Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
De zangeres werd op 4 augustus 1941 in Chicago geboren als Rosemarie Timotea Aurro.
Haar muzikale reis begon kleinschalig en intiem, zingend tussen de tafels van het Italiaanse restaurant van haar ouders in Hollywood.
Haar grote doorbraak volgde in 1961 met haar allereerste single, ‘Hurt’.
Dat nummer was geschreven door Jimmy Crane en Al Jacobs en werd al in 1954 voor het eerst opgenomen door Roy Hamilton.
Timi Yuro zong het echter met zoveel rauwe passie dat het debuut meteen doorstootte naar de vierde plaats in de Amerikaanse Billboard Hot 100.
In de loop van de jaren zestig reeg ze de successen aaneen met nummers als ‘I Apologize’ en het door Phil Spector geproduceerde ‘What’s A Matter Baby’, een song die velen onder ons zich wellicht ook nog herinneren van de succesvolle cover door Ellen Foley in 1979.
Daarna volgde een stillere periode. Ze koos voor haar gezin en kreeg bovendien zware tegenslagen te verwerken, waaronder een operatie wegens keelkanker.
Toch bleek haar muziek allerminst vergeten. In 1981 beleefde ‘Hurt’ een enorme heropleving in Vlaanderen en Nederland, waar het opnieuw uitgroeide tot een gigantische hit.
Het warme onthaal bij ons deed haar besluiten om speciaal voor de Vlaamse en Nederlandse markt nog twee gloednieuwe albums op te nemen.
Haar latere leven werd jammer genoeg opnieuw overschaduwd door zware gezondheidsproblemen. Begin jaren negentig stelden artsen longkanker bij haar vast.
Op 30 maart 2004 overleed Timi Yuro op 63-jarige leeftijd thuis in haar slaap ten gevolge van een hersentumor. Haar as werd, geheel volgens haar eigen wens, uitgestrooid over het graf van haar ouders in Cicero.
Zijn levensverhaal begint echter duizenden kilometers hiervandaan, in India.
Daar woonde het gezin Webb, bestaande uit vader Rodger, moeder Dorothy en hun drie kinderen: de achtjarige Harry, de vijfjarige Donella en de amper tien maanden oude baby Jacqueline.
Wanneer het gezin besluit te verhuizen, droomt Rodger aanvankelijk van een nieuw leven in Australië.
Dorothy weet hem echter te overtuigen om terug te keren naar Engeland, waar hun andere familieleden en vrienden wonen.
Vanuit hun toenmalige woonplaats Lucknow reizen ze per trein naar Bombay.
Na een driedaagse treinrit stappen ze daar aan boord van het passagiersschip SS Ranchi, dat hen naar Engeland zal brengen.
Op 6 september 1948 meert het schip uiteindelijk aan in Tilbury, in het noorden van het graafschap Essex.
Een makkelijke start is het allerminst: het gezin heeft geen eigen onderdak en verblijft de eerste twee jaar in een opvangcentrum.
Gisteren nog vandaag
In 1950 vindt de familie eindelijk een vaste stek in Waltham Cross in het graafschap Hertfordshire.
Vader Rodger vindt werk bij Ferguson’s Radio in Enfield, terwijl moeder Dorothy aan de slag gaat in een fabriek in Broxbourne.
In Engeland kregen zijn ouders later nog een dochter, Joan (Joan Pilgrim).
Het is de jonge Harry Webb die een decennium na hun aankomst in Engeland voor altijd de muziekgeschiedenis zou veranderen: vanaf 1958 breekt hij definitief door onder zijn artiestennaam Cliff Richard.
Geschat wordt dat Cliff Richard inmiddels wereldwijd meer dan 250 tot 260 miljoen platen heeft verkocht.
Dit indrukwekkende aantal omvat zowel zijn albums als zijn singles, waarmee hij zich schaart tussen de bestverkopende muziekartiesten aller tijden.
Bovendien brak hij records door in acht opeenvolgende decennia albums in de Britse top 5 te krijgen.
Gisteren nog vandaag
Toch kende zijn leven ook diepe dalen en zware beproevingen.
In augustus 2014 deed de Britse politie een inval in zijn appartement in Berkshire na een beschuldiging van historisch misbruik.
De BBC was vooraf getipt en bracht de inval live op televisie met helikopters in beeld. Cliff Richard was op dat moment niet eens in het land en moest via de media toezien hoe agenten door zijn persoonlijke spullen liepen.
De zanger werd hierdoor wereldwijd direct in verband gebracht met zware misdrijven.
Hij gaf later in de rechtbank aan dat hij door de extreme stress vreesde voor een hartaanval, leed aan zware depressies en zich voor het leven besmeurd voelde.
Pas in juni 2016, na bijna twee jaar in tergende onzekerheid te hebben geleefd, seponeerde het Openbaar Ministerie de zaak officieel wegens een totaal gebrek aan bewijs.
Hij werd dan ook nooit gearresteerd of officieel aangeklaagd.
Slechts twee maanden na deze officiële vrijpleiting, in augustus 2016 op 73-jarige leeftijd, overleed zijn oudste zus Donna, aan de gevolgen van een langdurige ziekte.
Cliff Richard verklaarde later dat de stress van het onterechte schandaal hem mentaal volledig had uitgeput, waardoor de klap van haar overlijden extra hard aankwam.
Later klaagde hij met succes de BBC en de politie aan wegens ernstige schending van zijn privacy, een geruchtmakende rechtszaak die hij in 2018 definitief won.
Zijn andere zus Jacqueline, beter bekend als Jacqui, trouwde in 1968 en hield zich, net als de rest van de familie, altijd grotendeels buiten de schijnwerpers.
Recent overwon hij bovendien een behandeling tegen prostaatkanker, die eind 2024 werd ontdekt.
Na zijn herstel sprak hij zich publiekelijk uit over het grote belang van tijdige medische controles.
De jarige zanger staat nog altijd op het podium en verdeelt zijn tijd tegenwoordig tussen muziek en zijn pensioenleven.
Zo brengt hij een deel van zijn tijd door in Portugal en brengt hij nog steeds jaarlijkse merchandise uit, waaronder zijn bijzonder populaire kalenders.
Stilzitten doet hij allerminst. Op 7 september bracht hij de nieuwe single “Spirit in the Sky” uit, een cover van de klassieker van Norman Greenbaum, als voorloper van een gloednieuw album.
Dit album, getiteld Only Number Ones, verschijnt op vrijdag 27 november 2026.
Het is zijn 48e studioalbum en vormt een tribuut aan collega-artiesten die de hoogste positie in de hitlijsten wisten te bereiken.
Cliff Richard zingt hierop zijn eigen unieke versies van twaalf van zijn persoonlijke favoriete Britse nummer 1-hits. Naast “Spirit in the Sky” covert hij grote klassiekers zoals “Sign of the Times” van Harry Styles, “From Me to You” van The Beatles, “My Sweet Lord” van George Harrison en “Oh, Pretty Woman” van Roy Orbison.
Voor de verzamelaars verschijnt er tevens een speciale deluxe-uitvoering van het album.
Hierop zijn, naast de nieuwe covers, al zijn eigen veertien officiële Britse nummer 1-hits toegevoegd, waaronder “Living Doll”, “We Don’t Talk Anymore” en “Mistletoe and Wine”.
Van vergeten B-kantje tot wereldwijde streaminghit: het bijzondere verhaal achter Ocean Deep
Het prachtige nummer ‘Ocean Deep’ werd geschreven door het Britse songwritersduo Rod Trott en Jon Sweet.
Toen Cliff Richard het in 1983 opnam voor zijn album Silver, zagen noch de platenmaatschappij, noch de producers er een potentiële hit in. Het nummer werd dan ook weggestopt als B-kantje van de single ‘Baby You’re Dynamite’.
Radio-dj’s en fans dachten daar echter heel anders over. De achterkant van het plaatje werd zo massaal gedraaid en aangevraagd dat de platenfirma overstag ging en ‘Ocean Deep’ alsnog als officiële A-kant uitbracht.
In het Verenigd Koninkrijk bleef het succes destijds steken op een bescheiden 72e plaats in de hitlijsten, maar het bleek wel het startschot voor een ongekende cultstatus.
Hoewel het nummer dus in Europa destijds geen gigantische hitnotering behaalde, is het vandaag de dag Cliff Richards meest gestreamde nummer op Spotify, met ruim 46 miljoen streams.
Daarmee laat het zelfs iconische klassiekers als ‘We Don’t Talk Anymore’ en ‘Devil Woman’ ver achter zich.
De kracht zit voor een groot deel in de herkenbare emotie.
De tekst schetst het pijnlijke beeld van iemand die emotioneel volkomen geïsoleerd is en de liefde bijna wanhopig smeekt om een kans: Love, can’t you see I’m alone? Can’t you give this fool a chance?
De term ‘Ocean Deep’ staat symbool voor de peilloze diepte van zijn gevoelens en de leegte waarin hij verdrinkt terwijl hij eenzaam de slaap probeert te vatten: And as I cry myself to sleep… I’m so lonely.
Dat het nummer digitaal zulke duizelingwekkende cijfers haalt, heeft vooral te maken met de immense populariteit in Zuidoost-Azië.
In landen zoals de Filipijnen is het een absolute evergreen geworden.
Emotionele ballads over onbeantwoorde liefde en eenzaamheid zijn daar van oudsher enorm geliefd en het lied is er dan ook een vast onderdeel van het radio- en karaokelandschap.
De Aziatische markt telt een reusachtige en bijzonder actieve mobiele bevolking die volop luistert via streamingdiensten.
Omdat jong en oud het nummer daar al tientallen jaren koesteren, vertaalt die liefde zich rechtstreeks in miljoenen constante streams.
Bovendien leent de dramatische intensiteit van het nummer zich uitstekend voor covers op TikTok, waardoor ook de allernieuwste generatie luisteraars het ontdekt en direct aan de eigen afspeellijsten toevoegt.
Arthur Alexander werd geboren op 10 mei 1940 in Florence, Alabama.
Hij groeide op met de klanken van blues en countrymuziek die uit de radio schalden.
Zijn jeugd kende al vroeg verdriet, want zijn moeder Fanny Scott Springer overleed toen de kleine Arthur, die de bijnaam June droeg, nog maar drie jaar oud was.
Toen June een jaar of vijf, zes werd, besloot zijn vader zijn bluesgitaar definitief aan de muur te hangen en te stoppen met zijn uitzichtloze bestaan als muzikant.
De senior had met zijn muziek nooit geld verdiend en wilde koste wat het kost voorkomen dat zijn zoon hetzelfde lot te wachten stond.
Desondanks sloot de dertienjarige June zich aan bij The Heartstrings, een plaatselijke gospelgroep.
Met deze formatie deed hij zijn eerste podiumervaringen op, voornamelijk in de kerk.
De groep was een pure a-capellazangformatie zonder instrumenten en trad zelfs af en toe op zaterdag op in een lokaal televisieprogramma.
Als jonge man werkte hij onder meer in de bouw, maar zijn passie voor het schrijven en zingen bleef onverminderd groot.
Begin jaren zestig belandde hij bij Fame Studios in Muscle Shoals, een plek die later legendarisch zou worden, maar waarvan Alexander mede aan de wieg stond.
Zijn doorbraak kwam in 1961 en 1962 met ‘You Better Move On’, opgenomen in een omgebouwde tabaksschuur die diende als studio voor Rick Hall.
Het nummer was vernieuwend doordat het de emotionele diepgang van soul combineerde met de melodieuze eenvoud van country.
Deze kenmerkende country-soul werd zijn handelsmerk en zette Muscle Shoals definitief op de muzikale kaart.
Hoewel Arthur Alexander in Europa nauwelijks bekendheid genoot en er in Amerika slechts vier bescheiden hitjes in de Billboard Hot 100 belandden, werd veel van zijn materiaal gretig opgepikt door de allergrootsten.
Hij bezit de unieke eer de enige artiest en songschrijver te zijn van wie het werk werd omarmd door zowel The Beatles, The Rolling Stones als Bob Dylan.
The Beatles namen zijn ‘Anna (Go to Him)’ op voor hun debuutalbum Please Please Me in 1963, en The Rolling Stones kozen ‘You Better Move On’ voor hun eerste lp.
Bob Dylan nam in 1970 zijn nummer ‘Sally Sue Brown’ op. Ook andere artiesten vonden goud in zijn repertoire.
Zo nam Johnny Kidd and the Pirates zijn ‘A Shot of Rhythm and Blues’ op, en nam Elvis Presley zijn opname van ‘Burning Love’ over om er een wereldwijde monsterhit mee te scoren.
Precies vijftig jaar geleden, in 1976, bracht Alexander zelf de single ‘Sharing The Night Together’ uit, een nummer dat werd geschreven door Ava Aldridge en Eddie Struzick en later in 1979 wereldwijd bekend zou worden in de versie van Dr. Hook.
In de jaren zestig en vroege jaren zeventig bracht hij nog prachtige nummers uit, waaronder ‘Everyday I Have to Cry’ en ‘Soldier of Love’, dat eveneens door The Beatles live werd gespeeld tijdens hun BBC-sessies.
Ondanks het enorme artistieke respect kreeg Alexander te maken met oneerlijke contracten en persoonlijke tegenslagen.
Gefrustreerd door de zakelijke kant van de muziekindustrie trok hij zich in de loop van de jaren zeventig geleidelijk terug.
Alexander verdween lange tijd vrijwel geheel uit de spotlights. Hij verhuisde naar Cleveland, Ohio, waar hij jarenlang werkte als buschauffeur voor een sociaal centrum en als conciërge.
Pas in het begin van de jaren negentig werd hij herontdekt door toegewijde muziekliefhebbers en critici.
Dit leidde tot een hartverwarmende comeback met het album Lonely Just Like Me in 1993, zijn eerste nieuwe studiowerk in ruim twintig jaar.
De plaat bewees dat zijn warme, breekbare stem en uitzonderlijke melodiegevoel onaangetast waren gebleven.
Slechts enkele maanden na de release van zijn comebackalbum en vlak voor een geplande promotietournee werd hij onwel tijdens een repetitie in Nashville.
Hij werd opgenomen in het ziekenhuis en overleed kort daarna, op 9 juni 1993, op 53-jarige leeftijd aan de gevolgen van hartfalen.
Gerhard Höllerich zag op 25 januari 1943 het levenslicht met één grote droom: popartiest worden.
Amper achttien was hij toen hij zijn eerste muzikale stappen zette bij The Honky Tonks. Zijn diepzwarte haren en zijn grote bewondering voor Roy Orbison leverden hem al snel zijn bekende artiestennaam op: Roy Black.
Twee jaar later stampte hij zijn eigen band Roy Black and his Cannons uit de grond, wat leidde tot een ontmoeting met producer Hans Bertram.
De start in 1964 verliep niet meteen van een leien dakje, want zijn eerste singles ‘Sweet Baby mein’ en ‘Darling my Love’ kregen nauwelijks aandacht.
Maar met zijn derde poging, ‘Du bist nicht allein’, schoot hij pal in de roos.
Het was het begin van een waanzinnige succesperiode: tot 1969 belandden al zijn singles in de top 10, en maar liefst zes ervan stootten door naar nummer één.
Tussendoor dook hij ook regelmatig op in populaire bioscoopfilms.
In 1971 scoorde hij een enorme internationale voltreffer met het aanstekelijke duet ‘Schön ist es auf der Welt zu sein’, aan de zijde van de toen tienjarige Noorse Anita Hegerland (die van 1987 tot en met 1991 getrouwd was met Mike Oldfield; samen kregen ze twee kinderen).
Daarna keerde het tij. De hits bleven uit en Roy belandde in een diep dal, waarbij vooral zijn privéproblemen en een aanslepende strijd tegen alcohol en pillen de pers haalden.
Toch gaf hij niet op. In 1985 maakte hij een knappe comeback met het nummer ‘Mona’, en vanaf 1989 sloot het publiek hem opnieuw massaal in de armen dankzij zijn rol in de kijkcijferhit Ein Schloß am Wörthersee.
Het herwonnen geluk bleek helaas van korte duur. Op 9 oktober 1991 sloeg het noodlot toe: Roy overleed plots aan een hartinfarct, nauwelijks een maand na de geboorte van zijn dochtertje Nathalie.
Zijn bewogen levensverhaal inspireerde nadien verschillende boeken en leidde tot de film ‘Du bist nicht allein, Die Roy Black Story’, waarin niemand minder dan Christoph Waltz in de huid van de zanger kroop.
Voor mij persoonlijk blijft ‘Du bist nicht allein’ een van de absolute hoogtepunten uit de Duitse popgeschiedenis. Kunnen jullie mij daarin volgen?
John Henry Bonham, geboren op 31 mei 1948 in Redditch, Worcestershire, geldt als een van de meest invloedrijke drummers uit de geschiedenis van de rockmuziek.
Als de drijvende kracht achter Led Zeppelin wist hij ongekende kracht te combineren met een verfijnde groove, dynamiek en een feilloos gevoel voor swing.
Zijn unieke status werd decennia later, in 2019, nog eens onderstreept toen het gerenommeerde muziektijdschrift Rolling Stone hem uitriep tot de beste drummer in de geschiedenis van de popmuziek.
Zijn muzikale reis begon al op vijfjarige leeftijd, toen hij ritmes oefende op koffieblikken en voorraadbussen.
Pas rond zijn vijftiende kreeg hij van zijn vader zijn eerste echte drumstel.
Zonder ooit formele drumlessen te volgen, ontwikkelde hij op het gehoor een volstrekt unieke stijl, beïnvloed door Amerikaanse jazz- en soulmuzikanten.
Voordat hij wereldwijd doorbrak, speelde hij in diverse lokale bands, waaronder Terry Web and the Spiders en Band of Joy, waar hij zanger Robert Plant leerde kennen.
Toen gitarist Jimmy Page in 1968 de Yardbirds nieuw leven wilde inblazen en de basis legde voor Led Zeppelin, haalde Plant zijn kameraad Bonham over om mee te doen.
Met Led Zeppelin verlegde Bonham de grenzen van wat een rockdrummer kon doen.
Hij volgde niet louter de basgitaar, maar speelde ritmische contrapunten tegen de gitaarriffs van Page.
Op 25 september 1980 kwam er echter een tragisch en abrupt einde aan zijn leven.
De 32-jarige drummer stikte in zijn eigen braaksel in het huis van bandgenoot Jimmy Page in Londen, na in de 24 uur daarvoor ruim een liter wodka te hebben gedronken.
Uit de officiële autopsie bleek dat er, naast de alcohol, geen andere drugs in het spel waren.
Zijn overlijden betekende direct het definitieve einde van Led Zeppelin.
De overgebleven leden, gitarist Jimmy Page, bassist John Paul Jones en zanger Robert Plant, besloten unaniem om de groep op te heffen vanuit de diepe overtuiging dat Bonham volstrekt onvervangbaar was.
Pas vanaf eind jaren tachtig kwamen de drie bandleden weer incidenteel samen voor speciale live-optredens.
Tijdens deze zeldzame reünies, zoals het historische concert in de Londense O2 Arena in 2007, nam zijn zoon Jason Bonham de plaats in achter het drumstel, waarmee hij de muzikale erfenis van zijn vader met verve eerde.
Een bijzonder en emotioneel eerbetoon vond plaats in 2012 tijdens de uitreiking van de prestigieuze Kennedy Center Honors. De zussen Ann en Nancy Wilson van de Amerikaanse band Heart brachten daar, in aanwezigheid van de overlevende leden van Led Zeppelin en toenmalig president Barack Obama en first lady Michelle Obama, een memorabele versie van Stairway to Heaven.
Ondersteund door een strijkersorkest en een koor nam Jason Bonham ook bij deze gelegenheid met grote precisie de drumpartij voor zijn rekening.
Rond het leven en het legendarische spel van John Bonham zijn door de jaren heen tal van opmerkelijke weetjes en feiten bewaard gebleven:
Zijn bekende bijnaam Bonzo dankte hij aan zijn enorme fysieke kracht achter het drumstel en aan een gelijknamig Brits stripfiguur, het ondeugende hondje Bonzo the Dog.
Tijdens live-uitvoeringen van zijn instrumentale solonummer Moby Dick gooide Bonham regelmatig zijn drumstokken het publiek in om vervolgens minutenlang met zijn blote handen op de snaredrum, pauken en conga’s verder te spelen, net zolang tot zijn knokkels soms bloedden.
Zijn intro op het nummer ‘When the Levee Breaks’, opgenomen in de traphal van het landhuis Headley Grange met behulp van twee hangende microfoons en een natuurlijk galmeffect, groeide uit tot een van de meest gesampelde drumritmes in de muziekgeschiedenis, onder meer veelvuldig gebruikt binnen de vroege hiphopscene.
In tegenstelling tot veel tijdgenoten die dubbele bassdrums gebruikten, speelde hij vrijwel altijd met een enkel bassdrumpedaal.
Zijn rechtervoet was echter zo razendsnel en krachtig dat toehoorders en collega-muzikanten er vaak heilig van overtuigd waren dat hij twee bassdrums bespeelde.
Hoewel hij hield van snelheid, roem en de adrenaline op het podium, leed hij tijdens tournees aan zware heimwee.
Buiten de spotlights trok hij zich het liefst terug op zijn boerderij The Old Hyde Farm in Worcestershire, waar hij Hereford-runderen fokte en aan oude auto’s en tractoren sleutelde.
Hans Bouwens kwam ter wereld als enig kind van een Nederlandse moeder en een Italiaanse soldaat in het Duitse bezettingsleger.
Toen zijn vader tegen het einde van de oorlog sneuvelde, ontfermden zijn grootouders zich over hem in Wormerveer, in de Zaanstreek.
Hans moest al vroeg de handen uit de mouwen steken.
Nadat hij op zijn veertiende de schoolbanken vaarwel had gezegd, werkte hij onder meer als kaartjesknipper in de plaatselijke cinema van Krommenie, als leerling-lithograaf, dokwerker in de haven en arbeider in een limonadefabriek.
In 1967 waagde hij zijn kans als zanger bij de Zaanse groep Soul Invention.
De bezetting bestond destijds uit Hans Bouwens zelf op zang en gitaar, George Thé op gitaar, Jan Hop aan de drums, Jacques Greuter op orgel, Henk Kramer op saxofoon en Theo Vermast aan de bas.
Omdat een snelle doorbraak uitbleef, besloten ze amper een jaar later van koers te veranderen en gingen ze voortaan als de George Baker Selection door het leven.
Zowel in interviews als in zijn biografie hield Bouwens altijd vol dat de inspiratie kwam van een goedkope pulproman of stationspocket die hij eind jaren zestig had gelezen.
Het hoofdpersonage heette George Baker. Die naam klonk internationaal, zakelijk en krachtig, wat perfect paste bij de Engelstalige pop en soul die hij wilde maken.
Het bewuste boekje zelf behoorde vermoedelijk tot een van de duizenden anonieme kantoornovelles uit die tijd, waardoor de exacte titel met de noorderzon is verdwenen.
De bezetting van de groep bleef in de jaren daarna evolueren. Rond 1969 werd bassist Theo Vermast vervangen door Jan Visser.
In 1971 maakte Visser op zijn beurt plaats voor Cor Veerman, die in 1974 werd opgevolgd door Martin Schoen.
Datzelfde jaar kreeg de band versterking van zangeres Lida Bond, wiens plaats in 1982 werd ingenomen door de Vlaamse zangeres Nelleke Brzoskowski.
Het nummer Little Green Bag groeide uit tot een van de meest tijdloze en herkenbare klassiekers uit de Nederlandse popgeschiedenis.
Met zijn aanstekelijke baslijn en soulvolle ritme veroverde het nummer bij de release in 1969 meteen de hitlijsten, om decennia later dankzij Hollywood nog eens een iconische status te verwerven.
Hans Bouwens schreef het nummer samen met multi-instrumentalist Jan Visser.
Oorspronkelijk luidde de titel Little Greenback, een rechtstreekse knipoog naar het Amerikaanse dollarbiljet en de fascinatie voor geld.
Bij het drukken van de singlehoes liep het echter mis: de platenfirma noteerde de titel per abuis als Little Green Bag. Baker liet het er niet om liggen en paste de titel officieel aan.
Die administratieve flater gaf het nummer prompt een zweem van mysterie, want generaties luisteraars dachten jarenlang dat de tekst over een groen zakje marihuana ging.
Muzikaal drijft het nummer op een onweerstaanbare basriff van Jan Visser, die vanaf de allereerste tel de toon zet voor een energieke cocktail van rhythm-and-blues, soul en nederpop.
De doorleefde zang van Baker, aangevuld met opzwepende percussie en koperblazers, zorgde voor een internationale sound die ongezien fris klonk voor een debuutsingle uit de Zaanstreek.
Na de release in het najaar van 1969 schoot het nummer pijlsnel omhoog.
In Nederland belandde de single vlot in de top tien, en ook bij ons in Vlaanderen en de rest van Europa werd het een schot in de roos.
De echte verrassing volgde in 1970, toen het nummer zelfs doorbrak in de Verenigde Staten en naar de zestiende plaats klom in de vermaarde Billboard Hot 100, een huzarenstukje voor een debuterende Nederlandse formatie.
Dat succes leverde Bouwens en Visser in 1970 de prestigieuze Zilveren Harp van stichting Conamus op, en op 2 juli van datzelfde jaar mocht de voltallige groep een gouden plaat in ontvangst nemen.
Na de jaren zeventig leek het nummer stilaan een mooie herinnering te worden, tot cineast Quentin Tarantino het in 1992 van onder het stof haalde.
Hij koos Little Green Bag als openingstrack voor zijn regiedebuut Reservoir Dogs.
De openingsscène, waarin een stel gangsters met zwarte maatpakken en zonnebrillen in slow motion over straat kuiert op de tonen van die baslijn, groeide op slag uit tot een van de beroemdste filmscènes ooit.
De film bezorgde het nummer een tweede jeugd. Het werd opnieuw op single uitgebracht, bestormde opnieuw de Europese hitlijsten en werd ontdekt door een hele jonge garde muziekliefhebbers.
Sindsdien bleef het succes nazinderen, waardoor het nummer wereldwijd bleef opduiken in reclamespotjes, televisieseries en verzamelplaten.
In 1975 scoorde hij met Una Paloma Blanca een gigantische hit, waarvan er wereldwijd negen miljoen over de toonbank gingen.
Hoewel hij als een van de weinige Nederlandse artiesten wist door te breken in de Verenigde Staten, kreeg hij vanuit de pers bakken kritiek over zich heen.
Recensenten deden zijn muziek af als prullaria. Hij begreep hun mening wel, maar was vooral tevreden dat het grote publiek er gelukkig heel anders over dacht.
Als bezieler en boegbeeld van de groep die zijn naam droeg, hield hij de touwtjes dan ook strak in handen.
Hij hakte alle knopen door, schreef de nummers en produceerde alle albums.
Hij zwaaide de plak als een volleerde verlichte despoot.
Zolang het succes bleef duren, kraaide daar geen haan naar en legde de rest van de band zich neer bij zijn autoritaire aanpak.
Bovendien vormde hij samen met Jacques Greuter het enige overblijfsel van de oorspronkelijke bezetting.
Over succes en muziek had hij een heel eigen kijk. Hij zag zichzelf destijds allerminst als een virtuoos of muggenzifter, en net dat noemde hij zijn grootste troef.
Van spitstechnologie of notenleer had hij geen kaas gegeten.
Volgens hem was die overdaad aan kennis voor veel muzikanten net een valkuil: ze begonnen te ver te zoeken, maakten vooral muziek voor zichzelf en verloren zo de voeling met het brede publiek.
Wanneer hij de studio instapte, zat het nummer al van a tot z in zijn hoofd.
Er werd doorgewerkt tot het voor hem helemaal goed zat.
Van dat eindeloze gefriemel aan de knoppen moest hij niets weten, omdat een plaat daar maar artificieel van ging klinken.
Ook naar zijn groepsleden toe stelde hij geen onmogelijke eisen.
Het waren geen wonderkinderen of uitzonderlijke talenten, maar dat had hij net liever niet, want zulke genieën vond hij maar riskant binnen een groep.
Zijn muzikanten speelden puur op het gevoel en voelden de sfeer perfect aan.
Ook bij het schrijven van nieuwe muziek bleef hij trouw aan zijn beproefde recept.
Zoiets liet zich niet plannen; ideeën kwamen op de meest onverwachte ogenblikken dan ook naar boven.
Soms liep hij dagenlang rond met een melodie in zijn hoofd zonder ook maar één noot neer te pennen.
Pas als hij het nummer vanbuiten kende, trommelde hij de band op om de studio in te duiken.
Hij vond het achteraf gezien alleen jammer dat er destijds te weinig tijd overbleef om aan de teksten te schaven.
Hij had graag echte verhalen verteld over zijn eigen verleden: de armoede, de miserie en zijn jeugdjaren tussen de fabrieksarbeiders.
In de decennia die volgden, bleef zijn stempel op de muziekwereld bijzonder groot en volgde de erkenning voor zijn volledige oeuvre.
In 1985 stampte hij een nieuwe bezetting van de George Baker Selection uit de grond, die vier jaar later definitief stopte.
Zijn levenswerk werd in 2011 bekroond met de TrosKompas Oeuvre Award.
Alles samen bracht hij achtentwintig albums en negenenvijftig singles uit, behaalde hij vijftig gouden en platina platen, schreef hij zeshonderd nummers en gingen er zowat vijfentwintig miljoen exemplaren over de toonbank.
Zijn laatste album, Seventy, kwam uit in 2014.
Op privévlak stapte hij in 1986 in het huwelijksbootje met Blanche Remeeus.
Uit zijn twee huwelijken kwamen in totaal zeven kinderen voort, en hij zag ook zeven kleinkinderen opgroeien.
Met de jaren doken er wel fysieke kwaaltjes op.
Sinds een coronabesmetting in het voorjaar van 2022 sleepte hij de kwalijke gevolgen van het virus met zich mee.
Vooral zijn gehoor ging er flink op achteruit, wat het zuiver zingen bijzonder lastig maakte.
Door die gehoorproblemen moest hij eind 2023 noodgedwongen zijn theatertournee stopzetten, simpelweg omdat hij de juiste toon niet meer kon aanslaan.
Hij gaf destijds aan dat hij het hooguit een halfuurtje kon uitzingen.
Ondanks die mindere periodes bleef de intussen 81-jarige Baker niet bij de pakken neerzitten; hij bleef verknocht aan de muziekwereld en staat af en toe nog op de planken.
50 jaar geleden, reclame voor het album River Song van George Baker Selection (september – oktober 1976)
In de boot met George Baker (Joepie 19 september 1976)
George Baker, ik word kotsmisselijk van al die vedettenkapriolen (Joepie 26 september 19976)
In de vroege jaren zeventig stond Creedence Clearwater Revival op een absoluut hoogtepunt.
Dat was ook te merken tijdens hun indrukwekkende Europese tournee van 4 tot 28 september 1971.
De Californische band reisde toen met een eigen privévliegtuig, een luxe die destijds alleen voor de allergrootste wereldsterren was weggelegd. Van die tournee verscheen later het livealbum Live in Europe.
Eerder speelden ze al in Nederland, op 10 september 1971 in het Concertgebouw in Amsterdam.
Op 24 september 1971 landde Creedence Clearwater Revival met hun privéjet op de luchthaven van Deurne.
Ondanks hun status maakten de muzikanten in België op een toegankelijke manier contact met de aanwezige fans.
Tijdens de paspoortcontrole praatte een douanebeambte, zelf muzikant in een lokaal orkestje, graag even met hen.
Hij vond hun muziek wel goed, maar zwoer dat The Shadows voor hem nog altijd bovenaan stonden.
John Fogerty, de onbetwiste leider en creatieve motor van de groep, werd vergezeld door zijn vaste bandleden Douglas Ray Clifford op drums en Stuart Cook op basgitaar.
Fogerty kreeg handtekeningenverzoeken en bewonderende blikken van een paar meisjes.
Met een cassetterecorder om zijn nek stapte hij samen met de rest van de groep in een taxi.
Tussen de hectische optredens door hechtten de groepsleden veel waarde aan rust en ontspanning.
Muziek luisteren via koptelefoons was voor hen een essentiële manier om de batterijen op te laden en te ontsnappen aan de constante druk van het toeren.
Achter de schermen werd de band ondersteund door die vaste ploeg medewerkers, die ervoor zorgden dat de logistiek rond de internationale concerten vlekkeloos verliep.
Onderweg, van concert naar concert, deden ze volgens hen vooral één ding: relaxen.
Ze kwamen net uit Stockholm, waar de band volgens hen een geweldig onthaal had gekregen.
In het Century Hotel in Antwerpen vertelde Fogerty tijdens de persvoorstelling hoe de groepsnaam tot stand was gekomen.
In 1959, toen hij ongeveer veertien was, startte hij met Doug Clifford en Stu Cook een bluesgroepje.
Fogerty speelde piano, Cook gitaar en Clifford drums.
Ze heetten toen The Blue Velvets en traden op schoolfeesten op.
Een manager veranderde hun naam in The Golliwogs en stak hen in rare hoedjes.
Daar kregen ze al snel genoeg van. Ze namen afscheid van die manager en begonnen in 1969 opnieuw. Toms broer Tom Fogerty speelde intussen ook gitaar mee.
‘Creedence’ stond voor hun geloof in het nieuwe plan. ‘Clearwater’ kwam van een tv-reclame voor Olympia-bier, met ‘ongelooflijk helder water’. ‘Revival’ verwees naar de herstart.
Eerst speelden ze covers als ‘Screamin” van Jay Hawkins en ‘Suzie Q’ van Dale Hawkins.
Daarna schreven ze zelf hits als Proud Mary en Bad Moon Rising.
Het optreden in het Antwerpse Sportpaleis was een krachtige vertoning van hun kenmerkende stijl: rauwe rock met heldere, herkenbare melodieën.
De zaal was tot de nok toe gevuld met een enthousiaste menigte die de Amerikaanse beatgroep met open armen ontving.
Toen de omroeper ‘straight from California, the Creedence Clearwater Revival’ aankondigde, barstte het los.
De geluidsinstallatie was keihard. Het gehoor van sommigen was pas twee dagen later weer normaal.
De setlist van die avond was: ‘Born on the Bayou’, ‘Green River’, ‘It Came Out of the Sky’, ‘Door to Door’, ‘Travelin’ Band’, ‘Fortunate Son’, ‘Commotion’, ‘Lodi’, ‘Bad Moon Rising’, ‘Proud Mary’, ‘Up Around the Bend’ en ‘Hey Tonight’.
Het hoogtepunt van de show waren ‘Proud Mary’ en ‘Bad Moon Rising’.
Het optreden eindigde abrupt, zonder toegiften, alleen met ‘Good night, we thank you, we love you all.’
Niet iedereen was tevreden. Sommige jonge bezoekers vonden het ticket van 150 frank, omgerekend naar de koopkracht van vandaag ongeveer 25 euro, te duur.
Ze hadden de band moderner verwacht. Volgens hen was hun tijd voorbij.
Na afloop zei de groep dat ze naar Stockholm terugkeerden.
Ze hadden daar eerder in een hotel gelogeerd dat op een kasteel in de bossen leek, met kandelaars en lakeien. Daar wilden ze opnieuw ongestoord relaxen.
Het verblijf markeerde een gedenkwaardig moment in de Belgische muziekgeschiedenis.
De ongekende populariteit van de band uit de Bay Area werd die dag in Antwerpen tastbaar
Met meer dan driehonderd miljoen verkochte platen wereldwijd, verdeeld over zo’n tachtig albums, geldt hij zonder twijfel als een van de succesvolste artiesten aller tijden.
Hij staat zelfs in het Guinness Book of World Records als de bestverkopende Latijns-Amerikaanse artiest in de geschiedenis, en wist hits te scoren in meer dan veertien verschillende talen, waaronder het Frans, Italiaans, Engels en zelfs Japans.
Toch hadden zijn verjaardagen er heel anders kunnen uitzien, want feestvieren was vroeger niet altijd vanzelfsprekend.
Als jonge twintiger leek Julio namelijk voorbestemd voor een glorieuze sportcarrière.
Hij stond als talentvolle doelman onder de lat bij de jeugdopleiding van Real Madrid en droomde van een professionele voetbalcarrière, terwijl hij tegelijkertijd rechten studeerde.
Op de vooravond van zijn twintigste verjaardag sloeg het noodlot echter keihard toe.
Door een zwaar auto-ongeluk belandde hij in het ziekenhuis. Zijn onderlichaam raakte verlamd en artsen vreesden dat hij nooit meer op eigen benen zou staan.
Tijdens zijn langdurige revalidatie gaf hij niet op en trainde hij onvermoeibaar door. Om de beweeglijkheid in zijn vingers en handen te verbeteren, gaf een verpleger hem een gitaar cadeau.
Het bleek een wonderlijke speling van het lot: aan het ziekenhuisbed ontdekte Julio zijn passie voor poëzie en muziek, en leerde hij zichzelf akkoorden spelen.
De voetbalschoenen verdwenen definitief in de kast en de muziek nam zijn leven over. In 1968 won hij het prestigieuze Benidorm International Song Festival met ‘La Vida Sigue Igual’, een zelfgeschreven nummer over zijn eigen strijd en herstel.
Slechts twee jaar later, in 1970, vertegenwoordigde hij Spanje op het Eurovisiesongfestival in Amsterdam met het lied ‘Gwendolyne’, waar hij een verdienstelijke vierde plek behaalde.
Zijn echte Europese doorbraak volgde in 1972 met het weemoedige ‘Un Canto A Galicia’, een ode aan de streek waar zijn vader vandaan kwam.
De jaren die volgden markeerden het begin van een internationale zegetocht van ruim 45 jaar.
In 1975 verscheen het prachtige ‘Abrazame’, geschreven door Rafael Ferro en Julio zelf.
Het nummer verscheen destijds op de B-kant van de single ‘Quiero’, en beide nummers vonden hun thuis op het album El Amor.
Voor veel fans behoort de kwetsbare en warme melodie van ‘Abrazame’ nog altijd tot de mooiste parels uit zijn omvangrijke repertoire.
Later veroverde hij ook Amerika stormenderhand met duetpartners als Willie Nelson met ‘To All the Girls I’ve Loved Before’ en Diana Ross.
Bovendien gaf hij het muzikale talent door aan de volgende generatie, met zoons Julio Jr. en superster Enrique Iglesias.
Zijn laatste studioalbum, México & Amigos, verscheen in 2017.
Bij de lancering liet de zanger weten dat dit definitief zijn afscheid van de studio betekende.
Tegenwoordig geniet de jarige zanger in relatieve rust van zijn welverdiende pensioen op zijn riante landgoederen in Punta Cana in de Dominicaanse Republiek en in Florida, al blijft zijn legendarische stem over de hele wereld voortklinken.
Maj-Lill Lindfors, bekend als Lill Lindfors, werd op 12 mei 1940 geboren in Helsinki, Finland.
Op jonge leeftijd verhuisde ze met haar familie naar Zweden, waar ze zou uitgroeien tot een van de meest veelzijdige en geliefde podiumpersoonlijkheden van de Scandinavische lichte muziek.
Haar talent omvat een breed scala aan genres, van pop, jazz en bossanova tot kleinkunst, revue en theater.
Haar grote internationale doorbraak als zangeres beleefde ze in 1966, toen ze samen met Svante Thuresson voor Zweden optrad op het Eurovisiesongfestival in Luxemburg.
Hun duet ‘Nygammal vals’ behaalde een verdienstelijke tweede plaats en vestigde haar naam definitief in Noord-Europa.
In 1967 bracht Lindfors het album ‘Du Är Den Ende’ uit.
Dit succesvolle album bevatte een rijke verzameling liedjes, waaronder vertalingen van nummers van onder meer Bob Dylan en Burt Bacharach.
Een van de meest opvallende nummers op dit album is ‘Du för mig’.
‘Du för mig’ is de Zweedse bewerking van de Britse hit ‘Concrete And Clay’ uit 1965, geschreven door Brian Parker en Tommy Moeller en oorspronkelijk beroemd gemaakt door de groep Unit 4 + 2.
Met de Zweedse vertaling wist Lindfors het ritmische, popgerichte nummer van een eigen, lichte en charmante flair te voorzien op haar album uit 1967.
Naast haar successen in Scandinavië bouwde ze vanaf de tweede helft van de jaren zestig en in de jaren zeventig ook een aanwezigheid op in Duitsland.
Ze bracht diverse Duitstalige singles uit, waaronder ‘Es könnte Liebe sein’ en ‘Jacky John’, en trad regelmatig op in populaire Duitse muziekprogramma’s.
In 1976 kreeg ze bij de Duitse televisie zelfs een eigen muzikale tv-special, de Lill Lindfors Show, waarin ze optrad aan de zijde van bekende artiesten als Horst Jankowski, Bill Ramsey en The King’s Singers.
Bijna twee decennia na haar eerste songfestivaldeelname, in 1985, schreef ze opnieuw songfestivalgeschiedenis, maar ditmaal als presentatrice van het evenement in Göteborg.
Met haar warme humor en een vlekkeloos uitgevoerde kledinggrap op het podium verwierf ze een legendarische status bij miljoenen tv-kijkers in heel Europa.
In de decennia die volgden bleef Lill Lindfors zich voortdurend vernieuwen.
Ze bleef actief in het theater, werkte samen met vooraanstaande jazzmuzikanten en zette zich in als UNICEF-ambassadeur.
Tegenwoordig treedt de nu 86-jarige Lill Lindfors nog incidenteel op, zoals bij speciale concerten of zomersessies.
In de media spreekt ze zich regelmatig uit tegen leeftijdsdiscriminatie en pleit ze voor een respectvolle blik op ouderen.
Ze leidt tegenwoordig een rustig leven in Högby (Bläsinge) op het eiland Öland in Zweden, waar ze tijd besteedt aan wandelen in de natuur en contacten met vrienden.
Op 14 september is het 58 jaar geleden dat het leven van Roy Orbison op tragische wijze voorgoed veranderde.
Op die dag in 1968 werd zijn woning in Hendersonville, Tennessee, volledig in de as gelegd door een verwoestende brand.
De zanger bevond zich op dat moment in Engeland voor een tournee, terwijl zijn drie zonen bij zijn ouders logeerden die op de kinderen pasten.
Bij de uitslaande brand kwamen twee van zijn zonen om het leven: de 11-jarige Roy Dewayne en de 6-jarige Anthony.
Zijn jongste zoon, de toen driejarige Wesley, overleefde de ramp doordat zijn grootouders hem tijdig uit de vlammenzee konden redden.
Het vuur ontstond in de middag en greep door de constructie van het huis en de aanwezige materialen razendsnel om zich heen, waardoor de hulpdiensten helaas machteloos stonden.
De woning aan het Old Hickory Lake op Caudill Drive was daarna niet meer dan een ruïne.
Zijn goede vriend en buurman Johnny Cash was diep geraakt door het drama.
Hij besloot het terrein op te kopen om het een waardige bestemming te geven en liet er een boomgaard aanplanten als een blijvend, levend monument ter nagedachtenis aan de overleden kinderen.
In Dreams is een van de meest iconische nummers van Roy Orbison en het gaat, zoals de titel al doet vermoeden, over de droomwereld waarin de zanger zich terugtrekt om zijn geliefde te zien nadat de relatie is beëindigd of de geliefde is vertrokken.
Het lied beschrijft een proces van dagdromen dat begint zodra de zanger gaat slapen.
In die droomwereld is zijn geliefde nog bij hem, praten ze samen en is alles zoals het vroeger was.
Het contrast tussen de droom en de harde werkelijkheid staat centraal: de zanger geniet intens van de droom, maar wordt elke ochtend wakker met de pijnlijke realisatie dat hij alleen is en dat zijn geliefde hem heeft verlaten.
Het nummer staat bekend om de ongebruikelijke structuur, die meer aanvoelt als een operastuk dan als een standaard popliedje.
Het begint bijna als een slaapliedje, bouwt in tempo op en bereikt een emotioneel hoogtepunt wanneer hij wakker wordt en de realiteit onder ogen moet zien.
Het legt op een zeer gevoelige manier de kwetsbaarheid van een gebroken hart vast, waarin de grens tussen verlangen, herinnering en verdriet volledig vervaagt.
Ondanks dat het nummer al uit 1963 stamt en dus van voor de familieramp in 1968 is, wordt de tekst door veel luisteraars vaak gelinkt aan de latere tragiek in het leven van Orbison.
De sfeer van het nummer sluit naadloos aan bij de melancholie die zijn gehele carrière kenmerkte.
Wesley Orbison, geboren op 13 mei 1965, heeft de muziek van zijn vader altijd als een belangrijke rode draad in zijn leven behouden.
Hij is zelf actief als songwriter en gitarist en schreef onder meer mee aan het nummer The Only One, dat verscheen op het succesvolle postume album Mystery Girl.
Tegenwoordig woont en werkt Wesley in Nashville, waar hij zich samen met zijn halfbroers Roy Jr. en Alex, die uit het tweede huwelijk van zijn vader werden geboren, inzet voor het beheer van het omvangrijke muzikale erfgoed van Roy Orbison.
Achter het buitengewone muzikale talent van Billy Preston ging een complex en getroebleerd privéleven schuil.
Hoewel hij uitgroeide tot een van de meest gevraagde toetsenisten ter wereld en nauw samenwerkte met grootheden als The Beatles en The Rolling Stones, bleef een groot deel van zijn persoonlijke realiteit noodgedwongen verborgen voor het grote publiek.
Preston was homoseksueel, maar kon daar tijdens het overgrote deel van zijn leven niet open over zijn.
Binnen de muziekindustrie en zijn directe omgeving was zijn geaardheid overigens wel bekend. K
Keith Richards schreef later in zijn memoires over de moeilijke positie waarin Preston zich destijds bevond, in een tijdperk waarin openheid over homoseksualiteit nauwelijks getolereerd werd.
Ook Olivia Harrison, weduwe van George Harrison, herinnerde zich hoe Preston op tournee geregeld mannelijke gezellen meenam die hij discreet voorstelde als familieleden, terwijl de bandleden op de hoogte waren van de situatie.
Zijn diepgewortelde christelijke opvoeding binnen de baptistengemeente zorgde voor een zware innerlijke tweestrijd.
Preston worstelde decennialang met schuldgevoelens door de veroordeling van zijn geaardheid binnen de kerk.
Die psychische druk leidde uiteindelijk tot ernstige verslavingen aan alcohol en verdovende middelen, wat vanaf de vroege jaren negentig uitmondde in herhaalde aanvaringen met justitie.
Een dramatisch dieptepunt deed zich voor in september 1991, toen Preston in Los Angeles werd aangehouden na een incident in zijn woning met een zestienjarige jongen.
Volgens het politiedossier had hij de jongen meegenomen onder het voorwendsel van een klusje, waarna er sprake was van ongewenste intimiteiten en drugsgebruik.
Preston testte na zijn arrestatie positief op cocaïne.
In 1992 trof hij een gerechtelijke schikking waarbij hij geen verweer voerde, waarna hij een voorwaardelijke straf kreeg en zich verplicht liet opnemen in een ontwenningskliniek.
Hoewel de zaak veel ophef veroorzaakte, bleef het binnen zijn strafblad bij dit specifieke voorval.
Latere juridische moeilijkheden draaiden voornamelijk om aanhoudend drugsbezit en overtredingen van voorwaardelijke regelingen.
Intimi en biografen wezen er later op dat Prestons gedrag niet los kon worden gezien van zijn zware verslaving en een onverwerkt verleden; als wonderkind in het gospelcircuit was hij op jonge leeftijd zelf slachtoffer geworden van misbruik, een trauma dat hem zijn hele leven bleef achtervolgen.
Pas aan het einde van zijn leven vond hij enige vorm van bevrijding.
Tijdens sessies in een afkickkliniek sprak Preston voor het eerst openhartig over zijn geaardheid.
Daarbij deed hij ook opmerkelijke onthullingen over zijn verborgen liefdesleven: hij vertelde zijn begeleiders dat hij in de loop der jaren romances had gehad met zeven bekende zwarte zangers.
De strenge normen binnen de gospel- en soulwereld dwongen hen destijds allemaal om die relaties angstvallig geheim te houden.
De namen van de betrokkenen zijn door de therapeuten nooit openbaar gemaakt, maar de getuigenis illustreerde hoe intens het dubbelleven was waarin hij gevangen zat.
Niet veel later sloeg het noodlot fysiek toe.
Preston kampte al langer met zware gezondheidsproblemen door nierfalen, deels als gevolg van eerdere nierziekten en een mislukte niertransplantatie in 2002.
Na een ademstilstand raakte hij in november 2005 in een diepe coma waaruit hij niet meer zou ontwaken.
Billy Preston kwam twintig jaar geleden te overlijden op 6 juni 2006 op 59-jarige leeftijd.
Deze tragische spagaat tussen geloof, onverwerkte trauma’s, verslaving en een uitzonderlijke muzikale gave vormde later de rode draad in de documentaire That’s the Way God Planned It.
Billy Preston gearresteerd (Veronica, week 36 van 1991)
Tijdens de opname van ‘With My Eyes Wide Open‘, waarin Patti Page vier verschillende partijen voor haar rekening nam, moest ze elke noot op de piano aanslaan om niet de draad kwijt te raken.
Ze gaf zelf toe dat ze geen enkele noot muziek kon lezen.
De zangeres, die ondertussen bekendstond onder de bijnaam ‘The Singing Rage‘, bewees daarmee dat muzieknoten voor haar weliswaar Latijn waren, maar dat dit een groot succes als vocaliste absoluut niet in de weg hoefde te staan.
Achter de artiestennaam Patti Page ging de op 8 november 1927 geboren Clara Ann Fowler schuil, die opgroeide in extreme armoede in het stadje Claremore in Oklahoma.
Ze was een van de elf kinderen (zeven zusjes en drie broers, als op één na jongste) in een gezin waar haar vader bij het spoor werkte en haar moeder katoen plukte.
Als kind liep ze op blote voeten naar school om haar enige paar schoenen te sparen voor de kerk, en de radio thuis mocht zelden aan uit angst voor een hoge stroomrekening.
Zelf zag ze zichzelf als een heel gewoon, huiselijk meisje.
In het kleine Claremore kende iedereen elkaar en werden er gezellige dansavondjes georganiseerd.
Hoewel haar moeder het orgel in de kerk bespeelde en haar vader gitaar speelde, was niemand in het gezin beroepsmuzikant.
Clara Ann was de enige van de kinderen met een echte passie voor muziek.
Samen met twee van haar zusjes vormde ze een trio waarmee ze optrad op schoolfuifjes.
Oorspronkelijk droomde ze er overigens van om kunstenares te worden en kreeg ze zelfs een beurs voor de kunstacademie, maar die sloeg ze af toen haar muzikale carrière opeens een vlucht nam.
Op twaalfjarige leeftijd verhuisde het gezin naar Tulsa.
Tot dat moment had de jonge zangeres zich nooit echt voor de radio geïnteresseerd; ze had dan ook nooit durven dromen dat ze ooit nog op het podium zou staan met grootheden als Dinah Shore en Bing Crosby.
Nog voordat ze van zingen haar beroep maakte, had Clara Ann al op talloze school- en universiteitsfeesten opgetreden.
Rond 1945 begon ze actief te zoeken naar een baantje als zangeres.
Ze deed auditie in elke club in Tulsa, tot ze op een avond een telefoontje kreeg van een radiomanager van het lokale radiostation KTUL, die haar op een schoolfeestje had horen optreden.
Het radiostation zond wekelijks een show uit die gesponsord werd door de ‘Page Milk Company’, genaamd ‘Patti Page Time‘.
Toen de oorspronkelijke zangeres vertrok, boden ze Clara Ann zowel haar plaats als haar artiestennaam aan: deze naam zou ze de rest van haar leven dragen.
Haar grote doorbraak kwam al snel daarna, in 1947, met het nummer ‘Confess’.
Dit nummer zorgde per toeval voor een muzikale revolutie: door een gebrek aan budget voor achtergrondzangers besloot haar producer haar stem dubbel op te nemen.
Hiermee werd Page een van de allereerste artiesten die overdubbing gebruikte om haar eigen harmonieën in te zingen, wat het handelsmerk van haar warme en heldere stemgeluid zou worden.
Haar zangtechniek ging er in de jaren daarna sterk op vooruit, hoewel ze nooit muziek leerde lezen; alles werd uit het hoofd geleerd voordat ze de studio in dook
Zingen kon je volgens haar niet uit boeken leren: het was puur een kwestie van gevoel en de juiste snaar weten te raken bij het publiek.
Via Tulsa kwam ze in Chicago terecht, waar ze zong voor de NBC en de CBS en albums opnam voor het label Mercury.
Haar reusachtige hit ‘Tennessee Waltz’ dankte ze aan een gelukkig toeval.
Toen ze in de winter van 1950 kerstnummers opnam voor Mercury, had ze slechts drie nummers klaar.
Om twee singles te vullen was er een vierde nummer nodig.
Arrangeur Jack Rael stelde de ‘Tennessee Waltz’ voor: een schot in de roos, want er werden al snel meer dan drie miljoen exemplaren van verkocht.
Zowel deze plaat als ‘Mocking Bird Hill’ stormden de Hit Parade binnen.
In de jaren 50 groeide ze uit tot de best verkopende vrouwelijke artiest ter wereld met een onweerstaanbare mix van pop en country.
Haar versie van ‘Tennessee Waltz’ uit 1950 werd een gigantisch fenomeen, stond maandenlang op de eerste plaats in de hitlijsten en groeide later zelfs uit tot een van de officiële volksliederen van de staat Tennessee.
Het werd een absoluut record: er werden uiteindelijk meer dan 10 miljoen exemplaren van verkocht, wat het lange tijd de bestverkochte single door een vrouwelijke artiest ooit maakte.
In haar zeven decennia omvattende carrière verkocht ze wereldwijd meer dan 100 miljoen platen, behaalde ze maar liefst 15 gouden platen en scoorde ze minstens 14 miljoenen-sellers.
Internationale bekendheid vergaarde ze daarnaast met onvergetelijke klassiekers zoals het aanstekelijke ‘(How Much Is) That Doggie in the Window?’ en hits als ‘All My Love’ en ‘Cross Over the Bridge’.
Naast haar imposante platensucces was ze een graag geziene gast op televisie en presenteerde ze haar eigen pop- en countryshows.
Haar populariteit was in de jaren 50 zelfs zo groot dat ze de enige artiest in Amerika werd die haar eigen televisieshows mocht presenteren op alle drie de grote landelijke netwerken (ABC, CBS en NBC).
In haar privéleven kende ze zowel geluk als tegenslagen.
Na een heel kort eerste huwelijk trouwde ze in 1956 met Hollywood-choreograaf Charles O’Curran, met wie ze twee kinderen adopteerde: zoon Danny en dochter Kathleen.
Via hem raakte ze ook bevriend met Elvis Presley; ze zongen soms samen achter de schermen en ze dook zelfs onbetaald op als figurante in de beroemde trouwscène van zijn film Blue Hawaii.
Later, in 1990, vond ze opnieuw de liefde bij Jerry Filiciotto, met wie ze naast haar muziek een esdoornsiroopbedrijf opzette in New Hampshire.
Tot zijn overlijden in 2009 bleven ze samen.
Patti Page bleef tot op hoge leeftijd met veel passie optreden en werd gedurende haar lange carrière bekroond met meerdere onderscheidingen, waaronder haar eerste Grammy Award in 1999 voor haar livealbum in Carnegie Hall.
Ze overleed op nieuwjaarsdag, 1 januari 2013, op 85-jarige leeftijd in een verzorgingstehuis in Encinitas (Californië) aan de gevolgen van hartfalen en longaandoeningen.
Vlak na haar overlijden werd ze eervol bekroond met een postume Grammy Lifetime Achievement Award.
Aretha Franklin zag op 25 maart 1942 het levenslicht in Memphis als dochter van een baptistenpredikant.
Ze groeide op in Detroit, waar haar muzikale talent al op zeer jonge leeftijd tot bloei kwam in het kerkkoor van haar vaders New Bethel Baptist Church.
Haar jeugd werd echter gekenmerkt door een snelle opeenvolging van ingrijpende gebeurtenissen.
Op veertienjarige leeftijd werd ze al voor het eerst moeder van een zoon, Clarence, vernoemd naar zijn vader.
Slechts een jaar later schonk ze het leven aan haar tweede zoon, Edward, van een andere vader.
Omdat Franklin haar zangcarrière verder moest uitbouwen, nam haar grootmoeder de dagelijkse zorg voor de twee jongens op zich.
Met de volle steun van haar vader verhuisde ze in 1960 naar New York.
Een demoband belandde op het bureau van John Hammond, de vermaarde ontdekker van Billie Holiday, die haar meteen een platencontract bezorgde bij Columbia Records.
Nog datzelfde jaar verscheen haar debuutsingle ‘Today I Sing the Blues’, een jaar later gevolgd door het album ‘Aretha’.
In de vroege jaren zestig boekte ze bescheiden successen met nummers zoals ‘Rock-a-bye Your Baby with a Dixie Melody’ en ‘Operation Heartbreak’.
Hoewel de grote hitstream toen nog uitbleef, doopte een radiodj in Chicago haar in die periode al om tot ‘The New Queen of Soul’.
Op persoonlijk vlak koos ze in 1961 voor een huwelijk met Ted White, wat tegen de wil van haar vader in ging.
White nam de rol van manager over van haar vader, en in 1964 verwelkomden ze hun zoon Ted Junior.
Achter de schermen ging het er stormachtig aan toe; volgens intimi werd Franklin door haar echtgenoot fysiek mishandeld.
In 1966 dwong White haar om Columbia Records te verlaten en te tekenen bij Atlantic Records.
Deze overstap luidde haar definitieve doorbraak in.
In april 1967 bracht ze bij haar nieuwe label de single ‘Respect’ uit, een bewerking van een nummer van Otis Redding.
Het album groeide niet alleen uit tot een gigantische hit, maar ook tot het officieuze volkslied van de Civil Rights Movement.
Franklin werd de stem van zwart Amerika genoemd.
Hoewel ze zelden meeliep in protestmarsen, gebruikte ze haar bekendheid om grote menigten te trekken, geholpen door de hechte vriendschap tussen haar vader en Martin Luther King.
In 1968 verzilverde ze twee Grammy Awards voor ‘Respect’ en veroverde ze de hitlijsten met de feministische klassieker ‘Think’.
Ze schreef geschiedenis door als tweede zwarte beroemdheid ooit, na Martin Luther King, de cover van Time Magazine te sieren.
Privé bleef het echter roerig.
Haar huwelijk met Ted White liep definitief op de klippen, wat eind 1968 leidde tot een scheiding.
Daarna kreeg ze een knipperlichtrelatie met haar roadmanager Ken Cunningham.
Uit deze relatie werd hun zoon Kecalf geboren, een naam gevormd door de initialen van beide ouders.
Vanaf 1976 raakte haar carrière tijdelijk in een slop.
Voor het eerst in acht jaar greep ze naast de Grammy’s, haar verkoopcijfers bij Atlantic Records zakten in en het album ‘Sweet Passion’ werd een commerciële en artistieke tegenvaller.
Na twaalf jaar beëindigde ze haar samenwerking met Atlantic en stapte ze over naar Arista Records.
Haar grote terugkeer kwam er in 1980 dankzij een geslaagde cover van ‘What a Fool Believes’ van The Doobie Brothers, kort daarna gevolgd door een iconische rol in de filmklassieker ‘The Blues Brothers’.
Toch werd ze opnieuw geconfronteerd met tegenslagen.
Het overlijden van haar vader en een traumatisch vliegtuigongeval, dat resulteerde in een hardnekkige vliegangst en agorafobie, (mensen met agorafobie ervaren intense angst of paniek in situaties buiten hun vertrouwde thuisomgeving), dwongen haar om zich tijdelijk uit het openbare leven terug te trekken.
In 1985 maakte ze een sterke comeback met de plaat ‘Who’s Zoomin’ Who?.
Op dat succesvolle album blonk ook haar krachtige samenwerking met Eurythmics uit.
Het feministische duet ‘Sisters Doin’ It for Themselves’, opgenomen met Annie Lennox, groeide uit tot een wereldwijde pop- en R&B-hit die de kracht van beide zangeressen perfect bundelde.
Ook op persoonlijk vlak kreeg ze terug zware klappen te verwerken: haar tweede huwelijk met acteur Glynn Turman strandde officieel in 1984, na een scheiding van tafel en bed in 1982.
Daarnaast verloor ze haar naaste familieleden aan de gevolgen van kanker; haar jongere zus Carolyn overleed in 1988 op 43-jarige leeftijd aan borstkanker, haar broer Cecil, die tevens haar manager was, overleed in 1989 op 49-jarige leeftijd, en haar oudere zus Erma overleed in 2002 op 64-jarige leeftijd aan keelkanker.
Een van de meest opvallende hoogtepunten uit deze periode was haar samenwerking met George Michael.
In januari 1987 brachten ze het ijzersterke duet ‘I Knew You Were Waiting (For Me)’ uit.
Voor George Michael, die net de groep Wham! had verlaten, was het een droom die uitkwam om met zijn idool te zingen.
Het nummer werd een wereldwijd succes en veroverde de eerste plaats in zowel de Amerikaanse Billboard Hot 100 als de Britse hitlijsten.
Het leverde Franklin haar allereerste Britse nummer 1-hit op en de twee mochten er in 1988 zelfs een Grammy Award voor Best R&B Performance by a Duo or Group mee in ontvangst nemen.
Ondanks alle persoonlijke beproevingen bleef de erkenning voor haar muzikale oeuvre gigantisch.
Naast een indrukwekkende reeks Grammy Awards voor beste r&b-zangeres, werd ze geëerd met een Grammy Legend Award (1991) en een Lifetime Achievement Award (1994).
In 1997 schreef ze geschiedenis als de eerste vrouw die werd opgenomen in de Rock and Roll Hall of Fame.
Twee jaar later ontving ze de National Medal of Arts, de hoogste artistieke onderscheiding in de Verenigde Staten.
Een absoluut hoogtepunt in haar latere carrière was haar optreden tijdens de inauguratie van president Barack Obama in 2009.
Eind 2010 werd bekend dat er alvleesklierkanker bij haar was vastgesteld.
Na langdurige speculaties in de media liet de zangeres weten dat ze de ziekte had overwonnen en zich weer volledig op haar muziek wilde richten.
Dat onderstreepte ze met het album ‘A Woman Falling Out of Love’ in 2011.
In 2014 volgde ‘Aretha Franklin Sings the Great Diva Classics’, waarop haar krachtige versie van Adeles ‘Rolling in the Deep’ hoge ogen gooide.
In 2017 kondigde ze haar pensioen aan, niet lang na het uitbrengen van het album ‘A Brand New Me’ met The Royal Philharmonic Orchestra.
Een geplande reeks afscheidsconcerten moest ze helaas grotendeels afzeggen vanwege haar broze gezondheid.
Want de kanker stak opnieuw de kop op.
Na een periode waarin ze thuis door haar naasten werd verzorgd, overleed Aretha Franklin op 16 augustus 2018 op 76-jarige leeftijd in haar woning in Detroit, omringd door haar familie en vrienden.
Met haar overlijden kwam er een einde aan het leven van een van de allergrootste en meest invloedrijke stemmen uit de muziekgeschiedenis.
Naast haar indrukwekkende levensloop zijn er heel wat bijzondere weetjes die de unieke persoonlijkheid van de Queen of Soul illustreren.
Zo stond Franklin bekend als een buitengewoon begenadigd pianiste, een talent dat ze zichzelf grotendeels op het gehoor aanleerde zonder formeel noten te leren lezen.
Haar iconische status werd na haar overlijden nogmaals bevestigd toen het prestigieuze tijdschrift Rolling Stone haar uitriep tot de allerbeste zangeres aller tijden.
Ook haar extreme vliegangst zorgde voor opmerkelijke situaties; vanaf de jaren tachtig weigerde ze absoluut om nog in een vliegtuig te stappen, waardoor ze al haar tournees aflegde in een speciaal aangepaste, luxueuze touringcar en optredens buiten Noord-Amerika zo goed als uitgesloten waren.
Haar legendarische optreden op de begrafenis van Martin Luther King in 1968 onderstreepte haar diepe verbondenheid met de burgerrechtenbeweging, terwijl haar muzikale veelzijdigheid op briljante wijze bleek toen ze tijdens de Grammy Awards van 1998 op het allerlaatste moment inviel voor de zieke Luciano Pavarotti en moeiteloos het klassieke operastuk ‘Nessun Dorma’ ten gehore bracht.
Tot slot bezat ze een heel eigenzinnige gewoonte tijdens concerten: vanwege slechte ervaringen in haar beginjaren eiste ze steevast dat ze voor elk optreden contant werd uitbetaald, waarna ze haar goedgevulde handtas gedurende het hele concert op of naast de vleugel liet staan
Hoewel de officiële doodsoorzaak van Elvis Presley na zijn overlijden op 16 augustus 1977 werd vastgesteld op hartfalen, werpt zijn voormalige huisarts een ander licht op de zaak.
Elvis werd destijds dood op het toilet aangetroffen en de arts die hem probeerde te reanimeren, dokter Nichopoulos, stelt in zijn boek ‘The King and Doctor Nick’ dat de zanger gered had kunnen worden als hij een operatie niet had geweigerd.
Nichopoulos, die de laatste twaalf jaar van Elvis’ leven deel uitmaakte van zijn entourage, onthult daarin schokkende details over de werkelijke gezondheidstoestand van de King.
Volgens de arts leed Elvis aan een erfelijke darmverlamming die leidde tot een extreme vorm van constipatie.
Zijn dikke darm had een abnormale diameter van vijftien tot achttien centimeter, wat aanzienlijk groter is dan de normale zes tot negen centimeter.
Nichopoulos schrijft dat de doodsoorzaak aanvankelijk onzeker was, maar dat nieuw onderzoek de puzzelstukjes uiteindelijk in elkaar heeft doen vallen.
In de darmen van Elvis werd stoelgang aangetroffen die daar al vier tot vijf maanden vastzat.
Deze aandoening verklaart volgens de dokter ook het beruchte overgewicht van de zanger; dit kwam niet door te veel of te vet eten, maar was een direct gevolg van de ernstige verstopping.
De ziekte had een enorme impact op het leven van de zanger.
Elvis schaamde zich er diep voor en had soms zelfs ongelukjes op het podium, waardoor hij zich tijdens optredens halsoverkop moest omkleden.
Omdat constipatie in de jaren zestig en zeventig nog in de taboesfeer zat en nauwelijks bespreekbaar was, zocht hij onvoldoende hulp, hoewel de behandelingen intussen sterk zijn geëvolueerd.
Nichopoulos is er dan ook van overtuigd dat Elvis wellicht nog in leven had kunnen zijn als hij destijds de nodige darmoperatie had ondergaan.
Op de plaats waar Graceland staat, stond oorspronkelijk een boerderij die eigendom was van Stephen C. Toof, de oprichter van S.C. Toof & Co., een commerciële drukkerij in Memphis.
Het landgoed werd vernoemd naar Toofs dochter, Grace, die de boerderij later erfde.
Spoedig daarna kreeg dit gedeelte van het land de naam Graceland.
In 1939 bouwde Grace Toofs nichtje, Ruth Moore, samen met haar echtgenoot dr. Thomas Moore een landhuis in koloniale stijl op het terrein.
Het landhuis telt drieëntwintig kamers, waaronder acht slaapkamers en badkamers.
De badkamer waar het levenloze lichaam van Elvis werd gevonden, bevindt zich pal boven de entree.
Deze ingang wordt ondersteund door vier grote pilaren, en bij het portiek waken aan weerszijden twee grote leeuwen.
Toen Elvis Graceland kocht, liet hij ingrijpende aanpassingen uitvoeren.
Zo kwamen er een stenen muur rondom het terrein, een smeedijzeren poort met een muziekthema, een zwembad, een tennisbaan en de beroemde Jungle Room, die voorzien is van een overdekte waterval.
In februari en oktober 1976 werd deze Jungle Room omgebouwd tot een opnamestudio.
Hier nam Elvis bijna alle nummers op voor zijn laatste twee studioalbums, ‘From Elvis Presley Boulevard’, ‘Memphis, Tennessee’ en ‘Moody Blue’.
Dit waren zijn laatst bekende opnamen in een studio-omgeving.
Om tot rust te kunnen komen, liet Elvis in de tuin de Meditation Garden aanleggen.
Hij bleef op het landgoed wonen tot aan zijn overlijden op 16 augustus 1977.
Na zijn dood werd Elvis begraven in deze Meditation Garden, net als zijn ouders Gladys en Vernon en zijn grootmoeder.
Ook ligt er een gedenksteen voor Elvis’ tweelingbroer Jesse Garon, die tijdens de geboorte overleed.
De Meditation Garden werd al in 1978 opengesteld voor het publiek, en op 7 juni 1982 opende Graceland officieel de deuren als museum.
Inmiddels is het landgoed uitgegroeid tot een waar bedevaartsoord en vormt het, naast de muziek, de grootste bron van inkomsten voor zijn nabestaanden.
Met jaarlijks zo’n 600.000 tot 700.000 bezoekers is het landhuis in Memphis, Tennessee, het op één na meest bezochte woonhuismuseum van de Verenigde Staten, na het Witte Huis.
Een ticket kost afhankelijk van het gekozen type rondleiding tussen de 53 en 148 dollar voor volwassenen (ongeveer 48 tot 134 euro)
Sinds de openstelling voor publiek op 7 juni 1982 tot aan 2026 hebben in totaal ruim 23 miljoen bezoekers een bezoek gebracht aan Graceland.