Die ontstaansgeschiedenis begon in de zevende eeuw met de heilige Amandus van Maastricht, een rondtrekkende missionaris en bisschop uit Aquitanië die een doorslaggevende rol speelde bij de kerstening van het noordelijke Merovingische rijk.
Rond het jaar 630 streek hij met steun van de Merovingische koning Dagobert I neer in de streek rond de samenvloeiing van de Schelde en de Leie, in het gebied dat toen bekendstond als Ganda.
Amandus koos bewust voor de Blandijnberg, een zandige heuvelrug die circa 29 meter boven het rivierlandschap uitstak.
Die plek bood bescherming tegen overstromingen en gaf uitzicht over de handels- en waterwegen.
De naam Blandinium verwees naar een Gallo-Romeinse oorsprong, vermoedelijk ontleend aan een vroegere landeigenaar genaamd Blandinus.
Ondanks aanvankelijke weerstand van de plaatselijke bevolking stichtte Amandus hier rond 630 tot 650 een eerste kloostergemeenschap gewijd aan de apostel Petrus, die samen met de nabijgelegen Sint-Baafsabdij de oercel vormde waaruit Gent zou groeien.
Waar vandaag de barokke kerk staat, rees in de eeuwen na Amandus een romaanse abdijkerk op die het hart vormde van een van de machtigste en rijkste kloostergemeenschappen van heel Vlaanderen.
Die middeleeuwse gebouwen kregen het echter zwaar te verduren tijdens de zestiende-eeuwse beeldenstorm en godsdiensttwisten, waardoor een complete heropbouw nodig bleek.
In 1629 legde bisschop Antonius Triest de eerste steen van de huidige barokkerk. Jezuïet en architect Pieter Huyssens tekende de plannen en liet zich voor de monumentale koepel en de grootse proporties inspireren door de wereldberoemde Sint-Pietersbasiliek in Rome.
De eerste bouwfase liep van 1629 tot 1649, waarna in de vroege achttiende eeuw nog een uitbreiding volgde.
Tijdens de Franse overheersing raakte de kerk haar religieuze rol even kwijt om als opslagplaats te dienen, tot het gebouw in 1810 opnieuw officieel als kerk in gebruik werd genomen.
Wat deze plek extra bijzonder maakt, is haar verleden als rustplaats voor de vroege graven van Vlaanderen.
Omdat de Sint-Pietersabdij in de vroege middeleeuwen het meest prestigieuze religieuze centrum van het graafschap was, zochten vorsten er maar wat graag een plek voor hun zieleheil en dynastieke uitstraling.
Maar liefst vijf graven vonden er hun laatste rustplaats: Boudewijn I, Boudewijn II, Arnulf I, Arnulf II en Boudewijn IV. Ook familieleden werden erbij gezet, onder wie zeer waarschijnlijk Judith van West-Francië, dochter van de Karolingische koning Karel de Kale en stammoeder van het Vlaamse gravenhuis.
De graven rusten er dan ook bewust: de site vormde het spirituele en politieke zenuwcentrum van het vroege Vlaanderen, waar het graf van overleden leiders het gezag van hun opvolgers kracht bijzette.
Aan die eeuwenoude feodale lijn kwam aan het einde van de achttiende eeuw definitief een einde.
De Oostenrijkse keizer Frans II was de allerlaatste die de titel nog in de oorspronkelijke feodale zin droeg.
De Franse Revolutie en de annexatie in 1795 maakten immers een einde aan het graafschap en vervingen het oude systeem door een modern bestuur, zonder verdere opvolgers voor de Habsburgse heerser.
In de negentiende eeuw blies de Belgische monarchie de titel Graaf van Vlaanderen weliswaar nieuw leven in, maar dat gebeurde puur ceremonieel voor prinsen van het koninklijk huis, zonder enige bestuursmacht.
De laatste die deze eretitel droeg, was prins Karel, de broer van koning Leopold III, die in 1983 overleed.
Sindsdien is de titel nooit meer toegekend en doofde ook de symbolische lijn uit.
Vandaag verenigt het gebouw de namen van de verdwenen Onze-Lieve-Vrouwekerk aan de Schelde en de voormalige abdij.
Samen met het uitgestrekte Sint-Pietersplein blijft het een onmiskenbaar en vertrouwd baken aan de Gentse horizon.

