de meeste deelneemsters afkomstig uit Wallonië.

Opmerkelijk genoeg werd de wedstrijd gewonnen door een Britse toeriste die toevallig aan de kust op vakantie was.

Het evenement was een commercieel succes, en dus werd het de volgende jaren herhaald. Omdat de locatie steevast een kustplaats was, kreeg de winnares de titel ‘Miss Kust’ of ‘Miss Litoral’.

Dit veranderde in 1928, toen de eerste Miss Europa-verkiezing van start ging, mocht België niet deelnemen.

De reden was simpel: ons land had geen officiële Miss België, enkel een Miss Kust.

De naam moest dus veranderen. Journalist Jean-Jacques Fortis nam de organisatie over, maar hield vast aan de traditie om het evenement aan zee te organiseren, ditmaal in Blankenberge.

De winnares, de Waalse Ann Koyaert, werd daardoor onbedoeld nog ‘Koningin van het strand’ genoemd in plaats van Miss België.

De eerste echte, officiële Miss België-verkiezing vond plaats in 1929.

De titel ging naar de Brusselse Jenny Vanparays.

Een vast onderdeel van de wedstrijd was de badpakronde, die destijds als bevrijdend voor de vrouw werd beschouwd.

Daarnaast werden de deelneemsters in een speciale kast opgemeten om te controleren of hun maten voldeden aan het toenmalige ideaalbeeld.

Een van de eredames was de Gentse Alice de Rammelaere. Ik heb niet veel terug kunnen vinden dan dat ze geboren is op 25 maart 1913 en dat ze trouwde op 26 oktober 1935 met Luis Albornoz.

Vandaag, precies 25 jaar geleden, op 30 maart 2000, vond de opening voor genodigde plaats van de opmerkelijke kunstmanifestatie ‘Over The Edges’ in Gent.

Het publiek kon de tentoonstelling bezoeken van 31 maart tot en met 29 juni 2000.

Voor mijn horecazaak, de Hotsy Totsy, waren het topdagen.

Bijna elke avond kwam Jan Hoet langs met een van de kunstenaars, wat voor een bruisende sfeer zorgde.

De expositie werd tot ver over de landsgrenzen besproken, en maar liefst 250.000 bezoekers trokken naar Gent voor ‘Over The Edges’.

De openluchttentoonstelling, die een beetje de voorloper van ‘Track’ was, schreef geschiedenis met Jan Fabres opzienbarende hamzuilen.

Fabre bekleedde de acht Corinthische zuilen van de universiteitsaula in de Voldersstraat met 600 kilogram gerookte ham, waardoor ze op gevilde poten leken.

Het werk zorgde direct voor opschudding en haalde de voorpagina’s, met protesten als ‘Terwijl mensen honger lijden, wordt hier met eten gemorst’ en ‘Geen kunst maar wansmaak’.

Jan Hoet verdedigde de artistieke vrijheid en legde uit dat de ham een metafoor was voor de vergankelijkheid van het vlees, en dat Fabre de relatie tussen vlees en skelet wilde onderzoeken.

De discussie over de hamzuilen barstte los in heel Gent, waarbij iedereen, van slagers tot juweliers, en zelfs bekende Vlamingen en de gemeenteraad, zich in het debat mengde.

De zuilen, gehuld in Ganda-ham, waren een maand lang het gesprek van de dag.

Speciale bewakers werden ingezet om de zuilen te beschermen tegen vandalen, maar uiteindelijk wonnen bacteriën en bederf het van de ham.

Naast de hamzuilen waren er nog tal van andere opmerkelijke kunstwerken te zien in de stad.

Wim Delvoye’s ‘Transparity’, een indrukwekkend glas-in-loodraam in de Norbertijnenkapel, trok veel bekijks.

Op het Sint-Michielsplein stond een naakte reus, een cycloop met één oog, gecreëerd door de Italiaan Marco Boggio Sella.

Op de Korenlei werd elke drie minuten een bord op de grond gegooid, en in een kamer op de eerste verdieping was een ruziënd koppel te zien.

Uiteindelijk sneuvelden er 10.000 borden.

Dit ‘huishoudtafereel op de hoek van de straat’, zoals de Franse kunstenaar Patrick Lebert zijn werk noemde, zorgde eveneens voor de nodige discussie.

Vandaag 65 jaar geleden onderweg naar Nederland, komt de Franse filosoof en schrijver Albert Camus om het leven door een auto-ongeluk.

De Nobelprijswinnaar, bekend van literaire klassiekers als De Pest en De Vreemdeling, stierf op slechts 46-jarige leeftijd toen de imposante Facel Vega FV3B, bestuurd door zijn vriend en uitgever Michel Gallimard, met hoge snelheid tegen een boom reed.

Het ongeluk vond plaats in het Franse dorpje Villeblevin.

In de wrakstukken van de auto werd het onafgemaakte manuscript van Camus’ autobiografische roman Le Premier Homme (De Eerste Mens) teruggevonden, dat pas in 1994 door zijn dochter werd gepubliceerd.

De Facel Vega FV3B was een luxueuze en krachtige Franse auto, een zeldzaam model dat bekend stond om zijn snelheid.

De auto was eigendom van Michel Gallimard, de neef van de beroemde uitgever Gaston Gallimard, en hijzelf en zijn vrouw Janine kwamen eveneens om in het ongeluk, net als hun dochter Anne.

Tien jaar geleden lanceerde de Italiaanse academicus en dichter Giovanni Catelli een controversiële theorie: het auto-ongeluk zou geen ongeluk zijn geweest, maar een moordaanslag georkestreerd door de KGB.

Volgens Catelli zou de Sovjet-Russische geheime dienst, op bevel van Sovjet-minister van Buitenlandse Zaken Dmitri Sjepilov, de banden van Camus’ auto hebben gesaboteerd, zodat deze bij hoge snelheid zouden klappen.

Catelli baseerde zijn bewering onder andere op passages uit het dagboek van de Tsjechische dichter Jan Zábrana, die zou hebben gehoord van een “betrouwbare bron” dat de KGB achter het ongeluk zat.

De vermeende reden voor deze aanslag zou Camus’ uitgesproken kritiek op de Sovjet-Unie zijn geweest.

Hij veroordeelde de Sovjet-invasie van Hongarije in 1956 fel en sprak openlijk zijn steun uit voor Boris Pasternak, de auteur van het in de Sovjet-Unie verboden meesterwerk Dokter Zjivago.

Albert Camus ontving in 1957 de Nobelprijs voor de Literatuur, onder andere voor zijn “belangrijke literaire productie, die met scherpzinnig oprechte ernst de problemen van het menselijk geweten in onze tijd belicht.”

Pasternak zou het jaar daarop de Nobelprijs winnen, maar werd gedwongen deze te weigeren door de Sovjet-autoriteiten.

Camus was een fervent voorstander van een “Verenigd Europa” en geloofde in de kracht van dialoog en verzoening.

Hoewel experts erkennen dat de KGB destijds tot gruwelijke daden in staat was, is er tot op heden geen overtuigend bewijs gevonden voor Catelli’s moordtheorie.

De officiële lezing blijft dat het een tragisch auto-ongeluk betrof, veroorzaakt door een klapband.

De dood van Albert Camus, de beroemde grondlegger van het absurdisme, blijft dus tot vandaag omgeven door een zweem van mysterie en speculatie.

Zijn invloedrijke werken en zijn pleidooi voor menselijkheid en vrijheid blijven echter voortleven.

90 jaar geleden, het nieuwe Diocesaan Museum in Mechelen.

Het museum sloot de deuren in 1986, gelukkig bestaat vandaag nog wel het Archief van het Diocesaan Museum, Mechelen.

Het archiefbestand bestaat in de eerste plaats uit stukken in verband met de oprichting van het diocesane museum en de administratieve commissie in 1933.

Voorts zijn vergaderverslagen en briefwisseling van de commissie bewaard, evenals stukken betreffende de betrekkingen met de stedelijke en provinciale overheden.

Andere bescheiden betreffen de tentoonstellingen die in het museum werden georganiseerd en de weerklank ervan in de pers.

Rafaël Tambuyser, geboren en getogen in Mechelen, werd in 1927 tot priester gewijd en was één van de oprichters van het museum.

Vier jaar later behaalde hij in Leuven een diploma als licentiaat in het kerkelijk recht.

Datzelfde jaar benoemde kardinaal Van Roey hem tot secretaris van het aartsbisdom en tot assistent van diocesaan archivaris Jozef Laenen.

Na de dood van Laenen in 1940 werd Tambuyser archivaris en conservator van het diocesaan museum. E

en jaar later volgde de benoeming tot erekanunnik van het Sint-Romboutskapittel.

Intussen was Tambuyser ook actief aan de kerkelijke rechtbank in Mechelen.

Met zijn aanstelling tot hulparchivaris en vervolgens hoofdarchivaris van het Aartsbisschoppelijk Archief groeide bij Tambuyser de interesse voor Mechelse geschiedenis.

In 1931 werd hij lid van de Mechelse oudheidkundige kring. Later volgde het lidmaatschap van diverse andere historische commissies en verenigingen.

In 1939 trad Tambuyser toe tot het bestuur van de oudheidkundige kring van Mechelen. Een jaar later werd hij voorzitter, een functie die Tambuyser tot aan zijn dood in 1966 bleef uitoefenen.

In het gebouw vestigde zich daarna het Koninklijke Manufactuur De Wit die over een van de prestigieuste privécollecties van wandtapijten ter wereld beschikt.

De “Manufacture de Tapisseries d’Art” werd in 1889 opgericht door Theo De Wit en vernoemd naar diens zoon, tapijtwever Gaspard De Wit.

Ook is er een werkplaats waar men werk verricht op het vlak van conservatie en restauratie van oude wandtapijten voor musea (De Stad van 28 december 1934, site Koninklijke Manufactuur De Wit, Wikipedia en Site Odis)

90 jaar geleden, het nieuwe Diocesaan Museum in de Schoutetstraat 7, in Mechelen (De Stad van 28 december 1934).

Het museum sloot de deuren in 1986, gelukkig bestaat vandaag nog wel het Archief van het Diocesaan Museum, Mechelen.

Het archiefbestand bestaat in de eerste plaats uit stukken in verband met de oprichting van het diocesane museum en de administratieve commissie in 1933.

Voorts zijn vergaderverslagen en briefwisseling van de commissie bewaard, evenals stukken betreffende de betrekkingen met de stedelijke en provinciale overheden.

Andere bescheiden betreffen de tentoonstellingen die in het museum werden georganiseerd en de weerklank ervan in de pers.

Rafaël Tambuyser, geboren en getogen in Mechelen, werd in 1927 tot priester gewijd en was één van de oprichters van het museum.

Vier jaar later behaalde hij in Leuven een diploma als licentiaat in het kerkelijk recht.

Datzelfde jaar benoemde kardinaal Van Roey hem tot secretaris van het aartsbisdom en tot assistent van diocesaan archivaris Jozef Laenen.

Na de dood van Laenen in 1940 werd Tambuyser archivaris en conservator van het diocesaan museum. E

en jaar later volgde de benoeming tot erekanunnik van het Sint-Romboutskapittel.

Intussen was Tambuyser ook actief aan de kerkelijke rechtbank in Mechelen.

Met zijn aanstelling tot hulparchivaris en vervolgens hoofdarchivaris van het Aartsbisschoppelijk Archief groeide bij Tambuyser de interesse voor Mechelse geschiedenis.

In 1931 werd hij lid van de Mechelse oudheidkundige kring. Later volgde het lidmaatschap van diverse andere historische commissies en verenigingen.

In 1939 trad Tambuyser toe tot het bestuur van de oudheidkundige kring van Mechelen. Een jaar later werd hij voorzitter, een functie die Tambuyser tot aan zijn dood in 1966 bleef uitoefenen.

In het gebouw vestigde zich daarna het Koninklijke Manufactuur De Wit die over een van de prestigieuste privécollecties van wandtapijten ter wereld beschikt.

De “Manufacture de Tapisseries d’Art” werd in 1889 opgericht door Theo De Wit en vernoemd naar diens zoon, tapijtwever Gaspard De Wit.

Ook is er een werkplaats waar men werk verricht op het vlak van conservatie en restauratie van oude wandtapijten voor musea (De Stad van 28 december 1934, site Koninklijke Manufactuur De Wit, Wikipedia en Site Odis)

Vandaag 45 jaar geleden, opening van de tentoonstelling Kermesse Heroique in het Centre Pompidou in Parijs.

Voor deze grote retrospectief van Salvador Dalí over de overdracht van voorwerpen in een wel of niet schaalverandering.

De bezoeker kreeg een installatie te zien van tientallen gerechten, worstjes en een theelepel op een andere schaal dan in de werkelijkheid.

Zo was de lepel 38 meter lang en goed voor een gewicht van 1600 kg.

Dali gaf de opdracht aan Kim Hamisky om dit kunstwerk te maken.

Gedurende meer dan zes weken hebben een twintigtal arbeiders metalen platen gesneden en gelast om dit kunstwerk samen te stellen.

De Theelepel kreeg een plaats in de hal, naast een rots die begroeid is met regenschermen.

De Theelepel en de rots kregen ook nog een andere functie.

Een pompsysteem pompte water uit de lepel en spoot die dan eens per uur over de rots.

Zo waren de beide kunstwerken verbonden als een soort fontein. (Diverse bronnen en De Post van 30 december 1979)

Deze week, 70 jaar geleden, Brussel bereidt zich voor op de wereldtentoonstelling van 1958 (De Post december 1954)

Baron Georges Moens de Fernig was vooral bekend om zijn rol als Commissaris-Generaal van de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel, beter bekend als Expo 58.

De familie Moens de Fernig was een adellijke familie met wortels in de 17e eeuw en ze waren zowel actief in de industrie als in de politiek.

Georges Florent Marie Auguste graaf Moens de Fernig werd geboren in Luik op 28 augustus 1899.

Hij studeerde rechten aan de Universiteit van Luik en na zijn studies ging hij aan de slag in de banksector en de industrie.

Hij bekleedde verschillende belangrijke functies in de Belgische regering, waaronder Minister van Ravitaillering en Invoer (1948-1949) en Minister van Buitenlandse Handel (1947-1949)

Hij was ook voorzitter van Fabrimetal (1965-1971), een Belgische federatie van metaalverwerkende bedrijven.

Zijn meest opvallende prestatie was zijn rol als Commissaris-Generaal van Expo 58.

Hij was daar verantwoordelijk voor de planning, organisatie en het succes van de wereldtentoonstelling, die een belangrijk moment was in de Belgische geschiedenis en een symbool van de heropleving na de Tweede Wereldoorlog.

Expo 58 trok meer dan 41 miljoen bezoekers en toonde de nieuwste technologische en culturele ontwikkelingen van over de hele wereld.

Hij was getrouwd met Marie-Thérèse de Meeûs d’Argenteuil en samen hadden ze zes kinderen.

Naast zijn politieke en industriële activiteiten was Moens de Fernig ook actief in verschillende filantropische organisaties.

Hij overleed op 16 augustus 1978 in Zelem, Halen, op 78-jarige leeftijd (De Post december 1954)