Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
In 1981 werd de stem van Kim Carnes in Amerika omschreven als een geluid dat tegelijkertijd zoet en schor was, vergelijkbaar met gekarameliseerde suiker.
Ze kon destijds inderdaad zeemzoet overkomen, om dan plots rauw uit te pakken.
Dat was destijds goed te horen op Bette Davis Eyes, haar eerste hit in onze hitlijsten.
Kim Carnes weigerde eerst om het nummer op te nemen, maar gelukkig voor haar en voor ons veranderde ze van mening na het horen van de nieuwe arrangementen die geschreven waren door Bill Cuomo.
Het nummer was destijds geschreven door Jackie DeShannon en Donna Weiss en was oorspronkelijk terug te vinden op het album New Arrangements van Jackie DeShannon uit 1975.
De single kwam op 28 maart 1981 de Billboard Hot 100 binnen en stond vanaf 16 mei 1981 negen weken op de eerste plaats.
In Vlaanderen bereikte de single de vijfde plaats in de hitlijst, terwijl de single in Nederland niet verder kwam dan de zeventiende plaats in de Top 40.
Hiermee bereikte de kleine blonde dame destijds eindelijk wat haar jaren daarvoor al was voorspeld.
Collega-muzikanten en journalisten waren het er toen immers al roerend over eens dat ze in de wieg was gelegd voor de status van superster, en met die felbegeerde eerste plaats in de Amerikaanse hitlijsten had ze dat doel op dat moment ook helemaal waargemaakt.
De eerste grote stap werd ruim een jaar daarvoor gezet met de hit ‘Don’t fall in love with a dreamer’, een duet van Kim met Kenny Rogers.
Dat liedje had ze destijds samen met haar echtgenoot Dave Ellingson geschreven.
Kim kende Kenny Rogers trouwens al lang, aangezien ze ooit samen lid waren van de groep The New Christy Minstrels.
Kenny Rogers was daar toen niet de zanger, maar speelde er gedurende een kleine twee jaar contrabas.
Deze groep had een sterk wisselende bezetting.
Andere bekende oud-leden zijn Barry McGuire, die na zijn vertrek in 1965 een wereldwijde hit scoorde met Eve of Destruction, Jerry Yester, die later bij The Lovin’ Spoonful speelde, Gene Clark, die later deel uitmaakte van The Byrds, en Larry Ramos, die later zanger en lid werd van The Association.
Haar eerste solo-hit in Amerika was geen eigen compositie, maar ‘More Love’ van Smokey Robinson.
Uit dezelfde eerdere elpee Romance Dance kwam destijds ook een eigen versie van ‘Cry like a baby’ van de Box Tops.
Grote namen zoals Barbra Streisand, Anne Murray en Rita Coolidge hadden haar nummers toen al vertolkt.
Barbra Streisand heeft zelfs drie verschillende nummers gezongen die door Kim Carnes zijn geschreven: ‘Love Comes from Unexpected Places’, dat Streisand opnam voor haar succesvolle album ‘Superman’ uit 1977,
‘Stay Away’, dat door Streisand werd gecoverd op haar album ‘Songbird’ uit 1978, en later het nummer ‘Make No Mistake, He’s Mine’, wat een bijzonder geval is, omdat dit nummer in 1984 werd uitgebracht als een duet tussen Barbra Streisand en Kim Carnes en terug te vinden is op Streisands album ‘Emotion’.
Anne Murray coverde ‘You’re a Part of Me’, een nummer dat oorspronkelijk door Kim Carnes werd geschreven en uitgebracht op haar titelloze album uit 1975.
Ook Rita Coolidge coverde datzelfde nummer ‘You’re a Part of Me’.
Daarnaast coverden ook grotere namen zoals Don Williams, Engelbert Humperdinck, Kenny Rogers en Tim McGraw nummers van haar hand.
Zelfs Frank Sinatra had al met haar werk te maken gehad; zij en haar echtgenoot herbewerkten en schreven destijds de tekst voor zijn nummer ‘You Turned My World Around’, een compositie van Bert Kaempfert en Herbert Rehbein die Sinatra in 1974 uitbracht als single en die ook te horen is op zijn album Some Nice Things I’ve Missed.
Kim Carnes heeft in haar carrière naar schatting tussen de 10 en 15 miljoen platen verkocht, waarbij albums en singles zijn meegeteld.
Ze heeft 2 Grammy Awards gewonnen uit haar in totaal 8 persoonlijke nominaties.
Tegenwoordig leidt ze samen met haar man een rustig leven in Nashville. Achter de schermen is ze nog altijd actief als songwriter, en ze brengt af en toe nog nieuw werk of een remix uit.
Zo verscheen haar laatste single “If I Was an Angel” in 2023, en bracht ze dit jaar een nieuwe versie van haar klassieker Bette Davis Eyes uit op Spotify.
Over drie dagen, op 20 juli, viert ze haar verjaardag en mag ze 81 kaarsjes uitblazen
Morrison overleed op zevenentwintigjarige leeftijd in Parijs op 3 juli 1971.
Zijn dood is nog steeds met mysterie omweven. Hoewel velen dachten dat een overdosis drugs de oorzaak was, is dit nooit bewezen.
Het is een feit dat Jim niet afkerig stond tegenover verdovende middelen, maar de laatste jaren van zijn leven verving hij deze steeds vaker door de traditionele Amerikaanse opkikker, alcohol.
De waarheid ligt waarschijnlijk in het midden.
Morrison leefde extreem hard en sprong brutaal om met zijn lichaam.
Alcohol, drugs, slaapgebrek en een absoluut gebrek aan zelfmedelijden, gecombineerd met een superintense manier van leven, leidden tot een te vroeg einde.
De officiële doodsoorzaak werd vastgesteld als een hartstilstand, wat een logisch verdict lijkt.
Toch geloven veel overtuigde fans nog steeds dat hij leeft en niet op een Parijse begraafplaats ligt.
Het zou een door hemzelf opgezet spel kunnen zijn, en eigenlijk zou zoiets voor iemand als Morrison niet eens zo verrassend zijn.
Hij was exact het type man om een dergelijke show op te voeren en vervolgens rustig onder te duiken, bijvoorbeeld in Afrika, waar hij poëzie zou kunnen schrijven, de wereld zou kunnen uitlachen en iedereen in de waan zou laten dat hij echt was overleden.
Zijn grote droom was altijd om een vooraanstaand schrijver te worden.
In tegenstelling tot zijn schoolvrienden waren zijn idolen geen beroemde acteurs of rockzangers, maar schrijvers, dichters en journalisten.
Hij noemde Rimbaud, Keats en de Amerikaanse beatschrijver Jack Kerouac altijd als de belangrijkste invloeden uit zijn jeugd.
Hun levensstijl en vagebondstijl spraken hem aan. Hij leefde snel en speelde met het idee van een vroege, tragische en romantische dood, net als zijn helden.
Dat de Amerikaanse pers hem later onder andere de nieuwe James Dean doopte, was dan ook geen toeval.
Zelfs toen hij miljoenen verdiende, bleef hij deze levensstijl trouw.
Hij huurde liever een motel- of hotelkamer voor de nacht dan in een luxueus huis te wonen.
Zijn garderobe bestond meestal enkel uit de kleren die hij op dat moment droeg.
Als het ’s nachts koud was, haalde hij zijn creditcard boven om een jas te kopen, die hij de volgende dag bij warmer weer gewoon aan de eerste de beste vreemdeling weggaf.
Nadat zijn rijbewijs werd ingetrokken wegens het verzamelen van te veel processen, probeerde hij het nooit meer te vernieuwen.
Hij kocht dure, nieuwe auto’s die hij in de prak reed of na een dronken nacht ergens parkeerde en vergat.
Hij ging er zelden naar op zoek en gaf ze ook niet op als gestolen.
Hij stuurde zijn vrouw Pamela de wereld rond om kleren te verzamelen voor een boetiek die hij haar cadeau deed.
Dit kostte hem een fortuin en bracht enkel enorme schulden met zich mee, maar zolang Pamela gelukkig was, kon het hem weinig schelen.
Aan het einde van de jaren zestig waren The Doors een absolute supergroep.
Toetsenist Ray Manzarek, gitarist Robbie Krieger en drummer John Densmore waren uitstekende muzikanten die zorgden voor een perfecte balans met Jims extravagante persoonlijkheid.
Hun muziek was afwisselend melancholisch en dreigend, wat perfect aansloot bij de manier waarop Morrison in zijn teksten en podiumshows zijn sentimenten kon aftasten.
De band kwam samen in Los Angeles, repeteerde een half jaar en bouwde via optredens in de Whisky a Go Go een steeds groter wordende aanhang van bijna maniakale fans op.
Daar werden ze ontdekt door Jac Holzman, directeur van Elektra, en producer Paul Rothschild.
Hun debuutalbum verscheen in de memorabele hippiezomer van 1967.
Mede dankzij de grandioze hit “Light My Fire” stootten ze The Beatles met “Sergeant Pepper” van de eerste plaats in de Amerikaanse albumlijsten.
Vier maanden later stond die plaat nog steeds in de top tien, toen deze gezelschap kreeg van de opvolger Strange Days, eveneens een meesterwerk dat staat als een huis.
The Doors en vooral Morrison groeiden uit tot een mythe.
Hij was de droom van elk meisje dat zichzelf niet als toekomstig huismoedertje zag, een idool voor jongens die precies wilden zijn zoals hij, en een gevaarlijke nachtmerrie voor ouders die hem zagen als de duivel die met alle middelen bestreden moest worden.
Tijdens liveoptredens zorgden The Doors steevast voor sensatie en relletjes, wat uiteindelijk leidde tot zoveel arrestaties en veroordelingen dat Morrison er zelf bijna bang van werd en het toeren beperkte.
Er speelden ook andere redenen mee.
De groep was een monsterorganisatie geworden met contracten en verplichtingen die hem absoluut niet lagen.
Hij wilde eruit, en na het voltooien van het verplichte aantal albums en een afgezwakte tournee, kondigde hij eind 1970 aan dat het tijd was voor een uitgebreide vakantie, iets wat ze verdiend hadden.
Hun zevende album, L.A. Woman, was inmiddels opgenomen en zou, net als de andere platen, met goud bekroond worden, een prestatie die nog geen enkele Amerikaanse groep destijds had behaald.
Morrison liet weten dat hij met Pamela in Parijs ging wonen om te reizen, poëzie te schrijven en wellicht een toneelstuk te maken.
Hij wist het nog niet zeker, maar zocht vooral een manier om te zwerven, ook in geestelijke zin.
Over de toekomst van The Doors zou na zijn terugkeer misschien nog weleens gesproken worden.
Zonder veel spijt verliet hij Los Angeles, in de hoop ergens anders helemaal opnieuw te kunnen beginnen.
Hoewel dokters hem hadden aangeraden het rustiger aan te doen, was Morrison daar simpelweg niet voor geboren.
Ook in Parijs bleef zijn verlangen naar sensaties, ervaringen en experimenten niet te stuiten.
Hij bleef balanceren op de rand van het mes, trouw aan zijn eigen gezongen woorden: “I want the world, and I want it now,” en hij was niet van plan om zich door iemand te laten belemmeren.
Op 3 juli 1971 vond hij rust, maar daarmee verdween de legende allerminst.
De drie overgebleven bandleden maakten nog enkele muzikaal uitstekende albums zonder hem, die echter pijnlijk duidelijk maakten welke enorme leemte hij had achtergelaten.
Ook in de jaren daarna bleef zijn invloed onverminderd groot, wat bleek uit langdurige hitnoteringen voor hun verzamelalbums, de onverbiddelijke bestseller-status van de biografie No One Here Gets Out Alive, en de plannen voor een film over zijn leven.
Op de begraafplaats Père-Lachaise nabij Parijs, de laatste rustplaats van vele grote kunstenaars, worden bovendien nog altijd dagelijks verse bloemen op het graf van James Douglas Morrison aangevoerd.
Wie echter door een verzameling tijdschriften en kranten uit die specifieke periode bladert, zal iets heel opvallends merken.
Het is bevreemdend hoe weinig aandacht hij direct na zijn dood kreeg in de pers.
Dat in de Muziek Expres van augustus 1971 bijvoorbeeld alleen een foto stond met een in memoriam van amper enkele zinnen, vormt een scherp contrast met zijn latere grote status.
Dit heeft een paar duidelijke en praktische oorzaken.
Ten eerste werd het overlijden van Morrison aanvankelijk strikt stilgehouden door zijn intieme kring in Parijs.
Het grote publiek en de pers kregen het nieuws pas dagen later te horen, op 9 juli, toen hij al in besloten kring was begraven op het Parijse kerkhof.
Deze geheimzinnigheid zorgde voor enorm veel onzekerheid en scepsis op de nieuwsredacties.
Omdat Morrison vaker met het idee van een in scène gezette dood had gespeeld, dachten velen in eerste instantie dat het om een zoveelste vreemde grap van de zanger ging en waren journalisten terughoudend om uitgebreide necrologieën te publiceren zonder harde bewijzen.
Bovendien werkten muziektijdschriften en maandbladen in die tijd met zeer lange aanlooptijden voor de drukpersen.
Tegen de tijd dat het nieuws over zijn dood eindelijk met zekerheid werd bevestigd, was de augustus-editie van bladen zoals Muziek Expres al drukklaar en ingepland.
Redacties hadden simpelweg de tijd en ruimte niet meer om de hele lay-out om te gooien voor een uitgebreid artikel, waardoor ze zich noodgedwongen moesten beperken tot een snelle foto en een korte toegevoegde tekst net voor het drukken.
Tot slot was Morrison in de zomer van 1971, na zijn fysieke achteruitgang en zijn vertrek uit Amerika, al enigszins naar de achtergrond van de toenmalige, snel evoluerende popwereld verdwenen.
De echte mythevorming rond zijn persoon, gestuwd door boeken en films die van hem een onsterfelijke held zouden maken, kwam pas eind jaren zeventig en in de jaren tachtig echt wereldwijd op gang.
In de zomer van 1971 was hij voor de toenmalige pers vooral een uitgedoofde rockster, en nog niet de legende die hij naderhand is geworden
Op 9 februari 1970 brachten The Doors hun vijfde studioalbum uit, getiteld Morrison Hotel. Deze plaat markeerde een stevige terugkeer naar hun rauwe, oorspronkelijke bluesrockstijl.
Hun vorige album, The Soft Parade, bevatte veel koperblazers en strijkers en was mede daardoor een stuk minder succesvol bij het grote publiek en de critici.
Met Morrison Hotel wilden ze terug naar de basis. De lp kreeg een opvallende indeling: de A-kant werd Hard Rock Café gedoopt en de B-kant kreeg de naam Morrison Hotel.
Hoewel er slechts één single van de plaat werd uitgebracht, de dubbele A-kant ‘You Make Me Real’ en ‘Roadhouse Blues’, staat het album vol met onvervalste klassiekers zoals ‘Peace Frog’ en ‘Waiting for the Sun’.
Een opvallend detail over het nummer “Waiting for the Sun” is dat het eigenlijk al geschreven was voor hun gelijknamige derde album uit 1968, maar destijds de uiteindelijke selectie net niet haalde.
In de nummers The Spy en Queen of the Highway geeft zanger Jim Morrison een erg persoonlijk inkijkje in zijn complexe en turbulente relatie met zijn vriendin Pamela Courson.
De beroemde albumhoes kent een bijzonder en ietwat brutaal ontstaansverhaal.
De gerenommeerde rockfotograaf Henry Diltz nam de foto van de band in de etalage van het bestaande Morrison Hotel in Los Angeles.
Ze hadden hiervoor echter geen toestemming gekregen van de eigenaar. Toen de receptionist heel even zijn post verliet, stormde de band naar binnen voor een snelle fotosessie en maakten ze zich snel weer uit de voeten.
Op de achterzijde van de hoes prijkt een foto van het Hard Rock Café, toentertijd een bescheiden eettentje in Los Angeles.
Een leuk weetje is dat de oprichters van de wereldwijde restaurantketen Hard Rock Cafe zich lieten inspireren door deze achterkant van de lp voor hun immens populaire naam.
Tijdens de opnames in de studio, onder leiding van hun vaste producer Paul A. Rothchild en technicus Bruce Botnick, kregen The Doors hulp van een aantal bijzondere gastmuzikanten.
Omdat de band zelf geen vaste bassist had, nam sessiemuzikant Ray Neapolitan de meeste baspartijen op Morrison Hotel voor zijn rekening.
Voor het stevige ‘Roadhouse Blues’ en ‘Maggie M’Gill’ werd echter gitaarlegende Lonnie Mack opgetrommeld om de basgitaar te bespelen.
Een andere opvallende gast op Roadhouse Blues was John Sebastian, de frontman van The Lovin’ Spoonful.
Omdat hij vanwege contractuele redenen eigenlijk niet mocht meewerken aan een album van een andere platenmaatschappij, speelde hij de mondharmonica in onder het pseudoniem G. Puglese.
Mede door deze ongedwongen, spontane samenwerkingen wordt dit album gezien als een van de meest authentieke platen uit de geschiedenis van de band.
De Parijse vlucht en zijn mysterieuze dood
Jim Morrison werd geboren als de zoon van George Stephen Morrison, een admiraal die als vlootcommandant betrokken was bij het Tonkin-incident in 1964, wat de aanleiding vormde voor de Amerikaanse deelname aan de Vietnamoorlog.
In plaats van een militaire carrière na te streven, ging Morrison naar de filmacademie in Los Angeles, Californië.
Daar leerde hij Ray Manzarek kennen, met wie hij The Doors oprichtte. Deze bandnaam was ontleend aan ‘The Doors of Perception’, de titel van een boek van Aldous Huxley.
Huxley had deze frase op zijn beurt weer ontleend aan een gedicht van William Blake, die schreef: “If the doors of perception were cleansed every thing would appear to man as it is, infinite”.
Voor veel jongeren in die dagen was Morrison een onmetelijk groot idool. Hij leefde zeer intens en gebruikte vele soorten verslavende genotsmiddelen, waarbij met name zijn enorme drankgebruik exemplarisch was.
Ondanks deze roerige levensstijl was hij diep gefascineerd door literatuur.
Hij las enorm veel en schreef fanatiek poëzie.
Zijn teksten waren vaak zeer filosofisch en dichterlijk van aard, en zijn muziek toont duidelijke invloeden van jazz en blues.
Van hem is in de loop der tijd ook een aantal dichtbundels uitgegeven, zoals ‘The Lords & The New Creatures’, ‘Wilderness’ en ‘The American Night’.
Hoewel de muziek van Jim Morrison wereldwijd en ook in ons taalgebied mateloos populair is gebleven, zijn zijn gedichtenbundels helaas nooit officieel in het Nederlands vertaald uitgegeven.
Wie de diepere, literaire ziel van de zanger wil doorgronden, is daardoor aangewezen op de Engelstalige edities die nog steeds volop te vinden zijn, al circuleren er onder bewonderaars weleens losse, zelfgemaakte vertalingen van individuele gedichten.
In de laatste periode van zijn leven verruilde Jim Morrison de overweldigende roem in Amerika voor een rustiger bestaan in Parijs.
Onder zijn doopnaam James Douglas leefde hij daar tamelijk anoniem, wat hem bijzonder goed beviel.
Hoewel hij de Franse taal niet machtig was, dompelde hij zich onder in de lokale cultuur; hij bezocht veel theatervoorstellingen en was vaak te vinden op de filmsets van diverse beroemde Franse regisseurs.
Over zijn productiviteit in deze periode lopen de meningen uiteen.
Waar sommigen beweren dat hij juist in Parijs veel schreef, menen anderen dat hij zwaar te lijden had van een schrijversblok.
Hoewel de officiële overlijdensakte een hartaanval als doodsoorzaak vermeldt, nadat hij liggend in een badkuip zou zijn aangetroffen, wordt algemeen aangenomen dat een overdosis drugs hem fataal is geworden.
Door deze voortijdige dood trad hij toe tot de beruchte 27 Club, samen met muzikanten als Janis Joplin, Jimi Hendrix en Brian Jones. Later zijn ook de namen van Kurt Cobain en Amy Winehouse door velen aan deze ledenlijst toegevoegd, omdat zij toevalligerwijs eveneens op 27-jarige leeftijd stierven.
Tijdens de bescheiden begrafenis van Jim Morrison las zijn partner Pamela Courson de laatste paragraaf voor uit Celebration of the Lizard, iets wat hij volgens de laatste biografie zelf had gewild.
Hoewel zij nooit getrouwd waren, had hij in zijn testament zijn volledige erfenis, inclusief de uiterst lucratieve muziekrechten, aan Pamela nagelaten.
Deze situatie kreeg echter een tragische wending toen zij in 1974 eveneens aan een overdosis overleed, zonder zelf een testament te hebben opgemaakt.
Haar bezittingen vielen automatisch toe aan haar ouders, wat leidde tot een bittere juridische strijd met de ouders van Jim Morrison, met wie de zanger altijd een zeer moeizame relatie had onderhouden.
Na een lang en slepend conflict schikten de twee families uiteindelijk door de nalatenschap en alle toekomstige inkomsten exact in tweeën te delen.
Zijn laatste rustplaats vond hij op de beroemde begraafplaats Père-Lachaise, een plek die tot op de dag van vandaag enorm veel bezoekers trekt.
Op zijn graf prijkt de Griekse tekst κατα τον δαιμονα εαυτου, oftewel kata ton daimona eautou.
In het Oudgrieks laat de strekking hiervan zich vertalen als trouw aan zijn ziel, terwijl de Nieuwgriekse vertaling neerkomt op je eigen demon volgen.
Volgens de Thelema wordt hierbij met een demon een externe geest of spirituele gids bedoeld, in tegenstelling tot het woord spirit dat duidt op een interne geest.
Het graf heeft in de loop der jaren de nodige visuele veranderingen ondergaan. Precies tien jaar na zijn dood, in 1981, creëerde de Kroatische kunstenaar Mladen Mikulin als herdenking een borstbeeld van Morrison dat op het graf werd geplaatst.
Dit kunstwerk werd in 1988 gestolen, waarna de familie aangaf geen nieuw beeld te willen.
Ruim dertig jaar later, in mei 2025, werd het gestolen borstbeeld echter per toeval teruggevonden in Parijs tijdens een huiszoeking in verband met een fraudezaak.
De erfenis van Jim Morrison is na al die decennia nog steeds springlevend.
Hij was een groot idool voor velen en wordt nog altijd enorm bewonderd; dagelijks luisteren tienduizenden mensen naar zijn muziek.
Daarnaast vormt zijn leven een onuitputtelijke bron van inspiratie voor schrijvers.
Er zijn talloze boeken over hem verschenen, waaronder de in 2004 uitgebrachte biografie Jim Morrison door Stephen Davis en de biografische grafische roman Dichter van de chaos uit 2012.
Ook ‘No One Here Gets Out Alive’ van Jerry Hopkins en Danny Sugerman is een zeer gewaardeerde biografie, die doorspekt is met persoonlijke ervaringen en waarvan wereldwijd meer dan twee miljoen exemplaren werden verkocht.
Bovendien boekstaafden al zijn voormalige bandleden hun herinneringen: toetsenist Ray Manzarek schreef ‘Light My Fire’, gitarist Robby Krieger bracht ‘Set the Night on Fire’ uit en drummer John Densmore publiceerde de autobiografie ‘Riders On The Storm’.
Delen uit het boek van Densmore werden door regisseur Oliver Stone gebruikt voor het scenario van The Doors, de succesvolle film uit 1991.
Daarin zette Val Kilmer een uiterst overtuigende Morrison neer met een wonderwel gelijkend stemgeluid, vergezeld door Meg Ryan in de rol van Pamela Courson.
Ook in modernere media blijft zijn verhaal verteld worden, zoals in de film ‘When You’re Strange’ uit 2010 van Tom Dicillo, die is voorzien van gesproken commentaar door fan en acteur Johnny Depp.
Zelfs in de Nederlandse popcultuur liet de zanger zijn sporen na; zo was hij het onderwerp in een aflevering van de satireserie Jiskefet, waarin onder meer zijn befaamde graf op Père-Lachaise in beeld werd gebracht.
De Parijse, geboren op 17 januari 1944, begon haar carrière als tieneridool met dromerige, melancholische liedjes.
Ze oogstte al snel de bewondering van talloze beroemdheden; zo bekende David Bowie ooit dat hij stiekem verliefd op haar was.
Een van haar absolute tophits is ‘Comment te dire adieu’.
Dit nummer is de Franse bewerking van ‘It Hurts To Say Goodbye’, dat oorspronkelijk door Jack Gold was geschreven voor Margaret Whiting.
De gevatte Franse tekst kwam van de hand van Serge Gainsbourg.
Door de jaren heen is het lied veelvuldig gecoverd door onder meer Jim Nabors, Amanda Lear en uiteraard Jimmy Somerville.
Hardy’s privéleven werd sterk getekend door haar relatie met zanger en acteur Jacques Dutronc.
Na een jarenlange latrelatie traden ze in 1981 in het huwelijk. In haar autobiografie omschrijft ze hem als een ongrijpbare man, steevast verscholen achter een zonnebril en een wolk van sigarenrook.
Hij was bovendien zelden thuis vanwege tournees of filmopnames.
Hoewel ze officieel altijd getrouwd zijn gebleven, bouwde hij later een nieuw leven op Corsica op met actrice Sylvie Duval.
In een openhartig interview blikte de zangeres ooit terug op dit complexe huwelijk.
Ze omschreef Dutronc als een man van weinig woorden, die over haar opmerkte dat ze slim was, omdat ze kritiek altijd behendig verzachtte met een compliment.
Hun relatie vormde een enorme inspiratiebron voor haar liefdesliedjes en de ontelbare brieven die ze hem schreef.
Hoewel de romantische liefde uiteindelijk uitdoofde, bleef hij wel bij haar overnachten wanneer hij in Parijs was.
Hardy besefte naar eigen zeggen pas op latere leeftijd dat haar echtgenoot behoefte had aan een dubbelleven.
Enerzijds zette hij de vrouw van wie hij hield op een voetstuk, maar anderzijds zocht hij stiekem de spanning op in vluchtige avontuurtjes.
Achteraf was ze opgelucht dat ze dit als jonge vrouw niet volledig had beseft, omdat het haar destijds ongetwijfeld gebroken zou hebben.
Met de jaren kon ze zijn hang naar avontuur echter loslaten en accepteerde ze hem zoals hij was.
In hetzelfde interview gaf ze toe lange tijd ongelukkig te zijn geweest, wat haar juist aanzette tot schrijven.
Ze herkende daarin een zekere hang naar tragiek, aangezien ze zich simpelweg niet kon aangetrokken voelen tot een brave, stabiele man.
Hoewel ze later in haar leven emotionele rust vond, werd haar laatste levensfase getekend door zwaar fysiek lijden.
De zangeres kampte jarenlang met lymfeklier- en keelkanker.
Deze ingrijpende ziektegeschiedenis zorgde ervoor dat ze zich in haar laatste jaren nadrukkelijk begon uit te spreken voor het recht op euthanasie.
Ondanks haar roem was Hardy naar eigen zeggen een kluizenaar van nature.
Ze hield het schrijven van een autobiografie lang af met de smoes dat haar leven te saai zou zijn om over te lezen.
Ze verbleef immers het liefst ongestoord tussen haar vier muren met boeken, muziek en schrijfwerk.
Haar wereldje was klein en bestond vooral uit haar zoon Thomas Dutronc en enkele hechte vrienden.
Haar geluk vond ze in kleine, alledaagse momenten: goed eten, wandelen in het Bois de Boulogne en in alle stilte genieten van de bomen en de zonsondergang.
De natuur bood haar een meditatieve rust en een vredige manier om zich van de buitenwereld af te sluiten.
In 1966 scoorde Billy Stewart een grote hit in de Amerikaanse Billboard Hot 100 met zijn eigenzinnige versie van Summertime, een klassieker van George Gershwin en DuBose Heyward.
Op deze opname, die ook terug te vinden is op zijn album Unbelievable, wordt Stewart op drums begeleid door Maurice White, die later wereldberoemd zou worden als de drijvende kracht achter Earth, Wind & Fire.
Hoewel het nummer in Vlaanderen de hitlijsten niet haalde, was het in Nederland wel succesvol met een zeventiende plaats in de Top 40.
Slechts enkele maanden later wist de groep The Shake Spears met ditzelfde nummer wel de Vlaamse hitparade te bestormen.
Deze band, oorspronkelijk afkomstig uit Noord-Rhodesië (het huidige Zambia), had in 1964 een platencontract getekend in België en bereikte met hun uitvoering de vijftiende positie.
Het succes van de groep kreeg jaren later nog een staartje toen ze in 1978 een nieuwe versie van Summertime uitbrachten.
Deze keer werd het een nog grotere hit, met een zesde plaats in de BRT Top 30 als resultaat.
James Brown, vaak The Godfather of Soul genoemd, was een van de meest invloedrijke artiesten van de twintigste eeuw.
Hij werd in 1933 geboren in grote armoede in South Carolina en groeide op in een ruwe omgeving.
Ondanks deze moeilijke start wist hij zijn rauwe energie en ongekende muzikale talent te bundelen tot een compleet nieuw geluid.
Waar eerdere rhythm-and-bluesartiesten vooral focusten op de melodie, verschoof Brown de nadruk naar het ritme en de eerste tel van de maat.
Deze innovatie zou uiteindelijk de fundering vormen voor de funkmuziek.
Zijn dynamische, explosieve optredens en uiterst strikte leiding over zijn muzikanten maakten hem tot een absolute legende op het podium, waarbij hij het publiek avond aan avond wist te overdonderen.
In 1966 bracht hij een van zijn meest bekende en emotioneel geladen nummers uit, getiteld It’s A Man’s Man’s Man’s World.
Dit nummer, mede geschreven op basis van ideeën van zijn toenmalige vriendin Betty Jean Newsome, wijkt sterk af van de snelle, opzwepende nummers waar hij vaak mee geassocieerd wordt.
Het is een intense, zwaarmoedige soulballad met een rijke orkestratie van strijkers en blazers.
De tekst somt allerlei grote, praktische uitvindingen op die door mannen zijn gedaan, zoals de auto, de trein en de elektrische verlichting.
De ware kracht van het lied zit echter in de krachtige climax van het refrein. Daarin zingt Brown met hart en ziel dat deze door mannen opgebouwde, moderne wereld absoluut niets voorstelt en volledig leeg is zonder de aanwezigheid van een vrouw.
Het werd een gigantische internationale hit en is door de decennia heen uitgegroeid tot een klassieker die de unieke vocale intensiteit van James Brown perfect weet vast te leggen.
De Duitse zanger en componist, geboren als Drafi Richard Franz Deutscher, kende een rijke muzikale carrière vol hits en pseudoniemen.
Zo bracht hij in 1983 onder de naam Masquerade het Engelstalige nummer ‘Guardian Angel’ uit, dat hij samen met de in 2022 overleden Christopher Evans-Ironside schreef en produceerde.
Het werd een groot Europees succes met eerste plaatsen in Oostenrijk en Denemarken, een derde plek in de Vlaamse BRT Top 30 en een negende positie in de Nederlandse Top 40.
De Duitse zanger Nino de Angelo scoorde vervolgens een gigantische hit met de Duitstalige cover ‘Jenseits von Eden’, die hij later ook als ‘La valle dell’Eden’ in het Italiaans uitbracht.
In de Lage Landen behaalde deze versie eveneens de hitlijsten, met een dertiende plaats in Vlaanderen en een zeventiende plek in Nederland.
Deutscher werd geboren in het Berlijnse stadsdeel Charlottenburg. Zijn vader, de Hongaarse pianist Drafi Kálman, keerde kort na de geboorte terug naar zijn vaderland, waardoor Drafi door zijn moeder werd opgevoed en zijn vader nooit heeft gekend.
Zijn muzikale talent viel al vroeg op: op elfjarige leeftijd nam hij deel aan een talentenjacht en in 1962 richtte hij zijn eerste band op.
Een jaar later scoorde hij met ‘Teeny’ zijn eerste hit in West-Duitsland, in 1965 gevolgd door de evergreen ‘Marmor, Stein und Eisen bricht’.
Dit nummer werd in het Nederlands vertaald door Trea Dobbs als (Marmer, staal en steen vergaan(, en kreeg later zelfs een punkjasje dankzij de Heideroosjes.
Een ander opvallend nummer uit die tijd was Der Hauptmann von Köpenick uit 1967, gebaseerd op het waargebeurde verhaal van de werkzoekende schoenmaker Friedrich Wilhelm Voigt, die begin twintigste eeuw het gemeentehuis van Köpenick beroofde.
Gedurende zijn loopbaan maakte Deutscher veelvuldig gebruik van schuilnamen.
Als Mr. Walkie Talkie scoorde hij in de zomer van 1977 een tweede plaats in Vlaanderen met ‘Be my boogie woogie baby’.
Onder de meisjesnaam Renate Vaplus schreef hij in 1976 het nummer ‘Mama Leone’ voor Ruth Handel.
Hoewel die eerste versie flopte, werd het in 1978 in de uitvoering van de Italiaanse zanger Bino een enorme hit in Duitsland, Vlaanderen en Nederland.
Deutscher schreef daarnaast, samen met Jimmy Bilsbury en Joe Menke, de wereldhit Belfast voor Boney M. Bilsbury, geboren als James Robert Bilsbury, was een van de voormalige leadzangers en de songwriter van de Les Humphries Singers.
Hij kreeg destijds echter nooit het respect en de erkenning voor zijn schrijfwerk, omdat de platenmaatschappij de nadruk uitsluitend op Les Humphries wilde leggen. Bilsbury overleed in 2003 in diepe geldnood als gevolg van zijn alcoholisme.
Mede-auteur Josef Menke was een Duitse componist, producer en geluidstechnicus. Hij werd geboren op 1 april 1925 in het Duitse Greven en overleed op 6 februari 2001.
Eind jaren vijftig en begin jaren zestig schreef Menke talloze Duitse schlagers.
Hij boekte met name grote successen als producer van de band Truck Stop. Veel van zijn nummers en producties bracht hij uit onder de naam Edition Joe Menke. Later, in 1983, richtte hij samen met Harald Gutowski de uitgeverij GuM audio Media op.
Een bijzondere mijlpaal in zijn carrière vond plaats in 1964. In dat jaar richtte Menke Studio Maschen op, de allereerste particuliere geluidsstudio in Duitsland, die hij in de kelder van zijn eigen huis installeerde.
Op persoonlijk vlak was hij de echtgenoot van Karin Menke en de vader van Alexander Menke en Franziska Menke, die ook wel bekendstaat onder haar artiestennaam Frl. Menke.
In 1987 boekte Deutscher opnieuw groot succes, ditmaal als onderdeel van het duo Mixed Emotions met Oliver Simon.
Hun single ‘You want love (Maria Maria)’ bereikte de tweede plaats in Vlaanderen en werd een nummer 1-hit in Nederland.
De Duitse zanger Andreas Martin maakte hier later nog een Duitstalige versie van.
Ook voor zijn toenmalige echtgenote, schlagerzangeres Isabel Varell, schreef hij muziek.
Met de door hem gecomponeerde ‘Melodie d’amour’ werd zij in 1990 zesde tijdens de Duitse voorronde voor het Eurovisiesongfestival.
Op persoonlijk vlak was Drafi Deutscher drie keer getrouwd.
Zijn huwelijk met Isabel Varell duurde van 1989 tot 1991.
Daarvoor was hij van 1966 tot 1976 getrouwd met zijn eerste echtgenote, met wie hij in 1965 een tweeling kreeg: Drafi junior en René.
De veelzijdige zanger en componist overleed op 9 juni 2006 op zestigjarige leeftijd.
De zangeres en actrice werd geboren als Cheryl Sarkisian in het Californische El Centro en brak door als de helft van het rock-‘n-roll-duo Sonny & Cher, dat ze vormde met haar toenmalige echtgenoot Sonny Bono.
Terwijl ze samen successen vierden, nam ze toen ook al haar eerste solonummers op.
Het huwelijk met Sonny strandde in 1975.
Slechts vier dagen na de officiële scheiding stapte Cher alweer in het huwelijksbootje met rockmuzikant Gregg Allman, de medeoprichter van The Allman Brothers Band, bekend van hits als Jessica en Ramblin’ Man.
Dat huwelijk kende een stormachtige start: al na negen dagen vroeg Cher een scheiding aan vanwege zijn heroïne- en alcoholverslaving, maar binnen een maand verzoende het stel zich weer.
Samen brachten ze onder de naam Allman & Woman nog het album Two The Hard Way uit.
Op 7 juli 1976 werd hun zoon Elijah Blue Allman geboren, die later in de voetsporen van zijn ouders trad en eveneens muzikant werd.
Na de breuk met Allman had Cher relaties met Kiss-bassist Gene Simmons en gitarist Les Dudek.
In totaal heeft ze twee kinderen: Chaz Bono en Elijah Blue Allman.
Naast haar muzikale loopbaan bouwde Cher een succesvolle carrière op als actrice.
Ze schitterde in films zoals The Witches of Eastwick, Mermaids, Silkwood, Mask, Suspect en Tea with Mussolini.
Haar acteerhoogtepunt beleefde ze op 11 april 1988, toen ze een Oscar voor beste actrice in ontvangst mocht nemen voor haar hoofdrol in Moonstruck.
In juli 2018 voegde ze een nieuw succes toe aan haar filmcarrière toen ze te zien en te horen was in de film Mamma Mia! Here We Go Again.
Ze vertolkte hierin de rol van Ruby Sheridan, de grootmoeder van Sophie.
Naar aanleiding van dit filmavontuur bracht ze in hetzelfde jaar het album Dancing Queen uit, een plaat die volledig gevuld was met haar eigen uitvoeringen van ABBA-covers.
Als zangeres bleef ze decennialang de hitlijsten bestormen.
In 1993 scoorde ze een opmerkelijke hit met een nieuwe uitvoering van ‘I Got You Babe’, dit keer samen met het MTV-tekenfilmduo Beavis and Butt-head.
Aan het begin van 1999 behaalde ze een grote nummer 1-hit in Nederland met het nummer ‘Believe’.
Haar repertoire bevat daarnaast bekende klassiekers zoals “Bang bang (My baby shot me down)’, ‘Gypsys, tramps & thieves’, Half-breed’, ‘Dark lady’, ‘If I could turn back time’ en ‘The shoop shoop song (It’s in his kiss)’.
In 2010 combineerde ze haar talenten in de film Burlesque, waarvoor ze de single ‘You haven’t seen the last of Me’ opnam.
In 2023 bracht ze haar kerstalbum Christmas uit, gevolgd door het verzamelalbum Forever in 2024.
Daarnaast bracht ze onlangs haar memoires uit en werd ze geëerd met een Grammy Lifetime Achievement Award.
De zangeres is nog regelmatig te zien op rode lopers en is momenteel druk bezig met het afronden van nieuwe muziek.
Ze werkt aan een nieuw studioalbum, wat waarschijnlijk haar laatste grote album zal zijn.
Ze verklaarde hierover dat het inzingen van de vocalen op deze leeftijd uitdagend is, maar dat de nummers fantastisch zijn.
foto april 1979
Cher over haar nieuwe album Take me home (Joepie van 27 april 1979).
Een mooi moment om stil te staan bij zijn klassieker Verdronken vlinder.
Het nummer verscheen begin 1967 in eerste instantie als de B-kant van de single ‘Onder ons’, de opvolger van zijn grote hit ‘Het Land van Maas en Waal’.
Twee jaar later, in 1969, kreeg het lied alsnog een hoofdrol toen het werd uitgebracht als A-kant, met ‘Beneden alle peil’ als achterkant.
Beide nummers zijn geschreven door Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh, met een arrangement van Bert Paige.
In Verdronken vlinder verlangt de schrijver naar het vrije leven van een vlinder.
Gaandeweg beseft hij echter dat ook dat bestaan een schaduwzijde heeft, zoals een tragisch einde op een plas water.
Uiteindelijk kiest hij er dan ook voor om gewoon mens te zijn, met de troostende gedachte dat hij geen vlinder hoeft te wezen om echt te leven.
De andere kant van de single, ‘Beneden alle peil’, bezingt een onbeantwoorde liefde.
De zanger vindt de vrouw in kwestie geweldig, maar omdat zij alleen oog heeft voor zichzelf, vindt hij haar gedrag beneden alle peil.
Het nummer Verdronken vlinder bleek door de jaren heen een grote inspiratiebron voor andere artiesten.
In 1993 scoorden Erik Van Neygen en Sanne er een grote hit mee in Vlaanderen.
Daarnaast werd het lied in de loop der tijd ook succesvol gecoverd door uiteenlopende namen als Mama’s Jasje, Josee Koning, de cast van LikeMe en zelfs de indierockband Bettie Serveert.
Reclame voor het album Het Beste van Boudewijn de Groot (juli 1977)
Gisteren nog vandaag
De comeback van Boudewijn De Groot (Joepie 13 november 1973).
Het bekende nummer Testament is gecomponeerd door Boudewijn de Groot, terwijl Bert Paige tekende voor de arrangementen en Tony Vos de productie voor zijn rekening nam.
De tekst is grotendeels geschreven door Lennaert Nijgh, die in het lied via een fictief testament terugblikt op zijn jeugdjaren.
In deze nalatenschap deelt hij milde snerpen uit aan zijn familie, die hij beticht van valse getuigenissen, aan stelende vrienden en aan een bedrieglijke ex-vriendin.
Toch is het nummer niet louter bitter; Nijgh koestert tegelijkertijd de mooie herinneringen en reflecteert op verloren idealen.
Omdat Boudewijn de Groot een specifiek deel van de oorspronkelijke tekst niet goed bij zichzelf vond passen, nam hij zelf de pen ter hand voor het couplet dat begint met de regel over het fotoalbum van zijn ouders.
Testament verscheen op het succesvolle album Voor de overlevenden en deed daarnaast dienst als de B-kant van de hitsingle Het Land van Maas en Waal.
Gisteren nog vandaag
Boudewijn de Groot in de Muziek Expres van december 1979
Gisteren nog vandaag
Na een stilte van vijf jaar maakte Boudewijn de Groot in 1973 zijn comeback met het album Hoe Sterk Is De Eenzame Fietser.
De titel van de plaat is ontleend aan het bekende nummer Jimmy, dat hij vernoemde naar zijn zoon Jim. Vader en zoon schitteren samen op de albumhoes.
Naast Jimmy bevat het album nummers zoals Terug van weggeweest, Wat geweest is, is geweest, Onderweg, Het Spaarne, Kindermeidslied (Nurse’s Song), Tante Julia, Ik zal je iets vertellen, Parijs, Berlijn, Madrid, De kleine schoorsteenveger en De reiziger.
Voor de teksten werkte De Groot opnieuw samen met Lennaert Nijgh en met zijn toenmalige zwager Ruud Engelander.
Bovendien zijn twee nummers vertalingen van gedichten van William Blake.
Muzikaal kreeg hij ondersteuning van sologitarist Eelco Gelling, met wie hij al eerder samenwerkte op Nacht en ontij, en violiste Vera Beths, die een gastbijdrage leverde op het nummer’ ‘De reiziger’.
Bang dat het publiek hem in de tussentijd was vergeten, was De Groot niet.
Tijdens zijn afwezigheid deden zijn verzamelalbums het namelijk buitengewoon goed. Vooral de dubbel-lp Vijf Jaar Hits was een groot succes, snel gevolgd door een eveneens goed verkopend tweede deel.
Dit bewees dat zijn populariteit en bekendheid alleen maar waren gegroeid, waardoor het grote succes van Hoe Sterk Is De Eenzame Fietser niet als een complete verrassing kwam.
Het album werd een enorme hit, bereikte de eerste plaats in de albumlijst en hield het daar twintig weken vol.
Dit leverde De Groot een gouden en een platina plaat op, evenals zijn derde Edison.
Het succes kreeg begin 1974 nog een vrolijk staartje toen er een carnavalsversie van het nummer Tante Julia op single verscheen, opgenomen als duet met Nico Haak.
Op 8 februari 1958 organiseert een lokaal radiostation in Macon, Georgia, een talentenjacht onder de naam Teenage Party.
De show is al snel zo populair dat het kleine Roxy Theatre te krap wordt en de productie verhuist naar het grotere Douglass Theatre.
Vanaf dat moment kunnen luisteraars elke zaterdagochtend via de radio meegenieten van de opnames.
Het is tijdens een van deze edities dat Otis Redding het podium betreedt als kandidaat.
Zijn optreden maakt indruk en hij raakt in contact met de bekende gitarist Johnny Jenkins, die hem aanbiedt om zijn vaste begeleider te worden.
Dit moment is de start van een glansrijke, maar tragisch korte carrière.
Slechts negen jaar later, op 10 december 1967, komt de zanger op 26-jarige leeftijd om het leven bij een vliegtuigongeluk.
Een van zijn nummers is’ I’ve got dreams to remember’, dat hij samen met zijn echtgenote Zelma Redding en Joe Rock schreef.
Redding scoorde er na zijn overlijden een postume hit mee in 1968, en herhaalde dat succes nogmaals in 1994.
Op de B-kant van deze single staat het nummer ‘Nobody’s fault but mine’.
De single deed het internationaal goed en bereikte de hitlijsten in zowel de Verenigde Staten als Nederland.
In Nederland was het nummer een groot succes; het stond maar liefst veertien weken in de Hitparade, met de achtste plaats als piek, en het eindigde op de achtste plaats in de Top 40.
In Vlaanderen bleef het succes iets bescheidener en strandde het nummer in de Tipparade.
Dit nummer vindt zijn oorsprong in het Italiaanse lied ‘Io che non vivo (senza te)’, wat zich vertaalt als ‘Ik, die niet zonder jou kan leven’.
Het werd geschreven door Pino Donaggio en Vito Pallavicini, waarbij Donaggio het in 1965 samen met Jody Miller voor het eerst zong tijdens het Festival van Sanremo.
In Italië groeide het direct uit tot een groot succes dat drie weken lang de hitlijsten aanvoerde.
Dusty Springfield was tijdens datzelfde festival aanwezig en raakte, ondanks de taalbarrière, diep ontroerd door de uitvoering.
Een jaar later namen haar vriendin Vicki Wickham en manager Simon Napier-Bell het initiatief voor een Engelse bewerking.
Springfield was uiterst perfectionistisch en had naar verluidt 47 takes nodig voordat ze tevreden was met de opname.
Haar inzet werd beloond met een wereldwijd succes: het nummer bereikte de eerste plaats in Groot-Brittannië en de vierde positie in de Amerikaanse Billboard Hot 100.
In Nederland maakte de plaat op 14 mei 1966 zijn debuut in de Top 40, waar hij tien weken genoteerd stond met de zevenentwintigste plek als hoogste resultaat.
Sindsdien is het nummer door talloze artiesten gecoverd. De versie van Elvis Presley uit 1970 is waarschijnlijk de meest bekende, maar ook namen als Brenda Lee, Cher en de Britse groep Guys ‘n’ Dolls hebben het lied uitgebracht.
Zelfs André Hazes nam het nummer in 1985 op onder de Nederlandstalige titel ‘Geloof mij’, een versie die in 2012 ook door zijn zoon André Hazes Jr. werd gezongen.
In Vlaanderen bracht Sandra Kim in 1993 een eigen vertolking uit met als titel ‘Wil je eeuwig van me houden’.
Reclame voor muziekcassettes van het merk Philips (oktober 1977)
De zanger had destijds met Georgia On My Mind een enorme hit te pakken, een nummer dat decennia eerder door Hoagy Carmichael was geschreven en al successen had gekend in de uitvoeringen van Louis Armstrong en Nat Gonella.
Hoewel veel Europese liefhebbers destijds nog niet de kans hadden gehad om hem live te zien, spraken Amerikaanse critici vol lof over zijn veelzijdige talenten.
De toen bekende jazzcriticus, Francis Newton vergeleek in het tijdschrift New Statesman het luisteren naar zijn platen met het kijken naar een tijger in een dierentuin; je zag de vorm, maar de ware kracht werd pas duidelijk tijdens een optreden.
Zijn concerten werden omschreven als bijna religieuze bijeenkomsten.
De sfeer raakte geladen met elektriciteit zodra hij achter zijn piano plaatsnam en zijn liedjes met een intense, bezielde stem de zaal in stuurde, terwijl het publiek ritmisch meewiegde.
Voor dergelijke optredens ontving hij destijds duizend dollar per voorstelling, een bedrag dat omgerekend naar de huidige waarde in 2026 neerkomt op ongeveer 11.000 dollar.
In 1961 was dit een uitzonderlijk hoog inkomen voor één avond, aangezien een gemiddeld gezin toen nog geen zesduizend dollar per jaar verdiende.
De single Georgia On My Mind was de voorbode van het album The Genius Hits The Road, waarvoor Sid Feller opnieuw als producer optrad.
Feller was een trompettist, orkestleider en arrangeur wiens dertigjarige samenwerking met Ray Charles weelderig gearrangeerde hits voortbracht zoals ‘I Can’t Stop Loving You’.
Als hoofdarrangeur voor Capitol Records en later ABC Records werkte Feller ook samen met grootheden als Peggy Lee, Mel Torme, Paul Anka, Steve Lawrence en Eydie Gormé
De arrangementen voor dit specifieke album werden echter verzorgd door Ralph Burns, een klassiek geschoolde musicus die aan het New England Conservatory of Music had gestudeerd.
Burns was bijna vijftien jaar lang een drijvende kracht achter het orkest van Woody Herman, de Amerikaanse jazzklarinettist en bigbandleider die zijn loopbaan al tijdens zijn middelbare schooltijd in Milwaukee was begonnen.
Na omzwervingen bij orkesten van onder meer Tom Gerun, Harry Sosnik en Isham Jones, richtte Herman in 1936 zijn eigen legendarische formatie op, waar hij tot het einde van zijn leven trouw aan bleef.
Ralph Burns zou later in zijn carrière, in 1972, een Academy Award winnen voor Cabaret en muziek arrangeren voor films als Lenny, New York, New York en All That Jazz.
Op het album The Genius Hits The Road reisden we door Amerika en kwamen we onder meer terecht in Alabamy Bound, Georgia On My Mind, Basin Street Blues, Mississippi Mud, Moonlight In Vermont, New York’s My Home, California, Here I Come, Moon over Miami, Deep In The Heart Of Texas, Carry Me Back To Old Virginny, Blue Hawaii en Chattanooga Choo-Choo.
Alleen in Virginny ontmoette hij op deze reis zijn Raelettes.
Deze groep, in 1958 voortgekomen uit The Cookies, bestond rond die tijd uit Gwen Berry, Margie Hendricks, Pat Lyles en Darlene McCrea.
Vooral de krachtige stem van Margie Hendricks gaf nummers als Hit the Road Jack hun onvergetelijke karakter.
Hoewel er binnen de muziekindustrie destijds veel werd gefluisterd over de persoonlijke verhoudingen tussen Charles en zijn zangeressen, was hun muzikale invloed onomstreden.
De Raelettes traden niet alleen op als ondersteuning; ze brachten later ook eigen werk en albums uit, zoals Yesterday… Today… Tomorrow uit 1972, en bleven in wisselende bezettingen tot aan zijn overlijden in 2004 met hem verbonden.
Ondanks dat het album uit 1961 een verzameling popnummers was, bewees Charles hiermee dat hij zelfs van eenvoudige liedjes zoals Deep In The Heart Of Texas iets muzikaals interessants kon maken.
Dit album is dan ook een aanrader voor mensen die graag luisteren naar bigbandmuziek en lichte jazz en is vandaag de dag nog steeds eenvoudig te beluisteren via diensten als Spotify en YouTube.
Zijn muzikale reis begon nochtans klassiek; als jong kind volgde hij lessen aan het conservatorium op de accordeon en klarinet.
Die wereld veranderde echter volledig toen hij de Amerikaanse rock-‘n-roll ontdekte.
Geïnspireerd door iconen als Elvis Presley en Bill Haley ruilde hij zijn klassieke instrumenten in voor een gitaar.
In de vroege jaren 60 vormde hij zijn band The King Creoles.
Ze maakten furore met instrumentale nummers die sterk deden denken aan de stijl van The Shadows en The Ventures.
Blanca stond al snel bekend om zijn virtuoze spel op de Fender Stratocaster, wat hem in eigen land de bijnaam de Belgische Elvis opleverde.
Wat zijn carrière echter uniek maakte, was zijn enorme succes over de taalgrens.
In 1961 werd zijn talent opgemerkt door het grote Franse label Pathé-Marconi.
Hij verhuisde naar Parijs, speelde in de legendarische club Golf Drouot en deelde in 1962 het podium van de Olympia met internationale grootheden zoals Gene Vincent.
Toen de muzikale trends in de jaren zeventig veranderden, bleef Blanca trouw aan zijn wortels.
Hij nam in dat decennium verscheidene rock-‘n-roll-albums op met zijn eigen versies van bekende songs uit het genre.
Zijn status als gerespecteerd muzikant werd bevestigd door de artiesten voor wie hij het voorprogramma mocht verzorgen.
Dit waren niet de minsten: hij opende voor legendes als Chuck Berry, Jerry Lee Lewis, Bill Haley, Gary Glitter en de Frans-Belgische rocker Johnny Hallyday.
De jaren tachtig brachten een enorme commerciële heropleving. In het begin van dit decennium ging Burt Blanca een samenwerking aan met Lou Deprijck, de producer achter Plastic Bertrand en Two Man Sound.
Dit resulteerde in de single Touche Pas à Mon R.N.R., waarmee hij de hitlijsten veroverde.
Maar daar bleef het niet bij. In 1983 richtte hij de band The Klaxons op.
Samen met zijn vrienden Jean-Marie Troisfontaine en Roger Verbestel schreef hij de megahit Clap, Clap Sound.
Het nummer werd een fenomenaal succes en haalde in verscheidene landen de top van de hitparade.
In Zuid-Afrika stond de single maar liefst 25 weken op nummer 1.
Het leverde hen verscheidene keren platina en zelfs diamant op.
Ook in het nieuwe millennium bleef hij actief en veelzijdig.
In januari 2004 maakte hij een uitstapje naar televisie door deel te nemen aan de opnamen van de populaire VTM-serie Familie.
Datzelfde jaar was ook op muzikaal vlak bijzonder: in juni 2004 gaf hij opnieuw een concert in de Olympia in Parijs en vierde hij zijn 45-jarige carrière met een optreden in de Ancienne Belgique.
Burt Blanca, inmiddels Ridder in de Orde van Leopold II, blijft de geschiedenis ingaan als de man die de elektrische gitaar in België populariseerde, internationale successen boekte van Parijs tot Zuid-Afrika, en zijn hele leven in dienst stelde van de rock-‘n-roll.
Dámaso Pérez Prado (1916–1989) was een Cubaanse muzikant en componist, maar de wereld kent hem vooral als de onbetwiste “Koning van de Mambo”.
Hij werd geboren als zoon van een onderwijzeres en leerde al als kind klassieke muziek spelen op de piano.
Later speelde hij orgel en piano in lokale clubs. In de jaren 40 was hij een actieve muzikant in Havana, waar hij onder meer deel uitmaakte van het Orquesta Casino de la Playa.
Nadat hij in 1946 zijn eigen band formeerde, zette hij in 1948 de beslissende stap: hij verhuisde naar Mexico-Stad.
Vanuit Mexico, waar hij het grootste deel van zijn carrière zou doorbrengen, perfectioneerde hij de mambo.
Hij creëerde een kenmerkend, explosief orkestgeluid: bombastisch, met vlijmscherpe trompetten en een onweerstaanbaar ritme, vaak aangevuurd door zijn eigen beroemde kreet: “¡Uh!”.
In de jaren 50 veroverde hij de wereld met instrumentale hits die synoniem werden met feesten.
Zijn bekendste nummers zijn “Mambo No. 5”, “Mambo No. 8” en “Patricia”. Met “Cherry Pink and Apple Blossom White” scoorde hij in 1955 zelfs een nummer 1-hit in zowel de VS als het VK.
Zijn succes leidde ook tot familieconflicten. Zijn broer, Pantaleón Perez Prado, toerde door Europa met een eigen orkest onder de naam “Perez Prado”.
Dit leidde tot een rechtszaak die Dámaso aanspande tegen zijn broer.
Pantaleón overleed in 1983 in Milaan, waar hij woonde.
Pérez Prado zelf overleed in september 1989 op 72-jarige leeftijd.
Zijn nalatenschap kreeg in 1999 een enorme boost toen Lou Bega zijn “Mambo No. 5” gebruikte als basis voor een wereldwijde hit, wat nogmaals bewees hoe tijdloos Prado’s muziek was.
De zussen, geboren in 1936, laten een indrukwekkende en veelzijdige carrière na als danseressen, zangeressen en actrices.
Hun artistieke pad begon al vroeg. Dankzij hun muzikale ouders gingen de eeneiige tweelingzussen op zesjarige leeftijd naar de balletschool, wat in 1947 leidde tot een plek bij het kinderballet van de Leipziger Opera.
Na de vlucht van het gezin naar West-Duitsland in 1952 debuteerden ze in de revue van Düsseldorf. Het duurde niet lang voordat ze internationaal doorbraken.
In Parijs en Italië stonden ze bekend als de ‘tweeling van de benen’ en veroverden ze de harten van het publiek.
Vooral met Italië hadden ze een sterke band; ze woonden er van 1962 tot 1986 en hadden er hun eigen tv-show. Hun populariteit bleek ook in 1976, toen ze op 40-jarige leeftijd poseerden voor de Italiaanse Playboy. Dit zorgde voor een ware sensatie en het blad was in korte tijd uitverkocht.
Gedurende hun loopbaan deelden ze het podium met wereldsterren als Burt Lancaster, Fred Astaire, Sammy Davis Junior en Frank Sinatra.
Ook deden ze in 1959 mee aan het Eurovisiesongfestival met het nummer ‘Heute abend wollen wir tanzen gehen’, waarmee ze de achtste plaats behaalden (het jaar dat de Nederlandse Teddy Scholten won).
Ze waren echter ook kritisch op hun keuzes: zo weigerden ze een rol naast Elvis Presley in de film ‘Viva Las Vegas’, uit angst om in Hollywood getypecast te worden.
Sinds 1986 woonden de zussen weer in Duitsland, in Grünwald nabij München. Stilzitten deden ze niet; zo gaven ze in 2009 nog een reeks jazzconcerten.
Zoals ze hun leven samen deelden, zo zullen ze ook hun laatste rustplaats delen: Alice en Ellen hebben in hun testament vastgelegd dat ze samen in één urn begraven willen worden.