Cher mag vandaag tachtig kaarsjes uitblazen.

De zangeres en actrice werd geboren als Cheryl Sarkisian in het Californische El Centro en brak door als de helft van het rock-‘n-roll-duo Sonny & Cher, dat ze vormde met haar toenmalige echtgenoot Sonny Bono.

Terwijl ze samen successen vierden, nam ze toen ook al haar eerste solonummers op.

Het huwelijk met Sonny strandde in 1975.

Slechts vier dagen na de officiële scheiding stapte Cher alweer in het huwelijksbootje met rockmuzikant Gregg Allman, de medeoprichter van The Allman Brothers Band, bekend van hits als Jessica en Ramblin’ Man.

Dat huwelijk kende een stormachtige start: al na negen dagen vroeg Cher een scheiding aan vanwege zijn heroïne- en alcoholverslaving, maar binnen een maand verzoende het stel zich weer.

Samen brachten ze onder de naam Allman & Woman nog het album Two The Hard Way uit.

Op 7 juli 1976 werd hun zoon Elijah Blue Allman geboren, die later in de voetsporen van zijn ouders trad en eveneens muzikant werd.

Na de breuk met Allman had Cher relaties met Kiss-bassist Gene Simmons en gitarist Les Dudek.

In totaal heeft ze twee kinderen: Chaz Bono en Elijah Blue Allman.

Naast haar muzikale loopbaan bouwde Cher een succesvolle carrière op als actrice.

Ze schitterde in films zoals The Witches of Eastwick, Mermaids, Silkwood, Mask, Suspect en Tea with Mussolini.

Haar acteerhoogtepunt beleefde ze op 11 april 1988, toen ze een Oscar voor beste actrice in ontvangst mocht nemen voor haar hoofdrol in Moonstruck.

In juli 2018 voegde ze een nieuw succes toe aan haar filmcarrière toen ze te zien en te horen was in de film Mamma Mia! Here We Go Again.

Ze vertolkte hierin de rol van Ruby Sheridan, de grootmoeder van Sophie.

Naar aanleiding van dit filmavontuur bracht ze in hetzelfde jaar het album Dancing Queen uit, een plaat die volledig gevuld was met haar eigen uitvoeringen van ABBA-covers.

Als zangeres bleef ze decennialang de hitlijsten bestormen.

In 1993 scoorde ze een opmerkelijke hit met een nieuwe uitvoering van ‘I Got You Babe’, dit keer samen met het MTV-tekenfilmduo Beavis and Butt-head.

Aan het begin van 1999 behaalde ze een grote nummer 1-hit in Nederland met het nummer ‘Believe’.

Haar repertoire bevat daarnaast bekende klassiekers zoals “Bang bang (My baby shot me down)’, ‘Gypsys, tramps & thieves’, Half-breed’, ‘Dark lady’, ‘If I could turn back time’ en ‘The shoop shoop song (It’s in his kiss)’.

In 2010 combineerde ze haar talenten in de film Burlesque, waarvoor ze de single ‘You haven’t seen the last of Me’ opnam.

In 2023 bracht ze haar kerstalbum Christmas uit, gevolgd door het verzamelalbum Forever in 2024.

Daarnaast bracht ze onlangs haar memoires uit en werd ze geëerd met een Grammy Lifetime Achievement Award.

De zangeres is nog regelmatig te zien op rode lopers en is momenteel druk bezig met het afronden van nieuwe muziek.

Ze werkt aan een nieuw studioalbum, wat waarschijnlijk haar laatste grote album zal zijn.

Ze verklaarde hierover dat het inzingen van de vocalen op deze leeftijd uitdagend is, maar dat de nummers fantastisch zijn.

foto april 1979

Cher over haar nieuwe album Take me home (Joepie van 27 april 1979).

Cher (juni 1991)

Gisteren nog vandaag

Boudewijn de Groot viert vandaag zijn 82ste verjaardag.

Een mooi moment om stil te staan bij zijn klassieker Verdronken vlinder.

Het nummer verscheen begin 1967 in eerste instantie als de B-kant van de single ‘Onder ons’, de opvolger van zijn grote hit ‘Het Land van Maas en Waal’.

Twee jaar later, in 1969, kreeg het lied alsnog een hoofdrol toen het werd uitgebracht als A-kant, met ‘Beneden alle peil’ als achterkant.

Beide nummers zijn geschreven door Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh, met een arrangement van Bert Paige.

In Verdronken vlinder verlangt de schrijver naar het vrije leven van een vlinder.

Gaandeweg beseft hij echter dat ook dat bestaan een schaduwzijde heeft, zoals een tragisch einde op een plas water.

Uiteindelijk kiest hij er dan ook voor om gewoon mens te zijn, met de troostende gedachte dat hij geen vlinder hoeft te wezen om echt te leven.

De andere kant van de single, ‘Beneden alle peil’, bezingt een onbeantwoorde liefde.

De zanger vindt de vrouw in kwestie geweldig, maar omdat zij alleen oog heeft voor zichzelf, vindt hij haar gedrag beneden alle peil.

Het nummer Verdronken vlinder bleek door de jaren heen een grote inspiratiebron voor andere artiesten.

In 1993 scoorden Erik Van Neygen en Sanne er een grote hit mee in Vlaanderen.

Daarnaast werd het lied in de loop der tijd ook succesvol gecoverd door uiteenlopende namen als Mama’s Jasje, Josee Koning, de cast van LikeMe en zelfs de indierockband Bettie Serveert.

Reclame voor het album Het Beste van Boudewijn de Groot (juli 1977)

Gisteren nog vandaag

De comeback van Boudewijn De Groot (Joepie 13 november 1973).

Het bekende nummer Testament is gecomponeerd door Boudewijn de Groot, terwijl Bert Paige tekende voor de arrangementen en Tony Vos de productie voor zijn rekening nam.

De tekst is grotendeels geschreven door Lennaert Nijgh, die in het lied via een fictief testament terugblikt op zijn jeugdjaren.

In deze nalatenschap deelt hij milde snerpen uit aan zijn familie, die hij beticht van valse getuigenissen, aan stelende vrienden en aan een bedrieglijke ex-vriendin.

Toch is het nummer niet louter bitter; Nijgh koestert tegelijkertijd de mooie herinneringen en reflecteert op verloren idealen.

Omdat Boudewijn de Groot een specifiek deel van de oorspronkelijke tekst niet goed bij zichzelf vond passen, nam hij zelf de pen ter hand voor het couplet dat begint met de regel over het fotoalbum van zijn ouders.

Testament verscheen op het succesvolle album Voor de overlevenden en deed daarnaast dienst als de B-kant van de hitsingle Het Land van Maas en Waal.

Gisteren nog vandaag

Boudewijn de Groot in de Muziek Expres van december 1979

Gisteren nog vandaag

Na een stilte van vijf jaar maakte Boudewijn de Groot in 1973 zijn comeback met het album Hoe Sterk Is De Eenzame Fietser.

De titel van de plaat is ontleend aan het bekende nummer Jimmy, dat hij vernoemde naar zijn zoon Jim. Vader en zoon schitteren samen op de albumhoes.

Naast Jimmy bevat het album nummers zoals Terug van weggeweest, Wat geweest is, is geweest, Onderweg, Het Spaarne, Kindermeidslied (Nurse’s Song), Tante Julia, Ik zal je iets vertellen, Parijs, Berlijn, Madrid, De kleine schoorsteenveger en De reiziger.

Voor de teksten werkte De Groot opnieuw samen met Lennaert Nijgh en met zijn toenmalige zwager Ruud Engelander.

Bovendien zijn twee nummers vertalingen van gedichten van William Blake.

Muzikaal kreeg hij ondersteuning van sologitarist Eelco Gelling, met wie hij al eerder samenwerkte op Nacht en ontij, en violiste Vera Beths, die een gastbijdrage leverde op het nummer’ ‘De reiziger’.

Bang dat het publiek hem in de tussentijd was vergeten, was De Groot niet.

Tijdens zijn afwezigheid deden zijn verzamelalbums het namelijk buitengewoon goed. Vooral de dubbel-lp Vijf Jaar Hits was een groot succes, snel gevolgd door een eveneens goed verkopend tweede deel.

Dit bewees dat zijn populariteit en bekendheid alleen maar waren gegroeid, waardoor het grote succes van Hoe Sterk Is De Eenzame Fietser niet als een complete verrassing kwam.

Het album werd een enorme hit, bereikte de eerste plaats in de albumlijst en hield het daar twintig weken vol.

Dit leverde De Groot een gouden en een platina plaat op, evenals zijn derde Edison.

Het succes kreeg begin 1974 nog een vrolijk staartje toen er een carnavalsversie van het nummer Tante Julia op single verscheen, opgenomen als duet met Nico Haak.

Gisteren nog vandaag

Otis Redding: Van talentenjacht tot wereldster

Op 8 februari 1958 organiseert een lokaal radiostation in Macon, Georgia, een talentenjacht onder de naam Teenage Party.

De show is al snel zo populair dat het kleine Roxy Theatre te krap wordt en de productie verhuist naar het grotere Douglass Theatre.

Vanaf dat moment kunnen luisteraars elke zaterdagochtend via de radio meegenieten van de opnames.

Het is tijdens een van deze edities dat Otis Redding het podium betreedt als kandidaat.

Zijn optreden maakt indruk en hij raakt in contact met de bekende gitarist Johnny Jenkins, die hem aanbiedt om zijn vaste begeleider te worden.

Dit moment is de start van een glansrijke, maar tragisch korte carrière.

Slechts negen jaar later, op 10 december 1967, komt de zanger op 26-jarige leeftijd om het leven bij een vliegtuigongeluk.

Een van zijn nummers is’ I’ve got dreams to remember’, dat hij samen met zijn echtgenote Zelma Redding en Joe Rock schreef.

Redding scoorde er na zijn overlijden een postume hit mee in 1968, en herhaalde dat succes nogmaals in 1994.

Op de B-kant van deze single staat het nummer ‘Nobody’s fault but mine’.

De single deed het internationaal goed en bereikte de hitlijsten in zowel de Verenigde Staten als Nederland.

In Nederland was het nummer een groot succes; het stond maar liefst veertien weken in de Hitparade, met de achtste plaats als piek, en het eindigde op de achtste plaats in de Top 40.

In Vlaanderen bleef het succes iets bescheidener en strandde het nummer in de Tipparade.

60 jaar geleden, Dusty Springfield met haar cover ‘You Don’t Have To Say You Love Me’.

Dit nummer vindt zijn oorsprong in het Italiaanse lied ‘Io che non vivo (senza te)’, wat zich vertaalt als ‘Ik, die niet zonder jou kan leven’.

Het werd geschreven door Pino Donaggio en Vito Pallavicini, waarbij Donaggio het in 1965 samen met Jody Miller voor het eerst zong tijdens het Festival van Sanremo.

In Italië groeide het direct uit tot een groot succes dat drie weken lang de hitlijsten aanvoerde.

Dusty Springfield was tijdens datzelfde festival aanwezig en raakte, ondanks de taalbarrière, diep ontroerd door de uitvoering.

Een jaar later namen haar vriendin Vicki Wickham en manager Simon Napier-Bell het initiatief voor een Engelse bewerking.

Springfield was uiterst perfectionistisch en had naar verluidt 47 takes nodig voordat ze tevreden was met de opname.

Haar inzet werd beloond met een wereldwijd succes: het nummer bereikte de eerste plaats in Groot-Brittannië en de vierde positie in de Amerikaanse Billboard Hot 100.

In Nederland maakte de plaat op 14 mei 1966 zijn debuut in de Top 40, waar hij tien weken genoteerd stond met de zevenentwintigste plek als hoogste resultaat.

Sindsdien is het nummer door talloze artiesten gecoverd. De versie van Elvis Presley uit 1970 is waarschijnlijk de meest bekende, maar ook namen als Brenda Lee, Cher en de Britse groep Guys ‘n’ Dolls hebben het lied uitgebracht.

Zelfs André Hazes nam het nummer in 1985 op onder de Nederlandstalige titel ‘Geloof mij’, een versie die in 2012 ook door zijn zoon André Hazes Jr. werd gezongen.

In Vlaanderen bracht Sandra Kim in 1993 een eigen vertolking uit met als titel ‘Wil je eeuwig van me houden’.

Reclame voor muziekcassettes van het merk Philips (oktober 1977)

Ray Charles bleek in maart 1961 elke cent van zijn honorarium waard te zijn.

De zanger had destijds met Georgia On My Mind een enorme hit te pakken, een nummer dat decennia eerder door Hoagy Carmichael was geschreven en al successen had gekend in de uitvoeringen van Louis Armstrong en Nat Gonella.

Hoewel veel Europese liefhebbers destijds nog niet de kans hadden gehad om hem live te zien, spraken Amerikaanse critici vol lof over zijn veelzijdige talenten.

De toen bekende jazzcriticus, Francis Newton vergeleek in het tijdschrift New Statesman het luisteren naar zijn platen met het kijken naar een tijger in een dierentuin; je zag de vorm, maar de ware kracht werd pas duidelijk tijdens een optreden.

Zijn concerten werden omschreven als bijna religieuze bijeenkomsten.

De sfeer raakte geladen met elektriciteit zodra hij achter zijn piano plaatsnam en zijn liedjes met een intense, bezielde stem de zaal in stuurde, terwijl het publiek ritmisch meewiegde.

Voor dergelijke optredens ontving hij destijds duizend dollar per voorstelling, een bedrag dat omgerekend naar de huidige waarde in 2026 neerkomt op ongeveer 11.000 dollar.

In 1961 was dit een uitzonderlijk hoog inkomen voor één avond, aangezien een gemiddeld gezin toen nog geen zesduizend dollar per jaar verdiende.

De single Georgia On My Mind was de voorbode van het album The Genius Hits The Road, waarvoor Sid Feller opnieuw als producer optrad.

Feller was een trompettist, orkestleider en arrangeur wiens dertigjarige samenwerking met Ray Charles weelderig gearrangeerde hits voortbracht zoals ‘I Can’t Stop Loving You’.

Als hoofdarrangeur voor Capitol Records en later ABC Records werkte Feller ook samen met grootheden als Peggy Lee, Mel Torme, Paul Anka, Steve Lawrence en Eydie Gormé

De arrangementen voor dit specifieke album werden echter verzorgd door Ralph Burns, een klassiek geschoolde musicus die aan het New England Conservatory of Music had gestudeerd.

Burns was bijna vijftien jaar lang een drijvende kracht achter het orkest van Woody Herman, de Amerikaanse jazzklarinettist en bigbandleider die zijn loopbaan al tijdens zijn middelbare schooltijd in Milwaukee was begonnen.

Na omzwervingen bij orkesten van onder meer Tom Gerun, Harry Sosnik en Isham Jones, richtte Herman in 1936 zijn eigen legendarische formatie op, waar hij tot het einde van zijn leven trouw aan bleef.

Ralph Burns zou later in zijn carrière, in 1972, een Academy Award winnen voor Cabaret en muziek arrangeren voor films als Lenny, New York, New York en All That Jazz.

Op het album The Genius Hits The Road reisden we door Amerika en kwamen we onder meer terecht in Alabamy Bound, Georgia On My Mind, Basin Street Blues, Mississippi Mud, Moonlight In Vermont, New York’s My Home, California, Here I Come, Moon over Miami, Deep In The Heart Of Texas, Carry Me Back To Old Virginny, Blue Hawaii en Chattanooga Choo-Choo.

Alleen in Virginny ontmoette hij op deze reis zijn Raelettes.

Deze groep, in 1958 voortgekomen uit The Cookies, bestond rond die tijd uit Gwen Berry, Margie Hendricks, Pat Lyles en Darlene McCrea.

Vooral de krachtige stem van Margie Hendricks gaf nummers als Hit the Road Jack hun onvergetelijke karakter.

Hoewel er binnen de muziekindustrie destijds veel werd gefluisterd over de persoonlijke verhoudingen tussen Charles en zijn zangeressen, was hun muzikale invloed onomstreden.

De Raelettes traden niet alleen op als ondersteuning; ze brachten later ook eigen werk en albums uit, zoals Yesterday… Today… Tomorrow uit 1972, en bleven in wisselende bezettingen tot aan zijn overlijden in 2004 met hem verbonden.

Ondanks dat het album uit 1961 een verzameling popnummers was, bewees Charles hiermee dat hij zelfs van eenvoudige liedjes zoals Deep In The Heart Of Texas iets muzikaals interessants kon maken.

Dit album is dan ook een aanrader voor mensen die graag luisteren naar bigbandmuziek en lichte jazz en is vandaag de dag nog steeds eenvoudig te beluisteren via diensten als Spotify en YouTube.

Burt Blanca, geboren als Norbert Blancke op 6 augustus 1944 in Neder-Over-Heembeek, wordt beschouwd als een van de absolute grondleggers van de rock-‘n-roll in België.

Zijn muzikale reis begon nochtans klassiek; als jong kind volgde hij lessen aan het conservatorium op de accordeon en klarinet.

Die wereld veranderde echter volledig toen hij de Amerikaanse rock-‘n-roll ontdekte.

Geïnspireerd door iconen als Elvis Presley en Bill Haley ruilde hij zijn klassieke instrumenten in voor een gitaar.

In de vroege jaren 60 vormde hij zijn band The King Creoles.

Ze maakten furore met instrumentale nummers die sterk deden denken aan de stijl van The Shadows en The Ventures.

Blanca stond al snel bekend om zijn virtuoze spel op de Fender Stratocaster, wat hem in eigen land de bijnaam de Belgische Elvis opleverde.

Wat zijn carrière echter uniek maakte, was zijn enorme succes over de taalgrens.

In 1961 werd zijn talent opgemerkt door het grote Franse label Pathé-Marconi.

Hij verhuisde naar Parijs, speelde in de legendarische club Golf Drouot en deelde in 1962 het podium van de Olympia met internationale grootheden zoals Gene Vincent.

Toen de muzikale trends in de jaren zeventig veranderden, bleef Blanca trouw aan zijn wortels.

Hij nam in dat decennium verscheidene rock-‘n-roll-albums op met zijn eigen versies van bekende songs uit het genre.

Zijn status als gerespecteerd muzikant werd bevestigd door de artiesten voor wie hij het voorprogramma mocht verzorgen.

Dit waren niet de minsten: hij opende voor legendes als Chuck Berry, Jerry Lee Lewis, Bill Haley, Gary Glitter en de Frans-Belgische rocker Johnny Hallyday.

De jaren tachtig brachten een enorme commerciële heropleving. In het begin van dit decennium ging Burt Blanca een samenwerking aan met Lou Deprijck, de producer achter Plastic Bertrand en Two Man Sound.

Dit resulteerde in de single Touche Pas à Mon R.N.R., waarmee hij de hitlijsten veroverde.

Maar daar bleef het niet bij. In 1983 richtte hij de band The Klaxons op.

Samen met zijn vrienden Jean-Marie Troisfontaine en Roger Verbestel schreef hij de megahit Clap, Clap Sound.

Het nummer werd een fenomenaal succes en haalde in verscheidene landen de top van de hitparade.

In Zuid-Afrika stond de single maar liefst 25 weken op nummer 1.

Het leverde hen verscheidene keren platina en zelfs diamant op.

Ook in het nieuwe millennium bleef hij actief en veelzijdig.

In januari 2004 maakte hij een uitstapje naar televisie door deel te nemen aan de opnamen van de populaire VTM-serie Familie.

Datzelfde jaar was ook op muzikaal vlak bijzonder: in juni 2004 gaf hij opnieuw een concert in de Olympia in Parijs en vierde hij zijn 45-jarige carrière met een optreden in de Ancienne Belgique.

Burt Blanca, inmiddels Ridder in de Orde van Leopold II, blijft de geschiedenis ingaan als de man die de elektrische gitaar in België populariseerde, internationale successen boekte van Parijs tot Zuid-Afrika, en zijn hele leven in dienst stelde van de rock-‘n-roll.

De Cubaanse pianist, organist en componist Pérez Prado

Dámaso Pérez Prado (1916–1989) was een Cubaanse muzikant en componist, maar de wereld kent hem vooral als de onbetwiste “Koning van de Mambo”.

Hij werd geboren als zoon van een onderwijzeres en leerde al als kind klassieke muziek spelen op de piano.

Later speelde hij orgel en piano in lokale clubs. In de jaren 40 was hij een actieve muzikant in Havana, waar hij onder meer deel uitmaakte van het Orquesta Casino de la Playa.

Nadat hij in 1946 zijn eigen band formeerde, zette hij in 1948 de beslissende stap: hij verhuisde naar Mexico-Stad.

Vanuit Mexico, waar hij het grootste deel van zijn carrière zou doorbrengen, perfectioneerde hij de mambo.

Hij creëerde een kenmerkend, explosief orkestgeluid: bombastisch, met vlijmscherpe trompetten en een onweerstaanbaar ritme, vaak aangevuurd door zijn eigen beroemde kreet: “¡Uh!”.

In de jaren 50 veroverde hij de wereld met instrumentale hits die synoniem werden met feesten.

Zijn bekendste nummers zijn “Mambo No. 5”, “Mambo No. 8” en “Patricia”. Met “Cherry Pink and Apple Blossom White” scoorde hij in 1955 zelfs een nummer 1-hit in zowel de VS als het VK.

Zijn succes leidde ook tot familieconflicten. Zijn broer, Pantaleón Perez Prado, toerde door Europa met een eigen orkest onder de naam “Perez Prado”.

Dit leidde tot een rechtszaak die Dámaso aanspande tegen zijn broer.

Pantaleón overleed in 1983 in Milaan, waar hij woonde.

Pérez Prado zelf overleed in september 1989 op 72-jarige leeftijd.

Zijn nalatenschap kreeg in 1999 een enorme boost toen Lou Bega zijn “Mambo No. 5” gebruikte als basis voor een wereldwijde hit, wat nogmaals bewees hoe tijdloos Prado’s muziek was.

De tweelingzussen Alice en Ellen Kessler zijn vandaag op 89-jarige leeftijd samen overleden. Onscheidbaar tot het laatst, kozen ze gezamenlijk voor euthanasie.

De zussen, geboren in 1936, laten een indrukwekkende en veelzijdige carrière na als danseressen, zangeressen en actrices.

Hun artistieke pad begon al vroeg. Dankzij hun muzikale ouders gingen de eeneiige tweelingzussen op zesjarige leeftijd naar de balletschool, wat in 1947 leidde tot een plek bij het kinderballet van de Leipziger Opera.

Na de vlucht van het gezin naar West-Duitsland in 1952 debuteerden ze in de revue van Düsseldorf. Het duurde niet lang voordat ze internationaal doorbraken.

In Parijs en Italië stonden ze bekend als de ‘tweeling van de benen’ en veroverden ze de harten van het publiek.

Vooral met Italië hadden ze een sterke band; ze woonden er van 1962 tot 1986 en hadden er hun eigen tv-show. Hun populariteit bleek ook in 1976, toen ze op 40-jarige leeftijd poseerden voor de Italiaanse Playboy. Dit zorgde voor een ware sensatie en het blad was in korte tijd uitverkocht.

Gedurende hun loopbaan deelden ze het podium met wereldsterren als Burt Lancaster, Fred Astaire, Sammy Davis Junior en Frank Sinatra.

Ook deden ze in 1959 mee aan het Eurovisiesongfestival met het nummer ‘Heute abend wollen wir tanzen gehen’, waarmee ze de achtste plaats behaalden (het jaar dat de Nederlandse Teddy Scholten won).

Ze waren echter ook kritisch op hun keuzes: zo weigerden ze een rol naast Elvis Presley in de film ‘Viva Las Vegas’, uit angst om in Hollywood getypecast te worden.

Sinds 1986 woonden de zussen weer in Duitsland, in Grünwald nabij München. Stilzitten deden ze niet; zo gaven ze in 2009 nog een reeks jazzconcerten.

Zoals ze hun leven samen deelden, zo zullen ze ook hun laatste rustplaats delen: Alice en Ellen hebben in hun testament vastgelegd dat ze samen in één urn begraven willen worden.

De Britse zangeres Petula Clark, geboren als Sally Olwen Clark, viert vandaag haar 93ste verjaardag.

Het nummer “This Is My Song” werd oorspronkelijk gecomponeerd door Charlie Chaplin voor zijn film “A Countess from Hong Kong” (1966), die op 5 januari 1967 in première ging.

De hoofdrollen waren voor Marlon Brando, Sophia Loren, Sydney Chaplin en Tippi Hedren.

Het scenario was losjes gebaseerd op het leven van de Russische artieste Moussia Sodskaya, die Chaplin ooit in Frankrijk had ontmoet.

Het was Chaplins laatste film als regisseur, en hij verscheen zelf nog een laatste keer in een kleine cameo als steward aan boord van het schip.

Voor de vocale versie van het titelnummer dacht Chaplin meteen aan Petula Clark.

Hij kende haar als buurvrouw – ze had net als hij een huis in Zwitserland – en vroeg haar om het nummer op te nemen.

Het project stuitte echter op de nodige weerstand. Haar vaste arrangeur, Tony Hatch, vond het lied niet geschikt voor haar.

Petula Clark zelf had ook grote moeite met de ouderwetse tekst, maar Chaplin weigerde er ook maar iets aan te veranderen.

Omdat Hatch afhaakte, werd het arrangement uiteindelijk gemaakt door Ernie Freeman.

De productie was in handen van Sonny Burke en de instrumentale begeleiding werd verzorgd door The Wrecking Crew, een bekende Amerikaanse groep sessiemuzikanten.

Clark was wel bereid het nummer op te nemen voor haar album, maar toen platenmaatschappij Pye Records besloot het als single uit te brengen, probeerde ze dat nog te blokkeren.

Tevergeefs, want het nummer werd toch uitgebracht en groeide, tegen haar eigen verwachtingen in, uit tot een wereldhit.

Het behaalde de eerste plaats in de hitparades van zowel Vlaanderen als Nederland.

Petula Clark zong later ook succesvolle versies in het Frans (C’est ma chanson), Duits (Love, so heisst mein Song) en Italiaans (Cara felicità).

Het succes van het lied stond in schril contrast met de ontvangst van de film.

“A Countess from Hong Kong” was een flop in de VS (waar het slechts 2 miljoen dollar omzette) en de rest van Europa.

De enige uitzondering was Italië, waar de film wel een succes werd. Uiteindelijk was het dankzij het enorme succes van de filmmuziek dat de film toch nog uit de kosten kwam.

45 jaar geleden, het repertoire van de eerste soulkoning Sam Cooke is nog altijd goed voor hits.

Sam Cooke, op 22 januari 1931 geboren als Samuel Cook in Clarksdale, Mississippi, was een van de acht kinderen van een dominee.

Zijn muzikale reis begon al vroeg in het kerkkoor van zijn vader, nadat het gezin naar Chicago verhuisde.

Samen met zijn broers en zussen vormde hij de groep ‘The Singing Children’, waarmee ze religieuze liederen zongen.

Als tiener zette hij zijn stappen in de gospelwereld voort bij groepen als The Teen Highway QC’s.

De overstap naar popmuziek volgde in 1960 met een contract bij RCA.

Met het werkkampnummer ‘Chain Gang’ brak hij definitief door bij het grote, blanke publiek.

Cookes talent als songschrijver was uitzonderlijk; hij schreef zowel meeslepende ballads als opzwepende dansnummers voor een jonger publiek, zoals ‘Twisting The Night Away’ en ‘Another Saturday Night’. Klassiekers als ‘Bring It On Home To Me’, ‘Sad Mood’ en het visionaire ‘A Change Is Gonna Come’ bevestigen zijn status als een van de invloedrijkste soulzangers aller tijden.

Op het hoogtepunt van zijn roem, op 11 december 1964, sloeg het noodlot toe.

Cooke vierde in Los Angeles het succes van zijn live-lp, die net de top 30 van de Billboard-albumlijst had bereikt.

Een ontmoeting met de 22-jarige Elisa Boyer leidde tot een gezamenlijk vertrek naar het Hacienda Motel.

Wat zich precies in de kamer afspeelde, blijft onduidelijk, maar het eindigde met een halfnaakte en woedende Cooke die de manager van het motel, Bertha Franklin, confronteerde.

Hij geloofde dat Boyer zich in haar kantoor had verstopt nadat ze er met zijn kleren vandoor was gegaan.

In de daaropvolgende confrontatie werd hij door Franklin doodgeschoten.

Franklin verklaarde uit zelfverdediging te hebben gehandeld, een verklaring die door de rechtbank werd aanvaard.

De zaak werd afgesloten als ‘gerechtvaardigde doding’. Toch zijn er altijd twijfels blijven bestaan. Velen geloven dat cruciale feiten in de doofpot werden gestopt en dat de ware toedracht nooit aan het licht is gekomen.

De erkenning voor zijn immense talent kwam pas na zijn dood.

Zo werd hij in 1987 opgenomen in The Songwriters Hall Of Fame en ontving hij in 1999 postuum zowel de Pioneer Award van The Rhythm And Blues Foundation als een Grammy Lifetime Achievement Award.

Sam Cooke werd slechts 33 jaar.

Vandaag mag de Belgische zanger Salvatore Adamo 82 kaarsjes uitblazen.

Salvatore Adamo’s levensverhaal begint op 1 november 1943 in Comiso, een Siciliaans dorp.

Zijn vader, de economische malaise in Italië beu, zocht zijn heil in België en begon in februari 1947 als mijnwerker in Marcinelle.

Een paar maanden later volgden zijn vrouw en de jonge Salvatore hem naar hun nieuwe thuis.

Het gezin vestigde zich in een bescheiden woning in de mijnwerkerscité van Ghlin, bij Bergen.

Muziek speelde er al snel een centrale rol. “Mijn moeder en vader zongen graag en veel,” vertelde Adamo later in Humo. “Zo werd ik doordrongen van het Italiaanse lied.

Maar tegelijk hoorde ik hier ook Brel, Bécaud, Aznavour.” Die unieke mengelmoes vormde zijn sound: een Siciliaans klinkende stem en melodie, gecombineerd met ‘Waals-Franse’ geïnspireerde teksten.

Zijn ouders, die later naar het naburige Jemappes verhuisden, stuurden hem naar school in de hoop dat hij aan een toekomst als mijnwerker zou ontsnappen.

Salvatore bleek een goede student, die vooral uitblonk in muziek en voordracht. Hij zong in het kerkkoor en leerde zichzelf gitaar spelen.

In 1960 waagde hij zijn kans bij een muziekwedstrijd van Radio Luxemburg. Hij stootte door naar de finale in Parijs en won, op 17-jarige leeftijd, met zijn eigen nummer “Si j’osais”.

Het leverde hem 10.000 Belgische frank en de eerste aandacht van platenmaatschappijen op.

Toch liet de echte doorbraak nog even op zich wachten; zijn eerste singles sloegen niet aan.

In het voorjaar van 1963 was het echter wel raak. “Sans toi, ma mie” werd een voltreffer, waarvan in recordtijd 100.000 exemplaren werden verkocht.

De hits volgden elkaar daarna in sneltempo op. Met “Tombe la neige” en “Vous permettez, monsieur?” brak hij in 1964 internationaal door, met name in Nederland en Frankrijk.

Nummers als “La nuit” en “Les filles du bord de mer” klommen moeiteloos naar de top van de hitlijsten.

Een halve eeuw geleden scoorde hij ook “C’est ma vie”, een nummer dat André Hazes zeven jaar later zou coveren als het bekende “’t Laatste rondje”.

Om zijn succes te verzilveren, bracht Adamo zijn nummers uit in diverse talen, waaronder Engels, Duits, Spaans en Nederlands. Vooral “Tombe la neige”, dat in Japan werd uitgebracht als “Yuki ga furu”, bleek een schot in de roos.

Het bezorgde hem een trouwe fanschare in het Verre Oosten, waar hij sindsdien regelmatig toert.

Niet al zijn hits waren zonder controverse. “Inch’Allah” (1967), bedoeld als vredeslied, werd ongelukkig gelanceerd net voor de Zesdaagse Oorlog.

Hoewel hij de tekst aanpaste, werd het in sommige Arabische landen als pro-Israëlisch gezien, wat hem een jarenlang inreisverbod opleverde.

Desondanks werd het wereldwijd een van zijn bekendste nummers. Met “Dolce Paola” (1965) bracht hij dan weer een ode aan de prinses met wie hij zijn Italiaanse roots deelde, al heeft hij de hardnekkige geruchten over een romance altijd ontkend.

Op jonge leeftijd verloor hij zijn vader Antonio, die in 1966 op 47-jarige leeftijd overleed.

Eind jaren 60 trouwde Adamo met zijn jeugdvriendin Nicole Durant, die bewust een leven buiten de schijnwerpers koos.

Ze kregen samen zoon Anthony (1969) en Benjamin (1980), die later als muzikant in zijn vaders voetsporen trad.

Begin jaren 2000 onthulde Adamo dat zijn dochter Amélie (1979) voortkwam uit een tienjarige buitenechtelijke relatie met de Duitse actrice Annette Dahl.

Na zijn absolute topjaren eind jaren 60 nam zijn dominantie in de hitlijsten af. Adamo koos bewust voor een minder commerciële koers, maar bleef wereldwijd intensief optreden.

Dat eiste zijn tol: in 1984 kreeg hij een hartinfarct, en twintig jaar later, in 2004, een hersenbloeding. Na een jaar rust herstelde hij gelukkig volledig.

Zijn bekendheid zet hij sinds 1993 ook in als ambassadeur voor UNICEF.

De erkenning voor zijn carrière is groot: in 2001 werd hij geridderd door koning Albert II, en in 2005 eindigde hij hoog in de verkiezing van “De Grootste Belg”.

Recentelijk, op 29 januari 2025, ontving hij nog de ‘Lifetime Achievement Award’ op de MIA’s.

Zijn naam leeft zelfs voort in een Nederlandse tulp en een Franse straatnaam.

Met meer dan 100 miljoen verkochte albums is zijn nalatenschap immens.

De unieke combinatie van romantiek, melancholie en die kenmerkende hese stem blijft mensen aanspreken.

Zijn collega Jacques Brel vatte het ooit treffend samen: “de tedere tuinman van de liefde”.

En ook op zijn 82e is het liedje van deze Siciliaanse Belg nog lang niet uitgezongen.

Twee jaar na zijn coversalbum “In French Please” bereidt hij een aan een nieuw album.

De eerste single daarvan, ‘Ma belle jeunesse’, kregen we op 19 september 2025 al te horen.

Na een optreden in Brugge afgelopen zomer, staan er de komende maanden nog drie concerten in België gepland, alvorens hij begin 2026 weer naar Frankrijk trekt.

Joepie 29 oktober 1975