35 jaar geleden: het ongekookte ei van Fred Bervoets, een historisch portret door Jan Haerynck.

In juni 1991 vertelde de kersverse Staatsprijswinnaar voor Beeldende Kunst,

Fred Bervoets aan verslaggever Jan Haerynck dat hij niet wilde dat het accent op zijn alcoholische uitspattingen werd gelegd.

Hij wist dat hij dronk, maar hij deed in zijn leven ook nog iets anders.

Vaak riep hij gefrustreerd uit dat zijn schilderij al af was, maar zijn ei nog niet gekookt.

Hij had met de prijs eindelijk zijn langverwachte erkenning beet.

Het was toen elf uur ’s morgens in de huiskamer van zijn manager en boezemvriend Adriaan Raemdonck, de eigenaar van galerij De Zwarte Panter.

Schilder Fred Bervoets tartte er met zijn stoel alle evenwichtswetten.

Hij dronk koffie met whisky en wees de aangeboden sigaretten van de verslaggever af. Barclay was te licht voor hem; hij hield het bij Groene Michel, wat hij stukken gezonder vond.

De toen 49-jarige Bervoets grijnsde en legde uit dat er in die dagen in Antwerpen weinig of niets te beleven viel. Vroeger was dat anders geweest.

Hij vroeg of de verslaggever ook een borrel wilde en nam een stevige teug van de zijne alvorens zijn Antwerpen-theorie te verkondigen.

Hij zei dat de bezoeker goed moest luisteren, tenzij die daar geen zin in had.

Volgens hem leefden Antwerpenaars vroeger een beetje anders.

De jaren zestig waren een beweeglijke periode geweest waarin men het zich niet kon permitteren om een nacht in bed te liggen, uit schrik om iets belangrijks te missen.

In de beginjaren van de negentig was de situatie anders.

Als men toen een week sliep, stelde men op vrijdag vast dat er niks was gebeurd.

Hij voegde eraan toe dat als hij toen een café binnenstapte en iets te hevig met zijn armen zwaaide, de mensen al snel dachten dat hij uit het zothuis was gevlucht.

Fred Bervoets was toen een belangrijk kunstenaar en een monument, maar over geen enkele andere Vlaamse artiest werden in die tijd zoveel woeste verhalen rondgebazuind.

Hij noemde het geheimzinnig, een beetje verzonnen en een beetje waarheid, maar hij wilde vooral over schilderijen praten.

Dat was zijn leven en al de rest hoorde er voor hem gewoon bij.

Hij was destijds al twintig jaar een van de duurste, maar ook een van de meest eigenzinnige kunstenaars.

In de jaren zestig en zeventig hadden zijn woest-erotische schilderijen sterk gechoqueerd, waarbij kerk en staat niet ontsnapten aan zijn plastische spot.

Het had hem bijna de kop gekost, maar begin jaren negentig reageerde Vlaanderen met applaus.

Hij gaf toe dat hij over een gebrek aan succes niet mocht klagen, hoewel dat vroeger helemaal anders was geweest.

Over hem ging toen het verhaal dat zijn kunstwerken vlugger werden verkocht dan geschilderd, en hij schilderde zéér vlug.

Zelf zei hij soms vloekend dat zijn schilderij al klaar was, terwijl zijn ei nog niet was gekookt.

Dat wilde voor hem echter niet zeggen dat het allemaal zo makkelijk ging.

Het was telkens een hele worsteling in zijn hoofd, maar als de strijd daar eenmaal was uitgevochten, ging het razendsnel.

En als het resultaat hem niet beviel, gooide hij het gewoon in een hoek en nam hij een ander doek.

Tijdens zijn meest recente tentoonstelling had Bervoets zich gepresenteerd met bijna witte doeken, maar hij verzekerde de verslaggever dat zijn volgende expositie volledig anders zou zijn.

Dat moest ook wel, vond hij, want op dat moment in 1991 werkte hij met etsen.

Hij had elk jaar zo’n periode en geloofde sterk dat een artiest in zijn werk afwisseling moest vinden om niet gek te worden.

Voor een expositie maakte hij destijds altijd een serie schilderijen, wat volgens hem ook gevaren inhield.

Als hij in een bepaalde sfeer zat, was het mogelijk dat hij op den duur alleen nog met het plastische bezig was en zijn gevoelens vergat.

Vaak viel er dan een werk tussenuit waarvan hij voelde dat hij het moest maken, maar dat niet in het strakke concept van het moment paste.

Hij noemde dat een werk dat tussen de soep en de patatten viel. Jaren later werd zoiets dan in ere hersteld.

Zijn geplande volgende expositie zou dan ook volledig uit zulke bijna-vergeten werken bestaan, waardoor hij zich op dat moment de restaurateur van zijn eigen oeuvre voelde.

In een serie zaten voor hem altijd mindere en betere werken, maar een slecht werk gaf hij naar eigen zeggen nooit mee.

Na een diepe zucht stelde hij dat hij dat niet over zijn hart kon verkrijgen.

Een werk moest buiten de serie immers een eigen leven kunnen leiden; pas dan was het af, was het geboren en moest het op eigen benen staan.

Daarnaast wilde hij af en toe direct resultaat zien.

Met etsen was het eindproduct er pas na drie weken, dus om zichzelf wat op te krikken maakte hij dan vlug een schilderij tussendoor.

Dat deed hij gewoon om te weten of hij het nog wel kon en om zichzelf mentaal te beschermen.

Hij leefde immers in zijn eigen wereld en als hij niet onmiddellijk resultaat zag, dreigde hij te flippen.

Hij zou nooit hebben kunnen leven als een beeldhouwer die pas na maanden vaststelde dat hij een bepaald stuk niet had mogen afkappen.

Dat vond hij meer dan een verschrikking en absoluut geen leven meer.

Bervoets lachte toen en keek verstoord naar zijn twee kwetterende kanaries.

Hij schonk zijn glas nog eens vol, rookte in een ruk de helft van zijn sigaret op en legde uit dat hij absoluut geen reiziger was.

Hij bleef het liefst thuis, zodat hij op elk tijdstip kon schilderen. Op reis vond hij niet altijd het juiste doek of de juiste verf, en daar kon de schilder niet mee leven.

Een paar jaar eerder was hij op uitnodiging van een vriend naar de Amerikaanse woestijnstaat Nevada getrokken.

Daar had hij al na een paar uur door dat er weinig of niets te beleven viel.

De eerste dag had hij zich dan maar beziggehouden met het telkens opnieuw bekijken van een film over een onderzeeër die vastzat in een mijnenveld.

Meteen daarna had hij op een stuk van een oude parachute een televisieschilderij gemaakt.

Als hij zin kreeg, moest hij onmiddellijk iets op doek kunnen zetten, anders werd hij naar eigen zeggen zot.

Daarom zag men hem in die tijd nooit ver van zijn atelier ronddwalen; daar had hij alles, het was zijn paradijs.

In Nevada had hij 250 kilometer heen en terug moeten rijden om enkel een potje verf te kunnen kopen.

Hij begreep dan ook niet wat er zo leuk was aan reizen; het maakte hem alleen maar ontzettend zenuwachtig.

Zelfs een treinreis naar Brussel vond hij destijds al een kwelling, puur omdat hij zijn atelier moest kunnen ruiken.

Na dertig jaar schilderen zorgde een slecht werk bij hem nog steeds voor een kleine depressie.

Hij liet zijn stoel op één poot draaien, hoestte luidruchtig en sloeg met zijn vuist op tafel.

Hij weigerde te prutsen aan zijn schilderijen; voor hem was het af of niet. Een slecht schilderij bleef een vreselijk ding.

Vroeger schopte hij het gewoon kapot, omdat hij het niet meer kon zien.

Als hij toen in 1991 in zijn album bladerde, had hij wel eens spijt van die uitbarstingen, want er waren op die manier ook mooie dingen voor de eeuwigheid verloren gegaan.

Hij was daar stilaan rustiger in geworden; de houtblokken vlogen niet meer in het rond en hij draaide zo’n mislukt doek gewoon om, waarna hij er in de toekomst altijd naar kon teruggrijpen.

Hij gaf eerlijk toe dat slecht werk steevast leidde tot een kleine depressie.

Hij begon altijd met groot enthousiasme en als hij dan zag dat het de verkeerde kant uitging, deed dat pijn, waar zijn omgeving dan ook onder leed.

Daar stond tegenover dat als hij in een euforie leefde, zijn omgeving daar ten volle van kon meegenieten.

Met die euforie moest men volgens hem wel voorzichtig zijn.

Twee dagen tegen het plafond leven in de waan het helemaal te pakken te hebben, zorgde nadien voor nog veel meer pijn toen hij vaststelde dat het toch weer niet gelukt was.

Op de vraag van de journalist of het laatste schilderij altijd het beste was, mompelde hij iets in zichzelf, keek streng en ontkende dat ten stelligste.

Maar het was voor hem wel altijd een onmisbare stap op de weg, waarbij elke periode zijn specifieke toppers kende.

Als hij in zijn documentatiemappen bladerde, vloekte hij soms spijtig dat hij ergens niet mee was doorgegaan.

Alles bewust sturen was echter onmogelijk; hij leefde op intuïtie en die was onlosmakelijk verbonden met de levensomstandigheden van dat moment.

Hij keek toen door het raam en merkte filosofisch op dat het leven niet altijd even makkelijk was.

Maar het maken van donkere schilderijen betekende volgens hem absoluut niet automatisch dat hij een moeilijke periode beleefde.

Dat noemde hij een groot misverstand.

Hij had in het verleden grijze doeken met veel geweld geschilderd, maar vond het ronduit debiel om te denken dat hij in die tijd de hele dag met een pistool in het rond liep te zwaaien.

Hij vond dat zijn werk helemaal veel te eng werd bekeken.

Toen hij in een periode zat waarin hij bezeten was van witte doeken, had iedereen geroepen dat Bervoets milder was geworden.

Dat noemde hij puur gezichtsbedrog, want hij besefte dat hij nog nooit in zijn werk zo agressief was geweest als toen.

Het draaide voor hem immers niet om een kleur, maar om de pure kracht van de plasticiteit.

Hij vroeg zich in de zomer van 1991 luidop af wanneer de mensen dat eindelijk eens zouden gaan begrijpen.

Jan Haerynck, de journalist die het bewuste interview afnam, was een gewaardeerde Belgische reporter en schrijver.

Hij werd geboren in Tielt op 17 oktober 1964 en is helaas overleden in Gent op 14 april 2023.

Als zoon van de bekende dichter Gwij Mandelinck groeide hij op met een grote affiniteit voor taal en kunst.

Tijdens zijn succesvolle journalistieke carrière werkte hij voor diverse vooraanstaande kranten en tijdschriften, en was hij eveneens de auteur van onder andere De luchtkunstenaar, een veelbesproken biografisch boek waarin hij het leven van kunstpaus Jan Hoet belichtte.

Fred Bervoets werd geboren op 12 mei 1942 in Burcht en is uitgegroeid tot een van de meest markante figuren binnen de hedendaagse Belgische kunst.

Hij studeerde aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen en het Nationaal Hoger Instituut.

Zijn werk is moeilijk in een enkel hokje te plaatsen, maar wordt vaak omschreven als neo-expressionistisch met een rauw, verhalend en soms chaotisch karakter.

Bervoets put inspiratie uit zijn eigen leven, zijn dromen, angsten en de zelfkant van de samenleving, die hij met een intense wirwar aan lijnen op het doek of papier zet.

Naast schilder is hij een meesterlijk graficus die de etstechniek tot in de puntjes beheerst.

Hij gaf zijn enorme vakkennis ook decennialang door als geliefd docent aan de Antwerpse Academie, waar hij vele generaties jonge kunstenaars wist te inspireren en begeleiden.

De naam Fred Bervoets is onlosmakelijk verbonden met de bekende Antwerpse galerie De Zwarte Panter.

Deze galerie werd in 1968 opgericht door Adriaan Raemdonck en is daarmee de oudste nog actieve galerie voor hedendaagse kunst in Vlaanderen.

De Zwarte Panter is prachtig gevestigd in de historische kapel van het Sint-Julianusgasthuis in de Hoogstraat.

Bervoets is er al meer dan een halve eeuw de absolute huisartiest.

De band tussen de kunstenaar en de galeriehouder is uitzonderlijk; ze zijn veel meer dan alleen zakenpartners, ze zijn boezemvrienden die samen de hele evolutie van de Antwerpse kunstscene hebben meegemaakt en mee vormgegeven.

De vernissages van Bervoets in De Zwarte Panter zijn al jarenlang heuse volkstoelopen, waarbij zowat de hele artistieke en bohémien-scene van de stad samentroept.

Een leuk weetje over Bervoets is dat hij bekendstaat om vaak nachtenlang vol overgave in zijn atelier te werken, gedreven door een onstuitbare scheppingsdrang.

Zijn werken zitten vol verborgen zelfportretten, waarop je hem vaak kan herkennen met zijn kenmerkende hoed, dwalend door een absurde of soms nachtmerrieachtige wereld vol vreemde figuren.

Wat de galerie betreft, fungeert De Zwarte Panter niet enkel als een gewone tentoonstellingsruimte, maar als een echt kloppend hart voor cultuur.

Het is een levendige ontmoetingsplaats waar ook schrijvers, dichters en muzikanten kind aan huis zijn.

Bervoets liet zijn etsen en tekeningen daar dan ook regelmatig samensmelten met poëziebundels van bevriende schrijvers.

Adriaan Raemdonck en Fred Bervoets hebben in de loop der jaren samen talloze prachtige kunstmappen uitgebracht die inmiddels erg gezocht zijn door kunstliefhebbers en verzamelaars.

35 jaar geleden, Guido Claus in de Post van 2 november 1990

Johan Claus (1938-2009) richtte in dat jaar het pand op de hoek van de Hoogstraat en de Oude Houtlei in, geïnspireerd door de gelijknamige club van Al Capone in het Chicago van de jaren dertig.

Nog datzelfde jaar liet hij de exploitatie over aan zijn broer Guido, die van de zaak zijn levenswerk zou maken.

Samen met zijn levensgezellin Motte gaf Guido het artiestencafé een renommee die tot ver buiten de grenzen reikte.

Het unieke interieur, de gezelligheid en de persoonlijkheden van het koppel maakten van de ‘Hotsy Totsy’ een begrip.

Het werd een pleisterplaats voor kunst- en cultuurliefhebbers, waar ook Guido’s broer Hugo Claus en Jan Hoet graag geziene gasten waren.

Hugo legde er regelmatig een kaartje met zijn broer en literaire vrienden.

Aan de zijmuur in de Oude Houtlei hangt zijn lofgedicht ‘Achter deze gevel hier’, opgedragen aan Guido en het café.

De club was ook het decor voor een memorabel literair moment: op 17 maart 1983 stelde Hugo Claus er zijn langverwachte meesterwerk ‘Het verdriet van België’ voor aan pers en publiek, wat in de Belgische pers een ongekende hype veroorzaakte.

Guido Claus was zelf ook artistiek actief. Van 1986 tot 1991 vormde hij met Jan Albert De Bruyne (alias ‘Prof. Arnoldus Goedbier’) het muzikaal straattheater-duo ‘Twee Wezen’.

Daarnaast speelde hij in de toneelbewerking van ‘Lijmen & Het been’ (naar Willem Elsschot) en vertolkte hij rollen in films als ‘De Loteling’ (1973), ‘Vrijdag’ (1981) en ‘Hector’ (1987).

In november 1991 kwam er een abrupt einde aan een tijdperk door het plotse overlijden van Guido Claus.

De Groep Druwel kocht de zaak en het nabijgelegen pand.

Na een restauratie werd het café overgenomen door Patrick De Graeve, die de zaak een nieuwe boost gaf met Motte Claus als deel van zijn team.

Al meer dan 50 jaar is de ‘Hotsy Totsy’ een authentiek Gents artiestencafé.

Vandaag de dag is de uitbating al enkele jaren in de goede handen van Lara, die de unieke sfeer van deze historische plek verderzet.

Vandaag, precies 25 jaar geleden, op 30 maart 2000, vond de opening voor genodigde plaats van de opmerkelijke kunstmanifestatie ‘Over The Edges’ in Gent.

Het publiek kon de tentoonstelling bezoeken van 31 maart tot en met 29 juni 2000.

Voor mijn horecazaak, de Hotsy Totsy, waren het topdagen.

Bijna elke avond kwam Jan Hoet langs met een van de kunstenaars, wat voor een bruisende sfeer zorgde.

De expositie werd tot ver over de landsgrenzen besproken, en maar liefst 250.000 bezoekers trokken naar Gent voor ‘Over The Edges’.

De openluchttentoonstelling, die een beetje de voorloper van ‘Track’ was, schreef geschiedenis met Jan Fabres opzienbarende hamzuilen.

Fabre bekleedde de acht Corinthische zuilen van de universiteitsaula in de Voldersstraat met 600 kilogram gerookte ham, waardoor ze op gevilde poten leken.

Het werk zorgde direct voor opschudding en haalde de voorpagina’s, met protesten als ‘Terwijl mensen honger lijden, wordt hier met eten gemorst’ en ‘Geen kunst maar wansmaak’.

Jan Hoet verdedigde de artistieke vrijheid en legde uit dat de ham een metafoor was voor de vergankelijkheid van het vlees, en dat Fabre de relatie tussen vlees en skelet wilde onderzoeken.

De discussie over de hamzuilen barstte los in heel Gent, waarbij iedereen, van slagers tot juweliers, en zelfs bekende Vlamingen en de gemeenteraad, zich in het debat mengde.

De zuilen, gehuld in Ganda-ham, waren een maand lang het gesprek van de dag.

Speciale bewakers werden ingezet om de zuilen te beschermen tegen vandalen, maar uiteindelijk wonnen bacteriën en bederf het van de ham.

Naast de hamzuilen waren er nog tal van andere opmerkelijke kunstwerken te zien in de stad.

Wim Delvoye’s ‘Transparity’, een indrukwekkend glas-in-loodraam in de Norbertijnenkapel, trok veel bekijks.

Op het Sint-Michielsplein stond een naakte reus, een cycloop met één oog, gecreëerd door de Italiaan Marco Boggio Sella.

Op de Korenlei werd elke drie minuten een bord op de grond gegooid, en in een kamer op de eerste verdieping was een ruziënd koppel te zien.

Uiteindelijk sneuvelden er 10.000 borden.

Dit ‘huishoudtafereel op de hoek van de straat’, zoals de Franse kunstenaar Patrick Lebert zijn werk noemde, zorgde eveneens voor de nodige discussie.

Vanavond is het ook al 25 jaar geleden dat Jan Hoet en Dany Vandenbosche in debat gingen over cultuur, politiek en beeldende kunst in de Hotsy Totsy (26 juni 1997)

Een avond om nooit te vergeten. Helaas was Wim ziek maar dit hebben we vlug kunnen oplossen.

Trouwens Jan en Dany hebben niet echt een moderator nodig om zich te laten sturen in het debat en er een leuke avond van te maken.

Conservator Jan Hoet, die sinds hij zich bij de CVP engageerde terecht « kunst-paus » wordt genoemd, ging vorig jaar in tal van debatten in de clinch met Dany Vandenbossche, de toenmalige SP-schepen voor cultuur.

De laatste tijd zaten ze elkaar niet meer in de haren.

Hebben ze misschien hun wilde haren verloren ?

We zullen het vanavond weten, want om 22 uur treden ze in de Hotsy Totsy in de ring voor een terugmatch.

We gebruiken opzettelijk de boksterm, want wie de Hotsy Totsy kent, weet dat dat toepasselijk is. En ook omdat het de lievelingssport is van Hoet natuurlijk.

Scheidsrechter is Wim Van Gansbeke. Eens zien of hij slagen onder de gordel toelaat, nu hij er daar onlangs zelf een aantal mocht incasseren… (met dank aan Ronny De Schepper voor het krantenartikel van het HLN, 26/6/1997)

Vanavond is het ook al 25 jaar geleden dat Jan Hoet en Dany Vandenbosche in debat gingen over cultuur, politiek en beeldende kunst in de Hotsy Totsy (26 juni 1997)

Vandaag 90 jaar geleden, de geboorte van Pim De Rudder.

Eigenlijk wilde Pim De Rudder beeldhouwer worden, maar de paters van het Sint-Barbaracollege hadden hem dat afgeraden.

Hij ging dan maar architectuur studeren in Sint-Lucas in Gent.

Later keerde hij terug naar zijn geboortehuis in zijn dorp tussen de Oost-Vlaamse polders.

De Rudder maakte in de culturele wereld naam als galeriehouder.

Zijn kunstgalerij in de Hoogstraat lokte heel wat grote namen naar een ‘boerengat’ als Assenede.

Zo vond de eerste kunstexpositie van Hugo Claus plaats in zijn galerij. Maar ook Roger Raveel. Floris Jespers, Pjeroo Roobjee, Jan Decleir, Drs. P., Jan Hoet en zelfs voormalig eerste minister Théo Lefèvre behoorden tot Pims kennissenkring.

Dit jaar zijn er heel wat activiteiten rond ’60 Years of Gallery’ in de galerij Stichting Pim De Rudder in Assenede. (Diverse bronnen en foto’s Hans de Greve)

Tentoonstelling, van de Grande Dame Motte van de Hotsy Totsy in galerie Pim De Rudder Assenede en dit nog tot 25 oktober 2020 elke zondag van 15 u tot 18 uur)

Het verhaal van de befaamde ‘Hotsy Totsy Club’ start in 1973, het jaar waarin zijn jongste broer Johan Claus (1938-2009) het pand – gelegen op de hoek van de Hoogstraat met de Oude Houtlei – inricht en decoreert met voor ogen de gelijknamige ‘Hotsy Totsy Club’ van Al Capone uit het Chicago van de jaren dertig.

In datzelfde jaar nog laat hij de exploitatie over aan broer Guido die er zijn levenswerk van maakt.

Het unieke interieur, de gezelligheid en de persoonlijkheden van Guido en levensgezellin Motte geven het artiestencafé een renommé tot ver buiten de grenzen.

Ook broer Hugo Claus, Jan Hoet, en vele anderen, zijn er een graag geziene gasten, die regelmatig een kaartje legt met zijn broer en zijn literaire vrienden.

Van Hugo Claus hangt buiten aan de zijmuur van de Oude Houtlei trouwens een lofgedicht op Guido Claus en op de ‘Hotsy Totsy’, genaamd ‘Achter deze gevel hier’.

De ‘Hotsy Totsy’ is als authentiek Gentse artiestencafé ruim 45 jaar een begrip in Gent en is nog steeds een pleisterplaats voor iedereen die geïnteresseerd is in kunst en cultuur.

Op 17 maart 1983, stelde Hugo Claus in de club zijn lang verbeide magnum opus Het verdriet van België voor aan pers en publiek.

De publicatie zorgde in de Belgische pers voor een nooit geziene hype.

Van 1986 tot 1991 vormde Guido Claus met Jan Albert De Bruyne (alias ‘Prof. Arnoldus Goedbier’) het muzikaal straattheater-duo ‘Twee Wezen’, speelde hij in de toneelbewerking van Lijmen & Het been (naar Willem Elsschot) in het NTG (september 1986), en vertolkte tevens een tiental rolletjes in films, onder meer in: ‘De Loteling’ (1973), ‘Vrijdag’ (1981) en ‘Hector’ (1987).

In november 1991 overlijdt Guido Claus plots en koopt de Groep Druwel de zaak en het nabijgelegen pand.

Na de restauratie van het gebouw, verkoopt de Groep Druwel de zaak aan Patrick De Graeve, die de zaak een nieuwe boost gaf en waar Motte Claus deel uitmaakt van zijn team.

Al enkele jaren is de uitbating van de Hotsy Totsy in goede handen van Lara.

Vernissage Motte Claus in galerie Pim De Rudder Assenede. Van 4 tot 25 oktober 2020 elke zondag van 15 u tot 18 uur. Stichting Pim De Ridder Hoogstraat 4-6 Assenede.

Vandaag ook al 20 jaar geleden, opening van de kunstmanifestatie Over The Edge in Gent.

Het waren toen topdagen voor de Hotsy Totsy, bijna elke avond kwam Jan Hoet met één of andere kunstenaar.

Tot ver over onze grenzen werd over zijn expositie gesproken.

Niet minder dan 250.000 bezoekers zakten af naar Gent voor Over the Edges

De openluchttentoonstelling in 2000 die een beetje de voorganger van Track is – ging de geschiedenis in als de expositie van de hamzuilen van Jan Fabre.

Fabre had de acht Corinthische zuilen van de universiteitsaula in de Voldersstraat met 600 kilogram gerookte ham bekleed. Het waren net gevilde benen.

Het werk lokte meteen protest uit en was voorpaginanieuws.

Terwijl mensen honger lijden, wordt hier met eten gemorst of Geen kunst maar wansmaak, was de teneur van het protest.

Jan Hoet verdedigde de vrije meningsuiting van de kunstenaar: de ham was een metafoor voor de vergankelijkheid van het vlees.

Met het werk wilde Jan Fabre de relatie tussen vlees en skelet aftasten, luidde het verder.

Zowat iedereen mengde zich in de discussie: van de slager tot de juwelier.

Ook BV’s en de Gentse gemeenteraad gooiden zich in het debat.

De zuilen met hun kleed van Ganda-ham waren een maand lang het gespreksonderwerp in de Arteveldestad.

Er werden zelfs speciale bewakers ingezet om de zuilen en hun vlezige jasjes te beschermen tegen vandalen. Uiteindelijk kregen bacteriën en bederf de ham klein.

In de hele stad waren opmerkelijke werken te zien, zoals Transparity, een opmerkelijk glas-in-loodraam dat Wim Delvoye in de Norbertijnenkapel had gemaakt.

Op het Sint-Michielsplein stond een naakte reus. Het ging om een cycloop, een reus met één oog, in het midden van het voorhoofd.

Een werk van de Italiaan Marco Boggio Sella.

Op de Korenlei kletterde om de drie minuten een bord op de grond. In een kamer op de eerste verdieping werd ruzie gemaakt door een koppel.

Niet minder dan 10.000 borden sneuvelden. ‘Een huishoudtafereel op de hoek van de straat’, noemt de Franse kunstenaar Patrick Lebert zijn werk. (Diverse bronnen, Wikipedia en het Nieuwsblad)

Vandaag ook al 20 jaar geleden, opening van de kunstmanifestatie Over The Edge in Gent.
Vandaag ook al 20 jaar geleden, opening van de kunstmanifestatie Over The Edge in Gent.
Vandaag ook al 20 jaar geleden, opening van de kunstmanifestatie Over The Edge in Gent.
Vandaag ook al 20 jaar geleden, opening van de kunstmanifestatie Over The Edge in Gent.