De Botermarkt in Gent heeft door de eeuwen heen heel wat verschillende namen en functies gekend.
Oorspronkelijk stond het plein bekend als de Paradeplaats, vernoemd naar de vele toneelvoorstellingen en parades die er werden opgevoerd.
In de vijftiende eeuw was het vooral de plek waar Gentenaars hun houtskool kochten, waarna het in de zestiende eeuw transformeerde tot de Wollemarkt.
Voor het Schepenhuis van Gedele vond toen de wekelijkse wolmarkt plaats.
Pas in de zeventiende eeuw veranderde het aanbod naar verse boter en eieren, wat uiteindelijk leidde tot de naam die we vandaag nog altijd kennen: de Botermarkt.
Het Schepenhuis van Gedele vormt samen met het gotische gedeelte een van de twee grote, beeldbepalende vleugels van het Gentse stadhuis.
Historisch hield het Schepengerecht van Gedele zich voornamelijk bezig met burgerlijke zaken, zoals voogdijkwesties, erfenissen en de zorg voor wezen, min of meer vergelijkbaar met het huidige vredegerecht.
De gevel aan de Botermarkt straalt een harmonieuze rust en regelmaat uit dankzij de opeenvolging van driekwartzuilen volgens de klassieke bouworden: Dorisch, Ionisch en Korintisch.
Deze renaissancestijl staat in scherp contrast met het flamboyante, laatgotische deel van het Schepenhuis van de Keure direct ernaast.
Precies tussen deze twee verschillende bouwstijlen loopt een opvallende blauw-witte regenpijp.
Deze kleuren zijn niet alleen de officiële stadskleuren van Gent en de clubkleuren van KAA Gent, maar symboliseren historisch gezien ook de kleuren van Maria.

