
Samen met haar echtgenoot, koning Leopold III, maakte ze incognito onder de naam Renard een laatste uitstapje voor ze huiswaarts zouden keren.
Het ongeval gebeurde toen de koning, die zelf aan het stuur zat, even werd afgeleid doordat de koningin hem iets aanwees.
Hij verloor de controle over de wagen, die van de weg raakte en tegen een perenboom botste.
De koningin, die wellicht probeerde uit de reeds geopende deur te springen, werd uit de auto geslingerd en kwam met een fatale klap tegen diezelfde boom terecht.
De wagen reed nog door, botste tegen een tweede boom en belandde in het Vierwoudstrekenmeer.
Door een zwaar hoofdletsel was koningin Astrid op slag dood.
Met haar stierf mogelijk ook haar ongeboren vierde kind.
De koning zelf was opmerkelijk genoeg vrijwel ongedeerd.
Het nieuws van haar dood, na slechts een jaar koningin te zijn geweest, dompelde België in een diepe rouw.
Het land treurde om zijn jonge, geliefde vorstin en leefde mee met de prinsen Boudewijn en Albert en prinses Joséphine-Charlotte, die de avond ervoor met de trein naar huis waren vertrokken en nu plots hun moeder verloren hadden.
Het verlies tekende koning Leopold voor de rest van zijn leven.
Zijn verdriet was immens; hij verbood zelfs zijn kinderen om over hun moeder te spreken, liet haar boudoir onaangeroerd en bewaarde zelfs haar met bloed besmeurde jurk.
Als blijvende herinnering liet hij een kapel bouwen op de plaats van het ongeluk in Küssnacht, op een stuk grond dat hem door de gemeente werd geschonken.
Koningin Astrid, de vierde koningin der Belgen, vond haar laatste rustplaats in een praalgraf in de koninklijke crypte van Laken.
Ze rust er naast haar echtgenoot en diens tweede vrouw, Lilian, prinses van Retie.
Haar belangrijkste erfenis zijn haar kinderen: Joséphine-Charlotte, de latere groothertogin van Luxemburg, en de koningen Boudewijn en Albert II, die de toekomst van de Belgische monarchie zouden bepalen (29 augustus 1935, ABC 8 september 1935)

























