De Onze-Lieve-Vrouw Sint-Pieterskerk in Gent ademt pure geschiedenis en is vanaf het allereerste begin nauw verbonden met de wortels van de stad.

Die ontstaansgeschiedenis begon in de zevende eeuw met de heilige Amandus van Maastricht, een rondtrekkende missionaris en bisschop uit Aquitanië die een doorslaggevende rol speelde bij de kerstening van het noordelijke Merovingische rijk.

Rond het jaar 630 streek hij met steun van de Merovingische koning Dagobert I neer in de streek rond de samenvloeiing van de Schelde en de Leie, in het gebied dat toen bekendstond als Ganda.

Amandus koos bewust voor de Blandijnberg, een zandige heuvelrug die circa 29 meter boven het rivierlandschap uitstak.

Die plek bood bescherming tegen overstromingen en gaf uitzicht over de handels- en waterwegen.

De naam Blandinium verwees naar een Gallo-Romeinse oorsprong, vermoedelijk ontleend aan een vroegere landeigenaar genaamd Blandinus.

Ondanks aanvankelijke weerstand van de plaatselijke bevolking stichtte Amandus hier rond 630 tot 650 een eerste kloostergemeenschap gewijd aan de apostel Petrus, die samen met de nabijgelegen Sint-Baafsabdij de oercel vormde waaruit Gent zou groeien.

Waar vandaag de barokke kerk staat, rees in de eeuwen na Amandus een romaanse abdijkerk op die het hart vormde van een van de machtigste en rijkste kloostergemeenschappen van heel Vlaanderen.

Die middeleeuwse gebouwen kregen het echter zwaar te verduren tijdens de zestiende-eeuwse beeldenstorm en godsdiensttwisten, waardoor een complete heropbouw nodig bleek.

In 1629 legde bisschop Antonius Triest de eerste steen van de huidige barokkerk. Jezuïet en architect Pieter Huyssens tekende de plannen en liet zich voor de monumentale koepel en de grootse proporties inspireren door de wereldberoemde Sint-Pietersbasiliek in Rome.

De eerste bouwfase liep van 1629 tot 1649, waarna in de vroege achttiende eeuw nog een uitbreiding volgde.

Tijdens de Franse overheersing raakte de kerk haar religieuze rol even kwijt om als opslagplaats te dienen, tot het gebouw in 1810 opnieuw officieel als kerk in gebruik werd genomen.

Wat deze plek extra bijzonder maakt, is haar verleden als rustplaats voor de vroege graven van Vlaanderen.

Omdat de Sint-Pietersabdij in de vroege middeleeuwen het meest prestigieuze religieuze centrum van het graafschap was, zochten vorsten er maar wat graag een plek voor hun zieleheil en dynastieke uitstraling.

Maar liefst vijf graven vonden er hun laatste rustplaats: Boudewijn I, Boudewijn II, Arnulf I, Arnulf II en Boudewijn IV. Ook familieleden werden erbij gezet, onder wie zeer waarschijnlijk Judith van West-Francië, dochter van de Karolingische koning Karel de Kale en stammoeder van het Vlaamse gravenhuis.

De graven rusten er dan ook bewust: de site vormde het spirituele en politieke zenuwcentrum van het vroege Vlaanderen, waar het graf van overleden leiders het gezag van hun opvolgers kracht bijzette.

Aan die eeuwenoude feodale lijn kwam aan het einde van de achttiende eeuw definitief een einde.

De Oostenrijkse keizer Frans II was de allerlaatste die de titel nog in de oorspronkelijke feodale zin droeg.

De Franse Revolutie en de annexatie in 1795 maakten immers een einde aan het graafschap en vervingen het oude systeem door een modern bestuur, zonder verdere opvolgers voor de Habsburgse heerser.

In de negentiende eeuw blies de Belgische monarchie de titel Graaf van Vlaanderen weliswaar nieuw leven in, maar dat gebeurde puur ceremonieel voor prinsen van het koninklijk huis, zonder enige bestuursmacht.

De laatste die deze eretitel droeg, was prins Karel, de broer van koning Leopold III, die in 1983 overleed.

Sindsdien is de titel nooit meer toegekend en doofde ook de symbolische lijn uit.

Vandaag verenigt het gebouw de namen van de verdwenen Onze-Lieve-Vrouwekerk aan de Schelde en de voormalige abdij.

Samen met het uitgestrekte Sint-Pietersplein blijft het een onmiskenbaar en vertrouwd baken aan de Gentse horizon.

Foto van Onze-Lieve-Vrouw Sint-Pieterskerk in Gent (oktober 1931)

We vieren een bijzondere mijlpaal in onze stad, want het is precies 500 jaar geleden dat de eerste steen van het stadhuis van Oudenaarde werd gelegd.

In 1526 legde stadsgouverneur Philips de Lalaing die allereerste steen voor een ontwerp van de Brusselse bouwmeester Hendrik van Pede.

Philips de Lalaing behoorde tot een van de invloedrijkste adellijke families van die tijd en was nauw verbonden met het hof van keizer Karel V.

Zijn functie als stadsgouverneur was overigens niet hetzelfde als die van een burgemeester.

Het dagelijks bestuur en de rechtspraak lagen in handen van de schepenen en burgemeesters uit de lokale burgerij.

Een stadsgouverneur daarentegen werd rechtstreeks door de centrale vorst aangesteld om namens de kroon toezicht te houden op de strategische garnizoensstad aan de Schelde, de stadsverdediging te overzien en de belangen van de keizer te bewaken.

Dat Lalaing de eerste steen mocht leggen, gaf het ambitieuze bouwproject dan ook een enorm keizerlijk en adellijk aanzien.

De keuze voor architect Hendrik van Pede was eveneens een bewuste zet van het zelfbewuste stadsbestuur.

Oudenaarde beleefde in die periode een enorme economische bloei dankzij de lakenhandel en de internationaal vermaarde wandtapijtweverij, en zocht voor het nieuwe stadhuis de allerhoogste kwaliteit om te kunnen wedijveren met steden als Brussel, Leuven en Gent.

Van Pede, telg uit een befaamde Brusselse dynastie van steenhouwers en bouwmeesters, was sinds 1506 stadsbouwmeester van Brussel en genoot groot aanzien.

Hij had toen al gewerkt aan prestigieuze projecten zoals het Brusselse Broodhuis op de Grote Markt in opdracht van Karel V, het paleis van de familie van Nassau en opdrachten op de Koudenberg.

Hij beschikte over directe connecties met het hof van keizer Karel V en beheerste de Brabantse laatgotiek tot in de finesses.

Bovendien bezat hij het technisch vernuft om het nieuwe gebouw naadloos te laten aansluiten op de al bestaande veertiende-eeuwse lakenhal.

Vanuit Brussel reisde Van Pede regelmatig naar Oudenaarde om persoonlijk toezicht te houden op de werf en de steenhouwers.

Het stadhuis zou uitgroeien tot zijn absolute kroonjuweel en geldt als een van de laatste grote hoogtepunten van de burgerlijke gotiek in onze gewesten.

Het nieuwe gebouw verrees naast de veertiende-eeuwse lakenhal en verving het oude houten schepenhuis op de Markt.

Na amper tien jaar bouwen, tussen 1526 en 1537, stond het er al: een meesterwerk in Brabantse laatgotiek met een L-vormige plattegrond, rijk versierd met beeldhouwwerk, maaswerk en bladgoud.

Vandaag is dit prachtige monument dan ook erkend als UNESCO-werelderfgoed.

Boven op de belforttoren prijkt een bronzen beeld van Hanske de Krijger, onze bekende volksheld en het embleem van de stad Oudenaarde.

De oorsprong van de legendevorming is het vergulde roodkoperen beeld dat sinds 1538 het stadhuis van Oudenaarde bekroont.

Het toont een vaandeldrager uitgerust als een Spaanse soldaat.

De Oudenaardse goudsmid Willem Blansterins maakte dit beeld al in 1530.

Het verhaal gaat dat, toen keizer Karel V Oudenaarde bezocht, de stadswachter Hanske de Krijger, die op uitkijk stond, hem niet had zien aankomen.

Hanske zou toen in slaap zijn gevallen, omdat hij te veel Oudenaards bier had gedronken.

Volgens deze zestiende-eeuwse legende zou de keizer daarom hebben opgedragen om een bril in het wapenschild te zetten.

In werkelijkheid is het embleem in het wapenschild echter geen bril, maar een gotische letter A van Audenaerde.

Tegenwoordig herbergt het stadhuis ook het MOU, een museum dat de geschiedenis van Oudenaarde en de Vlaamse Ardennen vertelt aan de hand van wandtapijten, schilderijen en archeologische vondsten.

Het stadhuis werd door de jaren heen ontelbare keren gefotografeerd, waarbij de oudst bekende foto dateert uit 1864.

Voor een bijzondere foto-expo bundelen de cursisten fotografie van CVO Groeipunt en de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Oudenaarde hun krachten.

Hedendaagse foto’s van de cursisten worden er naast historische beelden uit de collectie van het stadsarchief geplaatst.

Deze gratis expo loopt van 31 oktober tot en met 15 november in de kapel van het Onze-Lieve-Vrouwhospitaal, telkens van donderdag tot en met zondag tussen 10 uur en 18 uur.

Ook na het jubileum blijft 500 jaar eerstesteenlegging zichtbaar in de stad.

De historische stadswandeling krijgt een permanente bewegwijzering met klinknagels in de grond, die herkenbaar zijn aan een afbeelding van het stadhuis en wandelaars de weg wijzen langs het historische centrum.

Het Institut supérieur de brasserie en de wieg van de Gentse brouwerswetenschap

Het Institut supérieur de brasserie in Gent, opgericht aan het einde van de negentiende eeuw, speelde een baanbrekende rol in de professionalisering van de Belgische en internationale brouwerswereld.

Rond 1886–1889 werd in Gent gestart met dit Franstalig brouwersonderwijs.

De school was gevestigd in de rue du Lac in Gent, wat de toenmalige Franstalige benaming was voor de Meersstraat, die vandaag de Bonifantenstraat heet.

In een tijd waarin het brouwproces geleidelijk verschoof van ambachtelijke traditie naar wetenschappelijke precisie, trok de school studenten aan uit heel Europa om de microbiologie en chemie achter het bierbrouwen op academisch niveau te bestuderen.

Studenten kregen er een diepgaande technische opleiding in biochemie, fermentatieprocessen en kwaliteitscontrole, geïnspireerd door de baanbrekende ontdekkingen van wetenschappers zoals Louis Pasteur en Emil Christian Hansen.

De school was nauw verbonden met de bloeiende industriële sector in Vlaanderen en de Gentse brouwersvereniging, en fungeerde als een smeltkroes voor jonge brouwers, ingenieurs en zonen van brouwersfamilies uit binnen- en buitenland.

Door theorie te combineren met praktijkonderwijs in moderne laboratoria en proefbrouwerijen, legde het instituut de basis voor de moderne brouwtechnologie.

De invloed van de Gentse opleiding reikte ver, want oud-studenten van dit instituut stonden in 1925 zelfs aan de wieg van de oprichting van de bekende Brusselse brouwersschool Institut Meurice.

De school veranderde door de decennia heen meermaals van naam en structuur, zoals het Hoger Rijksinstituut voor Chemie en Voedingsindustrieën.

In de loop van de twintigste eeuw werd de opleiding verder geïntegreerd in het bredere hoger onderwijsnetwerk van Gent, waar de traditie van brouw- en fermentatiewetenschappen tot op de dag van vandaag voortleeft binnen universitaire en hogeschoolopleidingen.

Het historische instituut blijft daarmee een fundamentele schakel in de rijke academische en industriële biergeschiedenis van Gent.

Oude postkaarten van Gent in kleur.

In september en oktober krijgt u oude postkaarten te zien van Gent in kleur.

Wie een postkaart uit het begin van de twintigste eeuw bekijkt, zoals deze sfeervolle opname van de Vrijdagmarkt uit circa 1910, vraagt zich al snel af hoe men die prachtige kleuren destijds op papier kreeg.

Echte kleurenfotografie stond toen immers nog in de kinderschoenen.

De autochroomtechniek van de gebroeders Lumière bestond wel al, maar die was veel te tijdrovend en veel te duur voor de massaproductie van prentbriefkaarten.

Het geheim achter dit soort beelden begon vrijwel altijd bij een doodgewone, vlijmscherpe zwart-witfoto op een glazen negatief.

Pas in de drukkerij kwam de kleur tot leven via een knap staaltje vakmanschap: chromolithografie of fotochroomdruk.

Vaklieden brachten het fotografische beeld over op grote kalkstenen drukstenen.

Voor iedere afzonderlijke kleur werd met de hand een aparte steen geprepareerd.

De lithograaf bepaalde heel precies waar, en met hoeveel intensiteit, een tint op het papier moest landen.

Om tot het uiteindelijke resultaat te komen, werden vaak zes tot meer dan tien verschillende kleurlagen nauwkeurig over elkaar heen gedrukt.

Veel van die gespecialiseerde drukkerijen stonden destijds in Duitsland of Zwitserland.

Omdat de ambachtslieden de Vrijdagmarkt waarschijnlijk nooit met eigen ogen hadden gezien, kozen ze de kleuren op gevoel, volgens vaste regels en met een flinke dosis verbeeldingskracht.

Dat verklaart meteen die herkenbare, schilderachtige sfeer op dit soort oude kaarten: de zachte roze-blauwe hemel, de warme roodbruine daken en de nostalgische gloed over de historische gevels.

Dit is een blik op de Gentse Vrijdagmarkt in 1981, een periode waarin het plein volop in verandering was.

Een jaar eerder, in 1980, startte de grondige renovatie van het Toreken, die uiteindelijk tot 1983 in beslag zou nemen.

Tegelijkertijd lagen de plannen klaar voor de bouw van de ondergrondse parkeergarage.

De werken daarvoor begonnen halverwege 1981, waarna de parking in het voorjaar van 1982 opende.

Oude postkaarten van Home Pecher in Koksijde: van zeepreventorium voor kinderen met chronische ademhalingsaandoeningen tot cultuurhuis.

Aan de Veurnelaan in Koksijde staat het voormalige Home Edouard Pecher, een markant pand met een rijke geschiedenis die teruggaat tot de periode vlak voor de Tweede Wereldoorlog.

Het gebouw werd in 1937 opgericht op initiatief van de liberale mutualiteiten uit Brussel, naar een ontwerp van ingenieur-architect Marcel Simon.

Het diende oorspronkelijk als vakantiekolonie en werd gebouwd als eerbetoon aan Edouard Pecher.

Édouard Pecher werd op 24 november 1885 geboren in de stad Antwerpen en groeide op in een van de invloedrijkste liberale families van de stad.

Gisteren nog vandaag

Zijn overgrootvader Charles Pecher was destijds een van de oprichters van de Liberale Partij in Antwerpen, en zijn grootvader speelde in 1872 een grote rol bij het veroveren van de macht op het Antwerpse stadhuis.

Als politicus zette hij die familietraditie voort en zetelde hij in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, specifiek voor het kiesdistrict Antwerpen, eerst van 1912 tot 1919 en vervolgens van 1921 tot aan zijn dood.

Van 1921 tot 1926 leidde hij de Liberale Partij als voorzitter.

Binnen de liberale rangen gold hij als een van de belangrijkste trekkers van de sociaal-progressieve vleugel.

Hij overtuigde zijn partij van de noodzaak van een vroege vorm van sociale zekerheid, waaronder een verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering voor werknemers.

In 1921 werd hij tevens de allereerste voorzitter van de Nationale Bond der Liberale Mutualiteitsfederatiën van België, de voorloper van de huidige Liberale Mutualiteit.

In het jaar van zijn overlijden diende hij bovendien korte tijd als minister van Koloniën in de Belgische regering.

Gisteren nog vandaag

Op maandag 27 december 1926 overleed hij in Brussel aan de gevolgen van een zware griepaanval, op de leeftijd van exact 41 jaar.

Hoewel hij in Brussel stierf, vond hij zijn laatste rustplaats in zijn thuisstad op de bekende Antwerpse begraafplaats Schoonselhof.

Na de oorlogsjaren onderging het naar hem vernoemde tehuis in Koksijde verschillende uitbreidingen, waarvan de laatste plaatsvond in 1969.

Eind jaren negentig kwam het gebouw in handen van de gemeente Koksijde, die er een nieuwe culturele bestemming aan gaf.

Gisteren nog vandaag

Het pand werd omgedoopt tot cultureel centrum Taf Wallet, vernoemd naar de kunstenaar die destijds op een honderdtal meter afstand zijn atelier had.

Hoewel het gelijknamige museum inmiddels gesloten is wegens te weinig bezoekers, heeft het pand de status van beschermd monument gekregen en biedt het vandaag de dag nog altijd onderdak aan de Westhoekacademie.

Gisteren nog vandaag

Reclame voor chocolade van het merk Sylvia Duc

In de geschiedenis van de Belgische zoetwarenindustrie neemt Chocoladefabriek Duc uit Antwerpen een bijzondere plaats in.

Deze Antwerpse fabrikant verwierf in de eerste helft van de twintigste eeuw, zo tussen 1900 en 1940, grote faam met het merk Chocolat Duc en in het bijzonder met de populaire productlijn Sylvia.

De fabriek was gevestigd in de Lange Kievitstraat 118-120 in Antwerpen, vlak bij het Centraal Station.

Het authentieke industriële fabriekspand werd ontworpen door architect Alphonse Pauwels. In die periode was het merk alomtegenwoordig in Antwerpen door grootschalige reclamecampagnes en populaire verzamelalbums.

In het interbellum bouwde het merk een heel herkenbare visuele identiteit op, zoals onder meer blijkt uit de originele reclame uit augustus 1931.

Het karakteristieke logo met het gestileerde dameshoofd dat met beide handen een reep vasthoudt, prijkte in die tijd niet alleen in gedrukte publicaties, maar was ook een vertrouwd beeld op geëmailleerde reclameborden, blikken dozen en winkeldisplays.

Zoals bij veel middelgrote chocoladefabrikanten het geval was, veranderde de markt in de loop van de twintigste eeuw en verdween het merk uiteindelijk uit de winkelrekken.

Het fabriekspand in de Lange Kievitstraat is echter volledig bewaard gebleven en heeft een nieuwe bestemming gekregen; het doet vandaag de dag dienst als een uniek residentieel woonproject, waardoor dit stukje Antwerps chocolade-erfgoed nog steeds zichtbaar aanwezig is in het straatbeeld.

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Van Paradeplaats tot Botermarkt: eeuwen geschiedenis voor het Gentse stadhuis

De Botermarkt in Gent heeft door de eeuwen heen heel wat verschillende namen en functies gekend.

Oorspronkelijk stond het plein bekend als de Paradeplaats, vernoemd naar de vele toneelvoorstellingen en parades die er werden opgevoerd.

In de vijftiende eeuw was het vooral de plek waar Gentenaars hun houtskool kochten, waarna het in de zestiende eeuw transformeerde tot de Wollemarkt.

Voor het Schepenhuis van Gedele vond toen de wekelijkse wolmarkt plaats.

Pas in de zeventiende eeuw veranderde het aanbod naar verse boter en eieren, wat uiteindelijk leidde tot de naam die we vandaag nog altijd kennen: de Botermarkt.

Het Schepenhuis van Gedele vormt samen met het gotische gedeelte een van de twee grote, beeldbepalende vleugels van het Gentse stadhuis.

Historisch hield het Schepengerecht van Gedele zich voornamelijk bezig met burgerlijke zaken, zoals voogdijkwesties, erfenissen en de zorg voor wezen, min of meer vergelijkbaar met het huidige vredegerecht.

De gevel aan de Botermarkt straalt een harmonieuze rust en regelmaat uit dankzij de opeenvolging van driekwartzuilen volgens de klassieke bouworden: Dorisch, Ionisch en Korintisch.

Deze renaissancestijl staat in scherp contrast met het flamboyante, laatgotische deel van het Schepenhuis van de Keure direct ernaast.

Precies tussen deze twee verschillende bouwstijlen loopt een opvallende blauw-witte regenpijp.

Deze kleuren zijn niet alleen de officiële stadskleuren van Gent en de clubkleuren van KAA Gent, maar symboliseren historisch gezien ook de kleuren van Maria.

Van weelderig gokpaleis tot exclusief luxehotel: de rijke geschiedenis van het Kursaal in Blankenberge

Het verhaal van het Kursaal in Blankenberge begon in 1859 als een gecombineerd project dat later werd omgevormd tot een echt luxehotel.

Het gebouw werd opgetrokken in een opvallende neomoorse stijl en was meteen een schot in de roos.

Het was veel meer dan alleen een plek om te gokken; het fungeerde als het absolute centrum van het Blankenbergse entertainment.

De benedenverdieping had een open galerij die direct uitgaf op de zeedijk. Binnenin vonden de gasten verschillende speelzalen, een concertzaal, een balzaal en twee restaurants.

Uniek voor die tijd was dat het gebouw vanaf het begin ook al een logeeraccommodatie met maar liefst 120 kamers had.

In 1884 veranderde de functie van het gebouw ingrijpend. Het stadsbestuur van Blankenberge wilde namelijk een eigen, groter stedelijk casino bouwen om de toeristenstroom nog beter op te vangen.

Hierdoor verloor het oorspronkelijke Kursaal zijn functie als dé centrale speelhal van de stad.

Het complex werd in 1884 volledig omgebouwd tot een exclusief luxehotel onder de naam Hotel du Kursaal.

Na de Eerste Wereldoorlog onderging het pand opnieuw een gedaanteverwisseling en werd het omgedoopt tot Résidence Bristol.

Toen het gebouw in 1884 de deuren opende als Hotel du Kursaal, behoorde het direct tot de absolute top van de hotels aan de Belgische kust.

Het trok een zeer elitair publiek aan dat in de zomermaanden wekenlang aan de kust verbleef.

Rond de eeuwwisseling, toen het hotel op het toppunt van zijn roem was, hanteerde het etablissement prijzen die volledig waren afgestemd op de gegoede burgerij en adel.

Een kamer had in die periode een vanafprijs van 4 tot 5 Belgische frank per nacht. Voor de meest luxueuze kamers of suites met uitzicht op zee liep dat bedrag op tot 10 à 15 frank per nacht, wat in die tijd een aanzienlijk kapitaal was.

Voor de maaltijden werd er destijds vaak gewerkt met vaste tarieven, aangezien veel gasten op basis van volpension verbleven. Een ontbijt kostte destijds ongeveer 1,50 frank.

Voor het middagmaal, de Table d’Hôte genoemd, betaalde men destijds rond de 4 frank.

Het uitgebreide avonddiner, dat vaak uit verschillende gangen bestond en waarbij de gasten in avondkledij verschenen, kostte doorgaans 5 frank per persoon, exclusief de wijnen.

Wie liever à la carte dineerde in het prestigieuze restaurant van het hotel, betaalde uiteraard nog hogere prijzen, afhankelijk van de gekozen exclusieve ingrediënten en de geïmporteerde Franse wijnen uit de kelders van het hotel.

Als we kijken naar de latere periode, na de Eerste Wereldoorlog, toen het hotel inmiddels was omgedoopt tot Hotel Bristol, waren de prijzen door de inflatie en de veranderde economie natuurlijk sterk gestegen.

In de jaren twintig en dertig betaalde men al snel tussen de 35 en 60 frank voor een overnachting, afhankelijk van het seizoen en de luxe van de kamer.

Om een goed beeld te krijgen van de verhoudingen, is het interessant om deze hotelprijzen te vergelijken met het dagloon van een arbeider of bediende in diezelfde periodes.

Rond de eeuwwisseling, tijdens de Belle Époque, verdiende een gemiddelde arbeider in België ongeveer 2,50 tot 3 frank per dag voor een werkdag die vaak tien tot twaalf uur duurde.

Geschoolde arbeiders, zoals een ervaren textielarbeider of een mijnwerker, konden uiterst tot 4 frank per dag verdienen, terwijl ongeschoolde arbeiders en vrouwen vaak niet meer dan 1,50 tot 2 frank per dag ontvingen.

Een gewone overnachting in Hotel du Kursaal van 4 tot 5 frank kostte dus al snel bijna twee volledige daglonen voor een gewone arbeider.

Een uitgebreid avonddiner van 5 frank was voor hen onbetaalbaar, aangezien dit meer was dan wat ze op een hele dag verdienden.

Bedienden en lagere ambtenaren, zoals klerken of onderwijzers, zaten in een iets betere positie, al was hun inkomen naar huidige maatstaven nog steeds heel bescheiden.

Zij werden meestal per maand betaald en verdienden rond de eeuwwisseling tussen de 100 en 150 frank per maand.

Als we dat omrekenen naar een dagtarief, komt dat neer op ongeveer 4 tot 6 frank per werkdag.

Hoewel hun inkomen dus iets hoger lag dan dat van een fabrieksarbeider, was een verblijf in een luxehotel aan de zeedijk ook voor de gemiddelde bediende een onbereikbare luxe.

Eén enkele nacht in een zeezichtsuite van 15 frank slokte immers al snel tien procent van hun volledige maandloon op.

In de periode na de Eerste Wereldoorlog, tijdens de jaren twintig en dertig, waren de lonen door de enorme inflatie en de invoering van de achturige werkdag nominatief sterk gestegen, maar dat gold ook voor de levenskosten.

Een arbeider verdiende in de jaren dertig gemiddeld zo’n 35 tot 50 frank per dag.

Een bediende met een gemiddelde loopbaan mocht in die tijd rekenen op een maandloon van zowat 1500 tot 2000 frank, wat neerkwam op ongeveer 60 tot 80 frank per werkdag.

Omdat een kamer in het vernieuwde Hotel Bristol in die tijd tussen de 35 en 60 frank per nacht kostte, bleef de verhouding min of meer gelijk.

Een overnachting in het hotel kostte nog steeds een volledig dagloon van een arbeider tot zelfs een dagloon van een bediende.

Het toerisme aan de zeedijk bleef hierdoor tot aan de Tweede Wereldoorlog een privilege dat hoofdzakelijk was voorbehouden aan de rijke burgerij en de industriële elite.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog liep de hele zeedijk van Blankenberge zware schade op, omdat de Duitse bezetters de gebouwen daar nagenoeg volledig ontmantelden voor de aanleg van de Atlantikwall.

Dit leidde uiteindelijk ook tot het einde van de gloriedagen van veel oude belle-époquehotels.

In de jaren na de oorlog veranderde het toerisme aan de kust drastisch.

Het elitaire publiek trok weg en de oude, beschadigde luxehotels en villa’s maakten in de jaren 1950 en 1960 in hoog tempo plaats voor de moderne appartementsgebouwen die we vandaag de dag nog op de zeedijk zien.

Vandaag 45 jaar geleden: eerste aflevering van de Knokke Cup op BRT 1 en Nederland 2

Zou het ooit nog eens worden zoals vroeger, met een tierende Lou van Rees en een woedende Willem O. Duys?

Kregen we na jaren weer een echt rel-festival terug met keiharde, door en door gemene Belgen- en Hollander-grappen?

Of werd het Knokke-festival ook dit jaar weer een zouteloos liedjesgedoe waarin iedereen lief was voor iedereen?

Ach, had de oude heer Gustaaf Nellens nog maar geleefd.

Ivo Niehe was de kapitein van de ploeg en samen met Lori Spee, Suzanne Michaels en Wim Hogenkamp probeerde hij het Nederlandse team naar een goede prestatie te leiden.

Ivo Niehe was toen kapitein van de ploeg.

Lori Spee blonk dit jaar uit met haar zang.

Als kind zong Lori al opvallend hoog en goedbedoelde kennissen brachten haar en Ruud Jacobs (broer van Pim Jacobs, zwager van Rita Reys en ex-vriend van Liselore Gerritsen) bij elkaar.

Lori bleek over een schitterende stem te beschikken en mocht een heuse langspeelplaat volzingen met als titel “Behind those eyes”.

Lori schreef al haar teksten zelf en dat was in het hitgevoelige wereldje geen voordeel, want onzichtbare krachten wonnen meestal.

Maar misschien werden we eindelijk wakker en hoorden we dat Lori heel mooie liedjes schreef.

Suzanne Michaels leek het sprookje van ieder schoolmeisje te beleven: zo van de klas naar de platenstudio.

Haar eerste single werd eind 1979 een succes: “It should be Christmas every day”. In één keer werd dat plaatje opgenomen, omdat Suzanne het lied in één keer hemels zuiver zong.

In de platenindustrie hadden ze nog nooit eerder zoiets meegemaakt.

In 1981 zong ze onder meer “It’s you” en “Love me tender”.

Het werden geen dikke hits, maar ze had net haar diploma gehaald aan het begin van haar zesde jaar atheneum.

Eerst een diploma, vond haar moeder, en zo gebeurde het.

Maar wie weet lag straks heel België plat aan haar voeten.

Wim Hogenkamp, helaas ook al overleden in 1989, was het derde lid van de Holland-equipe, en hij werd door een klein aantal liefhebbers op handen gedragen.

Wim schreef ooit het liedje “De mallemolen” voor Heddy Lester, die er tijdens het Eurovisie Songfestival slechts weinig punten mee behaalde.

Aangespoord door dit “succes” stortte Wim Hogenkamp zich als uitvoerend artiest op zijn eigen werk.

Er werd een langspeelplaat gemaakt met de titel “Heel gewoon”, waarvoor hij een Edison ontving.

Toen droeg hij eenmaal de Louis Davids-ring om de ringvinger; de zanger zat helemaal gebeiteld.

Niets kon hem een tweede langspeelplaat meer in de weg staan en die kwam er dan ook, met als titel “Punt uit”.

Zoiets deed je vermoeden dat het de laatste plaat van Wim was.

Maar nee, volgens de biografie van de platenmaatschappij was de nabije toekomst voor Wim van groot belang: hij was met zoveel dingen tegelijk bezig dat het hem vaak moeilijk viel zijn gedachten op één activiteit te concentreren.

Plannen voor de toekomst waren er in ieder geval genoeg.

Nederland wist de Knokke Cup in 1981 niet te winnen.

De hoofdprijs ging dat jaar naar het Vlaamse team met Sofie (Sofie Verbruggen).

Ze vertegenwoordigde dat jaar ons land samen met haar collega-artiesten Johan Verminnen en actrice en zangeres Liliane Dorekens.

Liliane Dorekens, geboren op 29 oktober 1950 te Antwerpen, studeerde in 1972 af aan de Studio Herman Teirlinck als onderdeel van de allereerste lichting van de opleiding kleinkunst.

Ze deed dit samen met onder andere Connie Neefs en Luc Appermont.

Haar bekendste rollen zijn Melanie in de populaire komische serie Slisse & Cesar en Micheline Hoefkens (de vriendin van Rita) in de soap Familie.

Ze had daarnaast gastrollen in onder andere Thuis.

Ze speelde mee in grote producties zoals de musicals Je Anne (Koninklijk Ballet van Vlaanderen) en Fiddler on the Roof.

Recent vierde ze nog haar 55-jarige vriendschap met Connie Neefs in de muzikale theatervoorstelling Vrienden voor het leven.

De oorspronkelijke, grote zangwedstrijd De Knokke Cup (voorheen bekend als het Songfestival van Knokke of de Europabeker voor Zangvoordracht) liep jaarlijks van 1959 tot en met 1973.

In de jaren 80 werd er in het Casino van Knokke nog vijf keer een kleinschaligere versie onder de naam ‘Knokke Cup’ georganiseerd.

De allerlaatste editie van deze reeks vond plaats in 1986.

Als chef d’équipe (kapitein van de ploeg) deed Lou van Rees vanaf 1959 voor Nederland maar liefst 15 keer mee aan het befaamde Knokkefestival.

Regelmatig mondde dit uit in een relletje, maar volgens Van Rees was dat altijd weer goed voor de publiciteit.

Nederland won onder zijn leiding in 1964 met Willeke Alberti, Shirley, Trea Dobbs, Ilonka Biluska en Rita Hovink en in 1965 met Greetje Kauffeld, Liesbeth List, Conny van Bergen, Suzie en Jan Arntz.

Willem O. Duys schreef in diverse muziekbladen en werd wegens zijn grote vakkennis uitgenodigd om een optreden van Johnnie Ray voor de AVRO aan te kondigen.

Zo maakte hij op 1 juli 1959 zijn debuut als televisiepresentator en volgden er meer opdrachten.

In die tijd liet hij zich Willem ‘O’ Duys noemen.

Het was trouwens Willem Duys die Nederland in 1975 liet kennismaken met een nieuw fenomeen, namelijk Lee Towers.

Gustave (Gustaaf) Nellens (1907–1971) was een visionaire Belgische kunstverzamelaar en de legendarische directeur van het Casino Knokke.

Onder zijn leiding groeide de kustgemeente uit tot een internationale ontmoetingsplaats voor de absolute wereldtop uit de kunst- en muziekwereld.

Hij haalde iconen zoals Frank Sinatra, Edith Piaf, Jacques Brel en Nat King Cole naar het podium.

In 1952 bestelde hij de destijds grootste kristallen kroonluchter ter wereld (7 ton zwaar) voor de grote feestzaal.

Hij onderhield nauwe vriendschappen met meesters zoals Pablo Picasso, Salvador Dalí en Max Ernst, die er allemaal exposeerden.

Zijn meest permanente nalatenschap in het casino is de opdracht aan de surrealistische schilder René Magritte.

In 1953 realiseerde Magritte er de monumentale, 71 meter lange 360°-muurschildering Het betoverde rijk (Le Domaine Enchanté) in de zaal die vandaag de dag de Magrittezaal heet.

Na zijn onverwachte overlijden in 1971 werd het artistieke roer overgenomen door zijn zonen Jacques en Roger Nellens.

Zij zetten de familietraditie voort door onder andere popart-icoon Keith Haring naar Knokke te halen.

Ter nagedachtenis aan Gustave werd in 1974 het iconische stenen beeld Eva van Eugène Dodeigne in Knokke ingehuldigd.

De familie Nellens droeg de concessie van het casino in de jaren 90 van de vorige eeuw over aan de Franse casinogroep Partouche.

Hiermee kwam een einde aan de rechtstreekse creatieve en familiale leiding.

De Belgische gokgroep Napoleon Games nam de exploitatie in 2013 over. Het casino draagt vandaag de dag ook de naam Napoleon Casino Knokke.

Het gebouw zelf is eigendom van de gemeente Knokke-Heist.

De gemeente heeft recent grote plannen goedgekeurd voor een volledige vernieuwing en uitbreiding van de site.

Aan de renovatie van het casino hangt een stevig prijskaartje van 95 miljoen euro.

De bedoeling is dat de werken klaar zijn tegen 2032.

Vandaag, precies 93 jaar geleden, werd een icoon aan de Belgische kust officieel geopend.

Op 9 juli 1933 werd de nieuwe pier van Blankenberge ingehuldigd, een gebeurtenis die destijds werd gemarkeerd met de uitgave van een speciale postkaart.

Deze pier, een ontwerp met art-deco-invloeden van Jules Soete, verving de oorspronkelijke gietijzeren constructie uit 1894 die tijdens de Eerste Wereldoorlog door de Duitse bezetter werd vernield.

De nieuwe, betonnen pier strekte zich 350 meter uit in de Noordzee en werd al snel het symbool van de stad en een trekpleister voor toeristen.

Bij de opening was de pier niet alleen een wandelhoofd.

De eerste vier jaar bood het onderdak aan het pretpark ‘Luna Staar’, wat zorgde voor extra vertier boven de golven.

Het was een plaats van plezier en ontspanning, een moderne constructie die het optimisme van het interbellum uitstraalde.

Door de jaren heen heeft de pier heel wat meegemaakt en de constante invloed van de zee heeft zijn sporen nagelaten.

Recentelijk onderging de wandelweg dan ook een grondige renovatie, met als doel deze te herstellen naar het oorspronkelijke uitzicht van 1933.

Vandaag kunt u op deze plaats lekker eten met een pracht van een uitzicht.

Hoewel het geen officieel museum is, beschikt het gebouw wel over een exporuimte.

Hier worden regelmatig tijdelijke tentoonstellingen of evenementen georganiseerd.

De ruimtes worden ook veelvuldig verhuurd voor privéfeesten, bedrijfsevenementen en speciale proeverijavonden.

Ongeveer 87 jaar geleden ging mijn overgrootmoeder (Martha Van Hende) een dagje naar de zee, Blankenberge.

Van sociaal vakantieoord naar modern viersterrencomplex: de geschiedenis en toekomst van Duinse Polders in Blankenberge

Het vakantiecentrum Duinse Polders, gelegen aan de Albert Ruzettelaan op de grens van Blankenberge en Zeebrugge, is al tientallen jaren een vaste waarde voor toeristen op amper 200 meter van het strand.

De traditie van deze plek gaat ver terug. Oorspronkelijk lag dit gebied op het grondgebied van de oude gemeente Uitkerke, totdat de grenzen in 1901 werden herzien en het definitief bij Blankenberge ging horen.

Al vroeg in de twintigste eeuw werd de omgeving ontsloten door de aanleg van de stoomtramlijn, de voorloper van de huidige kusttram.

De eerste fases van het huidige gebouwencomplex werden opgetrokken in 1956, inmiddels zeventig jaar geleden.

In de decennia na de Tweede Wereldoorlog speelde de locatie een grote rol in het opkomende sociale toerisme in België.

Het centrum werd decennialang uitgebaat in samenwerking met de Christelijke Mutualiteiten en Intersoc.

Het was de plek waar in al die jaren duizenden gezinnen, groepen en jongeren hun eerste vakanties aan zee beleefden.

De eetcultuur in die beginjaren was legendarisch grootschalig.

Omdat er dagelijks honderden hongerige monden tegelijk gevoed moesten worden, begon het keukenpersoneel vaak al om acht uur in de ochtend met het voorbakken van de frieten om alles tegen de middag op tafel te krijgen.

Het centrum stond bekend om zijn strakke logistieke planning en de typische, onbezorgde vakantiesfeer.

Vandaag de dag trekt het complex nog altijd veel families, senioren en groepen aan. Een leuk weetje is dat het vakantiecentrum beschikt over een eigen, direct voor de deur gelegen halte van de Kusttram.

Bezoekers kunnen hun auto op het domein achterlaten en direct op de tram stappen om de rest van de Belgische kustlijn te ontdekken.

Daarnaast is het domein al sinds het najaar van 1989 de vaste thuisbasis voor de ELK, de Europese Landsbond voor Cactus- en Vetplantenliefhebbers.

Jaarlijks komen verzamelaars uit heel Europa hier samen voor een van de grootste ruil- en verkoopbeurzen op dit gebied.

Het centrum ligt bovendien geklemd tussen het strand en de Uitkerkse Polder, een eeuwenoud weidelandschap van circa 1400 hectare dat is uitgegroeid tot een van de belangrijkste vogelreservaten en grootste natuurgebieden van Vlaanderen.

De huidige gebouwen zijn inmiddels sterk verouderd en moeilijk duurzaam te renoveren.

Omdat de noden veranderen en mensen tegenwoordig veel meer comfort verwachten, broedt eigenaar Corsendonk Hotels op ambitieuze plannen.

Er is een vergunning aangevraagd om het bekende vakantiecentrum, dat het uitzicht van Blankenberge tientallen jaren heeft bepaald, grotendeels te slopen en te vervangen door een modern nieuwbouwproject.

De plannen voorzien in de bouw van een gloednieuw viersterrenhotel met 165 kamers, een grote wellness van meer dan 1.000 vierkante meter die ook toegankelijk zal zijn voor niet-hotelgasten, en 91 vakantieappartementen op dezelfde site.

Het totale project wordt opgetrokken in verschillende volumes. Naast het hotel en de appartementen omvat het ontwerp twee restaurants, een ondergrondse parking en een groene, rustgevende omgeving.

Het project zal in verschillende fases worden uitgevoerd.

In de eerste fase worden de 91 vakantieappartementen gebouwd, waarna in de latere fase het viersterrenhotel en de wellness volgen.

Na het openbaar onderzoek zullen de steden Brugge en Blankenberge, samen met de provincie West-Vlaanderen, beslissen over de toekenning van de vergunning.

Als de nodige vergunningen worden goedgekeurd, start de sloop van de oude gebouwen al eind dit jaar.

In 2028 begint dan de bouw van de vakantieappartementen, met het oog op een volledige oplevering in 2031.

Doordat er in fases wordt gewerkt, kan het vakantiecentrum tijdens de werkzaamheden gewoon openblijven en kan al het personeel aan het werk blijven.

Gisteren nog vandaag