
Koninklijke boodschap van Urbanus (Joepie 2 januari 1983)

Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek









Hij werd geboren als derde kind van Kamiel Lateur (1841-1897) en Marie-Louise Gezelle (1834-1909), een jongere zus van priester-dichter Guido Gezelle.
Vader Lateur was kleermaker en een zwijgzaam man, in tegenstelling tot zijn vrouw die graag en boeiend sprak en vertelde.
Nadat Stijn Streuvels school had gelopen bij de zusters in de plaatselijke nonnenschool, stuurden zijn ouders hem in 1883 naar het St.-Jan-Berchmanspensionaat in Avelgem, waar zijn letterkundige begaafdheid voor het eerst tot uiting kwam.
Van 1886 tot 1887 leerde hij de bakkersstiel in Avelgem, Kortrijk en Heule.
In mei 1887 namen Streuvels ouders in Avelgem de bakkerij van zijn ongehuwde broer Lateur over en verhuisde heel het gezin naar deze gemeente aan de Schelde.
Van 1887 tot 1905, op de 20 maanden na (1889-1891) die hij in Brugge doorbracht om zich in het bakkersvak te bekwamen, bleef Streuvels in Avelgem bakken en schrijven.
Zijn eerste schetsen en gedichten verschenen in 1895 in De Jonge Vlaming en in Vlaamsch en Vrij.
De volgende jaren namen ook de voornaamste tijdschriften, zoals Van Nu en Straks, bijdragen op van zijn hand. In 1899 verscheen zijn eerste verhalenbundel Lenteleven.
Veertig jaar lang publiceerde Streuvels ieder jaar minstens één werk.
Onder de meest bekende bevinden zich De vlaschaard (1907), Het leven en de dood in de ast (1926), De teleurgang van de Waterhoek (1927) en Alma met de vlassen haren (1931).
Op 19 september 1905 huwde hij met Alida Staelens (1879-1975) en ging hij in Ingooigem in zijn pasgebouwde huis Het Lijsternest wonen, waar hij voortaan van zijn pen zou leven.
Zij kregen vier kinderen. Dichteres Jo Gisekin is een kleindochter van Streuvels.
In zijn laatste periode hield hij zich voornamelijk bezig met het schrijven van memoires.
Hij heeft ruim 60 jaar in het Lijsternest gewoond en overleed er op 15 augustus 1969.
Op zijn begrafenis op 21 augustus, met de wijtewagen waren er zowat 7000 mensen aanwezig. (Diverse bronnen en Wikipedia)


Gisteren nog vandaag







Gisteren nog vandaag
Nicole Josy stond al in 1961, op haar vijftiende, op de bühne en bracht in de jaren 60 liefst 23 solosingles uit: twaalf Franstalige, drie Duitstalige, zeven Vlaamstalige en zelfs eentje in het Italiaans.
Ze trok in die jaren ook internationaal op tournee met Adamo, Vince Taylor, Johnny Hallyday en Richard Anthony.
In 1968 wint ze samen met onder anderen Ann Christy de Europabeker voor Zangvoordracht in Knokke.
Toen in 1970 de Brt vroeg aan Hugo Sigal om een zieke presentator van een liedjesshow te vervangen, maakte hij daar tijdens de repetities kennis met Nicole.
Het was meteen raak, of zoals Hugo later zou zeggen, het was een coup de foudre en ook Nicole wist het meteen, dit is de man van mijn leven.
Een jaar later, op 1 december 1971, trouwde het koppel en zou vanaf dan tot vandaag altijd bij elkaar blijven.
Voor hun huwelijk deden Nicole en Hugo deel aan “Canzonissima”, de toenmalige Vlaamse preselecties voor het Eurovisiesongfestival.
Met “Goeiemorgen morgen” halen ze het van onder anderen Ann Christy en Johnny White.

In de week voorafgaand aan het festival moesten ze echter verstek laten gaan, vanwege de geelzucht.
Het waren toen Lily Castel en Jacques Raymond die het nummer uiteindelijk vertolkten.
Twee jaar later in 1973 kregen ze terug de kans om ons land te verdedigen.
Ondanks hun leuke paarse kostuums en hun act eindigen Nicole en Hugo op de zeventiende en laatste plaats met het nummer Baby Baby.
Daarna zijn ze vaak te gast in verschillende showprogramma’s op de BRT.

Vanaf 1983 entertainen ze het publiek ook jarenlang op cruises over de hele wereld.
In een interview zeiden ze daar het volgende over: “25 jaar hebben wij de wereld gezien. Praktisch alles wat aan het water ligt, hebben we gezien. In die tijd hebben we een héél mooi leven gehad”.
In 2005, tijdens de viering van de 50e verjaardag van het Songfestival, zijn Nicole en Hugo de hoofdgasten in de verjaardagsshow “Congratulations” die vanuit Kopenhagen in heel Europa wordt uitgezonden.
Na 32 jaar zijn ze daar terug te zien in hun paarse kostuums.
Drie jaar later winnen ze de coverwedstrijd “Zo is er maar één”, met hun versie van “Pastorale”, oorspronkelijk gezongen door Liesbeth List en Ramses Shaffy.

Met hun “Pastorale” staan ze op nummer 1 in de Vlaamse Top Tien, winnen ze de Radio 2 Zomerhittrofee en een MIA in de categorie populair.
Vier jaar later bereiken ze terug de eerste plaats in de Vlaamse Top 10 dankzij het nummer “Schietgebed”.
Het nummer is geschreven door Bart Herman.
Met dit nummer winnen ze ook de prijs voor het beste Nederlandstalige lied tijdens Zomerhit 2012.
In dat jaar verscheen ook hun laatste album met de toepasselijke titel Bedankt Vlaanderen.
Eind 2016 besliste het koppel om te stoppen met optredens.
Nicole kreeg twee keer de diagnose kanker.
Dit jaar raakt bekend dat ze ook leed aan de ziekte van Alzheimer.
Nicole is gisteravond in hun woning overleden nadat ze gevallen was.
Ze is 76 geworden.
Bert Peleman, zoon van een kruidenier, volbracht zijn humaniora in het Klein Seminarie van Hoogstraten, waar zijn leraars Ast Fonteyne en Remi Lens bij hem de belangstelling voor toneel en kunst opwekten.
Hij vervolgde met anderhalf jaar politieke en sociale wetenschappen in Leuven, maar onderbrak die studie tijdens het tweede jaar.
Hij had zich vooral onledig gehouden met het oprichten van een studentencabaret, waarmee hij optrad, onder meer voor de radio.
In die tijd raakte hij, onder de invloed van Jef Van Bilsen, in de ban van Joris Van Severen en werd lid van het Verdinaso.
Beroepshalve werd hij redacteur voor de cultuurbladzijde van De Courant en in 1939 werd hij medewerker bij het Nationaal Instituut voor de Radio-omroep (NIR).
In 1939 werd hij gemobiliseerd als luitenant in het Belgisch leger.
Hij publiceerde een boekje, Wij, soldaten, met fervente lofbetuigingen aan het adres van het koningshuis.
Krijgsgevangen na de Achttiendaagse Veldtocht werd hij tot in juli 1940 in Beieren opgesloten.
Na zijn terugkeer werd hij lid van de Eenheidsbeweging-VNV.
Hij werd hoofdreferent voor kunst en cultuur bij de door de bezetter gecontroleerde Radio Brussel en werd ondervoorzitter van de Duitsgezinde Brabantse kunstfederatie.
In 1942 verliet hij de radio om de leiding te nemen van het departement Stijl en Vorming van de Dietsche Militie – Zwarte Brigade.
Als gevolg hiervan liep hij vaak in het uniform van de Zwarte Brigade rond en reisde hij naar het Oostfront, waar zijn broer soldaat was.
Hij schreef ook de Mars van het Vlaams Legioen, getoonzet door Karel De Brabander, met onder meer het volgende vers:
Wij volgen het vaandel der leeuwen
door sikkel en hamer onteerd
Ons horen de komende eeuwen
Te wapen voor outer en heerd.
Wegens meningsverschillen verliet hij einde 1943 de Zwarte Brigade en werd tot aan het einde van de bezetting hoofdredacteur van het geïllustreerd weekblad De illustratie, een zusterblad van het collaborerende Volk en Staat.
Na de bevrijding werd Peleman gearresteerd op beschuldiging van collaboratie met de vijand en in 1946 werd hij ter dood veroordeeld wegens hoogverraad en tevens van medeplichtigheid aan de plundering van de woning van de burgemeester van Sint-Kwintens-Lennik.
Na zijn verblijf in het Hechteniskamp Lokeren, werd in maart 1947 de straf in beroep bevestigd, maar in april 1948 omgezet tot levenslange hechtenis.
Einde 1950 kwam hij vervroegd vrij, onder meer dankzij de inspanningen van verschillende letterkundigen, in de eerste plaats de Leuvense professoren Albert Westerlinck en Willy Peremans.
Hij hield zich voortaan afzijdig van actieve politiek en legde zich toe op de promotie van het toerisme in Vlaanderen, meer bepaald in de Brabantse Scheldestreek.
Hij stichtte hiervoor verenigingen, zoals Mercatoria (1955) en Scaldiana (1957). In 1969 was hij de initiatiefnemer voor het Schelde-eiland in Rupelmonde.
Hij werd de eerste directeur van de uitgeverij Mercatorfonds (1965-1966) en artistiek directeur bij de uitgeverij Buschmann (1966-1978).
Hij leidde er de reeks publicaties onder de naam Flandria Illustrata.
Hij werd ook lid en voorzitter van de Antwerpse Uilenspiegelgezellen (vanaf 1966) en van de internationale kunstenaarskring De 7 rond Tijl (vanaf 1977).
In 1986 kwam hij nog in het nieuws omdat de hem toegekende benoeming tot ridder in de Orde van Leopold II werd ingetrokken, na protest van verzetsstrijders en Waalse socialisten.
In 1937 kreeg Peleman de poëzieprijs van de provincie Antwerpen voor zijn dichtbundel Variante voor harp.
Hierin wordt het volkse leven van de boeren verheerlijkt. Het leven van de boeren en vissers in de Scheldestreek zijn vaak een thema in zijn werk.
De Schelde was een heel belangrijke inspiratiebron voor Peleman.
Zo zei hij in een interview: Voor mij is de Schelde eerder een bovenaardse dan geografische stroom geworden. Ze is voor mij uitgegroeid tot een slagader, een symbool van ebbe en vloed.
Vanaf 1938 schreef hij ook verzen voor Dietsche Warande en Belfort en publiceerde ook in het meer personalistische tijdschrift Vormen.
Zijn latere werk werd door zijn ervaringen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog soberder en somberder.
Hij haalde veel inspiratie bij de figuren van Reinaert de Vos en Tijl Uilenspiegel, die hij beschouwde als uitdrukkingen van de Vlaamse vrijheidsgeest.(Diverse bronnen, Wikipedia en de Post van 8 oktober 1972)





