De Franse acteur Jean Marais, geboren als Jean Alfred Villain-Marais en door intimi liefkozend Jeannot genoemd, kende een bewogen weg naar de top.
Zijn kinderjaren waren verre van eenvoudig.
Toen hij werd geboren, weigerde zijn moeder hem te zien, omdat haar dochtertje pas enkele dagen daarvoor was overleden.
Toen zijn vader terugkeerde uit het leger was Jean vijf jaar oud, maar niet veel later bracht zijn moeder de drie kinderen onder bij hun grootmoeder, waar ze zonder vader opgroeiden.
Al van jongs af aan droomde Jean van het acteurschap, ondanks het gebrek aan steun van zijn familie en twee afwijzingen door de toneelschool.
Nadat hij van school werd gestuurd omdat hij verkleed als meisje zijn vrienden vermaakte en met een leraar flirtte, ging hij aan de slag als assistent van een fotograaf.
Zo kon hij acteerlessen bekostigen bij de grote regisseur Charles Dullin.
Om rond te komen nam hij vermoeiende figurantenrolletjes aan voor tien frank per dag, maar hij was zielsgelukkig om eindelijk in de theaterwereld te staan.
In het begin viel hij vooral op door zijn aantrekkelijke uiterlijk en innemende persoonlijkheid, maar al snel ontwikkelde hij zich tot een veelzijdig en gerespecteerd acteur.
Zijn levenslange passie voor schilderen leverde hem zijn eerste filmkans op: regisseur Marcel L’Herbier kocht in 1933 een van Jeans doeken en gaf hem meteen een paar kleine filmrollen.
Het echte keerpunt kwam toen hij op zijn vierentwintigste de dichter en cineast Jean Cocteau ontmoette.
Cocteau lanceerde Marais’ carrière met rollen in onder meer ‘Oedipe-Roi’ en ‘Les Chevaliers de La Table Ronde’.
De ontmoeting voelde voor Marais als een wedergeboorte. Cocteau werd een vaderfiguur, mentor en levenspartner, en de twee bleven onafscheidelijk tot Cocteaus dood, vijfentwintig jaar later.
Samen boekten ze enorme successen, zoals met de film ‘L’Éternel retour’ en klassiekers als ‘La belle et la bête’ uit 1946, waarin Marais op meesterlijke wijze zowel het beest als de prins vertolkte, en ‘Orphée’ uit 1949.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef hij optreden in het bezette Parijs, maar na de bevrijding in 1944 meldde hij zich bij de Tweede Franse Pantserdivisie.
Als vrachtwagenchauffeur bracht hij brandstof en munitie naar het front, een moedige inzet die hem het Croix de guerre opleverde.
Na de oorlog groeide Marais uit tot een internationaal tieneridool en een icoon van de Franse cinema en het theater.
Hij schitterde in romantische drama’s, komedies en vooral spannende mantel-en-degenfilms.
In de jaren zestig boekte hij opnieuw enorm veel succes in de populaire Fantômas-reeks, waarin hij zowel de geheimzinnige schurk met het blauwe masker speelde als journalist Fandor, tegenover komiek Louis de Funès.
Ook op muzikaal vlak liet de veelzijdige artiest van zich horen.
Zo bracht hij in 1988 op het label Franceval het nummer On oublie tout, on oublie rien uit.
De tekst werd geschreven door Gilbert Sinoué en François Valéry, die tevens de muziek componeerde.
Het nummer is een weemoedige bespiegeling over nostalgie, de vergankelijkheid van de tijd en de manier waarop herinneringen en muziek verbonden blijven met iemands levensverhaal.
De tekst beschrijft hoe men door de jaren heen bepaalde details uit het verleden lijkt te vergeten, maar dat de diepere emoties, de gezichten van vrienden, de liefdes en de mooie momenten onuitwisbaar in het geheugen bewaard blijven.
Marais bracht het nummer destijds onder de aandacht via optredens in Franse televisieprogramma’s, waaronder het populaire La Classe.
Voor zijn indrukwekkende oeuvre ontving hij in 1993 een ere-César en in 1996 het Franse Legioen van Eer.
Datzelfde jaar speelde hij zijn laatste filmrol in ‘Io ballo da sola’ van Bernardo Bertolucci.
De veelzijdige kunstenaar Jean Marais overleed op 8 november 1998 in Cannes aan een hartaanval en liet een rijke erfenis aan film, theater, schilderkunst en beeldhouwwerken na.


