De geschiedenis van de huidige IVG-School in Gent begon in de tweede helft van de negentiende eeuw, een tijd waarin het secundair onderwijs in Vlaanderen vrijwel volledig Franstalig was.

Omdat onderwijs destijds hoofdzakelijk een privéaangelegenheid was, betaalden ouders het schoolgeld zelf.

In deze tijdsgeest richtte wiskundeleraar Henri Rachez op 1 augustus 1852 in Brussel een privéschool op om leerlingen voor te bereiden op de Militaire School en de examens voor burgerlijk ingenieur.

Op 1 oktober 1899 breidde dit initiatief uit naar Gent met de opening van een dochterschool in het herenhuis De Cock aan de Nederkouter.

Onder de naam Institut Rachez de Gand bood de school onderdak aan bijna alle leerlingen van de Ecole Molitor, die door stadsverfraaiingen in het centrum moest sluiten.

In 1901 werd de Gentse vestiging volledig onafhankelijk. De focus verschoof in de jaren daarna geleidelijk: in 1905 kwam er meer aandacht voor wetenschappen naast wiskunde, en in 1909 kreeg de school de naam Institut de Gand, waarbij ook moderne talen een prominentere plek in het curriculum kregen.

Een belangrijke administratieve stap volgde op 1 september 1928, toen de lagere school officieel werd erkend en gesubsidieerd.

De zes laagste jaren functioneerden als transmutatieklassen waar Franstalige kinderen intensief Nederlands leerden, terwijl de voertaal in het zevende en achtste leerjaar volledig Nederlands was.

De secundaire afdeling was op dat moment nog niet erkend en hanteerde een verdeling van 65 procent Frans en 35 procent Nederlands.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog schreef de school in 1942 haar eerste meisje in, waarmee het de eerste gemengde school van Gent werd.

Dankzij het Schoolpact van mei 1959 kreeg de school via werkingskredieten en wedde-toelagen ruimere financiële middelen.

Dit maakte de weg vrij voor de officiële erkenning van de secundaire afdeling.

Het onderwijs schakelde volledig over op het Nederlands en de naam veranderde definitief in Instituut van Gent.

In 1970 kon de school voor het eerst gehomologeerde getuigschriften uitreiken aan haar leerlingen.

Ondanks de vernederlandsing bleef meertaligheid een essentieel onderdeel van het pedagogisch project.

Zo kregen leerlingen in het eerste jaar van de middenschool drie uur Engels per week, en werd het lessenpakket buiten de wettelijke kaders uitgebreid met extra lessen Frans en Spaans.

Sinds 2012 vaart de school een nieuwe koers onder de naam IVG-School, waarbij de letters staan voor de kernwaarden Inspirerend, Vrijdenkend en Geëngageerd.

Vandaag opletten voor een aprilvis, in ons verre verleden een reden om een postkaart op te sturen.

De traditie van 1 april is diep geworteld in onze geschiedenis en kent wereldwijd verschillende gedaantes, van de Amerikaanse April Fools’ Day tot de Russische Dag van de Dommerik.

Heemkundige René Beyst wijst erop dat de grappen vroeger vooral gericht waren op nieuwkomers, zoals vers personeel of immigranten, die als de pineut van de dag fungeerden.

Hoewel de exacte oorsprong van het gebruik onbekend is en mogelijk teruggaat tot de tijd van de Germanen, biedt de folklore interessante verklaringen voor specifieke tradities zoals de aprilvis.

Het idee was om iemand op pad te sturen voor een vis die pas één dag oud was, een onmogelijke opdracht die de lichtgelovigheid van het slachtoffer testte.

Wat betreft de specifieke datum van 1 april zijn er verschillende theorieën.

Een veelgehoorde verklaring is de overgang naar de Gregoriaanse kalender in 1582, waardoor het begin van het jaar verschoof van april naar januari en er verwarring ontstond bij wie de oude datum bleef aanhouden.

Een andere insteek is dat het een symbolisch Germaans gebruik betreft om de winter te verjagen en de lente te verwelkomen.

Door iemand met een onmogelijke boodschap weg te sturen, werd de koude periode figuurlijk de deur uitgewerkt.

Zo blijft 1 april een dag gehuld in raadsels en volksverhalen die herinneren aan een tijd waarin postkaarten en eenvoudige grappen centraal stonden.

Oude postkaart van de Onze-Lieve-Vrouw Sint-Pieterskerk in Gent

De geschiedenis van de Onze-Lieve-Vrouw Sint-Pieterskerk in Gent is nauw verweven met de oorsprong van de stad.

De plek op de Blandijnberg werd al in de zevende eeuw door de heilige Amandus gekozen voor de stichting van de Sint-Pietersabdij.

Voordat de huidige kerk er stond, bevond zich hier een romaanse abdijkerk die deel uitmaakte van een van de machtigste kloostergemeenschappen van Vlaanderen.

Deze vroege gebouwen leden zwaar onder de beeldenstorm en de godsdiensttwisten in de zestiende eeuw, waardoor een volledig nieuwe kerk noodzakelijk werd.

De eerste steen van de huidige barokkerk werd in 1629 gelegd door bisschop Antonius Triest.

Het ontwerp was van de jezuïet en architect Pieter Huyssens, die zich voor de monumentale koepel en de afmetingen liet inspireren door de Sint-Pietersbasiliek in Rome.

De kerk werd in de eerste fase gebouwd van 1629 tot 1649, waarna in de vroege achttiende eeuw nog een uitbreiding volgde.

Gisteren nog vandaag

Tijdens de Franse bezetting verloor het gebouw zijn religieuze functie en werd het tijdelijk als opslagplaats gebruikt, om vanaf 1810 weer officieel dienst te doen als kerk.

Een bijzonder aspect van deze locatie is de functie als begraafplaats voor de vroege graven van Vlaanderen.

Omdat de Sint-Pietersabdij in de vroege middeleeuwen de meest prestigieuze instelling van het graafschap was, kozen de vorsten deze plek voor hun zieleheil en dynastieke legitimiteit.

In de kerk liggen vijf graven van Vlaanderen begraven: Boudewijn I, Boudewijn II, Arnulf I, Arnulf II en Boudewijn IV.

Ook hun familieleden vonden hier hun laatste rustplaats, waaronder mogelijk Judith van West-Francië.

Zij was de dochter van de Karolingische koning Karel de Kale en de stammoeder van het Vlaamse gravenhuis.

De graven liggen daar dus niet toevallig; de plek was het spirituele en politieke hart van het vroege Vlaanderen, waar de dodenrust van de heersers de macht van hun opvolgers ondersteunde.

De lijn van deze machtige heersers eindigde formeel aan het einde van de achttiende eeuw met de Oostenrijkse keizer Frans II, die de laatste was die de titel in de oorspronkelijke feodale zin droeg.

Door de Franse Revolutie en de annexatie in 1795 werd het graafschap opgeheven en het oude stelsel vervangen door een modern bestuur, waardoor er na de Habsburgse vorst geen echte opvolgers meer kwamen.

In de negentiende eeuw werd de titel Graaf van Vlaanderen weliswaar nieuw leven ingeblazen binnen de Belgische monarchie, maar dit was slechts een ceremoniële titel voor leden van de koninklijke familie zonder daadwerkelijke bestuursmacht.

De laatste Belgische prins die deze titel droeg, was prins Karel, de broer van koning Leopold III, die in 1983 overleed.

Sindsdien wordt de titel niet meer toegekend, waarmee ook de symbolische lijn definitief ten einde kwam.

Tegenwoordig combineert de kerk de namen van de oude abdij en de afgebroken Onze-Lieve-Vrouwekerk aan de Schelde, en vormt het gebouw samen met het Sint-Pietersplein een herkenbaar baken in het Gentse stadsgezicht.

Gisteren nog vandaag

Oude postkaart van de Nationale Bank van België in Antwerpen (1912)

De Nationale Bank van België in Antwerpen is een monument dat een centrale rol speelt in de architecturale en financiële geschiedenis van de stad.

Het gebouw bevindt zich aan de Frankrijklei, op de plek waar vroeger de zestiende-eeuwse stadswallen lagen.

Nadat deze vestingswerken halverwege de negentiende eeuw werden gesloopt, ontstond er ruimte voor monumentale architectuur die de groeiende economische macht van Antwerpen moest weerspiegelen.

De bank werd opgericht om de monetaire stabiliteit te waarborgen en de handel in de wereldhaven te ondersteunen.

Het ontwerp is van de hand van architect Beyaert, die tussen 1875 en 1879 een indrukwekkend complex neerzette in een rijke eclectische stijl.

Hij combineerde elementen uit de Franse neorenaissance met barokke invloeden, wat resulteerde in een paleisachtige uitstraling die autoriteit en veiligheid uitstraalt.

De gevel is versierd met gedetailleerd beeldhouwwerk en beschikt over een kenmerkende koepel en paviljoens op de hoeken.

Beyaert slaagde erin om functionaliteit te koppelen aan esthetiek, waarbij de zware muren en het gesloten karakter van de benedenverdieping de noodzakelijke beveiliging voor de goudreserves en bankbiljetten boden.

Tegenwoordig heeft het gebouw zijn oorspronkelijke functie als operationeel bankkantoor verloren, nadat de Nationale Bank haar diensten in Brussel centraliseerde.

Het pand ondergaat momenteel een grootschalige renovatie via een meerfasig project onder leiding van Group L en de Participatiemaatschappij Vlaanderen.

De herwaardering van de benedenverdieping en een groot deel van de kantoorruimtes is reeds voltooid, wat in 2021 leidde tot de opening van interieurzaak Donum na jaren van leegstand.

Op 12 mei 2024 vond er een grote opening plaats waarbij het publiek een kijkje kon nemen in het vernieuwde interieur.

Op dit moment ligt de focus van de werkzaamheden op de dakverdiepingen, die verder worden aangepakt om het historische gebouw weer volledig functioneel te maken voor de toekomst.

Gisteren nog vandaag

Karel Miry: de Gentse componist van de Vlaamse Leeuw en wegbereider van het Nederlandstalig muziektheater

Karel Miry werd op 23 maart 1823 in Gent geboren als Carel Franciscus Leopoldus Stepman, de onwettige zoon van Francisca Stepman.

Pas twee jaar later, bij het huwelijk van zijn ouders Francisca en François Xaverius Miry in 1825, werd hij officieel erkend en kreeg hij de familienaam Miry.

Hij kreeg zijn eerste muziek- en vioollessen van zijn oom, Pieter Jan Miry, waarna hij vanaf 1835 studeerde aan het Toonkundig Conservatorium in Gent.

Gedurende zijn leven hanteerde hij verschillende varianten van zijn voornamen, zoals Carolus Franciscus Leopoldus en de Franstalige versie Charles François Léopold.

Hij trad in het huwelijk met Stephanie Joanna Elisa De Clercq en bouwde een indrukwekkende loopbaan op die hem uiteindelijk de onderscheiding van officier in de Leopoldsorde opleverde.

Binnen het Gentse muziekleven speelde hij een centrale rol als veelzijdig musicus die zowel als violist, dirigent en docent actief was.

Hoewel hij in 1840 als tweede violist solliciteerde bij het operaorkest van Gent, werd hij aanvankelijk als slagwerker aangenomen.

Pas in 1843 werd hij tweede violist en klom daarna op tot tweede concertmeester in 1849.

Van 1855 tot 1870 was hij concertmeester in het grote theater van Gent. Dit Grand Théâtre, de huidige Opera Gent, was destijds het prestigieuze centrum van het culturele leven voor de burgerij en fungeerde als een Franstalig bastion.

In 1857 werd hij door de gemeenteraad benoemd tot dirigent van de concerten en docent van de orkestklas, harmonieleer en compositie aan het Koninklijk Conservatorium Gent, waar hij in 1871 onderdirecteur werd.

Tot zijn leerlingen behoorden bekende namen als Florimond Van Duyse, Dorsan Pierre Norbert Van Reysschoot, Karel Roels, Hendrik Waelput, Jozef Van der Meulen en Leo Van Gheluwe.

Verder was hij muziekleraar in het Sint-Barbaracollege en inspecteur van het muziekonderwijs in de stadsscholen.

Zijn oeuvre is omvangrijk en omvat ruim 1000 werken in alle genres.

Een belangrijk instrumentaal werk is zijn Symfonie in sol-groot uit 1854, die vaak de Gentse symfonie wordt genoemd omdat hij het stuk opdroeg aan de magistraten van de Société royale des Beaux-Arts et de Littérature in zijn geboortestad.

Miry was een van de eerste Belgische componisten die opera’s schreef op Nederlandstalige libretto’s.

Al in 1841 componeerde hij de muziek voor Keizer Karel en de Berchemse Boer op tekst van Hippoliet Van Peene, mogelijk het eerste Nederlandstalige zangspel na 1830.

Hij won diverse prijzen, waaronder medailles van de Gentse Société royale des Beaux-Arts et de Littérature in 1849 en 1850.

Na een verblijf in Parijs tussen 1850 en 1852 won hij bij zijn terugkeer opnieuw prijzen van het Nederduitsch Taelverbond voor drie koorwerken.

Zijn stijl sloot nauw aan bij de romantische traditie, waarbij hij vaak putte uit lokale thema’s en volksverhalen.

Hiermee droeg hij aanzienlijk bij aan de emancipatie van de Nederlandstalige muziek in een tijd waarin het Frans domineerde.

Vandaag is hij bij het grote publiek vooral bekend als de componist van De Vlaamse Leeuw, waarvoor hij de muziek schreef in 1847 op een tekst van Hippoliet Van Peene.

Als eerbetoon aan hun samenwerking bevinden zich aan de Vlaamsekaai in Gent de naast elkaar gelegen Villa Karel Miry en Villa H. Van Peene.

Aan zijn voormalige woning in de Twaalfkamerenstraat is een gedenkplaat aangebracht.

Op het Casinoplein staat bovendien een monument van de hand van Hippolyte Leroy.

Dit gedenkteken bestaat uit een hoge witstenen zuil met zingende kinderen in halfverheven beeldhouwwerk en een Vlaamse leeuw die de vlag verdedigt aan de voet.

Bovenop staat het borstbeeld van Miry, die glimlachend naar het publiek kijkt.

Zijn beeltenis is eveneens vastgelegd op een olieverfschilderij van Gustave Vanaise in het Museum voor Schone Kunsten Gent.

De naam van de componist leeft voort in de Karel Miryzaal van het Gentse conservatorium aan de Hoogpoort en in een vergaderzaal in het Virginie Lovelinggebouw.

Ook buiten Gent wordt hij geëerd met straatnamen in Brugge, Antwerpen en Edegem.

Gisteren nog vandaag

De Predikherenlei dankt haar naam aan de orde van de Predikheren, een bedelorde die in 1215 werd gesticht door de Spaanse priester Dominicus Guzman om het evangelie te verkondigen en ketterij te bestrijden.

De naam verwijst ook naar de verdwenen Predikherenkerk die hier aan de overkant van de Leie, bij de Predikherenbrug, stond.

Deze 13de-eeuwse kerk, ook wel bekend als de kerk van de Jacobijnen en palend aan het vroegere Dominicanenklooster Het Pand, werd in 1860 afgebroken.

Op architecturaal vlak springt vooral het neogotische hoekpand aan de Sint-Michielshelling in het oog.

Dit zandstenen gebouw vormt een visuele brug tussen het koor van de Sint-Michielskerk en het eclectische postgebouw aan de overkant.

Iets verderop, op de hoek met de Nodenayesteeg, vind je op nummer Het Groen Kruis.

Dit was ooit de woning van Michael Mast, telg uit een familie die al sinds de 14de eeuw aanzien genoot in Gent.

Hoewel het pand in 1977 werd beschermd, was het in 1980 bijna slooprijp.

Gelukkig volgde in 1988 een vakkundige restauratie.

Vandaag staat de lei aan de vooravond van een grote metamorfose. Omdat de kaaimuren instabiel zijn en de balustrade aan vervanging toe is, wordt de hele omgeving heraangelegd.

Deze werken moeten eind 2026 klaar zijn.

Het asfalt maakt plaats voor natuursteen en de kaaimuren worden, net als aan de Graslei, deels verlaagd om het contact met het water te herstellen.

Er komt een steiger voor kano’s en kajaks, en met extra zitbanken, geveltuinen en bijna 70 fietsstalplaatsen wordt de Predikherenlei een groene en aangename verblijfsplek.

Oude postkaart van de Korenmarkt in Gent

Tegen het einde van de 10de eeuw groeide Gent zo snel dat de oude handelsnederzetting letterlijk uit haar eerste omwalling barstte.

De economische bloei en bevolkingsexplosie dwongen de stad om westwaarts te kijken, tot over de Leie.

Deze expansiedrift tekent tot op vandaag de kaart van Gent: nieuwe wijken vroegen om nieuwe parochies – denk aan Sint-Jacob, Sint-Niklaas en later Sint-Michiel – en om een nieuwe verdediging.

De grillige vorm van de binnenstad is een stille getuige van de grachtengordel die rond 1100 werd aangelegd.

Waar mogelijk werden de Leie en de Schelde ingeschakeld als natuurlijke barrière, aangevuld met gegraven grachten om de nieuwe wijken te omsluiten.

In de eeuwen die volgden, bleef de stad vervellen. Na het verwerven van stadsrechten in de 12de eeuw volgden nieuwe omwallingen in de 13de en 16de eeuw, en werden de versterkingen tot in de 18de eeuw voortdurend aangepast.

Pas in de 19de eeuw, toen Gent uitgroeide tot een industriële grootstad en de octrooirechten verdwenen, durfde de bevolking zich weer buiten de poorten te vestigen, wat leidde tot de typische 19de-eeuwse gordel.

Het kloppend hart van die eerste grote stadsuitbreiding – de zogenaamde ‘tweede middeleeuwse stad’ – is de Korenmarkt.

Dit plein is een rechtstreeks gevolg van de 10de-eeuwse groei: gronden werden verkaveld en de handel floreerde.

In 1208 duikt de naam voor het eerst op als forum segetum, oftewel graanmarkt.

Vanaf de 14de eeuw werd hier elke vrijdag het koren verhandeld, wat ook de oude naam ‘Koornaard’ verklaart.

Vandaag is de Korenmarkt een architecturale tijdreis. Je wordt er omringd door gevels die variëren van de 13de tot de 20ste eeuw, met als absolute blikvangers de westgevel van de Sint-Niklaaskerk en de monumentale toren van het Postgebouw ertegenover.

Oude postkaart van de Franse actrice en zangeres Martha Lagoutte.

Hoewel de naam Martha Lagoutte vandaag de dag misschien niet meer bij iedereen een belletje doet rinkelen, was ze rond 1900 een van de vele ‘artistes lyriques’ die de Parijse theaters kleur gaven.

Deze dames waren de influencers van hun tijd: hun beeltenis werd op grote schaal verspreid en gretig verzameld door bewonderaars.

Wat deze postkaart zo bijzonder maakt, is dat Martha hier niet poseert als de chique ‘Parisienne’ in een avondjurk, maar in haar podiumkostuum.

Ze draagt een fantasievolle outfit die het midden houdt tussen een page-pakje en een pierrot-kostuum, met die wijde broek en het rijk versierde jasje.

In die tijd waren zogeheten ‘travesti-rollen’ (waarbij vrouwen een jongensrol speelden) mateloos populair in operettes en revues.

Het meest in het oog springende detail is echter die enorme Japanse parasol.

Dit plaatst de kaart direct in de context van het ‘Japonisme’, een enorme rage die Frankrijk aan het eind van de 19e eeuw in zijn greep hield.

Alles wat uit het Oosten kwam was hip. Theaters speelden hierop in met operettes die zich afspeelden in exotische oorden, zoals de destijds immens populaire stukken The Geisha of Madame Chrysanthème.

Het is zeer waarschijnlijk dat Martha op deze foto schittert in een rol voor zo’n productie, waarin de Westerse fantasie over het Oosten centraal stond.

De kaart zelf is overigens ook een stukje vakwerk. Links onderin zie je de tekst ‘Héliotypie’, wat verwijst naar een destijds zeer geavanceerde druktechniek.

Hiermee konden foto’s met een ongekende scherpte en zonder korrel worden afgedrukt, waardoor we meer dan honderd jaar later nog steeds de lovertjes op haar jasje kunnen tellen.

Herman Verbaere was een bijzonder veelzijdig kunstenaar: hij maakte naam als kunstschilder, tekenaar, aquarellist, lithograaf én ontwerper van postzegels.

Hij zag het levenslicht in Wetteren als oudste zoon in een groot gezin van negen kinderen.

Dat hij een grafische richting uitging, was misschien geen toeval: zijn vader Leo Joseph was immers drukker-uitgever.

Zijn artistieke fundamenten werden gelegd aan de academie van zijn geboortedorp Wetteren, waar hij tot 1924 les volgde bij Prosper Böss.

Gisteren nog vandaag

Nadien trok hij naar de Academie van Gent om zijn talent verder te polijsten onder leiding van meesters als Jan Frans De Boever en Oscar Coddron.

Met succes, want in 1933 studeerde hij er af als laureaat.

Later zou hij zijn kennis zelf doorgeven als docent aan de School of Arts van Hogeschool in Gent.

In zijn privéleven trad hij in de zomer van 1935 in het huwelijk met Bertha Maria De Block, met wie hij een dochter kreeg, Huguette.

Verbaere was een uiterst productief kunstenaar die duizenden aquarellen op zijn naam heeft staan.

Zijn inspiratie vond hij vooral buiten: hij schilderde talloze landschappen en pittoreske dorpjes langs de Schelde, aan de kust, in Zeeland en in de Kempen.

Hij stond bekend om zijn opmerkelijke penseelvaardigheid, zijn sterke gevoel voor compositie en stond bekend om zijn meesterlijk kleurgebruik.

Maar zijn faam reikte verder dan het schildersezel.

Gisteren nog vandaag

Verbaere genoot internationale erkenning dankzij zijn illustraties en affiches voor diverse wereldtentoonstellingen.

Een absoluut hoogtepunt was de Wereldtentoonstelling van 1937 in Parijs, waar zijn affiches met Vlaamse landschappen bekroond werden.

Ook in eigen land was zijn werk alomtegenwoordig in het straatbeeld.

Vanaf 1948 werkte hij belangeloos mee aan een aantal projecten van de Provincie Oost-Vlaanderen en de Federatie voor Toerisme in Oost-Vlaanderen. Zijn talloze illustraties voor De spiegel van Oost-Vlaanderen getuigen van zijn liefde voor de stad Gent en zijn provincie.

Tussen 1935 en 1967 ontwierp hij talrijke affiches voor de NMBS en hij werkte ook voor de privésector, waaronder voor het bedrijf De Vreese-Van Loo uit Lokeren.

Daarnaast is zijn werk bekend bij verzamelaars, dankzij de reeks postzegels die hij tussen 1962 en 1970 ontwierp.

Herman Verbaere overleed op 26 augustus 1993 en liet een indrukwekkend en gevarieerd oeuvre na.

Gisteren nog vandaag