Op blote voeten in de Londense regen: Gandhi in oktober 1931

Van 12 september tot 5 december 1931 verbleef Mahatma Gandhi in Engeland.

Hij was er voor de Tweede Rondetafelconferentie in Londen, de onderhandelingen over de constitutionele toekomst van Brits-Indië.

Hij vertrok op 29 augustus 1931 uit Bombay met de s.s. Rajputana, arriveerde op 11 september in Marseille en bereikte Londen de dag erna.

Op 5 december verliet hij Engeland opnieuw. Via Parijs, Genève en Rome scheepte hij in Italië in en landde hij op 28 december weer in Bombay.

De Rondetafelconferenties (1930 tot 1932) gingen over meer zelfbestuur voor India en over een mogelijke federatie.

Het Indian National Congress had de eerste ronde geboycot: veel leiders zaten vast door de campagne van burgerlijke ongehoorzaamheid.

Na het Gandhi-Irwin-pact van 5 maart 1931, waarin die campagne werd opgeschort in ruil voor vrijlatingen en een plaats aan de tafel, ging Gandhi als enige officiële afgevaardigde van het Congres naar Londen.

De tweede conferentie liep van 7 september tot 1 december 1931.

Hij eiste in de praktijk volledige onafhankelijkheid, purna swaraj, en stelde dat hij namens heel politiek India sprak. Dat liep spaak.

Hij botste met andere groepen over aparte kiesstelsels voor moslims en voor de zogenoemde onaanraakbaren.

De Britse regering was intussen conservatiever geworden en deed geen wezenlijke toegevingen.

Gandhi vertrok dan ook teleurgesteld.

Tijdens zijn verblijf woonde hij in Kingsley Hall in de East End, bezocht hij textielarbeiders in Lancashire en sprak hij onder meer op de London School of Economics, op 10 november.

De klassieke hindoeïstische orde telt vier grote varna’s, van hoog naar lager: brahmanen (priesters en geleerden), kshatriya’s (krijgers en heersers), vaishya’s (handelaren, geldschieters en boeren) en shudra’s (arbeiders en dienaren).

Daarbuiten stonden groepen die als onaanraakbaar werden behandeld.

Volgens de toenmalige rituele opvatting maakten zij hogere kasten onrein door aanraking, soms al door hun schaduw of door hetzelfde water of voedsel te gebruiken.

Vaak mochten zij geen tempels, scholen of gemeenschappelijke waterputten delen.

Zij deden vernederend werk, zoals vuilnis en kadavers opruimen, en woonden apart.

De Britten spraken van Depressed Classes.

In de latere Indiase grondwet worden zij Scheduled Castes genoemd.

Velen noemen zichzelf later Dalit, “vertrapten”. Gandhi noemde hen Harijans, “kinderen van God”, en zag hen als hindoes.

Gandhi behoorde zelf tot de vaishya’s, de derde varna.

Binnen die groep kwam hij uit de Modh Bania, een handelaarsgemeenschap in Gujarat.

De naam Gandhi hangt samen met die achtergrond.

Hij werd in 1869 in Porbandar geboren. Zijn vader en grootvader waren diwan, een soort eerste minister, van kleine vorstenstaatjes in Kathiawar.

Later bestreed hij de onaanraakbaarheid, maar hij bleef zich als hindoe en vaishya zien.

In Londen stond tegenover hem B.R. Ambedkar, voluit Bhimrao Ramji Ambedkar (1891 tot 1956).

Hij was jurist, econoom en politicus, geboren in een Mahar-familie die tot de onaanraakbaren werd gerekend.

Hij studeerde onder meer aan Columbia University en de London School of Economics.

Ambedkar vond Harijan neerbuigend, rekende Gandhi tot de hogere kasten en wantrouwde diens claim om namens de onaanraakbaren te spreken.

Hij eiste een eigen politieke vertegenwoordiging, zodat die groepen niet van hogere kasten zouden afhangen.

Dat meningsverschil kwam in 1931 in Londen scherp naar voren.

Later werd Ambedkar de voornaamste opsteller van de Indiase grondwet van 1950 en de eerste minister van Justitie.

In 1956 bekeerde hij zich met honderdduizenden volgelingen tot het boeddhisme.

De hele periode kleedde Gandhi zich vrijwel zoals op de foto van oktober 1931: een korte dhoti van zelfgesponnen katoen (khadi), een sjaal of omslagdoek, en sandalen.

Schoenen of laarzen droeg hij vrijwel nooit.

Op regenachtige dagen liep hij soms op blote voeten, zoals op die foto.

Zijn gewone schoeisel bleven eenvoudige sandalen. Zo beschreven verslaggevers hem in september bij St James’s Palace, en zo zou hij op 5 november over de vloer van Buckingham Palace lopen.

Ook bij het bezoek aan de textielarbeiders in Darwen, eind september, noemen ooggetuigen sandalen en blote benen.

Een horloge hing vaak aan een koord, en hij had een stok bij zich.

Een westers pak, een hoed of een overjas droeg hij niet.

Dat was bewust. Sinds 1921 kleedde hij zich zo om zich met de armste Indiërs te vereenzelvigen en om de boycot van Brits textiel kracht bij te zetten.

Voor de reis wilden aanhangers dat hij zich warmer of formeler zou kleden.

Een krantenbericht uit april 1931 suggereerde zelfs dat hij een broek zou dragen.

Dat gebeurde echter niet. Ook bij officiële gelegenheden bleef hij bij die kleding.

Op 14 september verscheen hij zo in St James’s Palace, en op 5 november bij de thee op Buckingham Palace bij koning George V en koningin Mary, terwijl de uitnodiging “morning dress” aangaf.

Churchill noemde hem rond die tijd spottend een “half-naked fakir”.

Aan Gandhi wordt de opmerking toegeschreven dat de koning genoeg aan had voor hen allebei. Of hij dat letterlijk zo zei, is onduidelijk.

Geef een reactie